ChristenUnie antwoorden Algemene subsidieverordening Ridderkerk 2027
Tekst van het document
1 van 2 Vragen over vergaderstukken gemeenteraad Ridderkerk Onderwerp: Algemene subsidieverordening Ridderkerk 2027 Vragensteller: Lydia Vergunst, ChristenUnie Behandelvergadering: commissie Samen leven en wonen, 10 september 2026 Portefeuillehouder: wethouder Van Os Datum vraag: 9 september 2026 Datum antwoord: 10 september 2026 Vraag 1 De ASV 2027 verlaagt bewust de verantwoordingslast voor subsidieontvangers. Tegelijk geeft artikel 18 het college de bevoegdheid om bij "twijfel" alsnog aanvullende stukken te vragen. “Twijfel” lijkt wat vaag. Hoe vult het college deze bevoegdheid in en hoe voorkomt het dat organisaties onverwacht toch met extra administratieve lasten worden geconfronteerd of zich onterecht in de verdachtenbank zien belanden? Antwoord 1 Deze bevoegdheid is bedoeld als vangnet en niet als standaard onderdeel van de subsidieverantwoording. Met ‘twijfel’ wordt gedoeld op concrete signalen of onduidelijkheden die maken dat de beschikbare informatie onvoldoende is om de rechtmatigheid, uitvoering of vaststelling van de subsidie te kunnen beoordelen. Het gaat bijvoorbeeld om een onduidelijkheid in de verantwoording, een opvallende afwijking ten opzichte van de subsidieverlening of signalen dat activiteiten mogelijk niet overeenkomstig de subsidiebeschikking zijn uitgevoerd.
De bedoeling van artikel 18 is daarmee niet om de lastenverlichting van de ASV 2027 achteraf teniet te doen, maar biedt de ruimte om in uitzonderingssituaties maatwerk te leveren en de rechtmatigheid van de subsidieverstrekking te kunnen waarborgen. Vraag 2 De verantwoordingsgrenzen worden verhoogd, waardoor voor subsidies tot €100.000 een lichtere standaardverantwoording geldt dan onder de huidige regeling. Hoe wordt geborgd dat deze verlichting van administratieve lasten niet leidt tot minder zicht op de rechtmatige en doelmatige besteding van subsidiegelden?
2 van 2 Antwoord 2 In artikel 15 is gezocht naar een evenwicht tussen enerzijds controle op rechtmatige en doelmatige besteding van subsidiegelden en anderzijds het beperken van verantwoordingslasten. Daarom is in lid 3 toegevoegd dat het college in een subsidieregeling of in de verleningsbeschikking kan opnemen dat de subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling een beoordelings- of samenstellingsverklaring van een accountant dient te overleggen. Vraag 3 De expliciete periodieke rapportage aan de raad over toepassing van de hardheidsclausule vervalt. Waarom wordt hiervoor gekozen als dit niet vaak voorkomt? Hoe wordt de raad voortaan geïnformeerd wanneer de hardheidsclausule vaker wordt toegepast of wanneer daaruit blijkt dat organisaties structureel tegen dezelfde regels aanlopen? Antwoord 3 Als de hardheidsclausule vaak moet worden toegepast (dit komt in de praktijk zelden voor) zullen we de raad hierover informeren. Vraag 4 Nieuw wordt expliciet bepaald dat subsidie alleen wordt verstrekt voor activiteiten die bijdragen aan gemeentelijke beleidsdoelstellingen of de programmabegroting.
Hoe voorkomt het college dat waardevolle kleinschalige maatschappelijke initiatieven buiten de boot vallen wanneer zij niet eenvoudig onder één bestaande beleidsdoelstelling zijn te brengen? Antwoord 4 Bij de beoordeling wordt gekeken naar de maatschappelijke bijdrage van het initiatief in relatie tot de gemeentelijke doelen en niet alleen naar de vraag of het initiatief onder een specifiek beleidsdocument valt. Daarmee blijft ruimte voor (vernieuwende) maatschappelijke initiatieven, terwijl de inzet van subsidiegelden wel een duidelijke relatie houdt met gemeentelijke beleidsdoelen.