Geerpolder Rijsoord - BP TOELICHTING Bijlage 12 Notitie m.e.r..pdf
Tekst van het document
AANMELDINGSNOTITIE VORMVRIJE M.E.R.-BEOORDELING SANERING GLASTUINBOUW EN VORMING WOONLANDSCHAP GEERPOLDER 5 december 2022
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE Milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r.. In artikel 7.2 Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan bepaalde in het Besluit m.e.r. opgenomen plannen en besluiten, die verbonden zijn aan de eveneens in dit Besluit weergegeven activiteiten. Het Besluit m.e.r. bevat hiertoe bijlagen, waarbij vooral de onderdelen C en D van belang zijn. Onderdeel C bevat activiteiten, plannen en besluiten, waarvoor het uitvoeren van een m.e.r. verplicht is. Activiteiten, plannen en besluiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling nodig is, staan in onderdeel D. Voor beide onderdelen gelden per geval drempelwaarden. In relatie tot woningbouw stelt het Besluit m.e.r. dat er sprake kan zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, gekoppeld aan de omschrijving onder D-11.2, kolom 1: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Als de ontwikkeling ook voldoet aan kolom 2 (de drempelwaarde), dan is er sprake van een m.e.r.-plicht. Dit is het geval als de activiteit betrekking heeft op: ˗ Oppervlakte van 100 hectare of meer, ˗ Aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of ˗ Bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. zijn indicatieve waarden.
Dit betekent dat het bevoegd gezag dient na te gaan of de beoogde activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Op grond van artikel 2 lid 5 van het Besluit m.e.r. is daarom een zogenoemde vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Als hieruit blijkt dat er mogelijk belangrijke milieugevolgen zijn, is alsnog een uitgebreide m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Met betrekking tot de inhoud van een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet aandacht worden besteed aan de criteria, die zijn opgenomen in Bijlage III bij de Europese richtlijn betreffende de ‘milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’. Daarbij gaat het om de volgende hoofdpunten: ˗ Kenmerken van het project en de projectlocatie. ˗ Kenmerken van de potentiële effecten van het project. ˗ Afstand tussen het project en (milieu)gevoelige gebieden. TOETSING PROJECT GEERPOLDER Het project betreft de sanering van glastuinbouw, gevolgd door de vorming van een woonlandschap. Concreet is het voornemen om op meerdere kavels in het glastuinbouwgebied van Deltapoort, regio IJsselmonde, de daar aanwezige kassen te slopen en vervolgens in polder Rijsoord een nieuw woonlandschap te creëren met daarbinnen 76 woningen. Het project blijft daarmee ruim onder de drempelwaarden, genoemd in onderdeel D11.2 van het Besluit m.e.r.
Het project is daarom niet m.e.r.-plichtig, maar is wel de vormvrije m.e.r.beoordeling van toepassing. In het kader van een partiële herziening van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) een Toelichting opgesteld, tevens te beschouwen als een ruimtelijke onderbouwing van het project. Het navolgende is afkomstig uit deze Toelichting. De volledige rapportage van de Toelichting is als bijlage aan deze Aanmeldingsnotitie toegevoegd.
1
KENMERKEN PROJECT EN PROJECTLOCATIE Het project betreft de sloop van kassen, gevolgd door de vorming van een woonlandschap met 76 woningen. Vertrekpunt voor het project is de regeling ‘Ruimte voor Ruimte’, door de provincie Zuid-Holland ingesteld om de kwaliteit van het landschap binnen de provinciegrenzen te vergroten. Via deze regeling biedt de provincie aan tuinders de mogelijkheid om met hun bedrijf te stoppen en de bedrijfsgebouwen en kassen te slopen, met in ruil de bouw van woningen. Het bouwen van woningen is daarbij mogelijk onder de voorwaarde dat de totale ontwikkeling bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Het project is gericht op de realisatie van een kwalitatief hoogwaardig landschap, waarbij het Wonen ‘te gast’ is in dit landschap. Deze planvorming laat zich vertalen in een coulisselandschap, gevormd vanuit een stevig raamwerk van water en groen, waarbij de woningen op passende wijze worden ingebed in de aldus gevormde ‘landschapskamers’. De projectlocatie bevindt zich in polder Oud Reijerwaard, in het buitengebied van Ridderkerk. Aan de noordoostzijde grenst de polder aan de (hoger gelegen) Rijkswegen A15/A16 en de (fly-over van de) Geerlaan. Aan de westkant van het plangebied loopt de Lagendijk, die de open polder inkadert.
Aan de zuidoostkant bevindt zich de kern Rijsoord, waarbij het plangebied grenst aan de woningen aan de Rijksstraatweg en de Geerlaan. Aan de zuidoostkant bevindt zich de dorpskern Rijsoord, waarbij het plangebied grenst aan de woningen langs de Rijksstraatweg en de Geerlaan. Momenteel bevinden zich achter de woningen aan de Rijksstraatweg een aantal kassen. In noordelijke richting gaat deze bedrijfsbebouwing over in een open polderlandschap met agrarisch gebruik. Aan de westkant van het plangebied loopt de Lagendijk met daaraan lintbebouwing en eveneens een aantal kassen. Figuur 1: Huidige (links) en toekomstige (rechts) situatie projectlocatie.
De voorgenomen herontwikkeling c.q. het project is m.e.r.-technisch te categoriseren als een stedelijk ontwikkelingsproject. De omvang van dit te realiseren project betreft in totaal 76 wooneenheden. Daarmee blijft de voorgenomen ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen.
2
KENMERKEN POTENTIËLE EFFECTEN • Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Ruimtelijke ordening in Nederland is gericht op het creëren van zowel een aangenaam woon- en leefklimaat als een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bedrijven. Een goede ruimtelijke ordening voorkomt voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten van bedrijven. Daarnaast biedt het bedrijven voldoende zekerheid om hun activiteiten uit te kunnen voeren. Een en ander brengt met zich mee dat weloverwogen keuzes moeten worden gemaakt als het gaat over vestigingslocaties voor woningen enerzijds en bedrijven anderzijds. Aansluitend legt milieuzonering een relatie tussen de milieuaspecten van een bedrijf en de omgeving. Hierbij gaat het vooral om de vraag welke afstand aanvaardbaar is tussen (nieuwe) bedrijven en (nieuwe) woningen. Vanuit deze achtergrond wordt aangesloten bij de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009). Voor het bepalen van de aan te houden afstand tussen woningen en bedrijven zijn in de VNG-brochure richtafstanden opgenomen. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie) die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is.
Figuur 2 geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer. Figuur2: Richtafstanden versus omgevingstypen (Bron: VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’).
* Omgevingstype ‘rustige woonwijk en rustig buitengebied’: een omgeving die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen hier vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. * Omgevingstype ‘gemengd gebied’: gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot gemengd gebied.
Toetsing project Geerpolder De projectlocatie bevindt zich in een omgeving, die conform het vigerende bestemmingsplan getypeerd kan worden als ‘gemengd gebied’. De aanwezigheid van meerdere gebiedsfuncties in dit deel van de gemeente Ridderkerk is gevisualiseerd in figuur 3(a+b). Figuur 3a: Planologische omgeving plangebied Geerpolder-Rijsoord.
Bron: vigerend bestemmingsplan.
3
Figuur3b: Planologische omgeving Rijsoord
Bron: Beheersverordening Rijsoord 2013.
Conform de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering is een glastuinbouwbedrijf een bedrijf in milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Deze richtafstand betreft daarbij de afstand tussen de grens van het bedrijfsperceel en de gevel van nabijgelegen woningen. Op grond van bovenstaande referentiesituatie, waarin de huidige woningen direct grenzen aan percelen van zowel bestaande bedrijven als (te handhaven) kassen, kan worden gesteld dat het project Geerpolder en daarmee de bouw van de nieuwe woningen in beginsel plaatsvindt op passende afstand van de bestaande bedrijvigheid in dit deel van Ridderkerk. Volledigheidshalve is in figuur 4 (onder meer) een overzicht opgenomen van de kassen, die in het kader van het project Geerpolder worden gesaneerd. Deze kassen hebben binnen de vigerende enkelbestemming ‘Agrarisch’ de functieaanduiding ‘Glastuinbouw’. Zowel de onderliggende enkelbestemming als de specifieke functieaanduiding komen voor de betreffende percelen te vervallen bij realisatie van het project Geerpolder. Figuur 4 toont verder aan grenzend aan de projectlocatie Geerpolder één perceel met enkelbestemming ‘Agrarisch’ en functieaanduiding ‘Glastuinbouw’ gehandhaafd wordt. Geconstateerd kan worden dat de bedrijfsvoering van dit glastuinbouwbedrijf, met name de ontsluiting van het bijbehorende bedrijfsverkeer, georiënteerd is op de Lagendijk.
Eveneens kan worden geconstateerd dat dit glastuinbouwbedrijf direct grenst aan een perceel aan de Lagendijk met een reguliere woonbestemming. Deze directe aansluiting van woonperceel op glastuinbouwperceel is in belangrijke mate bepalend voor de aanwezigheid van een verantwoord woon- en leefklimaat in dit deel van Ridderkerk c.q. Rijsoord. Gelet op de hier aanwezige directe aansluiting tussen woon- en glastuinbouwperceel kan worden gesteld een verantwoord woon- en leefklimaat eveneens van toepassing is op de beoogde woningen in het project Geerpolder. Figuur 4: Bestemmingsplan (links), te saneren kassen (in groen, midden) en project Geerpolder (rechts).
Conclusie Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ vormt geen aanleiding voor het opstellen van een Milieueffectrapport (MER) of een m.e.r.-beoordeling.
4
• Geluid Toetsingskader Het aspect Geluid is primair geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Deze wet richt zich vooral op een verantwoorde ruimtelijke inpassing van geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, ten opzichte van geluidsbronnen, zoals wegverkeer, railverkeer en industrie. Aanvullend heeft de gemeente Ridderkerk het Actieplan Geluid 2019-2023 vastgesteld met daarin plandrempels en ambitiewaarden voor de geluidsbelastingen van diverse geluidbronnen binnen de gemeentegrens. Onder bepaalde omstandigheden is het onmogelijk om onder de Wgh woningbouw te realiseren en is - gezien de uitgebreide woningopgave - de Interimwet Stad en Milieubenadering ontstaan, waarbij onder bepaalde voorwaarden van de grenswaarden uit de Wgh kan worden afgeweken. Wet geluidhinder (Wgh) In de Wgh zijn eisen opgenomen voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen ten gevolge van wegen. Bij deze toetsing wordt een aftrek verrekend volgens artikel 110g Wgh. Figuur 5.4 geeft een overzicht van de Wgh-eisen. De weergegeven grenswaarden zijn inclusief aftrek artikel 110g Wgh. (tussen haakjes de waarde zonder deze aftrek). Figuur 5: Grenswaarden Wgh voor wegverkeer en nieuwe woningen met (zonder) aftrek artikel 110g Wgh.
Actieplan Geluid gemeente Ridderkerk De gemeente Ridderkerk heeft het Actieplan Geluid 2019-2023 vastgesteld. Hierin zijn plandrempels en ambitiewaarden opgenomen voor geluidsbelastingen van diverse geluidbronnen. De plandrempel voor het stedelijk wegverkeer bedraagt daarbij 63 dB Lden en boven een cumulatieve waarde van 65 dB Lden is naar het oordeel van het College van B&W sprake van een onaanvaardbare geluidsbelasting en kan geen hogere waarde worden vastgesteld. Daarnaast heeft de gemeente Ridderkerk een ambitiewaarde van 59 dB Lden (zonder aftrek art. 110g Wgh) vanwege de rijksweg opgenomen, waarboven bij voorkeur geen nieuwe ontwikkelingen langs rijkswegen worden gerealiseerd. Dit alles om een acceptabel woon- en leefklimaat te kunnen garanderen. Interimwet Stad en Milieubenadering De Interimwet Stad en Milieubenadering brengt de realisering van ruimtelijke initiatieven op milieubelaste plekken dichterbij. Dat is mogelijk door drie sterk samenhangende stappen te doorlopen: ˗ Stap-1: het in een zo vroeg mogelijk stadium van de ruimtelijke planvorming integreren van milieubelangen. Het zoveel mogelijk treffen van brongerichte maatregelen. ˗ Stap-2: het optimaal benutten van de ruimte binnen bestaande regelgeving. ˗ Stap-3: het afwijken van bestaande wettelijke milieunormen voor bodem, geluid, lucht, stank en ammoniak.
Dit kan alleen als met de eerste twee stappen geen doelmatig ruimtegebruik en optimale leefomgevingskwaliteit worden bereikt. Stap 1 en 2 zijn reeds mogelijk binnen de kaders van bestaande wetgeving (Wgh) en hebben betrekking op de optimalisering van het proces van de ruimtelijke planvorming. Stap 3, het afwijken van wettelijke milieunormen, is vastgelegd in de Interimwet Stad en milieubenadering. Hiervoor moet de gemeenteraad besluiten om, voor de ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen een nader te definiëren projectgebied, af te wijken van de milieukwaliteitsnormen voor geluid. Dit moet dan wel in het belang zijn van zuinig en doelmatig ruimtegebruik en het bereiken van een optimale leefomgevingskwaliteit. Kort samengevat gelden voor een Stap-3 besluit de volgende inhoudsvereisten: ˗ De geluidsbelasting per geluidbron is hoger dan de maximaal toelaatbare waarden op grond van de Wgh. ˗ Er zijn geen maatregelen redelijkerwijs mogelijk om het plan inpasbaar te maken binnen de kaders van de Wgh. ˗ Voor het plan moeten compenserende maatregelen getroffen worden, waarbij kan worden gedacht aan de volgende vormen: o Het realiseren van extra geluidwering van de gevel, waardoor minder geluid van buiten naar binnen komt (GA,k + 5 dB).
5
o
o o
Het realiseren van een hogere waarde voor de luchtgeluidsisolatie tussen aaneengesloten bouwblokken (rijwoningen en tweekappers), zodat hierdoor minder hinder van ‘burengeluid’ zal optreden (DnT,A,k +5 dB). Hierbij moet ook gelet worden op geluid van installaties (zoals warmtepompen en airco-units). Per woning moet minimaal één geluidluwe zijde gerealiseerd worden, waarbij de (cumulatieve) geluidsbelasting maximaal 53 dB Lden (zonder aftrek art. 110g) bedraagt. De meeste slaapkamers en een buitenruimte moeten aan deze geluidluwe zijde worden gesitueerd.
Toetsing project Geerpolder: realisatie woningen In oktober 2022 verscheen het akoestisch onderzoek met betrekking tot het project Geerpolder, uitgevoerd door adviesbureau DGMR. Door DGMR is onderzocht of de ontwikkeling op deze locatie mogelijk is onder de voorwaarden van de huidige wetgeving, gevormd door de Wgh en Interimwet Stad en Milieubenadering, en in lijn is met het Actieplan Geluid van de gemeente Ridderkerk. Het navolgende vormt een resumé van de belangrijkste resultaten van dit onderzoek, gerapporteerd in lijn met de 3 stappen van de Interimwet. Als bepalende geluidbronnen voor de ontwikkeling van het project Geerpolder zijn in dit onderzoek meegenomen de rijkswegen A15/A16 en Geerlaan. De Lagendijk en Rijksstraatweg hebben een veel lagere verkeersintensiteit of liggen op grotere afstand van het plangebied. Kort samengevat leiden genoemde wegen tot de volgende geluidsbelastingen: ˗ De geluidsbelasting ten gevolge van de Rijksweg bedraagt maximaal 59 dB Lden (zonder aftrek art. 110g Wgh). Bij 18 woningen binnen het plangebied is sprake van een geluidsbelasting vanwege de Rijksweg hoger dan de maximale ontheffingswaarde. Voor de overige 58 woningen in het plangebied is de geluidsbelasting maximaal 57 dB Lden (zonder aftrek). Voor deze woningen is een hogere waarde onder de Wgh vast te stellen.
˗ De geluidsbelasting ten gevolge van de Geerlaan bedraagt maximaal 59 dB Lden (zonder aftrek art. 110g Wgh). Hiervoor is onder de Wgh een hogere waarde van ten hoogste 54 dB1 (na aftrek 5 dB art. 110g) vast te stellen. ˗ De geluidsbelasting ten gevolge van de Lagendijk bedraagt maximaal 43 dB Lden (zonder aftrek 5 dB art. 110g Wgh). De voorkeursgrenswaarde van de Wgh wordt niet overschreden. ˗ De geluidsbelasting ten gevolge van de Rijksstraatweg bedraagt maximaal 51 dB Lden (zonder aftrek 5 dB art. 110g Wgh). De voorkeursgrenswaarde van de Wgh wordt niet overschreden. De Wgh biedt op dit moment weinig ontheffingsruimte voor het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen langs een rijksweg. De maximale ontheffingswaarde is vastgesteld op 53 dB (= 57 dB zonder aftrek art. 110g Wgh). De Interimwet Stad en Milieubenadering komt hiermee in beeld. Stap-1: zo vroeg mogelijk integreren milieubelangen en brongerichte maatregelen nemen De rijkswegen A15 en A16 zijn in de huidige situatie al voorzien van het geluidsarme ZOAB-wegdek. Als 1e optie zou dit wegdek vervangen kunnen worden door het stillere 2-laags ZOAB, wat een geluidreductie op kan leveren van maximaal 2 dB. Hiervoor moet dit wegdek wel over een grote lengte (minimaal 1.800 meter) en de volledige rijbaanbreedte worden toegepast.
Dit is echter zo’n omvangrijke maatregel dat deze niet kosteneffectief is voor deze ontwikkeling. Doordat bronmaatregelen niet mogelijk zijn is als 2e optie onderzocht of met geluidsschermen langs de rijksweg A16 de geluidsbelastingen gereduceerd kunnen worden. Langs de A16 staan al diverse (lage) geluidsschermen, waarbij geconstateerd kan worden dat er nog een gat is tussen de bestaande geluidsschermen, en dat de schermen verhoogd kunnen worden. Onderzocht is wat het effect is van een drietal schermvarianten. Dit onderzoek heeft aangetoond dat met deze schermvarianten de geluidsbelasting ter plaatse van de nieuwe woningen in het project Geerpolder met maximaal 3 dB kan worden gereduceerd. Twee van de drie onderzochte varianten zijn echter niet akoestisch/financieel doelmatig en vragen om een enorme investering en medewerking van Rijkswaterstaat. Bij de doelmatig gebleken schermvariant is het reducerend effect op de eerste verdieping van de nieuwe woningen echter nagenoeg nihil. Bij geen van de onderzochte schermvarianten kan echter bij alle woningen in het project Geerpolder worden voldaan aan de maximale ontheffingswaarde uit de Wgh, zodat dit project met deze maatregelen in akoestisch opzicht nog steeds niet volwaardig uitvoerbaar is.
Als 3e optie is onderzocht of het oorspronkelijke plan Geerpolder zodanig kan worden aangepast dat de nieuwe woningen op een grotere afstand van de rijksweg worden gerealiseerd en daardoor de geluidsbelastingen lager worden. Vanwege de grote omvang van het plangebied (circa 9 hectare) is door de initiatiefnemer gezocht naar een verdichting van het inrichtingsplan op zo groot mogelijke afstand van de rijksweg, zonder het beeld en de 1
Maximale ontheffingswaarde voor een nieuwe woning langs een binnenstedelijke weg bedraagt 63 dB Lden (na aftrek).
6
uitstraling van de woningen te veel te veranderen. Deze verdichting heeft geleid tot het voorliggende plan Geerpolder 2022 met een totaal kaveloppervlak voor woningbouw van circa 3 hectare. Met deze aanpassingen aan het inrichtingsplan is het gelukt de geluidsbelasting vanwege de rijksweg ter plaatse van de nieuwe woningen te reduceren tot maximaal 59 dB Lden (zonder aftrek art. 110g Wgh) in plaats van de 62 dB Lden bij het oorspronkelijke ontwerp. Een verdere verdichting/aanpassing van het plan om de geluidsbelastingen te reduceren tot maximaal 57 dB Lden, zodat de woningen gerealiseerd kunnen worden binnen het regime van de Wgh, is echter niet haalbaar gebleken. Met de maximale geluidsbelasting van 59 dB Lden is het plan nog steeds niet volledig uitvoerbaar onder het regime van de Wgh, maar wordt wel voldaan aan de ambitiewaarde van de gemeente Ridderkerk. Stap-2: benutten akoestische ruimte bestaande regelgeving Mede op grond van Stap 1 kan worden gesteld dat de Wgh te weinig ontheffingsruimte biedt voor het realiseren van geluidsgevoelige bestemmingen binnen het plan Geerpolder langs de rijksweg. De maximale ontheffingswaarde is vastgesteld op 53 dB (= 57 dB zonder aftrek art. 110g Wgh).
In het voorliggende inrichtingsplan Geerpolder 2022 bedraagt de geluidsbelasting op woningniveau maximaal 59 dB Lden (zonder aftrek) en wordt de maximale ontheffingswaarde van de Wgh bij 18 van de 76 woningen niet gehaald. Stap 3 van de Interimwet Stad en Milieubenadering komt voor deze 18 woningen daarmee concreet in beeld. Voor deze 18 woningen is volgens de Interimwet Stad- en Milieubenadering een geluidluwe gevel nodig om te zorgen voor een beter woon- en leefklimaat. Hiervoor wordt dan meestal de gecumuleerde geluidsbelasting (zonder aftrek) gebruikt, waarbij een waarde van 53 dB Lden (zonder aftrek) als geluidluw wordt beschouwd. Bij alle 18 woningen is in dit kader sprake van minimaal één geluidluwe gevel op de begane grond (= geluidluwe buitenruimte) en is bij 11 van deze woningen de cumulatieve geluidsbelasting op de eerste verdieping 1 dB hoger dan 53 dB Lden, zodat hier geen sprake is van een geluidluwe gevel. Voor de overige 58 woningen (vallend onder het regime van de Wgh) is bij nagenoeg alle woningen sprake van een geluidluwe gevel op de begane grond (= geluidluwe buitenruimte) en voor een enkele woning is de geluidsbelasting op de eerste verdieping hoger dan 53 dB Lden. Tot slot toont het akoestisch onderzoek aan dat bij de twee appartementencomplexen, zonder verdere ontwerpaanpassingen, vooralsnog geen sprake is van een geluidluwe gevel.
Dit wordt mede veroorzaakt doordat de appartementen eenzijdig georiënteerd zijn, waardoor er geen geluidluwe gevel is. Stap-3: compenserende maatregelen Aangezien (een deel van) het project onder de Interimwet Stad- en Milieubenadering wordt uitgevoerd dient de gemeenteraad van Ridderkerk te besluiten om, voor de ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen het betreffende projectgebied, af te wijken van de milieukwaliteitsnormen. Concreet zal de gemeenteraad worden voorgesteld om af te wijken van deze normen voor het aspect geluid, waarbij het gaat om de geluidwaarde van 53 dB vanwege de rijksweg A15/A16 voor in totaal 18 woningen in het plangebied Geerpolder. Voor deze 18 woningen geldt binnen het Stap-3 besluit een maximale hogere waarde vanwege de rijksweg van 59 dB (zonder aftrek art. 110g Wgh). Figuur 6 geeft een overzicht van de hogere waarden binnen de kaders van zowel de Wgh als het Stap-3 besluit van de Interimwet Stad en Milieubenadering. De betreffende 18 woningen zijn nader aangeduid in figuur 7. Figuur 6: Overzicht vast te stellen hogere waarden / Stap-3 besluit (Bron: DGMR adviseurs).
7
Figuur 7: Woningen (lichtblauw) vallend onder Stap-3 Interimwet Stad- en Milieubenadering (Bron: DGMR).
Aan het te nemen Stap-3 besluit zijn compenserende maatregelen verbonden om daarmee de woon- en leefkwaliteit in en bij woningen met een hogere geluidsbelasting dan de Wgh toestaat, te kunnen garanderen. Deze maatregelen betreffen onder meer het realiseren van een geluidluwe zijde, een geluidluwe buitenruimte en een betere luchtgeluidisolatie dan het vigerende Bouwbesluit voorschrijft. Ten aanzien van de 18 eerder genoemde woningen betreft het de volgende compenserende maatregelen: ˗ Elke woning zal aan de buitenzijde op de begane grond een geluidluwe zijde hebben, waar de geluidsbelasting niet hoger is dan 53 dB, gebaseerd op de cumulatieve geluidsbelasting (zonder aftrek). ˗ Ter compensatie van de verhoogde belasting op de gevel wordt, voor de achttien woningen onder de Interimwet Stad- en Milieubenadering, ingezet op een verbetering van de geluidwering van de gevel. Hierbij zal gestreefd worden, indien redelijkerwijs mogelijk, naar een karakteristieke geluidwering (GA,k) van de cumulatieve geluidsbelasting – 28 dB (dit is 5 dB strenger dan de eis uit het Bouwbesluit), met een minimum van 20 dB. ˗ Ter compensatie van de verhoogde belasting op de gevel wordt, voor de achttien woningen onder de Interimwet Stad- en Milieubenadering, ingezet op een verbetering van de luchtgeluidisolatie tussen de woningen.
Hierbij zal gestreefd worden, indien redelijkerwijs mogelijk, naar een luchtgeluidisolatie (DnT,A,k) van maximaal 57 dB (dit is 5 dB strenger dan de eis uit het Bouwbesluit), met een minimum van 52 dB. ˗ Het openen van ramen of deuren voor het binnenhalen van verse lucht of het veranderen van het thermisch comfort (bijvoorbeeld koelen) kan leiden tot geluidhinder. Het ontwerp van de woningen is dusdanig (mede ook vanwege de BENG-eisen) dat gekozen wordt voor een gebalanceerd mechanisch ventilatiesysteem en koeling. Hierdoor is er geen noodzaak om ramen of deuren te openen voor het beïnvloeden van de ventilatie of temperatuur. Het openen van ramen of deuren is slechts bedoeld als spuivoorziening. Resumerend heeft bij de ontwikkeling van het project Geerpolder het streven naar een zo optimaal mogelijke leefomgevingskwaliteit vanaf het begin voorop gestaan. Om een zo acceptabel mogelijk geluidklimaat te realiseren was het daarbij nodig om het plan in de loop der tijd aan te passen. Zo zijn de uitlopers in noordelijke richting geschrapt en heeft er een verdichting plaatsgevonden in het zuidelijke, minder geluidbelaste deel van het plangebied. Hierdoor is het gelukt om niet alleen te voldoen aan de plandrempels
8
uit het Actieplan Geluid, maar ook aan de ambitiewaarde van de gemeente van 59 dB Lden. Aanvullend hierop worden in het kader van het Stap 3-besluit compenserende maatregelen getroffen. De betreffende woningen worden voorzien van een extra goede akoestische kwaliteit binnenshuis. Door de realisatie van groen- en bosstroken, herstel van watergangen en verweving met het landschap worden er ook voldoende nietakoestische maatregelen getroffen zodat er, ondanks het geluid vanaf de snelweg, sprake is van een prettig woonmilieu. Al doende wordt door het Stap-3 besluit geborgd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Toetsing project Geerpolder: reconstructie kruisingen In september 2022 is door DGMR-adviseurs akoestisch onderzoek uitgevoerd, afgestemd op de nieuwe te realiseren aansluitingen vanuit het project Geerpolder op bestaande wegen. Concreet zal voor de ontsluiting van het beoogde woonlandschap de kruising Geerlaan-Mauritsstraat worden aangepast en worden aan de zuidwestzijde van het plan parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvan de inrit wordt aangesloten op de Rijksstraatweg. Het navolgende vormt een resumé van de belangrijkste resultaten van dit akoestisch onderzoek. Kruising Geerlaan Voor het project Geerpolder wordt een ontsluiting op de Geerlaan ter hoogte van de kruising met de Mauritsstraat gerealiseerd.
Hiervoor wordt de bestaande kruising aangepast, waarbij de rijlijnen/rijstroken van de Geerlaan worden verlegd. Uit het akoestisch onderzoek naar deze fysieke wijziging van de Geerlaan is gebleken dat hier, ten aanzien van de binnen de geluidszone gelegen woningen, geen sprake is van een reconstructie in de zin van de Wgh. In het kader van het Actieplan Geluid van de gemeente Ridderkerk zal de Geerlaan vanaf 2024 voorzien worden van geluidsreducerend asfalt. Voor de onderzochte woningen betekent dit dat in de toekomstige situatie (2032) de geluidssituatie als gevolg van de Geerlaan met 2 dB of meer zal verbeteren. Inrit Rijksstraatweg Voor de bewoners van het project Geerpolder Rijsoord worden aan de Rijksstraatweg, ter plaatse van een huidige bedrijfsparkeerplaats, parkeerplaatsen gerealiseerd met inbegrip van een ontsluiting van het plangebied voor langzaam verkeer en hulpverlenende diensten. Er vindt géén fysieke wijziging aan de Rijksstraatweg ter plaatse van dit onderdeel van het project plaats. Op grond van het aantal reeds beschikbare parkeerplaatsen is er geen relevante toename van verkeer op de Rijksstraatweg te verwachten. De transformatie naar parkeren voor bewoners, waarbij de fysieke ligging van de huidige inrit niet wijzigt, is geen reconstructie in de zin van de Wgh.
De geluidssituatie ter plaatse van de woningen aan de Rijksstraatweg verandert door de realisatie van dit planonderdeel niet. Conclusie Met inachtname van ‘Stap 3’ Interimwet Stad en Milieubenadering vormt het aspect ‘Geluid’ geen aanleiding voor het opstellen van een Milieueffectrapport (MER) of een m.e.r.-beoordeling. • Luchtkwaliteit Toetsingskader De Rijksoverheid werkt samen met provincies en gemeenten om te voldoen aan de Europese normen voor luchtkwaliteit. In Europees verband zijn normen vastgelegd voor de maximum concentratie van een aantal stoffen, zoals fijn stof en stikstofoxiden, in de buitenlucht. Kort samengevat hebben luchtkwaliteitsregels gevolgen voor het uitvoeren van (ruimtelijke) projecten. Uitgangspunt is dat een project niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Als er wel een overschrijding is, dan mag een project de luchtkwaliteit niet ‘in betekenende mate’ verslechteren. In het hierop[ afgestemde Besluit ‘Niet In Betekenende Mate bijdrage (NIBM)’ is vastgelegd dat ruimtelijke ontwikkelingen die ‘niet in betekenende mate’ leiden tot een verslechtering van de heersende luchtkwaliteit, niet afzonderlijk getoetst hoeven te worden op de grenswaarden.
Binnen de gestelde kaders is toetsing aan de grenswaarden van de luchtkwaliteit niet noodzakelijk, tenzij een dreigende overschrijding van één of meerdere grenswaarden te verwachten is. Elk project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit kan dus worden uitgevoerd. Op Rijksniveau is de definitie van ‘in betekenende mate’ vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur (AMvB). In deze AMvB, te zien als luchtkwaliteitseisen, is vastgelegd dat projecten die leiden tot een toename van (concentratie-)grenswaarden van een stof met meer dan 3%, in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling. Onder deze 3% grens is dus sprake van NIBM. Deze 3%-grens is in deze AMvB voor een aantal
9
veel voorkomende ruimtelijke functies op voorhand reeds gekwantificeerd. Ter indicatie: in relatie tot woningbouw is de NIBM-grens gekoppeld aan 1.500 woningen met één ontsluitingsweg. Toetsing project Geerpolder Om de bijdrage van ruimtelijke plannen op de luchtkwaliteit te kunnen vaststellen en daarmee inzicht te krijgen of deze bijdrage wel/niet als NIBM kan worden aangemerkt, heeft het ministerie van IenM in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil de NIBM-tool ontwikkeld. Om de mogelijke impact van het project Geerpolder op de luchtkwaliteit te bepalen is deze NIBM-tool toegepast (zie figuur 8). Conform de kengetallen van het CROW wordt hierbij uitgegaan van een verkeersgeneratie, met maxima (worst-case) variërend van 6,0 tot 8,6 verkeersbewegingen per woning per dag. Figuur 8: Worst-case berekening bijdrage extra verkeer t.g.v. project Geerpolder op luchtkwaliteit.
Bron: NIBM-tool 2022. Bovenstaande berekening bevestigt dat het project Geerpolder een NIBM-ontwikkeling is. Conclusie Het aspect ‘Luchtkwaliteit’ vormt geen aanleiding voor het opstellen van een Milieueffectrapport (MER) of een m.e.r.-beoordeling. • Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de kans dat personen in de omgeving van een activiteit waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, slachtoffer worden van een ongeval met die stoffen. Het gaat daarbij om risico’s als gevolg van werken met gevaarlijke stoffen, de opslag en het transport ervan over weg, water en spoor en door ondergrondse buisleidingen. Risico’s waar personen aan blootgesteld worden zonder dat zij deel zijn van de activiteiten die deze risico’s veroorzaken. Het EV-beleid is erop gericht te voorkomen dat er nabij kwetsbare bestemmingen (zoals woningen) activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Een en ander brengt met zich mee dat weloverwogen keuzes moeten worden gemaakt als het gaat om vestigingslocaties voor woningen enerzijds en risicovolle (bedrijfs)activiteiten anderzijds. Bij deze afwegingen biedt de wet- en regelgeving twee begrippen om het risiconiveau voor activiteiten met gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving aan te geven. Het betreft hier het persoons- c.q. plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).
De gemeente Ridderkerk heeft in november 2011 de Visie Externe Veiligheid (hierna: EV-Visie) vastgesteld, waarmee zij inzet op een duurzame en zo veilig mogelijke ontwikkeling van Ridderkerk. Met deze EV-Visie wil het gemeentebestuur ervoor zorgen dat de gemeente veiliger wordt, door de risico’s te verkleinen en te beheersen. Het plaatsgebonden risico is hierbij een harde grenswaarde en is het groepsrisico aan de orde om het gemeentebestuur te laten bepalen welke risico’s zij nog aanvaardbaar vindt. Het gemeentebestuur heeft namelijk een wettelijke verantwoordingsplicht bij toename van het groepsrisico door een toename van personendichtheid of externe veiligheidsbronnen. De Visie richt zich dan ook voornamelijk op de uitwerking van deze kaders voor het groepsrisico. Binnen de EV-Visie hanteert de gemeente Ridderkerk de volgende ambities ten aanzien van externe veiligheid: 1.
Ridderkerk is en blijft zo veilig mogelijk voor risico’s van gevaarlijke stoffen. Deze ambitie wordt als volgt bereikt: a. Waar mogelijk het advies van de VRR opvolgen bij ruimtelijke ontwikkelingen.
10
b.
Als dit niet mogelijk is dan wordt de MAL Groepsrisico toegepast (zie tekstkader)
MAL Groepsrisico De MAL Groepsrisico is het digitale beleidsinstrument waarmee een bewuste bestuurlijke verantwoording van het groepsrisico kan worden gemaakt. Het instrument ondersteunt bij de voorbereiding voor de besluitvorming over de vestiging of uitbreiding van risicovolle bedrijven, ruimtelijke ontwikkelingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Bij de bestuurlijke afweging van het groepsrisico gaat het om het evenwicht tussen de omgevingsfactoren economie, maatschappij en hulpvraag. Om die reden is een genuanceerde kijk op het groepsrisico nodig. De Mal Groepsrisico maakt het mogelijk om het groepsrisico af te wegen tegen de maatschappelijke kosten en baten van een risicovolle activiteit.
2. 3. 4. 5. 6.
Nieuwe risicobronnen worden in principe geweerd uit de gemeente, uitgezonderd op bedrijventerreinen, mits aan concrete voorwaarden wordt voldaan. Streven naar uitplaatsing van de risicobronnen uit de woonomgeving (tankstations). De gemeente brengt de beheersbaarheid op orde (inzet hulpdiensten, bereikbaarheid e.d.). Aanpassen route gevaarlijke stoffen als ruimtelijke ontwikkelingen daar aanleiding toe geven. Voor risicocommunicatie wordt aangesloten bij de landelijke overheidscampagnes.
Voor nieuwe ontwikkelingen strekt het tot de aanbeveling om de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) in de voorbereidingsfase te betrekken om eventuele risico’s zo goed mogelijk te kunnen beheersen. Verantwoording groepsrisico Bij de vaststelling van een bestemmingsplan, waarmee bijvoorbeeld de bouw van woningen mogelijk wordt gemaakt, wordt tevens het groepsrisico in het EV-invloedsgebied van (in dit geval) de beoogde woningen verantwoord. De landelijke wet- en regelgeving hanteert hierbij een onderverdeling van situaties waarin een ‘volledige’ verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een ‘beperkte verantwoording’ kan worden volstaan. Een volledige verantwoording kan achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat: ˗ Indien het ruimtelijk besluit betrekking heeft op het gebied tussen de 100% letaliteitszone en de 1% letaliteitszone (in geval van toxische stoffen tussen de 1% letaliteitszone en de afstand waarop het plaatsgebonden risico gelijk is aan 10-8). ˗ Als het groepsrisico onder 0,1 keer de oriëntatiewaarde blijft. ˗ Als het groepsrisico minder dan 10% toeneemt. ˗ De oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. In een beperkte verantwoording van het groepsrisico dienen de volgende zaken aan de orde te komen: ˗ De personendichtheid in het invloedsgebied. ˗ De hoogte van het groepsrisico.
˗ De bestrijdbaarheid. ˗ De zelfredzaamheid. Ten aanzien van de inzet van hulpdiensten kan in algemene zin worden gesteld dat binnen de gemeente Ridderkerk deze diensten binnen de gestelde tijd op de plaats van het incident kunnen zijn. De brandweer kan overal binnen de gemeente binnen de wettelijk gestelde termijnen aanwezig zijn. Toetsing project Geerpolder Op grond van de algemeen door gemeenten gehanteerde Signaleringskaart EV kan worden geconstateerd dat de noordelijk gelegen woningen binnen het plangebied gepositioneerd aan de grens van het invloedsgebied van de Rijksweg A15/A16. Meer concreet betreft het hier de 200 meter zone ‘Basisnetroute weg’ (indicatief). Deze zone is door de Rijksoverheid ingesteld om de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen te garanderen. De beoogde woningen bevinden zich (ruim) buiten de 1% letaalzone (indicatief) langs de Aardgasleiding (A-555), verderop gelegen aan de zuid- en westzijde van het plangebied. Voornoemde zones zin weergegeven in figuur 9.
11
Figuur 9: EV-Signaleringskaart: uitsnede plangebied en omgeving (beoogde woningen in rode cirkel).
Aan haar EV-Visie heeft de gemeente Ridderkerk een bijlage verbonden, met daarin een overzicht van alle risicobronnen en bijbehorende risico’s. Ten aanzien van het EV-aspect ‘Transport over de weg’ wordt hierin vastgesteld dat het groepsrisico van (onder meer) de Rijkswegen A15 en A16) ruim onder de oriënterende waarde blijft. Volledigheidshalve kan worden gesteld dat binnen het project Geerpolder voorzien is in een ruim opgezette wegenstructuur met een specifieke ontsluiting voor nooddiensten aan de zuidzijde van het plangebied (aansluiting op de Rijksstraatweg). Op grond van het bovenstaande kan worden gesteld dat dat er geen GR-knelpunten zijn voorzien bij de realisatie van het project Geerpolder en dat nader EV-onderzoek niet nodig wordt geacht. Conclusie Het aspect ‘Externe Veiligheid’ vormt geen aanleiding voor het opstellen van een Milieueffectrapport (MER) of een m.e.r.-beoordeling. • Bodem Toetsingskader Het bodembeleid in Nederland heeft als doel te voorkomen dat als gevolg van een aanwezige bodemverontreiniging onaanvaardbare risico’s ontstaan voor de gebruikers van deze bodem. De Wet bodembescherming stelt dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt daarbij als het ware de benodigde bodemkwaliteit.
Toetsing project Geerpolder In november 2019 heeft Arnicon een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd binnen het plangebied. Doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) om te bepalen of binnen het plangebied sprake is van een bodemverontreiniging die een belemmering vormt voor het project Geerpolder. Het onderzoek heeft geleid tot de volgende bevindingen:
12
Uit laboratoriumonderzoek is gebleken dat de bovengrond, verspreid over de locatie licht verhoogde gehalten diverse zware metalen, PAK, bestrijdingsmiddelen en plaatselijk PCB bevat. In de ondergrond zijn licht verhoogde gehalten nikkel en kobalt gemeten. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten barium en naftaleen gemeten. In de grond is (zowel tijdens het veldwerk als) bij laboratoriumonderzoek geen asbest aangetoond. Bij toetsing aan de normen uit het Besluit bodemkwaliteit is de bovengrond op meerdere (deel)percelen toepasbaar als klasse ‘industrie’. Plaatselijk is de bovengrond ‘niet toepasbaar’. De bovengrond alsmede de ondergrond van een aantal (deel)percelen is ‘altijd toepasbaar’. Mede ten behoeve van de benodigde Omgevingsvergunningen ter realisatie van het project Geerpolder vindt nader onderzoek teneinde meer zicht te krijgen over de toepasbaarheid van de eerder onderzochte bodemlagen. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd een nader onderzoek of het nemen van saneringsmaatregelen niet nodig is en dat de locatie geschikt wordt geacht voor de beoogde bestemming. Conclusie Het aspect ‘Bodem’ vormt geen aanleiding voor het opstellen van een Milieueffectrapport (MER) of een m.e.r.beoordeling. • Water Toetsingskader Het aspect Water betreft met name de waterhuishouding van een plangebied en zijn omgeving.
Het gaat dan met name om de wijze waarop waterstromen in een gebied verlopen. Daarbij kan het gaan om de kringloop van het water in de natuur of om het afwateringssysteem, bestaande uit sloten, kanalen, meren en dergelijke. Waterhuishouding omvat daarnaast ook de (technische) organisatie van het afvoeren van regen- en afvalwater alsmede de zuivering daarvan. Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is het van belang om aan te geven óf en in welke mate deze ontwikkeling gevolgen heeft voor de waterhuishouding in het gebied. Met name de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de aspecten van waterbeheersing, zijnde ‘vasthouden –> bergen –> afvoeren’ (in die volgorde), zijn van belang. Uitgangspunten in dit verband zijn: ˗ Zoveel mogelijk gebiedseigen water vasthouden en de inlaat van gebiedsvreemd water zoveel mogelijk beperken. ˗ Beperking van overlast door (grond)water of tekort aan water. Naast de waterkwantiteit heeft duurzaam omgaan met water ook betrekking op de kwaliteit van het water. Hierbij staat de trits ‘schoonhouden – scheiden – zuiveren’ centraal. Uitgangspunten in dit verband zijn: ˗ Vervuiling waar mogelijk bij de bron aanpakken; ˗ Voorkomen van verspreiding van verontreinigingen. Bij ruimtelijke (her)ontwikkelingen is het van belang om de waterhuishouding van het begin af aan mee te nemen in de planvorming.
Om dat te waarborgen is de ‘Watertoets’ in het leven geroepen. Het doel van de watertoets is het bewerkstelligen van een goede en evenwichtige afstemming tussen waterbeheer en ruimtelijke plannen. De watertoets is vooral van toepassing bij bouwplannen, waarbij het verhard oppervlak toeneemt en een versnelde afvoer van (hemel)water het gevolg is. Door een toename aan verharding kan hemelwater niet langer infiltreren in de bodem, maar stroomt dit versneld af naar het oppervlaktewater. Hierdoor wordt het oppervlaktewatersysteem meer belast. Om deze belastingtoename te reduceren hebben veel waterschappen vastgelegd dat er in dergelijke situaties compenserende voorzieningen moeten worden aangebracht. Het Waterschap Hollandse Delta heeft in dit kader bepaald dat de versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding binnen haar beheersgebied, waaronder Ridderkerk, moet worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening. Het waterschap heeft in haar ‘Nota toetsingskaders en beleidsregels voor het watersysteem 2014’ echter opgenomen dat in sommige gevallen de eis tot volledige compensatie zwaar is ten opzichte van het te dienen waterstaatkundige doel. Om deze reden heeft het waterschap de verhardingstoename van maximaal 500 m2 in stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied vrijgesteld van compensatieplicht.
Indien er meer verharding toename plaatsvindt, moet worden gecompenseerd. Toetsing project Geerpolder Het project Geerpolder brengt een afname van het verhard oppervlak met zich mee, naast de uitbreiding van de (open) waterstructuur. Het verhard oppervlak (bebouwing en bestrating) in de huidige situatie bedraagt circa 28.700 m2. In de beoogd toekomstige situatie bedraagt dit oppervlak circa 13.000 m2, minder dan de helft derhalve. Aansluitend zal het hemelwater rechtstreeks op het oppervlaktewater (sloten) worden geloosd. Mede
13
gezien de hoeveelheid opgenomen groen en water in het project Geerpolder kan worden gesteld dat het aspect waterhuishouding hierin op afdoende wijze is meegenomen en is er geen (extra) watercompensatie nodig. Conclusie Het aspect ‘Water’ vormt geen aanleiding voor het opstellen van een Milieueffectrapport (MER) of een m.e.r.beoordeling. • Archeologie Toetsingskader Op grond van het door Nederland ondertekende Verdrag van Valletta (1992) dient bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te worden gehouden met mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden. Het Verdrag is in 2008 geïmplementeerd in de wet- en regelgeving via de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). Deze wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem alsmede de inpassing ervan in ruimtelijke ontwikkelingen. De Wamz is erop gericht om bodemverstoringen pas te laten plaatsvinden nadat er archeologisch vooronderzoek heeft plaatsgevonden, er is vastgesteld of het om belangrijke archeologische sporen gaat en vervolgens is vastgesteld hoe met die archeologische informatie het beste kan worden omgegaan. Het Verdrag van Valletta geeft aan dat het belangrijk is dat in de ruimtelijke ordening rekening wordt gehouden met het belang van de archeologie.
In de Wamz is daarom vastgelegd dat gemeenten bij de vaststelling van nieuwe bestemmingsplannen aan moeten geven welke archeologische waarden er in de bodem zitten en hoe de gemeente daarmee denkt om te gaan. Toetsing project Geerpolder Binnen het vigerende bestemmingsplan is aan het plangebied Geerpolder Rijsoord als dubbelbestemming de ‘Waarde - Archeologie 4’ toegekend. Dit betekent dat de betreffende gronden mede bestemd zijn voor het behoud en de bescherming van de hierin te verwachten archeologische waarden. Deze dubbelbestemming brengt met zich mee dat voorafgaand aan de bouw van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 200 m² en een fundering gelegen op een diepte van meer dan 0,5 m onder maaiveld, een rapport moet worden overlegd, waarin de archeologische waarden van de gronden die zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Vanuit deze achtergrond is door Hamaland Advies binnen de projectlocatie, conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Archeologie uitgevoerd, waarvan de rapportage verscheen in december 2019. Het navolgende vormt een weergave van het selectieadvies en het voorgestelde selectieadvies uit deze onderzoeken.
Op grond van het archeologisch onderzoek kan worden gesteld dat het plangebied waarschijnlijk te nat en te dynamisch was voor bewoning in het verleden. Een uitzondering vormt de top van het veen, waarvan de top in ongeveer de helft van het onderzoeksgebied veraard is en daardoor in potentie bewoonbaar was. Het hoogste voorkomen van het veraarde veenpakket in het plangebied bedraagt 75 cm-mv (1,81 m-NAP). Aanbevolen wordt dan ook om het plangebied tot een diepte van 75 cm-mv (1,81 m-NAP, het hoogste voorkomen van de veraarde top van het Hollandveen) vrij te geven (geen vervolgonderzoek). Bij diepere bodemingrepen kunnen in de veraarde top van het Hollandveen in theorie sporen van ‘kortstondige’ bewoning uit de periode van de IJzertijd, de Romeins Tijd en de Vroege Middeleeuwen verstoord worden. Vooralsnog zijn hiervoor geen aanwijzingen aangetroffen tijdens het verkennend booronderzoek, bijvoorbeeld in de vorm van archeologisch materiaal of een ‘vuile laag’, maar deze kunnen op voorhand ook niet volledig uitgesloten worden. Advies Archeologie Rotterdam/BOOR Op 5 maart 2020 verscheen de rapportage van het archeologisch onderzoek, waarna deze ter beoordeling is voorgelegd aan Archeologie Rotterdam/BOOR. Archeologie Rotterdam/BOOR adviseerde op 2 april 2020 de gemeente Ridderkerk om het rapport goed te keuren met inachtname van het volgende beleidsadvies.
o Beleidsadvies Op basis van de rapportage d.d. 5 maart 2020 is er binnen de projectlocatie sprake van een archeologische verwachting. Afhankelijk van het definitieve ontwerp van de nieuwbouw c.q. inrichtingsplan zullen eventueel aanwezige archeologische resten verstoord kunnen worden. Archeologie Rotterdam adviseert in geval van bodemingrepen dieper dan 75 cm onder maaiveld tot het uitvoeren van een karterend booronderzoek. De scope van een dergelijk onderzoek kan met behulp van de definitieve ontwerptekeningen op maat worden gemaakt. Op basis van de resultaten van het karterend onderzoek kan worden beoordeeld of de verstoring die de nieuwbouw zal veroorzaken acceptabel is of dat er toch aanvullend onderzoek in de vorm van bijvoorbeeld een
14
proefsleuf nodig is. Het voorgaande laat onverlet dat de archeologische bescherming van het plangebied nog steeds geregeld is via de vigerende dubbelbestemming. Conclusie Het aspect ‘Archeologie’ vormt geen aanleiding voor het opstellen van een Milieueffectrapport (MER) of een m.e.r.-beoordeling. • Ecologie Toetsingskader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet en heeft als doel te komen tot één integrale en vereenvoudigde regeling van de natuurbescherming. Hierbij is de Europese regelgeving als uitgangspunt genomen. In de Wnb is nog steeds sprake van gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebieden die bescherming genieten zijn Natura2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijn) en gebieden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Als het gaat om soortenbescherming kent de Wnb een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogel- en de Habitatrichtlijn voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Toetsing project Geerpolder o Gebiedsbescherming De projectlocatie is gelegen op ruime afstand van een Natura2000-gebied en grenst niet aan het NNN.
Er zal daarmee geen rechtstreekse aantasting (veroorzaakt door bijvoorbeeld licht, trillingen, geluid of menselijke aanwezigheid) plaatsvinden op soorten die voor omliggende natuurgebieden zijn aangewezen. De meest nabij gelegen Natura2000-gebieden zijn ‘Boezems Kinderdijk’ en ‘Oude Maas’, beide gelegen op circa 3,6 kilometer van het plangebied (zie figuur 10). De meest nabijgelegen NNN-gebieden bevinden zich op circa 2,8 kilometer ten noorden en ten oosten van het plangebied (zie figuur 11). Figuur 10: Ligging plangebied t.o.v. Natura2000 (Bron: Provincie Zuid-Holland).
Figuur 11: Ligging plangebied t.o.v. NNN (Bron: Provincie Zuid-Holland).
o Natura2000 versus stikstofdepositie In 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) vastgesteld om economische ontwikkelingen te kunnen verbinden met het op termijn realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen van de voor stikstof gevoelige habitattypen en (leefgebieden van) soorten voor Natura 2000-gebieden die zijn opgenomen in dit programma.
15
Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State echter beslist dat het PAS niet gebruikt mag worden als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten die leiden tot een toename van stikstof ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden. Deze beslissing heeft consequenties voor ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder (recreatie)woningbouw, die kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Nu het ecologisch onderzoek (de ‘passende beoordeling’) van het PAS niet meer als basis voor toestemmingverlening kan worden gebruikt, is voor veel ruimtelijke ontwikkelingen nodig dat zij op een andere manier gaan aantonen, dat het project of plan op voorhand geen significant schadelijke effecten heeft op de Natura 2000gebieden. Op 9 oktober 2019 verscheen vanuit BIJ12, de uitvoeringsorganisatie voor de 12 provincies, de publicatie dat nieuwe beleidsregels zijn vastgesteld voor het verlenen van vergunningen op grond van de Wnb. Concreet kunnen er vanaf 11 oktober 2019 weer vergunningen verleend worden. Toestemming voor stikstofgerelateerde activiteiten wordt weer mogelijk, zolang de activiteiten niet leiden tot een stijging en in veel gevallen feitelijk tot een daling van stikstofbelasting.
Kern van de nieuwe regels is dat door het wegvallen van het PAS nu van tevoren moet worden aangetoond dat emissie en depositie met zekerheid afnemen of niet stijgen. Samengevat betekent dat (onder meer) dat initiatiefnemers, die aan kunnen tonen dat hun projecten per saldo geen stikstof uitstoten of aan kunnen tonen dat deze geen significante effecten op Natura 2000gebieden hebben, weer vergund kunnen worden. Tot slot is op 1 juli 2021 de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Deze wet regelt onder meer drie resultaatverplichtingen voor stikstofreductie: in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura-2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 74%. De wet geeft onder meer de opdracht voor een programma van maatregelen om die reductie te bereiken en de natuur te herstellen. De wet maakte een gedeeltelijke vrijstelling mogelijk van de natuurvergunningplicht voor het aspect stikstof voor activiteiten van de bouwsector. De vrijstelling was van toepassing voor de bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten van projecten. Op 2 november 2022 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in de zaak Porthos echter de partiële vrijstelling van tafel geveegd.
Dit betekent dat bij het maken van een stikstofberekening (AERIUS) voor de gebruiksfase van projecten, tevens de bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten van projecten meegenomen zullen moeten worden. Om voor afzonderlijke projecten het effect op Natura 2000-gebieden aan te tonen is het rekeninstrument AERIUS in het leven geroepen. Het (momenteel actuele) rekeninstrument AERIUS Calculator 2021.2.2 berekent zowel de stikstof- als ammoniakdepositie als gevolg van projecten en plannen op Natura 2000-gebieden. Met het rekeninstrument kan de uitstoot van stikstof/ammoniak en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden worden berekend. De uitkomst van de berekening geeft inzicht in de uitvoerbaarheid van het plan voor wat betreft stikstof en ammoniak.Op 3 december 2022 heeft Ad Fontem BV de AERIUS-berekening uitgevoerd voor het project Geerpolder. Hoewel er NOx en NH3 vrijkomt als gevolg de beoogde ontwikkeling aan de Geerpolder in Ridderkerk, is door uitvoering van de AERIUS berekening aangetoond dat dit niet leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. In de aanleg- en gebruiksfase ligt de emissie dan ook niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van de berekende emissie, tijdens de aanleg- en gebruiksfase, vindt er dan ook géén meetbare verhoging van de depositie NOx of NH3 plaats in Natura 2000-gebieden.
Het project leidt derhalve niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. o Soortenbescherming: quickscan Flora & Fauna Ten aanzien de soortenbescherming heeft het ecologisch adviesbureau EcoTierra in mei 2018 en maart 2019 een quickscan Flora & Fauna uitgevoerd2, waarbij met name is gekeken naar (potentieel) aanwezige beschermde soorten. De quickscan heeft aangetoond dat er binnen het plangebied geen beschermde planten, jaarrond beschermde nesten van vogels of beschermde verblijfplaatsen van Habitatrichtlijnsoorten of niet vrijgestelde soorten voorkomen. Er hoeft geen nader onderzoek hoeft plaats te vinden. Een ontheffing op grond van de Wnb is daarmee niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect ‘Ecologie’ vormt geen aanleiding voor het opstellen van een Milieueffectrapport (MER) of een m.e.r.-beoordeling. 2 Doorgaans is een quickscan flora en fauna 3 jaar geldig, mits het plangebied niet ingrijpend is veranderd of het gebruik ervan drastisch
gewijzigd. Voor het plangebied Geerpolder is dat niet het geval en zijn de gegevens uit de quickscans nog steeds bruikbaar.
16
AFSTAND TOT (MILIEU)GEVOELIGE GEBIEDEN. De afstand tussen de projectlocatie en (milieu)gevoelige gebieden, hier verbijzondert tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura2000-gebieden, is dermate groot dat een significant negatieve impact vanuit het project op deze gebieden kan worden uitgesloten. CONCLUSIE Het project Geerpolder resulteert niet in belangrijke nadelige effecten op het milieu, die het opstellen van een Milieueffectrapport (MER) of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk maken.
17