CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Cultuurhistorisch onderzoek

Commissie Samen leven en Samen wonen RK 10 september 2026, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 9: Ter kennisneming: raadsinformatiebrieven20.482 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

3 alinea's met “zuidoost”: 35 59 62

AANVULLEND ONDERZOEK CULTUUR- HISTORIE RIDDERKERK BEGRAAFPLAATSEN RUSTHOF EN VREDEHOF AUGUSTUS 2020 DEFINITIEF 2 DORP, STAD & LAND BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK COLOFON Aanvullend onderzoek Ridderkerk Begraafplaatsen Ridderkerk In opdracht van: Gemeente Ridderkerk Uitgevoerd door: Stichting Dorp, Stad en Land Adviseurs ruimtelijke kwaliteit Groothandelsgebouw Stationsplein 45 3001 GC Rotterdam 010 280 9445 www.dorpstadenland.nl info@dorpstadenland.nl Dit onderzoek is uitgevoerd door: Ir. Suzanne Loen, adviseur landschap en cultuurhistorie Contactgegevens: s.loen@dorpstadenland.nl Projectteam: Lisanne van den Bulk Colette Cramer Suzanne Loen Bert van der Kruk Hasan Özgören Sandra Smets Datum: augustus 2020 Teksten, foto’s en kaarten zijn gemaakt door Dorp, Stad en Land, tenzij anders vermeld. © Dorp, Stad en Land 2020 3 BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK DORP, STAD & LAND INHOUDSOPGAV E Inleiding 4 Begraafplaatsen Rusthof en Vredehof 5 Aanleiding 5 Methode onderzoek & Werkwijze 5 Leeswijzer 5 Bronnen 5 1. Historisch perspectief begrafenis cultuur algemeen en onderzoeksgebied 7 2. Typologie en kenmerken van buitenbegraafplaatsen 12 3. Begraafplaats Rusthof 16 Ontstaansgeschiedenis 17 Inventarisatie en beschrijving 21 Waardestelling 34 Conclusies en aanbevelingen 36 4.

Begraafplaats Vredehof 39 Ontstaansgeschiedenis 40 Inventarisatie en beschrijving 46 Waardestelling 62 Conclusies en aanbevelingen 63 5. Algemene conclusies en aanbevelingen 72 Bijlage 1. Voorlopige bomeninventarisatie 75 Bijlage 2. Tuinhistorische waarden 77 Bijlage 3. Uittreksel Monumenten Inventarisatie Project Aula Rusthof 78 Bijlage 4. Beschrijving en waardering Aula Vredehof 79 Bijlage 5. Beschrijving en waardering Hogeweg 80 4 DORP, STAD & LAND BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK INLEIDING Ridderkerk is een gemeente met verschillende historische kernen, die ontstaan zijn langs de rivieren de Nieuwe Maas en Lek. Vanaf 1900 vindt de eerste uitbreiding van de kernen plaats die dan veelal nog de oude verkave- lingsstructuren volgen. Als gevolg van de woningnood na de Tweede Wereldoorlog worden diverse nieuwe wijken aangelegd en breiden de kernen steeds verder uit. De naoorlogse uitbreidingswijken omsluiten de oude kernen en liggen op de grens met het landelijk gebied. Binnen de gemeentegrenzen van Ridderkerk is deze ontwikkeling nog duidelijk zichtbaar in restanten van historische structuren, bebouwing en het voormalige agrarisch landschap. In 2015-2016 is door Dorp, Stad en Land cultuurhistorisch onderzoek verricht op het gebied van landschap, ste- denbouw en bouwkunst naar het centrum van Ridderkerk.

Dit onderzoek resulteerde in een cultuurhistorische waar- denkaart die een uitwerking is van het Erfgoedbeleid Ridderkerk 2013 en de basis vormde voor de vertaling van het beleid naar het bestemmingsplan. In 2016-2017 is vervolgens voor de kern Slikkerveer en de woongebieden rondom het centrum van Ridderkerk eveneens een cultuurhistorische inventarisatie gehouden en een waardenkaart opgesteld. De uitbreidingswijken Ridderkerk Oost, Ridderkerk West en Drievliet/Het Zand behoorden tot dit onderzoek. Dorp, Stad en Land adviseerde voor de zeer hoog gewaardeerde panden uit beide onderzoeken een mogelijke aanwijzing als gemeentelijk monument te onderzoeken. Uit de inventarisatie bleek ook de belangrijke cultuurhistorische waarde van de twee begraafplaatsen Rusthof en Vredehof. Deze zijn destijds beperkt beschreven. Dorp, Stad en Land adviseerde nader onderzoek naar de cultuur- historische waarde van de begraafplaatsen, zodat een verantwoorde keuze kan worden gemaakt uit de verschillen- de typen bescherming. Als laatste werd tijdens het veldwerk in de woongebieden geconstateerd dat er verschillende vormen van (wederopbouw)kunst in de buitenruimte aanwezig zijn. Deze kunstvorm is kwetsbaar voor sloop, vernieling, heling en verplaatsing.

Dorp, Stad en Land heeft de gemeente geadviseerd deze kunst in de openbare ruimte en monu- mentale wandkunst (geïntegreerd in de architectuur) te inventariseren en te waarderen. Hieruit volgend heeft de gemeente Ridderkerk aan Stichting Dorp, Stad en Land, naar aanleiding van deze aanbe- velingen, opdracht gegeven voor een aanvullend project. De bovengenoemde aanbevelingen zijn eind 2018 omgezet in een opdracht tot: 1. het beschrijven van de zeer hoog gewaardeerde panden en objecten uit het centrum, het woongebied en Slikkerveer t.b.v. een mogelijk aanwijzingstraject tot gemeentelijk monument; 2. het nader beschrijven en waarderen van de begraafplaatsen Rusthof en Vredehof; 3. het inventariseren, schouwen en beschrijven van monumentale wandkunst en kunst in de buitenruimte van het centrum en de woongebieden van Ridderkerk. De drie onderzoeksopdrachten hebben geresulteerd in drie separate rapporten: ’Redengevende beschrijvingen’, ’Begraafplaatsen Rusthof en Vredehof’ en ’Kunst in de buitenruimte’, elk voorafgegaan door een verantwoording van het onderzoek en afgesloten door conclusies en aanbevelingen. 5 BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK DORP, STAD & LAND BEGRAAFPLAATSEN RUST HOF EN VREDEHOF Aanleiding Naar aanleiding van de aanbevelingen in de beide rapporten en cultuurhistorische waardenkaarten voor het cen- trum en de woongebieden van Ridderkerk (resp.

Dorp, Stad en Land, 2016 & 2018) heeft de gemeente Ridderkerk opdracht gegeven voor een tuinhistorisch onderzoek naar de begraafplaatsen Rusthof en Vredehof. Dit onderzoek richt zich op de aanleg van de begraafplaatsen (bebouwing, groenaanleg, water en grafvelden). De aula van de begraafplaats Rusthof is een gemeentelijk monument en maakt net als de afzonderlijke graven geen onderdeel uit van de opdracht. Aan de hand van dit onderzoek met bijbehorende waardenstelling kan de gemeente beleid opstel- len waarmee zij de cultuurhistorische waarden van de begraafplaatsen voor de toekomst veilig kan stellen. Methode onderzoek & Werkwijze Dit cultuurhistorisch onderzoek is volgens de ‘Richtlijnen tuinhistorisch onderzoek’ van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) opgesteld. De RCE hanteert bij cultuurhistorische waardebepaling een leeftijdgrens van 45 na aanleg. Hierdoor zijn de uitbreidingen en transformaties na 1975, zoals het rouwcentrum van architect Arie Stout uit 1982, niet onderzocht. Dit betekent niet dat structuren en objecten van na 1975 niet van waarde zijn. In de con- clusies en aanbevelingen zal hierop nader worden ingegaan. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van informatie van de gemeente, Stichting Oud Ridderkerk en de openbare regionale en nationale archieven. De beide begraafplaatsen zijn bezocht en gefotografeerd.

Het concept rapport is voorgelegd aan de gemeente. Lisette Ooms en Rene Schut en Marten Douma van Stichting Oud Ridderkerk hebben correcties, zienswijzen en aanvullingen voorgelegd. Deze zijn waar mogelijk verwerkt. Het RCE Het concept rapport is voorgelegd aan de gemeente. Lisette Ooms en Rene Schut van de gemeente Ridderkerk en Marten Douma van Stichting Oud Ridderkerk hebben correcties, zienswijzen en aanvullingen voorgelegd. Deze zijn waar mogelijk verwerkt. Leeswijzer Dit onderzoek is opgebouwd uit vijf delen. In het eerste en tweede hoofdstuk wordt de algemene ontwikkeling van begraafplaatsen en de landschappelijke en stedelijke context van begraven en begraafplaatsen in Ridderkerk om- schreven. Kunstwerken op de begraafplaatsen worden globaal beschreven. Voor de cultuur- en kunsthistorische be- schrijving en waardering verwijzen wij naar het rapport Ridderkerk. Kunst in de buitenruimte. Het derde en vierde hoofdstuk betreft de beschrijving en waardestelling van de begraafplaatsen in woord en beeld. De hoofdstukken worden afgesloten met algemene conclusies en aanbevelingen. Hoofdstuk 5 gaat nader in op de zorg voor groen erfgoed en de regelgeving. Bronnen Bij het opstellen van de cultuurhistorische waardenkaart is van de volgende bronnen gebruik gemaakt.  Bok, L.

& Attema, Y., Begraafplaatsen als cultuurbezit, Den Haag, 2003  Brouwer, Rindert, Ook u Wacht ik, Begraafplaatsen in Europa en hun geschiedenis, Rijswijk, 2000  Dijk, H., De Eeuwige Tuin, Beplanting op Graven en Begraafplaatsen, Warnsveld, 2004  Gemeente Ridderkerk, Groene Kaart, Ridderkerk, 2013  Gemeente Ridderkerk / Rene Stout, Beheerplan Begraafplaatsen Ridderkerk, Ridderkerk, 2013  Kok, H.L., De Geschiedenis van de laatste eer in Nederland, Lochem, 1970  Landschapsbeheer Zuid-Holland, Cultuurhistorische objecten: IJsselmonde en Eiland van Dordrecht, 2011  H+N+S Landschapsarchitecten & SteenhuisMeurs Cultuurhistorie en Onderzoek, Begraafplaats Selwederhof, Nieuw programma en kansen voor een te groot ontworpen jas, Amersfoort, 2016  Rho Adviseurs voor Leefruimte, Erfgoedbeleid Ridderkerk, Cultuurlandschap en historische Stedenbouw, 2013  Roever, M. De & Bierenbroodspot, J., De Begraafplaatsen van Amsterdam, Amsterdam, 2004  Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg, Groen Erfgoed, Praktische tips voor onderhoud en herstel, Rijswijk, 2019  Stokroos, Ietse-Jan, Graven in het Landschap, Vormgeving en inrichting van begraafplaatsen in Nederland in het interbellum, Groningen, 2015  Zeeuw, W.J.

de, De Kerk van Rijsoord, Rijsoord, 1974 Websites:  bagviewer.kadaster.nl  www.eilandijsselmonde.nl  www.geschiedenisvanzuidholland.nl  www.topotijdreis.nl  www.oudridderkerk.nl  www.rezoord.nl  www.archieven.nl  Nationaal Archief  Rotterdams Archief  Beeldbank Cultureel Erfgoed  www.4en5mei.nl (database oorlogsmonumenten)  library.wur.nl  www.groenerfgoedzorg.nl/regelgeving  Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg: www.stichtingerm.nl 7 DORP, STAD & LAND BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK Begraafplaats als cultureel erfgoed Begraafplaatsen kunnen om verschillende redenen ge- rekend worden tot waardevol cultuurbezit. Dit kan van toepassing zijn op de verschillende aspecten afzonder- lijk, zoals het groen (historische groenaanleg), het blauw (waterstructuren), het rood (de bouwkunst) en het grijs (de graftekens) en/of de samenhang tussen de aspecten met hun omgeving. Oude begraafplaatsen zijn vaak ingericht als park en functioneren door hun verstilde karakter als oasen van rust met vaak bijzonde- re natuurwaarde. Naast de materiële aspecten vertelt de rustplaats als ‘stenen archief’ het verhaal van de gemeenschap die er begraven ligt en begraaft. De be- graafplaatsen kunnen van lokaal, nationaal en zelfs internationaal belang zijn.

Hieronder volgt in vogelvlucht de ontwikkeling van de Nederlandse begrafeniscultuur in het algemeen en de lokale ontwikkeling in het bijzonder. Ontwikkeling funeraire cultuur in vogelvlucht Tot de Bronstijd Het begraven laat al vanaf de vroegste bewoning spo- ren na in het Nederlandse landschap. Hunebedden (of dolmen) komen voor in Nederland, Duitsland en Dene- marken. In ons land zijn deze bouwwerken vooral te vinden in Drenthe. Volgens de gangbare theorie zijn het prehistorische neolitische (4.000-3.000 v.Chr.) grafkamers of knekelhuizen waar de beenderen van overledenen werden bewaard. Het is niet met zekerheid te zeggen dat grafsignalatie de oorspronkelijke functie was van de stenen bouwwerken. Vermoed wordt dat sommige hunebedden enkel dienst deden als heilig- dom. Vanaf ongeveer 5.000 v.Chr. werden grafheuvels en grafkuilen gemaakt waarin doden of de as werden bijgezet. De doden werden ook wel in een boomkist (uitgeholde boomstam) bijgezet. Het cremeren deed rond 1.000 v.Chr. haar intrede. Urnenvelden werden vaak met een kringgreppel of sloot gemarkeerd, sporen hiervan worden regelmatig aangetroffen. De grafheu- vels, -kuilen en -velden lagen buiten de nederzettingen in de natuur. In Nederland zijn ongeveer 1.700 graf- heuvels en urnenvelden bekend. Ze bevinden zich voor- namelijk in Drenthe, Gelderland, Noord-Brabant, Utrecht en Limburg.

Romeinse grafcultuur Aan de hand van onderzoek wordt geconcludeerd dat tot de 3e eeuw cremeren gebruikelijk was, daarna werd begraven weer populairder. Crematie vond plaats op brandplaatsen, deze konden een tijdelijke of centrale permanente functie hebben. Na verbranding werden de resten op een grafveld begraven, soms werd de do- de op de brandplaats zelf begraven. Grafvelden lagen in deze periode op kleine afstand buiten de nederzettin- gen langs uitvalswegen, omdat het bij wet verboden was de doden binnen de nederzettingen te cremeren of te begraven. Door markering waren de graven goed zichtbaar. Grafvelden werden tevens voorzien van kringgreppels of een randconstructie, maar waren aan- zienlijk minder hoog dan de vroegere grafheuvels. Middeleeuwen – 16e eeuw In de eerste eeuwen van het Christendom stierven veel christenen de marteldood. Vanaf de bekering van Kei- zer Constantijn in 313 ontstond er een cultus rondom christelijke martelaren. Christenen werden altijd begra- ven vanwege het geloof in de wederopstanding. Er von- den pelgrimstochten plaats naar de martelaarsgraven en op deze graven werden kapellen en kerken ge- bouwd. De kerk werd zodanig gepositioneerd dat de martelaar onder het altaar kwam te liggen. Tussen de 6e en 8e eeuw arriveerde het Christendom in Neder- land. Het werd belangrijk gevonden om in door geeste- lijken gewijde grond te worden begraven.

Deze bevon- den zich op het hof (tuin) rond kerken en kloosters waar de geestelijken de grond met religieuze riten wijd- den. Daarbij was het van belang in de nabijheid van (een reliek van) een heilige te worden begraven omdat deze kon bemiddelen voor het zielenheil van de overle- dene. Een graf in de kerk zelf was een statussymbool en voorbehouden aan de geestelijken en de rijken die de kosten daarvan konden dragen. Op het hof rondom de kerk werd de minder bemiddelde bevolking begra- ven. Zo ontstond de binnenstadse begraafplaats. De ruimte rond de kerk, het kerkhof of grafveld, was in de Middeleeuwen vaak een kaal met gras bekleed veld, alhoewel beboomde kerkhoven ook voorkwamen. Het was een plaats van samenkomst, waar sociale activitei- ten, handel en nijverheid, zoals het naaien van zeilen, het weiden van vee en zelfs schietoefeningen plaatsvon- den. Bomen op kerkhoven vormden een inkomsten- bron. Om de zoveel jaar werd het geboomte gerooid en het hout verkocht. De ‘gewone man of vrouw’ werd hier zonder markering aan de aarde toevertrouwd. Vaak in een ommuurd ge- Rond 200.000 jaar geleden werden de doden in het Europese gebied al bij elkaar begraven. De eerste begraaf- plaatsen zijn ongeveer 40.000 jaar oud. Al vanaf de vroegste bewoning van Nederland laat het begraven ook hier haar sporen na in het landschap.

De laatste rustplaats kan dus net zoals natuurgebieden, buitenplaatsen en kerken deel uitmaken van ons cultuurbezit. 1. HISTORISCH PERSPE CTIEF 8 BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK DORP, STAD & LAND deelte, bij voorkeur ten zuiden van de kerk. Hoe dichter tegen de muur van de kerk hoe beter. Aan de noorde- lijke zijde (meestal ongewijde grond) bevond zich soms een ‘ellendigenkerkhof’ of ‘heydenen kerckhoven’ waar ongedoopten, misdadigers en zelfmoordenaars werden begraven. Graven op het kerkhof werden regelmatig geruimd om plaats te maken voor nieuwe doden. De botten werden dan bijgezet in het knekelhuis van de kerk. Vanaf de 14de eeuw woedde de pest door Europa. Voornamelijk de kloosterorde van de cellenbroeders en -zusters hield zich bezig met het verzorgen van zieken als melaatsen en leprozen. De door hen opgerichte pesthuizen en pestkerkhoven bevonden zich op gepaste afstand van de bebouwde kom. De grond van de be- graafplaatsen werd door geestelijken gewijd maar werd niet gemarkeerd en ze verdwenen. Vaak ook werden zij later reguliere begraafplaatsen, of voorzien van een kerk of kapel en kerkhof. In de tweede helft van de 15e eeuw werd in Ridderkerk een kerk gewijd aan Sint Joris opgericht. In 1602 werd een singel of kerkgracht om de kerk aangelegd. Vanaf toen werd de kerk met het ovale kerkhof bekend als de Singelkerk.

De oorsprong van cirkelvormige en omsingelde kerkhoven moet worden gezocht in het verleden waarin nederzettingen vaak werden gesticht op terpen en zoals in de omgeving van Ridderkerk op donken, (restanten van) rivier-duinen. De kerkgracht was verder gunstig voor de ontwatering en fungeerde vaak als wa- terbuffer voor vee en bluswater. Bij aanleg van de gracht werd de vrijgekomen grond vaak gebruikt om het kerk- hof op te hogen. In de kerk en op het kerkhof werden tot 1829, toen de buitenbegraafplaats Rusthof werd aange- legd, de doden begraven. Singelkerk ca. 1960. (Stichting Oud Ridderkerk)

9 | BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK | DORP, STAD & LAND 17e en 18e eeuw | houden. In 1783 schreef het Zeeuws Genootschap Vanaf de 17e eeuw werden de armen en zieken | der Wetenschappen te Vlissingen een prijsvraag uit. steeds vaker buiten de overvolle dorpen en steden | Het onderwerp: ”Dewyl de schadelijkheid der begra- begraven. Deze ‘armenkerkhoven’ bevonden zich | venissen, binnen de Steden en Kerken, ten vollen be- aan de rand van dorp of stad, bijvoorbeeld op de | weezen en vry algemeen erkend is: welke zyn de ver- bolwerken, of zelfs daarbuiten. De relatie met een | schillende redenen, dat die nadeelige gewoonte in kerk werd hierbij vaak losgelaten. Met de komst van | deeze Republiek blyft stand grypen; en welke zyn de Sefardische Joden in de 17e eeuw werden ook Joodse | beste middelen, om dezelve te doen ophouden? “ begraafplaatsen gesticht. Zij bevonden zich altijd bui- | Johan van Leeuwen stichtte samen met o.a. Arend ten de stadsmuur en mochten niet worden geruimd. | Hendrik van Eck, het ‘Begraafgenootschap Ter Na- Het besef dat het begraven van de doden in kerken | volging’ met als doel in Tiel een buitenbegraafplaats midden in drukbevolkte woongebieden onhygiënisch | aan te leggen. In 1786 werd hiertoe een stuk grond en gevaarlijk voor de gezondheid was groeide. On- | gekocht buiten de Burense Poort.

Op 30 december danks de ondragelijke stank en het gevaar voor de | 1786 kon Wilhelmina Claeszen als eerste op ‘Ter volksgezondheid bleek het begraven in en om de | Navolging’ worden begraven. De predikant Abraham kerk een moeilijk los te laten traditie. Het bleef een | Perrenot volgde dit voorbeeld en stichtte in Scheve- statussymbool voor de rijken en een goede inkom- | ningen een begraafplaats die ook ‘Ter Navolging ‘ stenbron voor de kerken. Onder invloed van de Ver- | werd genoemd. lichting was een tegenbeweging echter niet tegen te Sinds 1702 was de familie Groeninx van Zoelen eigenaar van het landgoed ‘Huys ten Donck’. Sinds 1721 waren zij ambachtsheren van Ridderkerk. In de Singelkerk had de familie Groeninx van Zoelen een graftombe. Na de brand in de kerk van 22 maart 1920, waarbij het praalgraf van de familie onherstelbaar werd verwoest, zijn de stoffelijke resten van alle vóór 1829 overleden familieleden overgebracht naar het familiegraf aan de Kievitsweg. 19 e en vroeg 20 e eeuw | bestaande kerkhoven als nieuwe begraafplaatsen in In 1804 vaardigden de Fransen een decreet uit waar- | handen van de gemeente. In principe mocht niemand in stond dat begraven in de bebouwde kom werd | meer geweigerd worden wegens geloof, armoede of verboden. Van 1810 tot 1813, toen de Fransen Ne- | levenswandel.

In het verzuilde Nederland werd dit derland bestuurden, was dit decreet ook van kracht in | principe anders uitgelegd dan in Frankrijk waar ie- Nederland. Vanaf 1829 werd via een Koninklijk Be- | dereen door elkaar lag. Er werden op de nieuwe be- sluit het begraven in dorpen en steden met meer dan | graafplaatsen buiten de bebouwde kom, de zoge- 1000 inwoners verboden. In 1869 werd de begrafe- | naamde ’buitenbegraafplaatsen’, afdelingen gereser- niswet van kracht. Hierin werd onder andere vastge- | veerd voor de verschillende klassen en gezindten. De steld dat begraafplaatsen minstens 50 meter van de | begraafplaatsen krijgen steeds meer een parkachtig bebouwde kom dienen te liggen, dat elke gemeente | karakter. Later ontstonden ook weer aparte katholie- vanaf 1000 zielen tenminste een algemene begraaf- | ke en protestantse begraafplaatsen. De wetgeving plaats heeft en dat elke gemeente kleiner dan 1000 | had tot gevolg dat voorname, vaak adellijke families, zielen een gemengde begraafplaats mag aanleggen. | particuliere familiebegraafplaatsen aanlegden omdat Met deze wetgeving kwamen zowel | zij hun grafkelders in de kerken kwijtraakten. e Rijsoord had samen met Strevelshoek haar eigen kerk met kerkhof. In 1842 is de oude 14 eeuwse kerk van Rijs- oord vervangen door de huidige Hervormde Kerk aan de Rijksstraatweg 43.

Op de oude begraafplaats groeiden iepen die om de zoveel jaar werden gerooid en flink geld opbrachten. Het hout was gewild onder de wagenma- kers. Omdat Rijsoord tot 1855 een zelfstandige gemeente was met maar 100 woners mochten de doden op het eigen kerkhof worden begraven. Vanaf 1872 werden hier geen lijken meer ter aarde besteld. 10 BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK DORP, STAD & LAND Op 15 februari 1923 koopt de gemeente Ridderkerk van de familie Maaskant, landbouwers, een perceel grond voor 338 gulden ter uitbreiding van de algemene begraafplaats Rusthof aan de Lagendijk. Dit heeft ongetwijfeld te maken met de groei van het aantal inwoners door de bloeiperiode die de dorpen Slikkerveer en Bolnes in de scheepsbouw en industrie doormaken. In 1954 wordt de Algemene Begraafplaats Vredehof, gelegen aan de La- gendijk 112, in gebruik genomen. Voor het ontwerp wordt de bekende tuinarchitect J. Vroom jr. aangetrokken. Gemeentearchitect H.J. Hardeman ontwerpt de aula. De aula is voorzien van een gebrandschilderd raam ge- schonken door de firma Boele, een vermaard scheepsbouwbedrijf uit Bolnes. In de loop der jaren wordt de be- graafplaats steeds verder uitgebreid. richting en graftekens werden strenger. Vanaf de ja- ren 50 worden begraafplaatsen aangelegd in de mo- derne landschapsstijl. Het idee van een parkachtige sfeer wordt losgelaten.

Tuinarchitecten gingen uit van het gelijkheidsbeginsel in leven en dood waardoor de afdelingen voor verschillende gezindten en klassen verdwenen. Op veel buitenbegraafplaatsen zijn Ne- derlandse oorlogsgraven aanwezig. Deze worden vaak beheerd door de Nederlandse oorlogsgraven- stichting. 1930 – wederopbouwperiode De vroegste buitenbegraafplaatsen die aanvankelijk buiten de bebouwde kom lagen, kwamen door uit- breidingen van dorpen en steden langzaam weer midden in de bebouwde kom te liggen. De eerste generatie buitenbegraafplaatsen werd ook als wan- delpark gebruikt. De tweede generatie buitenbe- graafplaatsen die vanaf de jaren 30 van de 20e eeuw werden aangelegd waren soberder van stijl en nodig- den minder uit tot verpozing. De regels t.a.v. in- In navolging van het Franse decreet uit 1804 en het Koninklijk Besluit van 1829 werd op 1 januari 1829 de be- graafplaats Rustburg (het huidige Rusthof) in gebruik genomen. Het kerkhof van de Singelkerk werd officieel gesloten. Op de minuutplans (1811-1832) staat de nieuwe begraafplaats aan de Lagendijk, rondom met een rui- me sloot omgeven, vermeld. In 1827 gaf Jkhr. Otto Paulus Baron Groeninx van Zoelen opdracht tot de aanleg van een familiebegraafplaats (bij Kievitsweg 114) aan de zuidrand van het, bij het huis behorende, park. Zijn naam en wapen zijn verwerkt op de obelisk in het park.

Grafmonument van de familiebegraafplaats behorende bij Huys ten Donck. (beeldbank RCE) 11 DORP, STAD & LAND BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK Luchtfoto uit 2015 van Begraafplaats Selwederhof in Groningen van J. Vroom jr. in gemengde stijl. (bron gemeente Groningen) Promotiemateriaal van de kwekerij van tuinarchitect J. Vroom jr. Ook Mien Ruys, de familie Copijn en Zochers hadden naast hun ontwerppraktijk ook eigen kwekerijen. (bron: H+N+S Landschapsarchitecten & SteenhuisMeurs Cultuurhistorie en Onderzoek, 2016) 12 BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK DORP, STAD & LAND In Europa kunnen begraafplaatsen over het algemeen verdeeld worden in twee typen. De Noord- en West-Europese ‘dodentuinen’ zoals in Ne- derland en de Zuid Europese ‘dodensteden’. De begraafplaatsen zijn een uiting en weerspiegeling van de heersende cultuur en opvattingen over leven en dood en zijn daarbij gebonden aan de lokale context en mogelijkheden van klimaat, bodem en beschik bare materialen. In de dodentuinen overheerst het groen; een park -, of tuinachtige inrichting met grasweides en opgaande beplanting bepaalt het beeld. In de om- muurde dodensteden overheerst het steen en de grafmonumenten. De grond is er vaak zo hard en droog dat bovengronds in plaats van on- dergronds wordt begraven.

Ook de ontwikkeling van de typologie en stijlkenmer ken van de 19e- en 20e-eeuwse buitenbegraafplaatsen werd (en wordt nog steeds) be- paald door opvattingen binnen de verschillende geloofsovertuigingen, stijlopvattingen in de landschaps - en tuinarchitectuur en kunsten, en de lokale fysieke en sociaal-culturele context. Hieronder worden de ken- merken en ontwikkeling van de vier belangrijkste componenten, groen en blauw (groenaanleg), rood (bouwwerken) en grijs (graftekens) van de buitenbegraafplaatsen in Nederland beschreven. 2. TYPOLOGIE EN STIJ L VAN DE BUITENBEGRAAFPLA ATS Landschapsarchitectonische stijlen en kenmerken In de 19e- en 20e-eeuwse buitenbegraafplaatsen (tot 1975) in Nederland zijn vier stijlen te onderscheiden, die regelmatig op eenzelfde begraafplaats te vinden zijn door uitbreidingen en transformaties. Op de grafvelden van de eerste nieuwe buitenbegraafplaatsen waren bomen verboden, zodat ‘kwalijke dampen’ sneller over konden waaien. De opzet was vaak functio- neel en daardoor geometrisch van opzet. De begraafplaatsen werden vaak omsloten door hagen, bomen en sloten om ze af te zonderen van het omrin- gende landschap. De wateringen rondom de begraafplaatsen waren nuttig voor het buitenhouden van grafschenners, maar ook functioneel voor de afwatering en de aanvoer van lijken per boot.

Laaggelegen begraafplaatsen in veenweidegebieden werden vaak opge- hoogd met aangevoerd zand. De ontgraven grond voor watergangen en/of aangevoerd zand ter ophoging, werd soms ook ingezet voor landschappelij- ke verfraaiing toen de kerkhof-achtige opzet tegen het einde van de 19e eeuw werd losgelaten. De buitenbegraafplaatsen kregen in de 20e eeuw een steeds meer parkachtig aanzien. GROEN EN BLAUW – aanleg en beplanting Bij oudere begraafplaatsen als kerkhoven is echter zelden sprake van een groenaanleg naar een bijzonder ontwerp. Op het kerkhof, vaak niet meer dan een grasveld of weide beplant en/of omzoomd met bomen, werd het nuttige met het aangename verbonden. Er vonden bijeenkomsten plaats, er werd vee geweid en het geboomte werd om de zoveel jaar gerooid voor de houtopbrengst. Een enkele boom die het eeuwige leven symboliseerde, zoals taxus, werd gespaard. Kerkgrachten of singels markeerden de overgang van het openbare gebied naar de geweide grond, waren gunstig voor de afwate- ring en fungeerden als veedrenkplaatsen en opslag van bluswater. Met de ontwikkeling van de buitenbegraafplaatsen in de 19e eeuw kwam ook de landschapsstijl op. De groen– en waterstructuren kregen een prominentere rol in de aanleg. 13 DORP, STAD & LAND BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK  DE LANDSCHAPSSTIJL De landschapsstijl werd eind 18e eeuw en begin 19e eeuw geïntroduceerd in Nederland.

Er werd afscheid genomen van de strenge Franse geometrische stijl ten gunste van de Engelse picturale stijl die de natuur- en cultuurland- schappen nabootste, idealiseerde en verheerlijkte. Het ‘Engelse bosje’, ofwel boomgroepen in natuurlijke vormen, dramatische solitaire bomen, ruim (uitheems) assortiment van kleurrijke beplanting, meanderende waterpartij- en met eilandjes, hoogteverschillen en speelse doorzichten werden geïntro- duceerd in buitenplaatsen en voorname tuinen. Via tuinarchitecten vonden deze stijlkenmerken hun weg naar publieke parken, plantsoenen en be- graafplaatsen. Bij begraafplaatsen werd veel nadruk gelegd op de ingang. Middels een fraaie toegang met hekwerk of poort(gebouw) en statige bo- menlaan werd de overgang naar een andere wereld gemarkeerd. In de gro- tere steden werd veel aandacht besteed aan het ontwerp van de begraaf- plaatsen en werden bekende tuinarchitecten als Zocher aangetrokken. Al- hoewel in kleinere plaatsen de middelen, ruimte en ambities doorgaans be- scheidener waren, werd ook hier aandacht besteed aan de beplanting en bouwwerken.  DE ROMANTISCHE STIJL In de romantische stijl werd het nuttige (begraven) met het aangename (wandelen en verpozen) verenigd. Dit wordt duidelijk in het ontwerp van de tuinarchitect L.P.

Roodbaard voor de Gemeentelijke Begraafplaats Span- jaardslaan (1833) in Leeuwarden, waarin hij een wandelroute, een moestuin en een boomgaard introduceerde. De bebouwing, twee rietgedekte huisjes ter weerszijden van de ingang voor de doodgraver en het gereedschap, wa- ren in harmonie ontworpen met het park. In feite werd deze begraafplaats door de visie van de architect een combinatie van begraafplaats en wandel- park.  DE GEMENGDE STIJL In deze stijl, die vooral zichtbaar is in de vele begraafplaatsen van de hand van tuinarchitect Springer (die ook het herstel en transformatie van het park van Huys ten Donck tussen 1929-1939 onder handen nam), zijn de stijlken- merken van de landschapsstijl en romantische stijl met gebogen lijnen nog steeds aanwezig, maar worden gecombineerd met strakkere, geometrische vormen als rechte lanen en symmetrische vlakken, cirkels, ovalen en kruisen. Deze vormentaal was ook functioneel omdat er in deze opzet meer ruimte beschikbaar was voor de graven. Het begraven van de doden was de be- langrijkste functie van deze begraafplaatsen, ze werden niet langer als plaats voor wandelen en verpozen gezien. De beplanting bleef echter zeer gevarieerd en deed niet onder voor de oudere begraafplaatsen. In de beide begraafplaatsen Rusthof en Vredehof is de invloed van de ge- mengde stijl zichtbaar.

Rusthof heeft echter meer kenmerken van een traditi- onele geometrische opzet.  DE MODERNE LANDSCHAPSSTIJL Voor WO 2 leefde de stijl van het ‘Nieuwe Bouwen’ vooral onder kunste- naars, ontwerpers en de elite. In de naoorlogse periode werd deze stijl breed omarmd bij nieuwe bouwopgaven. De ‘licht, lucht en ruimte’ uit- gangspunten werden voor groenaanleg vertaald naar open composities met horizontale en verticale lijnen. Mien Ruys ontwierp de begraafplaats (1957) voor het dorp Nagele in de Wieringermeerpolder (drooggelegd in 1930) in de moderne landschapsstijl. Het ontwerp kenmerkt zich door een lijnenspel van grasweiden, blokhagen en lijnen en vlakken met bomen in gridpatronen 14 BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK DORP, STAD & LAND met subtiele doorzichten. In de moderne landschapsstijl wordt de begraaf- plaats vaak omgeven door een flinke rand van bosplantsoen waardoor de begraafplaats een uitsparing lijkt in een bos. Door het heersende gelijk- heidsbeginsel werden de aparte afdelingen voor klassen en gezindten afge- wezen door de ontwerpers. In het ontwerp van W.C.J. Boer voor de Nieuwe Algemene Begraafplaats in Doorn (aanleg 1958), werd zelfs vastgelegd dat alle grafstenen van eenzelfde afmeting en materiaal moest worden vervaar- digd. Om een mate van intimiteit te bieden in de moderne begraafplaatsen werden vaak zogenaamde ‘kamers’ gecreëerd van strakgeschoren conifeer of taxus.

Begraafplaats Vredehof heeft kenmerken van zowel de Gemengde Stijl als de Moderne Landschapsstijl. Beplanting De symboliek van planten speelde op begraafplaatsen een grote rol. De symboliek stamt vaak al uit de voor-christelijke periode en is meegenomen in de christelijke symboliek. Naast symboliek werd het assortiment beplan- ting van buitenbegraafplaatsen bepaald door de heersende kunstzinnige opvattingen, persoonlijke stijl van de tuinarchitect en het beschikbare budget. Veel tuinarchitecten, zoals de dynastieën van Zocher, Copijn en Ruys, werkten voor of bezaten eigen kwekerijen, waardoor de ontwerpers het ontwerp vaak ‘gratis’ bij de beplanting leverden.  Wintergroene planten als (schijn)cipres, taxus en buxus (palmtakken) en ceder zijn symbolen voor het eeuwige leven.  Jeneverbes, een inheemse conifeer, werd door zijn sterke geur al vroeg gebruikt bij lijkenverbrandingen.  Eiken staan voor deugdzaamheid en standvastigheid in geloof.  Bomen in treurvorm werden gezien als symbool voor rouw en ver- driet. Treurbeuken, -berken en -wilgen behoren tot het vaste assorti- ment van de buitenbegraafplaatsen.  Kleur en variatie werden bereikt door het toepassen van rode beuk, gouden regen etc. ROOD - Bouwkunstige kenmerken Met bouwkunst worden alle gebouwde constructies bedoeld anders dan de grafmonumenten.

De oudste constructies zijn de muren, poorten en hekwer- ken die rondom de kerkhoven werden aangelegd. Later verschenen soms kleine lijk- en baarhuisjes op de kerkhoven. In de 19e eeuw werden de nieu- we buitenbegraafplaatsen veelvuldig voorzien van poortgebouwen, dienst- woningen en -gebouwen. Daar waar de begraafplaats werd omringd door een watergang markeert een vaak gemetselde brug de entree. De Begraaf- wet schreef voor dat elke gemeente een lijkenhuis diende te hebben. Rond die tijd verschenen ook op de nieuwe begraafplaatsen weer lijkenhuizen. Omdat de buitenbegraafplaatsen op afstand van dorp en stad waren ge- legen, ontstond behoefte aan ruimte voor nabestaanden en personeel. In het begin van de 20e eeuw ontstond de voor dit doel ontworpen typologie van de ontvangstruimte of aula. Deze accommodaties werden gebouwd in de architectuurstijlen die op dat moment in zwang waren. Gebouwen op begraafplaatsen groeiden steeds meer uit tot de functionele accomodaties zoals we die nu kennen. De oude aula’s, abri’s (wachtruimte) en baarhuisjes zijn te klein geworden of niet meer functioneel. Hierdoor vallen deze bouw- werken vaak ten prooi aan verval en/of sloop. 15 DORP, STAD & LAND BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK GRIJS - Grafaanduidingen De mens markeert de plek waar de resten van de doden worden bewaard bijna altijd met een gedenkteken.

Dit kan variëren van een eenvoudig houten kruis tot een gebeeldhouwde tombe of grafkapel. De vorm van histo- rische graftekens werd bepaald door de stand en geloofsrichting van de over- ledene, lokale tradities en voorhanden zijnde materialen. Grafaanduidingen zijn onder te verdelen in twee hoofdgroepen. Het staande grafteken en de liggende grafbescherming. Beide typen ontwikkelden zich weer tot verschillende (kunst)vormen en mengvormen.  De liggende grafbescherming Van een hoop stenen ontwikkelde deze aanduiding zich tot een platte stenen dekplaat (zerk). De liggende steen was gebruikelijk toen nog in kerken werd begraven. De graven van de doden onder de kerkvloer werden met stenen dekplaten op de kerkvloer gemarkeerd. Stenen tombes met dekplaten bevonden zich zowel boven als onder de kerk- vloer en buiten op het kerkhof. Zerken bevinden zich voornamelijk op kerkhoven en de oudere (delen van) buitenbegraafplaatsen. Tot de ja- ren 40 van 20e eeuw was de zerk de gangbare grafaanduiding, ge- plaatst op een al dan niet gebogen stenen plint. Daarna won de staan- de grafaanduiding aan populariteit.  Het staande grafteken De grafaanduiding bestaat uit een rechtopstaand teken: een staande steen (stèle), een stok, plank, kruis, zuil of obelisk. Graven bestaan dan vaak uit een staande steen met een open vlak voor beplanting of grind.

De omrastering van het graf komt vaak voor in de vorm van beplanting als hagen, hekwerk en stenen hoekpalen, al dan niet ingevuld met ket- tingen, panelen of spijlen. Op rooms-katholieke kloosterbegraafplaat- sen of grafvelden van kloosterordes op algemene begraafplaatsen, werden de graven van de geestelijken vaak aangeduid met identieke kruisen van hout, natuursteen of kunststeen. Ook oorlogsgraven zijn voorzien van identieke, in een grid geplaatste, kruizen. 16 BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK DORP, STAD & LAND BEGRAAFPLAATS RUSTHOF Onderzoeksgebieden begraafplaats Rusthof en Vredehof zijn gelegen aan en tussen twee historische lange lijnen: het dijklint L agendijk, met een agrarisch en dorps karakter, en de wetering en het kreekrestant Blaak die als parksingel is opgenomen in de nieuwe naoorlogse woongebieden. 17 DORP, STAD & LAND BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK 3. BEGRAAFPLAATS RUS THOF Lagendijk 50 Stichting 1829 ONTSTAANSGESCHIEDENI S ‘Rusthof’ is de oudste begraafplaats van de gemeente Ridderkerk en als Al- gemene Begraafplaats gesticht in het jaar 1829. Per 1 januari van dat jaar was het namelijk, per wet, verboden te begraven in en rondom dorpskerken. De gemeenteraad had diverse malen vergaderd over het Franse decreet van 1804, dat er niet meer in en rondom de kerk begraven mocht worden, maar meende gegronde redenen te hebben hiermee door te kunnen gaan.

De aan te kopen grond zou te laag liggen om er te kunnen begraven, de kosten zouden te hoog zijn, de inkomsten van de bewoners liepen terug en per hoofd van de gemeente zou het onverantwoorde kosten met zich mee- brengen. Het duurde nog tot 1 januari 1829 voor de begraafplaats ‘Rustburg’, nu ‘Rusthof’ werd geopend. Oorspronkelijke aanleg 1829 Op de minuutplans (1811-1832) en Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels (O.A.T.) wordt de begraafplaats al vermeld. De begraafplaats was in het bezit van de gemeente en bestond uit een rechthoekig perceel, de begraaf- plaats, omgeven door een flinke kavelsloot. In het noordwesten monden de kavelsloten uit in een grote rechthoekige waterpartij. Vermoedelijk is de vrij- gekomen grond gebruikt om de begraafplaats op te hogen. Aan de noord- zijde bevond zich een bijbehorende strook weiland. De strook diende onge- twijfeld om op gepaste afstand te blijven van de stede van Weduwe Adriana de Groot die met haar tuinen, boomgaarden en weilanden grensde aan de begraafplaats. Op de kop van het perceel aan de Lagendijk bevond zich een bouwwerk dat in de O.A.T. omschreven wordt als ‘gebouw’. Uit kran- tenberichten blijkt dat dit poortgebouw tevens in gebruik was als baarhuisje. Voor de bouw van een opslagplaats met personeelswoning van de gemeen- te op de huidige Lagendijk nr.

52-56, deed het poortgebouw waarschijnlijk ook dienst als een gereedschapshuis voor de doodgraver/tuinman. In 1900 werd aan de Lagendijk (thans nummers 52-56) een gemeentelijke bouwwerk voor opslag en personeelswoning opgericht. Deze was gereser- veerd voor gemeentelijk personeel. Het personeel van de begraafplaats, zoals de doodgraver/tuinman, was hier gehuisvest. Uitbreiding 1930 Op 15 februari 1923 koopt de gemeente Ridderkerk van de familie Maas- kant, landbouwers, een perceel grond voor 338 gulden ter uitbreiding van de algemene begraafplaats Rusthof aan de Lagendijk. Dit heeft ongetwijfeld te maken met de groei van het aantal inwoners door de bloeiperiode die de dorpen Slikkerveer en Bolnes in de scheepsbouw en industrie doormaken. De uitbreiding vindt plaats in Zuidwestelijke richting. Een plantekening van de uitbreiding van de begraafplaats uit 1927 is ondertekend door H.J. Har- deman. Daaruit kan geconcludeerd worden dat het ontwerp van de nieuwe aula en de uitbreiding van de begraafplaats van zijn hand zijn. H.J. Harde- man was tenminste vanaf 1924 architect en later directeur gemeentewerken van de gemeente Ridderkerk. In 1930 wordt het nieuwe gedeelte met nieu- we aula in art déco stijl (gemeentelijke monument) in gebruik genomen. Veel nieuwe inwoners komen uit West-Brabant en zijn katholiek. In 1930 wordt de katholieke Theresiakapel gewijd aan de Donckselaan.

18 BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK DORP, STAD & LAND Op de uitbreiding wordt echter nog geen deel gereserveerd voor de rooms- katholieken. Ter nagedachtenis van gevallen Ridderkerkse militairen in de meidagen van 1940 wordt nog datzelfde jaar een prijsvraag uitgeschreven en een kunstenaar opdracht gegund voor een oorlogsmonument, dat in 1949 wordt onthuld. Ontwikkelingen vanaf jaren 50 In de naoorlogse periode groeit Ridderkerk flink. In de jaren 50 worden nieuwe woonwijken gebouwd in Ridderkerk-West, Slikkerveer en Bolnes. Naar het plan van Hardeman wordt de begraafplaats verder uitgebreid. Als de beheerder van de begraafplaats in de jaren 50 met pensioen gaat blijft hij in de personeelswoning met moestuin wonen. Ondanks de uitbrei- ding blijft de behoefte aan een nieuwe begraafplaats. Aan de Lagendijk wordt ter hoogte van de Hogeweg in een tuindersgebied de begraafplaats Vredehof gebouwd. LANDSCHAPPELIJKE EN STEDENBOUWKUNDIGE CONTEXT Begraafplaats Rusthof bevindt zich tussen twee belangrijke historische land- schappelijke lijnen: de Lagendijk en de hoofdwatergang de Blaak. De La- gendijk vormde de scheiding tussen de polders Oud- en Nieuw Reijerwaard, verbond de Waal met de Ringdijk en was daardoor een belangrijke route. Ter hoogte van de dorpskern ging de Lagendijk over in de Sint Jorisstraat. De begraafplaats is gelegen op de poldervloer van de Polder Nieuw Reijer- waard.

Het kreekrestant de Blaak is met de inpoldering van de Polder Nieuw Reijerwaard in de 15e eeuw, als wetering opgenomen in het watersysteem van de polder. Een teensloot aan de voet van de Lagendijk vormde de over- gang van de dijk naar de poldervloer. Via loopplanken, dammen en brug- gen over de teensloot werden de boerenstedes en percelen ontsloten. Oorspronkelijke aanleg 1829 Rond 1830 had de omgeving van de Lagendijk een overwegend open en agrarisch karakter. Het was een gebied met (vlas-)boeren en tuinders Minuutplan (1811 -1832) van de omgeving van de Lagendijk en de begraafplaats. (Beeldbank RCE) 19 DORP, STAD & LAND BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK Op de polderregelementskaarten uit 1958 is te zien dat het oudste deel van terrein is opgehoogd. Dit is waarschijnlijk ge beurd met de uitgegraven grond van de kavelsloten. (Nationaal Archief) Minuutplan (1811 -1832) van de omgeving van de Lagendijk en de be- graafplaats. (Beeldbank RCE) De begraafplaats is volledig omgeven door verbrede kavelsloten en een grote waterpartij aan noordwestelijke zijde. Het poortgebouw op de kop geeft via een brug over de teensloot toe- gang tot het terrein. De brug staat niet op tekening van de minuutplans maar is wel te zien op deze foto van rond 1900. Rond 1915 zal de teensloot gedempt zijn. (Stichting Oud Ridderkerk)

20 BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK DORP, STAD & LAND Begraafplaats rond 1920 in eerste aanleg gelegen in de Polder Nieuw Reijerwaard. De omgeving van de Lagendijk heeft een lande lijk en dorps karakter. Begraafplaats rond 1935 met eerste uitbreiding in zuidwestelijke richting. Begraafplaats rond 1960 met derde uitbreiding in noordwestelijke richting. 21 DORP, STAD & LAND BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK getuige de archiefstukken en minuutplans. Het grondgebruik aan de Lagen- dijk in Nieuw Reijerwaard bestond uit bouwland en weiland. Rond de stedes aan de dijk bevonden zich veel boomgaarden en boeren(kweek-)tuinen. De begraafplaats grensde aan een boerderij met zwingelkeet waar vlas werd bewerkt. Aan de zijde van polder Oud Reijerwaard bevond de bebouwing zich op en aan de dijk en had een aaneengesloten karakter van woningen en schuren. De teensloot bevond zich hier onderaan de dijk achter de erven. Deze zijde van het lint was meer ontwikkeld en vormde tot de polderweg Hogeweg een nagenoeg doorgaand lint met gemengde bebouwing. Rusthof volgt de oorspronkelijke verkavelingsrichting van de polder. Kavel- sloten werden opgenomen in het inrichtingsplan als begrenzing. Verbreding van de waterstructuur was zowel ruimtelijk als functioneel gunstig. Ruimtelijk vormde het water een buffer tussen de omgeving en de begraafplaats.

Func- tioneel gezien kon de vrijgekomen grond worden gebruikt om de laaggele- gen grond op te hogen. Daarnaast beschermde het water de begraafplaats tegen ongenode gasten. Uitbreiding 1930 In de jaren 30 wordt de begraafplaats met de aankoop van een landbouw- perceel uitgebreid in zuidwestelijke richting. De polderslotenbegrenzing blijft behouden, maar de teensloot wordt gedempt. Het gebied aan de Lagendijk ontwikkelt zich in zuidwestelijke richting verder tot tuinbouwgebied. Ontwikkelingen vanaf jaren 50 Alhoewel de bebouwing rond de dorpskern toeneemt en in het gebied Rid- derkerk-West een woonwijk volgens de tuinstadgedachte groeit aan weers- zijden van de Blaak, behoudt de directe omgeving van Rusthof haar ge- mengde dorpse en landelijke karakter. De boerenstede ten noordoosten van de begraafplaats wordt ergens in de jaren 60 afgebroken. Het perceel blijft lang onbebouwd. De overgang van dorpskern naar de begraafplaats blijft hierdoor zacht. In de jaren 80-90 wordt het winkelcentrum De Ridderhof gebouwd. De plek van de afgebroken boerenstede wordt opgeslokt in de bebouwing. Waarschijnlijk zijn in deze periode de kavelsloten rondom de begraafplaats gedempt. De overgang van het centrum van Ridderkerk naar begraafplaats is nu hard en abrupt.

Er is een schaalsprong van de groot- schalige bebouwing van De Ridderhof, die de onderliggende verkavelings- richting van het cultuurlandschap, naar het dorpse dijklint met kleine korrel- grootte en restanten van het cultuurlandschap. De noordoostelijke en noord- westelijke overgang van omgeving naar begraafplaats is verstoord te noe- men. De zuidoostelijke en zuidwestelijke begrenzing en overgang van be- graafplaats naar omgeving is harmonieus. INVENTARISATIE & BES CHRIJVING Vroege buitenbegraafplaatsen in kleinere dorpen en steden, zoals Rusthof, waren vaak minder ambitieus van opzet dan in de grotere steden. De be- perkte ruimte moest zo economisch mogelijk worden benut. Alhoewel de middelen beperkt waren, tonen het inmiddels gesloopte fraaie poortgebouw en de later gebouwde aula aan dat belang werd gehecht aan een waardige uitstraling van de begraafplaats. Deel A - Oorspronkelijke aanleg 1829 Groen & Blauw Rond 1830 bestond de begraafplaats uit een recht perceel omsloten door een ruime kavelsloot met vierkante waterpartij in het noordwesten. De uitgegraven grond zal gebruikt zijn voor ophoging van het terrein. 22 DORP, STAD & LAND BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK Op de polderregelementenkaart uit 1958 van de polder Oud en Nieuw Reij- erwaard is te zien dat de begraafplaats is opgehoogd ten opzichte van de omgeving.

De teensloot tussen de Lagendijk en de begraafplaats is waar- schijnlijk rond de jaren 30 gedempt. Een stenen poortgebouw en houten brug over de sloot gaf toegang tot de begraafplaats. Op een foto van om- streeks 1900 is te zien dat de Lagendijk was aangeplant met een rij van hoog opgaande linden. Op een ongedateerde foto is het poortgebouw aan de Lagendijk te zien met een groene berm als overgang naar de dijk, de teensloot en de rij linden is dan verdwenen. Het hekwerk op de foto had on- getwijfeld ook tot doel loslopend vee van de begraafplaats af te houden. Begraafplaats rond 1980. De Lagendijk behoudt tot op zekere hoogte het landelijke en dorpse ka- rakter. De omgeving raakt echter steeds meer verdicht door de aanleg van nieuwe woonwijken. In de huidige situatie grenst de begraafplaats aan oostelijke zijde direct aan het winkelcentrum Ridderhof. 23 | BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK | DORP, STAD & LAND FOTO’S STICHTING OUD RIDDERKERK Het poortgebouw met bruggetje over de teensloot ca 1900. De Lagendijk | Entree rond ca 1935. Het poortgebouw is afgebroken en vervangen door is aangeplant met een lindenlaan. | een aula op de uitgebreide begraafplaats. De nieuwe entree bevindt zich in de linkerhoek. Het poortgebouw geflankeerd door coniferen ca. 1915. Op de achter- | Details van de oude entree met hekje en hagen (ca. 1935).

grond is een windsingel van wellicht (zwarte) populieren te zien. Ook het pad dat leidt naar het Poortgebouw wordt gemarkeerd door twee bomen. Opslagruimte en woningen voor gemeentelijk personeel gelegen naast | Luchtfoto (ca. jaren 50-60). de begraafplaats. 24 BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK DORP, STAD & LAND Entree met hekwerk en hoofdpad met bomenlaan van de uitbrei ding uit 1930. Werkplaats en personeelswoning van de gemeente uit 1900. Blokhagen en monumentale taxus waar zich vroeger de dijktalud en teensloot bevonden. Huidige situatie oude entree met eigentijds hekwerk. Zicht op het WO 2 monument vanaf de openbare weg. Monumentaal geboomte creëert in seizoen een groene wand. ENTREEGEBIED RUSTHOF 25 DORP, STAD & LAND BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK Entree met hekwerk en zicht op zijpad. NO zijpad met WO 2 monument naar ontwerp van kunstenaar P.J. de Jong. Oude middenpad en hoofdpad van eerste aanleg. Grafveld uit het uitbreidingsplan uit 1930. Op de achter grond het nieu- we en huidige hoofdpad met bomenlaan. Grafveld uit het uitbreidingsplan uit 1930, met op de achtergrond de aula . ZW zijpad met taxus in kegelvorm. AANLEG EERSTE FASE 26 DORP, STAD & LAND BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK Entree met hekwerk en hoofdpad met lindenlaan van de uitbreiding uit 1930. Entree met hekwerk en hoofdpad met lindenlaan van de uitbreiding uit 1930.

Monumentale treures met op achtergrond monumentale beuk in rond grafveld. Oude muur met dichtgemetselde opening tussen gemeentelijke perso- neelswoning en werkplaats en begraafplaats. Zicht op gemeentelijke personeelswoning en werkplaats. Grafveld met zicht op de lindenlaan. AANLEG TWEEDE FASE Het historische karakter wordt versterkt door ingetogen materiaal- gebruik van (kunst)steen. Overwegend staande zerken. Er bevinden zich diverse obelisken op (familie -)graven. Opvallende obelisk in de vorm van een afgebroken Boomstam. Oude grafvelden vormen een biotoop voor stinzenplanten als sneeuw- klokje en anemoon. GRAVEN 28 BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK DORP, STAD & LAND Rond 1900 wordt een gemeentelijke opslagplaats met dienstwoning opge- richt links van de entree. De indeling van deze vroege buitenbegraafplaats, met middenpad en een voor- en achterterrein, is van het meest eenvoudige type in de geometrische stijl. Een middenpad vormt als bomenlaan het hoofdpad. Achter het poortgebouw bevond zich het zogenaamde voorterrein. Het is tevens mogelijk dat zich aan het middenpad dwarspaden bevonden. Het dwarspad op ongeveer 1/3 van het middenpad zou een oorspronkelijk dwarspad kunnen zijn, waardoor een kruisvorm is ontstaan. Beplanting Rusthof zal in de eerste aanleg, zoals gangbaar bij vroege buitenbegraaf- plaatsen, beperkt met sier-beplanting en geboomte zijn aangekleed.

In de archieven zijn geen stukken gevonden die nader uitsluitsel geven over de beplanting van de begraafplaats. We kunnen er echter vanuit gaan (afgaande op bronnen) dat de begraafplaats voorzien was van een bomen- laan (waarschijnlijk opgeschoren iepen) en omgeven was door een bomen- singel. Het was niet ongebruikelijk dat het geboomte om de zoveel jaar werd gerooid. Met de verkoop van de houtopbrengst werd het onderhoud en be- heer van de begraafplaats bekostigd. Het poortgebouw werd aan beide zij- den gemarkeerd door een conifeer, die als groenblijvende bomen het eeuwi- ge leven symboliseerden. Een mogelijk kruispunt van paden kan gemarkeerd zijn geweest met groenblijvende bomen als conifeer of jeneverbes. Het oude middenpad is nu aangeplant met taxus. Een luchtfoto uit 1920 laat zien dat het terrein gemarkeerd werd door een windsingel van hoge zuilvormige bo- men. Dit kunnen wellicht zwarte populieren zijn geweest. Op de inventarisa- tietekening van de beplanting staat de beeldbepalende beplanting aangege- ven (zie bijlage 1). Op enkele grafvelden zijn stinzenplanten als gele ane- moon, sneeuwklokje en boshyacinth aangetroffen. Rood  Het poortgebouw in eenvoudige neoclassicistische stijl deed tot de bouw van de gemeentelijke werkplaats dienst als lijkenhuis en opslag- ruimte voor de beheerder en/of doodgravers.

Het poortgebouw wordt met de komst van de nieuwe aula (bj 1930) overbodig en afgebroken.  In 1900 werd aan de Lagendijk (thans nummers 52-56) een gemeen- telijke opslagplaats met dienstwoning opgericht links van de entree in traditioneel ambachtelijke stijl. Het bouwwerk heeft een eigen erf dat niet opgenomen werd in het ensemble van de begraafplaats, maar zich voegt in de lintbebouwing van de Lagendijk. Grijs De verdeling van klassen uit de oorspronkelijke aanleg is niet terug te ha- len. Gezien de vele eenvoudige stenen grafpaaltjes in de noordoostelijke border kan worden gesteld dat zich hier de lagere klassen bevonden. Deze border, in het uitbreidingsplan van 1930 aangeduid met nr. E., is in het uitbreidingsplan ook gereserveerd voor algemene graven, o.a. voor kin- deren. Ook werden hier de beenderen van de geruimde graven begraven. De grafvelden aan weerszijden van het oude hoofd- en middenpad bevat- ten grotere stenen zerken en stèles en behoren volgens een tekening uit 1927 toe aan de eerste klasse. Verscheidene graven zijn door ouderdom in verval geraakt en beschadigd. 29 BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK DORP, STAD & LAND  Het oudste gedeelte bevat overwegend stenen stèles. Sommige zijn voorzien van een stenen grafomlijsting ingevuld met siergrind of split en/of stenen hoekpalen. Enkele graven zijn voorzien van een buxus grafomlijsting of een hekwerk.

De graven zijn overwegend van protestantse grondslag. In het oude deel bevinden zich ook enkele fa- miliegraven. De kleine stenen ’paaltjes’ met nummers zijn grafaandui- dingen voor naamloze graven waarvan de stèle is verdwenen of verwij- derd.  Aan het middenpad bevinden zich twee opvallende voorname graf- monumenten in de vorm van obelisken.  Een stenen grafmonument in de vorm van een afgebroken boomstam met ijzeren anker behoort toe aan de familie Pot en is met sterfjaar 1858 een van de oudste grafmonumenten. De familie Pot was een be- kend geslacht van scheepsbouwers in de regio.  Een stenen obelisk met marmeren gedenkplaten en stenen graf- omlijsting op het familiegraf van de familie Langeveld-Dekker behoort met vroegste sterfjaar 1864 ook tot een van de oudste en voorname graven. In dit graf ligt o.a. de arts Johannes Marie Langeveld begra- ven. Deel B - Tweede fase 1930 -1960 Groen & Blauw In 1923 wordt een landbouwperceel aangekocht om de begraafplaats in zuidwestelijke richting uit te breiden. De uitbreiding is in 1930 gereed. De nieuwe begrenzing van de begraafplaats wordt nog steeds gevormd door een kavelsloot, maar de teensloot is op kaarten nu definitief verdwenen. Alleen voor het deel van de personeelswoning is de teensloot nog intact. De water- partij aan de achterzijde wordt gedempt en tevens betrokken bij de uitbrei- ding.

De nieuwe entree van de begraafplaats wordt naast de personeelswoning geplaatst. Hierdoor wordt het nieuwe hoofdpad net uit het midden van het terrein gesitueerd. De indeling van de begraafplaats blijft geometrisch van opzet maar aan weerszijden van het hoofdpad zijn de grafvelden niet gespiegeld. Op het ach- terterrein bevindt zich een soort plein waar de verschillende lengte- en dwars- paden samenkomen en wordt beëindigd met cirkelvormige grafvelden. Op een luchtfoto uit de jaren 60 is dit carré met (vermoedelijk) jeneverbes of co- niferen goed te zien. Het is aannemelijk dat de opzet van de grafvelden in de loop der tijd is aangetast. Het achterterrein is hierdoor onsamenhangend. In de huidige situatie zijn van voor- naar achterterrein 3 zones te reconstrueren:  Een voorterrein met entree met historische beplanting en een WO 2 grafmonument met een zichtlijn door de bomenlaan naar het open achterterrein.  Het middenterrein dat wordt bepaald door een bomenlaan en de his- torische bebouwing van de aula.  Een achterterrein met open karakter dat wordt gemarkeerd door coni- feren in een carré beëindigd met twee ronde parterres (grafvelden) met bomen. Beplanting  De entree wordt in de huidige situatie gemarkeerd door treurbeuken. Het is niet ondenkbaar dat bomen in treurvorm ook in de jaren 30 zijn toegepast.  De bomenlaan wordt gevormd door twee rijen linden.

 Op het achterterrein zijn op een luchtfoto uit de jaren 60 duidelijk een 30 DORP, STAD & LAND BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK Plantekening gedateerd 1927 met handtekening van de stadsarchitect H.J. Hardeman. De tekening toont de uitbreiding met de nie uwe aula. De tekening maakt duidelijk dat in 1927 Hardeman al een volledig uitbreidingsplan had voorzien dat in 1930 gereed kwam. (Collectie Stadsarchief Rotterdam) 31 DORP, STAD & LAND BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK RECONSTRUCTIE ONTWIK KELING Bij het noordelijke deel wijkt de padenstructuur af van het ontwerp A: Eerste aanleg 1829 B. Tweede fase 1930-1960 Derde fase 1960-1990 Demping van kavelsloten Opslagruimte en personeelswoning 1900 32 BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK DORP, STAD & LAND carré met coniferen te zien.  Het achterterrein wordt beëindigd door twee monumentale rode beu- ken in de ronde parterres.  Het terrein zal zijn begrensd met een dichte haag, bomen en een vaste plantenborder met een gevarieerd assortiment aan heesters en bo- men, zoals dat in de jaren 30 de mode was. De taxushaag kan onder- deel uitgemaakt hebben van het assortiment. De Spaanse aak en rode esdoorn aan de noordoostelijke en noordwestelijke zijde maakten waarschijnlijk geen deel uit van het oorspronkelijke beplantingsplan en zijn vermoedelijk in de naoorlogse periode toegepast.

 Op enkele grafvelden zijn stinzenplanten als gele anemoon, sneeuw- klokje en boshyacinth aangetroffen.  Op de inventarisatietekening van de beplanting staat de beeld- bepalende beplanting aangegeven (zie bijlage 1). Rood  De aula van gemeentearchitect H.J. Hardeman is een gemeentelijk monument in art déco stijl. In bijlage 3 is de beschrijving uit het Monumenten Inventarisatie Project opgenomen.  Het hekwerk wordt gevormd door gemetselde pilasters met een (kunst?)stenen sluitstuk en ijzeren hekwerk. Grijs Op de plantekening voor de uitbreiding van de begraafplaats zijn 2 klas- sen aangegeven. Men kon graven huren en kopen. Naast de twee klassen was er ook een algemeen deel. Hier konden armen gratis worden begra- ven, net als ongedoopte kinderen. Ook de beenderen van geruimde gra- ven werden hier bewaard. Het grootste deel van begraafplaatsen bestond uit 2e klasse plaatsen.  Vakken A: 1e klas koop (138 stuks), oude deel en nieuw gedeelte bij de aula.  Vakken B: 2e klas koop (645 stuks), alsook de beide ronde grafvelden.  Vakken C: 1e klas huur (17 stuks).  Vakken D: 2e klas huur (125).  Vakken E: Algemene graven, kindergraven en beenderen (14). Verscheidene graven zijn door ouderdom in verval geraakt en beschadigd. WO 2 monument (zie tevens beschrijving nr. 27 in rapport Ridderkerk.

Kunst in de buitenruimte) Ter nagedachtenis van gevallen Ridderkerkse militairen in de meidagen van 1940 wordt nog datzelfde jaar een prijsvraag uitgeschreven. Aan de kunstenaar P. de Jong uit Den Haag wordt de opdracht gegund. De jury adviseert dat de kunstenaar bij de uitwerking ondersteund dient te worden door een architect. P. de Jong werkt vervolgens samen met gemeentear- chitect H.J. Hardeman het ontwerp verder uit. Het beeldhouwwerk van de zittende vrouwenfiguur is van kunstenares Aleida C. (Lidi) (Buma-) van Mourik Broekman. Zij was een kunstenares die zich weigerde aan te slui- ten bij de Kultuurkamer. Na WO 2 maakte ze voor verschillende steden oorlogsmonumenten. Het monument werd in mei 1949 onthuld.  WO 2 monument Onthuld: 4 mei 1949 Gewijzigd: De plaquette voor de slachtoffers uit het voormalige Neder- lands-Indië is onthuld op 27 april 1991 door burgemeester Mr. H.J.E. Bruins Slot. 33 DORP, STAD & LAND BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK Beschrijving: Beeld van een zittende vrouwenfiguur geplaatst op een bakstenen gedenkmuur met platen. Opschriften: ZIJ VIELEN VOOR HET VADERLAND 1940 Gesigneerd: Lida Dec. 1947 ? Kunstenaar: Aleida C. (Lidi) (Buma-) van Mourik Broekman (Zürich 1917 - Nijmegen 2015), beeldhouwster en schilder.

Het monument staat bij een vijftal oorlogsgraven van uit Ridderkerk afkomstige militairen, die in de meidagen van 1940 in den lande zijn gesneuveld en hier zijn (her)begraven. Op de muur zijn verder aange- bracht een gedenkplaquette voor een drietal Ridderkerkse militairen, eveneens gesneuveld in de meidagen en elders begraven. Daarnaast is er een plaquette voor de vijf omgekomen bemanningsleden van een Fokker T5 bommenwerper, die na een desperate poging om de Moerdijkbrugggen te vernielen, op de terugvlucht door Duitse jacht- vliegtuigen werd neergeschoten en neerstortte bij de Molendijk. Tot slot is er een plaquette voor zeven Ridderkerkse militairen die tijdens de politionele acties in voormalig Nederlands-Indië omkwamen en die op Indonesische erevelden begraven zijn. Deel A en B - Derde fase 1960-1990 Groen & Blauw In deze periode verdwijnt de kavelsloot om het terrein. Vermoedelijk zijn in deze periode grafvelden geruimd en herschikt. Rood In deze periode zijn geen nieuwe bouwwerken toegevoegd. Grijs N.v.t. 34 BEGRAAFPLAATSEN RIDDERKERK DORP, STAD & LAND WAARDESTELLING PER O NDERDEEL In de waardestelling maken we onderscheid tussen 2 onderdelen van de be- graafplaats. De uitbreidingen na 1980 worden niet gewaardeerd. Oudste deel (A), Uitbreiding 1930 (B), A. Oudste deel: Hoge monumentwaarde I. - Als uitdrukking van vroeg voorbeeld buitenbegraafplaats door begrafeniswet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1450/documents/43491