Financiele verordening gemeente Ridderkerk 2025.pdf
Tekst van het document
Verordening financieel beleid, beheer en organisatie Ridderkerk 2025 (art. 212 Gemeentewet)
De raad van de gemeente Ridderkerk; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 28 oktober 2025; gelet op artikel 212 van de Gemeentewet, BESLUIT: Vast te stellen de: Verordening financieel beleid, beheer en organisatie Ridderkerk 2025 (art. 212 Gemeentewet)
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a. Administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie voor het besturen, het functioneren en het beheersen van (onderdelen van) de organisatie van de gemeente Ridderkerk en voor de verantwoording die daarover moet worden afgelegd. b. Begrotingsonrechtmatigheid: alle over- en onderschrijdingen van de (aangepaste) begroting, het begrotingscriterium, zonder dat de raad hier een besluit over heeft genomen. c. Budget: een door de raad voor een bepaald jaar beschikbaar gestelde hoeveelheid geldmiddelen voor een bepaald doel. d. Cluster: een organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke organisatie met een eigen rechtstreekse verantwoordelijkheid aan het college. e. De BedrijfsvoeringsPartner: het publiekrechtelijke samenwerkingsverband tussen de gemeenten Barendrecht, Albrandswaard en Ridderkerk die vanaf 1 januari 2024 alleen facilitaire en ondersteunende (bedrijfsvoerings) diensten verricht voor de deelnemende gemeenten. f. Doelmatigheid: het realiseren van vooraf bepaalde prestaties met een zo efficiënt mogelijke inzet van middelen. g. Doeltreffendheid: de mate waarin de beoogde maatschappelijke effecten van het beleid ook daadwerkelijk worden behaald. h.
EMU-saldo: het saldo van de ontvangsten en de uitgaven van de gemeente in een jaar, berekend overeenkomstig de uitgangspunten van de Wet houdbare overheidsfinanciën.
Pagina 1 van 10
i. j. k. l.
m.
n. o. p. q.
r.
s.
Financiële rechtmatigheid: het voldoen aan wet- en regelgeving bij het uitvoeren van financiële beheershandelingen. Investering: het vastleggen van vermogen in objecten, waarvan het nut zich over meer dan een jaar uitstrekt. Investeringsbudget: een budget voor het realiseren van een investering dat voor een bepaald jaar beschikbaar is gesteld. Investeringskrediet: het totaal aan investeringsbudgetten per jaar dat nodig is om een investering te realiseren. De besteding van een investeringskrediet kan over meerdere jaren verdeeld zijn. Overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente, al dan niet tezamen met een of meerdere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt. Overheadkosten: alle kosten die samenhangen met de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces. Programma: een samenhangend geheel van activiteiten waarbij de doelstellingen, in het bijzonder de beoogde maatschappelijke effecten, zijn beschreven. Publieke taak: een taak die in het algemeen belang wordt uitgevoerd. Rechtmatigheid: het voldoen aan wet- en regelgeving.
Het begrip rechtmatigheid in het kader van de rechtmatigheidsverantwoording is echter een minder omvattend begrip. Bij rechtmatigheid in het kader van de rechtmatigheidsverantwoording bestaat er een duidelijke relatie met het financiële beheer. Er moet immers worden verantwoord dat baten, lasten en balansmutaties rechtmatig tot stand zijn gekomen. Het gaat om de financiële beheershandelingen. Rechtmatigheidsverantwoording: In dit onderdeel in de jaarrekening legt het college verantwoording af over de rechtmatigheid van de baten en lasten op een drietal criteria: Begrotingscriterium, Voorwaardencriterium en Misbruik en oneigenlijk gebruik criterium. Taakvelden: een samenvattend geheel van taken en activiteiten onder een programma, volgens het taakveldenoverzicht zoals voorgeschreven door het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV).
Hoofdstuk 2. Begroting en verantwoording Artikel 2 Programma-indeling 1. De raad stelt bij de aanvang van de nieuwe raadsperiode een programma-indeling en eventuele onderverdeling vast. 2. De raad stelt op voorstel van het college per programma de taakvelden en de beleidsindicatoren vast. Het voorstel van het college bevat ten minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het BBV. 3. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke onderwerpen, naast de onderwerpen die vanuit het BBV als verplichte onderdelen van de begroting en de jaarstukken
Pagina 2 van 10
worden opgenomen, hij in de programma’s of paragrafen kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd. Artikel 3 Inrichting begroting en jaarstukken 1. In de opzet van de begroting zijn per programma opgenomen: a. de beleidsdoelen, wat willen we bereiken; b. op hoofdlijnen hoe men dat beleid wil realiseren, wat gaan we daarvoor doen; c. het budget dat nodig is, wat mag het kosten. 2. Bij de begroting en de jaarstukken worden de lasten en baten en stortingen in, en onttrekkingen uit, de reserves per programma weergegeven. 3. Bij de uiteenzetting van de financiële positie van de begroting wordt: a. van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven en wordt van de lopende investeringen het geautoriseerde investeringskrediet en de raming van de uitputting van het investeringsbudget in het lopende boekjaar weergegeven, en b. in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het BBV inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie in de paragraaf Financiering in zowel de begroting als de jaarstukken. 4. Het college maakt incidentele baten en lasten met een ondergrens van € 100.000 zichtbaar in zowel de begroting als de jaarstukken. 5. Het college legt bij de jaarstukken verantwoording af over de uitvoering van de programma’s. In de verantwoording geeft het college, conform de opzet van de begroting, aan: a.
wat hebben we bereikt? b. wat hebben we daarvoor gedaan? c. wat heeft het gekost? 6. In de jaarrekening worden van de investeringen de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele uitputting van de investeringsbudgetten weergegeven. Artikel 4 Kaders begroting 1. Het college biedt de raad een kadernota of kaderbrief aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. In deze kadernota of kaderbrief wordt de eerste tussentijdse rapportage over het lopende jaar betrokken zoals bedoeld in artikel 6. Artikel 5 Autorisatie begroting en investeringskredieten 1. De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de lasten en de baten per programma. 2. Het college is bevoegd tot het doorvoeren van budgetneutrale (door)verdelingen van de bedrijfsvoeringskosten en de bijdrage aan De BedrijfsvoeringsPartner, over de taakvelden en programma’s. 3. Voor de rente en afschrijvingen van nieuwe investeringen wordt door de raad per programma voor het nieuwe begrotingsjaar en de drie opvolgende jaren bij de begroting een lijst van nieuwe investeringen vastgesteld.
Pagina 3 van 10
4.
5.
6.
7.
8.
9.
Voor investeringen groter dan € 1.000.000, die geen reguliere vervangingsinvesteringen zijn, worden, voordat er verplichtingen voor deze investeringen worden aangegaan, separate voorstellen aan de raad ter vaststelling voorgelegd. De overige investeringskredieten worden bij de begrotingsbehandeling geautoriseerd. Voor investeringen in de loop van het begrotingsjaar die niet in de begroting zijn opgenomen, legt het college, voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor. Het college is bevoegd overschrijdingen van de geautoriseerde lasten en onderschrijdingen van de geautoriseerde baten te dekken binnen het desbetreffende programma zolang het door de raad vastgestelde beleid wordt uitgevoerd. Het college kan extra benodigde middelen aan de raad vragen om het collegeprogramma te realiseren. Bij de behandeling van de tussentijdse rapportages in de raad bedoeld in artikel 6, lid 1, doet het college voorstellen voor wijziging van de geautoriseerde baten en lasten, investeringskredieten, investeringsbudgetten en bijstelling van het beleid. Voor dreigende overschrijdingen van de geautoriseerde lasten bedoeld in artikel 5 lid 6, maar groter dan € 100.000 per gebeurtenis, is vooraf een raadsbesluit nodig, uitgezonderd afwijkingen waar de gemeente geen invloed op heeft.
Er mag pas opdracht gegeven worden tot uitvoering, nadat de raad hiermee heeft ingestemd. Het college is gemachtigd, om in uitzonderingsgevallen zonder (voldoende) budget: a. strategische gronden of andere onroerende zaken aan te kopen. Voorafgaand aan het aangaan van de verplichtingen vindt afstemming plaats met het presidium van de gemeenteraad. b. zonder voorafgaand raadsbesluit, de belangen van de gemeente en De BedrijfsvoeringsPartner, naar de inzichten op dat moment, zo goed mogelijk te behartigen. Deze omstandigheden zijn aan de orde indien: het gemeentebelang in een bepaalde situatie (mogelijke) nadelige gevolgen zou oplopen, geen beslissing kan worden genomen en ingrijpen geen uitstel duldt. Deze uitzonderingsgevallen worden betiteld als “brandzaak” en terstond na het collegebesluit gemeld aan de raad. Het college onderbouwt in het collegebesluit waarom er sprake is van een onvoorziene omstandigheid en geeft daarbij ook aan waarom dit onvermijdelijk en onuitstelbaar is.
Artikel 6. Tussentijdse rapportages en melden van afwijkingen 1. Het college informeert de raad door middel van tussentijdse rapportages over de afwijkingen op de baten en lasten van de begroting over de eerste drie maanden en de eerste acht maanden van het lopende boekjaar. 2. De tussentijdse rapportages bevatten ten minste een uitvoerig inzicht in de actuele stand van investeringsbudgetten door de realisatie en raming van de uitputting van de investeringsbudgetten weer te geven.
Pagina 4 van 10
3.
4.
In de tussentijdse rapportages worden afwijkingen toegelicht op de ramingen van de baten en lasten van programma’s in de begroting groter dan € 100.000 van het budget en bij afwijkingen van € 100.000 of meer bij investeringsbudgetten. Afwijkingen die de laatste vier maanden van het begrotingsjaar zijn ontstaan worden gemeld en toegelicht in de jaarrekening of zoveel eerder als mogelijk.
Artikel 7. Jaarstukken en overhevelen (restant)budgetten 1. Gelijktijdig met het aanbieden van de jaarstukken biedt het college de raad het voorstel aan over de bestemming van het jaarrekeningresultaat. 2. Restantbudgetten die specifiek voor een doel bestemd zijn, worden direct verrekend met de daarvoor bestemde reserve. 3. Vooruitlopend op het bestemmingsvoorstel over het jaarrekeningresultaat kan het college de raad in een tussenrapportage of separaat voorstellen doen om restantbudgetten vooruitlopend op de bestemming van het rekeningresultaat, over te hevelen naar het volgende begrotingsjaar. Hierbij wordt in acht genomen dat: a. jaarlijks terugkerende structurele budgetten niet worden overgeheveld; b. overheveling van incidentele budgetten is alleen mogelijk als sprake is van een specifiek doel waarvoor de middelen beschikbaar zijn gesteld en deze lasten niet opgevangen kunnen worden in de budgetten van het volgende boekjaar; c. een investeringsbudget, waarop in het begrotingsjaar geen boekingen op hebben plaatsgevonden, alleen gemotiveerd kan worden overgeheveld; d. een ongebruikt investeringskrediet in principe slechts één keer naar het volgende jaar wordt overgeheveld, daarna komt het te vervallen tenzij de raad anders besluit; e.
besluitvorming door de raad over de restant investeringsbudgetten vindt achteraf plaats met het vaststellen van de tussentijdse rapportages of de jaarrekening waarin de actuele stand van de investeringskredieten en -budgetten is opgenomen. Artikel 8. Wensen en bedenkingen over grote onderwerpen 1. In het kader van de actieve informatieplicht besluit het college niet over: a. het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties groter dan € 1.000.000; alle overige gevallen waarin het college dit wenselijk acht; b. een voorgenomen besluit tot het aangaan van een financiële participatie uit hoofde van de “publieke taak”, dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen. Artikel 9. EMU-saldo Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting. Pagina 5 van 10
Hoofdstuk 3. Rechtmatigheidsverantwoording Artikel 10. Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording 1. Het college informeert de raad, door middel van de paragraaf bedrijfsvoering, naast de verplichte onderdelen van deze paragraaf, over de rechtmatigheid van haar handelen. 2. In de rechtmatigheidsverantwoording bij de jaarrekening rapporteert het college aan de raad over afwijkingen met een verantwoordingsgrens van 2% van de totale lasten van de gemeente, exclusief de stortingen in de reserves. 3. In de paragraaf bedrijfsvoering worden de geconstateerde afwijkingen (fouten en onduidelijkheden) groter dan € 100.000 toegelicht. Artikel 11. Voorwaardencriterium 1. Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur. 2. Het college biedt de raad jaarlijks, uiterlijk in december voorafgaand aan dat jaar, een normenkader rechtmatigheid ter vaststelling aan. Dit kader bestaat uit alle relevante (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien. Artikel 12. Begrotingscriterium 1.
Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door de raad geautoriseerde (gewijzigde) begroting van (exploitatie)budgetten en investeringskredieten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen. 2. De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door de raad is geautoriseerd, zoals is opgenomen in artikel 5. 3. Bij investeringsprojecten en budgetten die vallen binnen een grondexploitatie wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde kredietbedrag of de vastgestelde grondexploitatie. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaal bedrag van het investeringskrediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd. 4. Uitgangspunt is dat iedere afwijking van de (gewijzigde) begroting als onrechtmatig wordt beschouwd. Afwijkingen worden als acceptabel aangemerkt als: a. er is sprake van een overschrijding waarbij direct gerelateerde inkomsten de overschrijding geheel of grotendeels compenseren; b. er is sprake van een overschrijding op een open-einde regeling; c. er sprake is van afwijkingen die tijdig aan de raad zijn gemeld maar niet tijdig tot een begrotingswijziging hebben geleid. 5.
Begrotingsonrechtmatigheden die passen binnen het bestaande beleid van de raad, worden opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording (voor zover de verantwoordingsgrens voor
Pagina 6 van 10
afzonderlijke fouten of onduidelijkheden is overschreden), maar worden niet nader toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering. Artikel 13. Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium 1. Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheershandelingen. 2. Het college zorgt voor en legt vast de regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen.
Hoofdstuk 4. Financieel beleid Artikel 14. Waardering & afschrijving vaste activa 1. Immateriële en materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek en de termijnen zoals uitgewerkt in de door de raad vast te stellen nota activabeleid. 2. De uitgangspunten in de nota activabeleid zijn bepalend, afwijkingen van het beleid worden afzonderlijk aan de raad ter besluitvorming voorgelegd. Artikel 15. Voorziening voor oninbare vorderingen 1. Voor openstaande vorderingen, zoals onroerendezaakbelasting, rioolheffing en afvalstoffenheffing, wordt voor zover van toepassing een voorziening wegens oninbaarheid gevormd ter grootte van het historische percentage van oninbaarheid. 2. Voor de overige vorderingen wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen. Artikel 16. Reserves en voorzieningen 1. Het college stelt een nota reserves en voorzieningen op en de raad stelt deze nota vast. De nota reserves en voorzieningen behandelt tenminste: a. de vorming, het doel en besteding van reserves; b. de vorming en besteding van voorzieningen; c. de toerekening en verwerking van rente over de reserves en de voorzieningen. Artikel 17. Kostprijsberekening 1. Voor het bepalen van de geraamde kostprijzen van rechten en heffingen stelt het college een Belastingnota op. De raad stelt deze vast.
In deze nota wordt ten aanzien van het bepalen van de kostprijzen tenminste opgenomen: a. het algemene beleid met de grondslagen voor de tarievenberekening; b. kostentoerekening bij de tarievenberekening; c. transparante kostenonderbouwingen.
Pagina 7 van 10
Artikel 18. Prijzen economische activiteiten 1. Voor de levering van goederen, diensten of werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Dit met inachtneming van de in de wet Markt en Overheid als zodanig aangemerkte uitzonderingen. 2. Wanneer het in rekening brengen van de integrale kostprijs voor een bepaalde activiteit niet mogelijk of wenselijk is, doet het college een voorstel voor een raadsbesluit om deze activiteit van deze regel uit te zonderen, waarin het publiek belang van de activiteit wordt gemotiveerd. 3. Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in het vorige lid zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en er sprake is van één van de uitzonderingen zoals genoemd in artikel 25h van de Mededingingswet. Artikel 19. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen 1. Gemeentelijke belastingen, heffingen en leges worden jaarlijks vastgesteld middels de belastingverordeningen en legesverordeningen. De raad stelt de verordeningen voor het nieuwe begrotingsjaar vóór 31 december voorafgaand aan het nieuwe begrotingsjaar vast. 2. Het college biedt eens in de 4 jaar de raad een belastingnota aan met de kaders voor de prijzen van gemeentelijke diensten.
De raad stelt deze nota vast. 3. De besluiten voor het vaststellen van nieuwe prijzen en het wijzigen van prijzen, binnen de kaders zoals bedoeld in het tweede lid, worden ter kennisname aan de raad aangeboden. 4. Het college legt bij tussentijdse wijziging van prijzen die afwijken van de kaders zoals bedoeld in het tweede lid vooraf een besluit voor aan de raad. Artikel 20. Financieringsfunctie 1. Het college draagt bij de uitoefening van de financieringsfunctie zorg voor: a. het aantrekken van voldoende financiële middelen en het uitzetten van overtollige gelden om de programma’s binnen de door de raad vastgestelde kaders van de begroting uit te kunnen voeren; b. het beheersen van de risico’s verbonden aan de financieringsfunctie, zoals renterisico’s, koersrisico’s en kredietrisico’s; c. het zo veel mogelijk beperken van de kosten van de leningen en het bereiken van een voldoende rendement op de uitzettingen op basis van een prudent treasurybeleid; d. het beperken van de interne verwerkingskosten en externe kosten bij het beheren van de geldstromen en financiële posities. 2. Bij het uitzetten van middelen, het verstrekken van garanties en het aangaan van financiële participaties uit hoofde van de publieke taak bedingt het college indien mogelijk zekerheden. 3.
Het college stelt regels op ter uitvoering van het gestelde onder het eerste en tweede lid en legt deze regels alsmede de regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening vast in een Treasurystatuut en een nota Garantstellingen en leningen. Het college zendt het Treasurystatuut en de nota Garantstellingen en leningen ter kennisgeving aan de raad.
Pagina 8 van 10
Hoofdstuk 5. Financiële organisatie en financieel beheer Artikel 21. Administratie De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor: a. het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente; b. het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden en contracten; c. het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten, investeringskredieten en -budgetten en voor het maken van kostencalculaties; d. het verschaffen van informatie over indicatoren over de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid; e. het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving; f. de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving. Artikel 22. Financiële organisatie 1. Het college draagt de zorg voor en legt in een besluit vast: a.
een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de clusters; b. een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden, zodat aan de eisen van interne controle wordt voldaan en de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie aan beleids- en beheersorganen is gewaarborgd; c. de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten; d. de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie; e. de te maken afspraken met de clusters over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen; f. de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van baten en lasten aan de taakvelden; g. het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten; h. het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen; i.
het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan; j. het verzamelen en vastleggen van gegevens over de geleverde prestaties. Pagina 9 van 10
Artikel 23. Interne controle 1. Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a, van de Gemeentewet, en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b, van de Gemeentewet en voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking, en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen tot herstel. 2. Het college zorgt voor de systematische controle van de administratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen ten minste eenmaal in de 4 jaar.
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen Artikel 24. Intrekking oude verordeningen De “Financiële verordening gemeente Ridderkerk 2024” wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt en op de begroting, jaarrekening en jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar dat samenvalt met het jaar waarin deze verordening in werking treedt. Artikel 25. Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op een dag na de bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2025. Artikel 26. Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald onder de naam “Financiële verordening gemeente Ridderkerk 2025”. Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 11 december 2025. de griffier,
de voorzitter,
mr. O. Vliegenthart
Dhr. C.A. Oosterwijk
Pagina 10 van 10