CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

BP-Oosterpark-toelichting.pdf

Commissie Samen wonen RK 15 mei 2024, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 4: Vaststelling groencompensatieplan "Kwaliteitsimpuls Oosterpark" en vaststelling bestemmingsplan Oosterpark (2023)23.079 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

32/142

Figuur 3.6 - overzichtskaart wijken van Ridderkerk uit de Omgevingsvisie Ridderkerk 2035 (bron: gemeente Ridderkerk) Versterken groen-blauwe netwerk Ridderkerk is zoals gezegd omzoomd met een groene kraag. Een stevige en goed onderhouden groen-blauwe structuur met veel vertakkingen in de diverse woon- en werkgebieden is noodzakelijk voor een gezonde leefomgeving. Dit biedt op een natuurlijke manier ook ruimte aan zaken als waterberging en de absorptie van geluid en fijnstof. Hiermee wordt de kwaliteit van de leefomgeving verhoogd. Een andere manier van het verhogen van de kwaliteit van leefomgeving is door het versterken van de recreatiemogelijkheden. In figuur 3.7 is het Oosterpark weergegeven. Het Oosterpark is een familiepark dat gelegenheid biedt voor familievermaak door de aanwezigheid van zonneweides, picknicktafels en banken, maar ook een uitspanning, speelvelden en kinderboerderij zijn daarin onmisbaar.

33/142

Figuur 3.7 - visie op het groen-blauwe netwerk met in het rood omcirkelt het Oosterpark (bron: gemeente Ridderkerk) Toetsing en conclusie De gemeente geeft in haar visie het Oosterpark weer als familiepark. Dat is het in feite ook al, met het zwemstrandje, pannenkoekboerderij en de kinderboerderij. Dit blijft behouden en dit plan biedt zelfs uitbreidings- of vernieuwingsmogelijkheden aan deze recreatiemogelijkheden. Ook zet de gemeente in op het verbeteren van de gezondheid en leefbaarheid van de omwonenden en het park. Het plaatsen van het geluidsscherm vermindert de geluidshinder afkomstig van de A15 op het achterliggende gebied, waaronder de wijken Drievliet-Het Zand en Oost. Bovendien wordt het park nog uitnodigender om naar toe te gaan en daarmee voor de mens om in beweging te komen. Ook biedt de uitbreiding van het sportcomplex een deel van de bevolking extra sportmogelijkheden. De voorgenomen ontwikkelingen in het Oosterpark sluiten dan ook goed aan bij de Omgevingsvisie Ridderkerk 2035.

34/142

3.4.2

Visie Landschapstafel IJsselmonde

De landschapstafel IJsselmonde is een bestuurlijke samenwerking tussen de zes gemeenten op IJsselmonde (Albrandswaard, Barendrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Ridderkerk, Rotterdam en Zwijndrecht), de provincie Zuid-Holland, Waterschap Hollandse Delta, Zuid-Hollands Landschap, Staatsbosbeheer en Gebiedscoöperatie Buijtenland van Rhoon. Het doel van de landschapstafel is om een stimulans te geven aan het recreatief aantrekkelijker, toegankelijker en bruikbaarder maken van het groene landschap en daarmee aan de versterking van het economisch vestigingsklimaat. De landschapstafel zet zich in voor een gezonde leefomgeving voor mens en natuur op het eiland IJsselmonde. Dat betekent een aantrekkelijk landschapspark, goede recreatiemogelijkheden voor iedereen op IJsselmonde en veelzijdige natuur. Toetsing en conclusie Het beleid uit de landschapstafel IJsselmonde sluit aan bij de voorgenomen ontwikkelingen met betrekking tot het Oosterpark. 3.4.3 Groenvisie Ridderkerk Op 7 juli 2020 heeft de raad van Ridderkerk de Groenvisie Ridderkerk vastgesteld. Hierin ambieert Ridderkerk de groenste gemeente van het eiland IJsselmonde te worden. In de visie schetst de gemeente de huidige groensituatie en wordt aan de hand van zes ambities weergegeven hoe haar doel van een 'sterk Ridderkerk waar bewoners gelukkig en gezond zijn' wil behalen.

Hiermee wordt invulling gegeven aan de Omgevingsvisie waarin het versterken van groen-blauwe netwerken een grote rol speelt. De Groenvisie vloeit dan ook voort uit de Omgevingsvisie. De ambities zijn in de Groenvisie weer vertaald in een aanpak. Er is een aanpak bedacht voor:  een aanpak voor de grote groengebieden (o.a. Oosterpark);  een aanpak voor de hoofdgroenstructuur;  een aanpak voor de wijken;  en een aanpak voor de bedrijventerreinen en winkelcentra. Werken vanuit ecologie Omdat er behoefte was aan verdieping en richtinggeving voor de ambitie "de grote variatie aan samenhangende natuur in onze gemeente zorgt voor een rijke biodiversiteit" is er een aanvullend rapport opgesteld genaamd 'Werken vanuit ecologie'. In het rapport zijn verschillende biotopen onderkend. Het Oosterpark is gelegen in de biotoop 'groot groen'. In het rapport zijn verschillende maatregelen genoemd die kunnen worden toegepast op de biotoop 'groot groen'. Met toepassing van deze maatregelen beoogt de gemeente een impuls te geven aan de biodiversiteit. Toetsing en conclusie Het Oosterpark wordt in de Groenvisie genoemd als 'te verbeteren' park/groot groengebied. De gemeente wil meer variatie bieden tegen de 'saaiheid' van het park en moet er meer variatie komen in aanbod van functies en beleving. Ook wil de gemeente de biodiversiteit in het Oosterpark bevorderen.

De bewoners van Ridderkerk hebben in de visie aangegeven dat ieder park zijn eigen identiteit moet krijgen. Met het voorliggende bestemmingsplan zet de gemeente duidelijk in om het Oosterpark te verbeteren en in te richten als een toekomstbestendig park dat een positief effect heeft op zowel de fysieke als mentale gezondheid van de omwonenden en de gebruikers van het park. In het park worden bepaalde functies steviger neergezet, zoals de kinderboerderij en het pannenkoekenhuis.

35/142

De aanpak van het park biedt de gemeente kansen om het park haar eigen identiteit verder te laten ontwikkelen en een impuls te geven aan de biodiversiteit. Er wordt een impuls aan de biodiversiteit gegeven door de maatregelen uit het rapport 'werken vanuit ecologie' te implementeren in het groencompensatieplan voor het Oosterpark. Denk hierbij aan het creëren van natuurvriendelijke oevers en het herplanten van passende soorten bomen, struiken en kruidenrijke vegetatie. 3.4.4

Visie Externe Veiligheid

In de Visie Externe Veiligheid van de gemeente Ridderkerk (vastgesteld november 2011) zet de gemeente in op een duurzame en zo veilig mogelijke ontwikkeling van Ridderkerk. In de visie wordt voornamelijk gefocust op de uitwerking van de kaders voor het groepsrisico. Met het groepsrisico kan de gemeente aangeven welke risico's zij aanvaardbaar vindt. Het gemeentebestuur heeft namelijk een wettelijke verantwoordingsplicht bij toename van het groepsrisico door een toename van personendichtheid of externe veiligheidsbronnen. Gemeente Ridderkerk hanteert de volgende ambities ten aanzien van externe veiligheid: 1. Ridderkerk is en blijft zo veilig mogelijk voor risico’s van gevaarlijke stoffen. Deze ambitie wordt als volgt bereikt: a. Waar mogelijk het advies van de VRR opvolgen bij ruimtelijke ontwikkelingen. b. Als dit niet mogelijk is dan wordt de MAL Groepsrisico toegepast (zie kader, pag. 18) 2. Nieuwe risicobronnen worden in principe geweerd uit de gemeente, uitgezonderd op bedrijventerreinen mits aan concrete voorwaarden wordt voldaan. 3. Streven naar uitplaatsing van de risicobronnen uit de woonomgeving (tankstations). 4. De gemeente brengt de beheersbaarheid op orde (inzet hulpdiensten, bereikbaarheid ed). 5. Aanpassen route gevaarlijke stoffen als ruimtelijke ontwikkelingen daar aanleiding toe geven. 6.

Voor risicocommunicatie wordt aangesloten bij de landelijke overheidscampagnes Voor nieuwe ontwikkelingen strekt het tot de aanbeveling om de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) in de voorbereidingsfase te betrekken om eventuele risico's zo goed mogelijk te kunnen beheersen. Toetsing en conclusie Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet het groepsrisico verantwoord worden. Dit wordt gedaan in paragraaf 4.8 van deze toelichting. Er is een beknopte verantwoording van het groepsrisico geschreven. Daarnaast is de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond in een vroeg stadium betrokken bij de planontwikkeling; namelijk in de vooroverlegfase. Het advies van de VRR uit het vooroverleg is toegevoegd in paragraaf 6.2. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van externe veiligheid is daarmee gevolgd.

3.4.5

Wijkprogramma Drievliet Het Zand (2019 - 2023)

De gemeente stelt een wijkprogramma op per wijk. Hierin staat geen beleid uitgewerkt, maar worden concrete ontwikkelingen genoemd die gewenst zijn voor de komende 5 jaar. In het wijkprogramma Drievliet-Het Zand wordt hierin de aanpak van geluidshinder genoemd en het bevorderen van de gezondheid van de gebruikers en omwonenden. Samen met Natuur- en Recreatieschap IJsselmonde willen de bewoners de diversiteit van het park vergroten, om zo uiteindelijk de kwaliteit van het park te verbeteren.

36/142

Toetsing en conclusie Middels dit bestemmingsplan wordt uitvoering gegeven aan de gewenste ontwikkelingen die in het wijkprogramma Drievliet-Het Zand zijn benoemd.

37/142

38/142

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

Verkeer en parkeren

Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Ontsluiting Het plangebied grenst aan de Oosterparkweg (noordzijde), de Rotterdamseweg (oostzijde) en de A15 (zuidzijde). De Oosterparkweg is een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom waar een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Langzaam verkeer Het park is uitstekend bereikbaar voor bewoners van de wijken Drievliet-Het Zand en Oost die gebruik maken van de vele fiets- of wandelpaden. Ook voor andere bewoners van Ridderkerk is het park goed te bereiken via de Geerlaan of door de wijken Drievliet-Het Zand en Oost heen te fietsen of te wandelen. Via onderdoorgangen van het knooppunt Ridderkerk Zuid (A15/A16) kan per fiets Oostendam, Rijsoord en Hendrik Ido Ambacht worden bereikt. Binnen het plangebied zijn veel wandel-, fiets- en ruiterpaden aanwezig. Deze worden met de ontwikkeling deels gewijzigd. Auto-ontsluiting Ook met de auto is het park goed te bereiken.

Dit is met name van belang voor het bezoek van uitspelende verenigingen aan het sportcomplex. Vanaf de Oosterparkweg zijn er verschillende inprikkers aanwezig die de parkeerterreinen en voorzieningen in het Oosterpark ontsluiten. Vanaf het plangebied kan via de Visvliet en Vlietlaan in noordoostelijke richting de Rotterdamseweg worden bereikt. In noordwestelijke richting leiden o.a. de Geerlaan, Burgemeester de Zeeuwstraat en Populierenlaan naar de Rotterdamseweg. Via de Rotterdamseweg kan het hoofdwegennet worden bereikt. Parkeren Parkeerbehoefte Hoeveel parkeerplaatsen er in de toekomstige situatie aanwezig dienen te zijn binnen het plangebied, is afhankelijk van de beoogde functies in het gebied en de keuze in vervoerswijze die bezoekers maken. De aanpak van het park heeft voornamelijk een kwaliteitsverbetering als doel, waarbij niet direct veel meer parkeerders worden verwacht. Dit geldt ook voor de beperkte uitbreidingen die mogelijk worden gemaakt.

39/142

Parkeeraanbod In de huidige situatie zijn er binnen het plangebied vijf parkeerterreinen aanwezig. De locaties van de parkeerterreinen zijn weergegeven op figuur 4.1. Met de voorgenomen ontwikkeling wijzigt het aantal parkeerplaatsen op deze parkeerterreinen. Een indicatie van het huidige en toekomstige aantal parkeerplaatsen wordt gegeven in tabel 4.1.

Figuur 4.1 Parkeerterreinen Oosterparkweg Tabel 4.1 Indicatie aantal parkeerplaatsen (huidig en toekomstig) Parkeerlocatie

Huidig aantal

Toekomstig aantal

1. Parkeerterrein west

32 parkeerplaatsen

32 parkeerplaatsen

2. Kinderboerderij

70 parkeerplaatsen

93 parkeerplaatsen

3. Tuincentrum, bloemenjungle

80 parkeerplaatsen

80 parkeerplaatsen

4. Pelikaan

69 parkeerplaatsen

0 parkeerplaatsen

5. Sportpark

66 parkeerplaatsen

82 parkeerplaatsen

Totaal

317 parkeerplaatsen

287 parkeerplaatsen

Uit tabel 4.1 is op te maken het aantal parkeerplaatsen in het plangebied met circa 30 afneemt. Dit aantal kan nog wijzigen als gevolg van de parkeertellingen. Het uitgangspunt van de gemeente is om deze 30 parkeerplaatsen deels bij het sportcomplex en deels bij het voormalig parkeerterrein aan de Pelikaan te compenseren als in de toekomst blijkt dat de parkeerdruk op de verschillende terreinen toch te hoog wordt. Het bestemmingsplan biedt hier zo nodig de ruimte voor. De gemeente zal de parkeerdruk in het gebied monitoren en ingrijpen wanneer blijkt dat er een tekort aan parkeerplaatsen ontstaat. Als uit de monitoring blijkt dat er een overschot aan parkeerplaatsen blijft, dan is de compensatie van 30 parkeerplaatsen niet noodzakelijk. Aan parkeerlocatie 1 en 3 wijzigt niets. Het aantal parkeerplekken blijft gelijk. De parkeerbehoefte is hier op maat. Parkeerlocatie 4 'Pelikaan' wordt opgeheven, omdat bezoekers van het park hier weinig gebruik van maken. Een aanzienlijk deel van de parkeerplaatsen die hier vervallen wordt bij de meer gebruikte locaties 2 en 5 gevoegd. Op locatie 2 en 5 vindt immers juist ook het parkeren plaats voor de functies waaraan in het Bestemmingsplan Oosterpark uit 2021 ook al beperkte uitbreidingsmogelijkheden zijn geboden. Het is dus een logische keuze om de parkeercapaciteit naar daar over te hevelen.

Het aantal parkeerplaatsen bij het sportcomplex (locatie 5) wordt uitgebreid. De gemeente Ridderkerk hanteert de concept Nota Parkeernormen (2023) als parkeernorm. Deze nota wordt naar verwachting begin 2024 vastgesteld.

40/142

Het bestemmingsplan wordt pas daarna vastgesteld, zodat alvast hiermee rekening moet worden gehouden. De Nota Parkeernormen kent geen aparte parkeernormen voor de verschillende sportfuncties (midgetgolf, tennis, softbal/honkbal). De kencijfers voor 'sportvelden' worden gehanteerd. Het gebied kan worden gecategoriseerd als 'overig grondgebied Ridderkerk'. De gemeente Ridderkerk hanteert in haar Nota Parkeernormen als parkeernorm bij sportvelden 20,0 parkeerplaatsen per netto hectare terrein. Het sportcomplex is in totaal 46.257 m2 groot. Daarvan is 5.186 m² bestemd voor parkeren. Dit komt overeen met de aanduiding 'parkeerterrein' binnen de bestemming 'Sport'. Het netto hectare sportterrein is dan 41.071 m². In totaal dienen voor de sportvelden minimaal 82 parkeerplaatsen beschikbaar te zijn. Conform de concept nota parkeernormen moet 2% van de parkeerplaatsen een algemene gehandicapte parkeerplaats zijn. Dit resulteert in een gevraagde realisatie van 2 parkeerplaatsen op 100 m afstand van de gebouwen. Met de uitbreiding van 23 parkeerplaatsen op terrein 2 wordt centraal in het park voorzien in extra parkeerruimte voor wandelaars en de uitbreidingsruimte die de kinderboerderij en pannenkoekboerderij hebben.

De gemeente Ridderkerk heeft in het najaar van 2023 parkeertellingen uitgevoerd op maatgevende momenten bij het sportpark (bijvoorbeeld als er wedstrijden worden gespeeld of als er getraind wordt). Dit om goed in beeld te hebben wat de actuele parkeerdruk is, en om eventueel maatwerk te kunnen leveren. Het parkeeronderzoek is bijgevoegd in Bijlage 7. De parkeertellingen zijn geanalyseerd. Daaruit blijkt dat de hoge parkeerdruk in de wijk regelmatig wordt veroorzaakt door de eigen bewoners (incl. bezoekers) en incidenteel door de combinatie van bewoners- en sportersparkeren. Mocht in de toekomst toch blijken dat er knelpunten ontstaan met parkeren, dan kan -waar nodig- aansluitend aan de bestaande parkeerlocaties worden voorzien in extra parkeergelegenheid om zo de nu voorgestelde afname van 30 plekken te compenseren. Bij het sportcomplex is een ruime aanduiding opgenomen waarbinnen de uitbreiding van het parkeerterrein gerealiseerd kan worden. Dit is ter plaatse van het huidige softbalveld. Binnen deze aanduiding is enkel een parkeerterrein mogelijk, of voorzieningen als groen, fietsen wandelpaden. Binnen deze aanduiding zijn voorzieningen voor het sportcomplex (met uitzondering van parkeren) uitgesloten. Voor het fietsparkeren rekent de gemeente op 30 parkeerplaatsen per netto hectare terrein in de concept Nota Parkeernormen 2023.

In totaal moeten er minimaal 132 fietsparkeerplaatsen gerealiseerd worden om te voorzien in de behoefte. Om te garanderen dat de extra parkeerbehoefte binnen het sportcomplex opgelost kan worden is binnen de bestemming Sport een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin is bepaald dat de uitbreiding van het sportcomplex niet conform de bestemming 'Sport' en de daarbij behorende voorzieningen in gebruik mag worden genomen indien het totaal aantal parkeerplaatsen voor gemotoriseerd verkeer binnen de bestemming minder dan 82 bedraagt en het aantal parkeerplaatsen voor fietsen minder dan 132 bedraagt en deze onverminderd in stand worden gehouden. Verkeersgeneratie en –afwikkeling De aanpak van het park heeft voornamelijk een kwaliteitsverbetering als doel, waarbij geen relevante extra verkeersbewegingen van en naar het plangebied worden verwacht. De uitbreidingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt zijn beperkt en ook vooral gericht op bezoekers en sporters die nu ook al het park en de sportvelden bezoeken. Op piekmomenten, zoals weekenddagen waarop het sportcomplex intensief wordt gebruikt

41/142

en er veel recreanten naar het Oosterpark komen, kan er wel een drukker verkeersbeeld ontstaan. Door de goede ontsluiting en de spreiding van de verschillende parkeerterreinen over het gebied, is de verwachting echter dat deze pieken niet leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Aanpassingen aan de infrastructuur zijn mede daarom niet noodzakelijk noch voorzien. Wel wordt, zoals aangegeven onder langzaam verkeer, de Oosterparkweg heringericht als fietsstraat. Uitgaande van de verkeersintensiteit aldaar is dit goed mogelijk. Tevens zal dit een duidelijk signaal zijn naar de automobilisten (ze zijn te gast) op deze recreatieve route. Conclusie Het plangebied is goed ontsloten. Verspreid over het park zijn er voldoende parkeerterreinen aanwezig die toegankelijk zijn via de Oosterparkweg. De aanpak van het park heeft voornamelijk kwaliteitsverbetering als doel, waarbij niet direct veel meer parkeerders en verkeersbewegingen worden verwacht. Er zijn daarom vanwege de ontwikkelingen ook geen (grootschalige) aanpassingen aan de (omliggende) infrastructuur nodig. Wel wordt één parkeerterrein opgeheven en worden twee terreinen uitgebreid. Het aantal parkeerplaatsen binnen het plangebied neemt met de ontwikkeling met circa 29 af. Dit aantal kan, als dit alsnog nodig blijkt, aansluitend op de al bestaande parkeerterreinen worden gerealiseerd.

Het aantal parkeerplaatsen bij de uitbreiding van het sportcomplex is geborgd door een voorwaardelijke verplichting te stellen waarbij de uitbreiding van het sportcomplex alleen mag worden gebruikt als er voldoende parkeerplaatsen zijn gerealiseerd en deze onverminderd in stand worden gehouden.

4.2

Ecologie

Toetsingskader Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie ten aanzien van het Natuurnetwerk Zuid-Holland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:  Natura-2000 gebieden;  Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

42/142

Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;  overige soorten. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 (figuur 4.2).

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Boezems Kinderdijk, ligt op een afstand van circa 2 kilometer. Niet alle Natura 2000-gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Natura 2000-gebieden Oude Maas en Boezems Kinderdijk. Het meest nabijgelegen gebied met verzuringsgevoelige habitats betreft het Natura 2000-gebied Biesbosch. De minimale afstand van dit Natura 2000-gebied tot het plangebied bedraagt circa 9,5 kilometer.

43/142

Figuur 4.2

Natura 2000-gebieden ten opzichte van het plangebied (bron: AERIUS Calculator)

Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Natuur Netwerk Nederland (NNN) (zie figuur 4.3). Het dichtstbijzijnde NNN gebied ligt op een afstand van circa 600 meter.

Figuur 4.3 Ligging plangebied ten opzichte van NNN (bron: geo-loket provincie Zuid-Holland)

44/142

Het plangebied ligt niet in beschermde natuurgebieden. De dichtstbijzijnde beschermde natuurgebieden bevinden zich op voldoende afstand. Desondanks is er een berekening van stikstofdepositie nodig om uitsluitsel te geven of er effecten zijn op Natura 2000-gebieden door de geplande ontwikkeling. Het plangebied bevindt zich op 9,5 km afstand van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura-2000 gebied. Om deze reden is een stikstofberekening uitgevoerd om negatieve effecten op het gebied uit te sluiten. Op dit moment zijn de uitgangspunten voor de aanlegfase nog niet bekend. Om deze reden is een analyse op hoofdlijnen uitgevoerd om de uitvoerbaarheid aan te tonen. Bij de verdere uitwerking van de plannen zullen meer gedetailleerde berekeningen noodzakelijk zijn om te onderbouwen dat op dit punt geen sprake is van strijdigheid met de Wet natuurbescherming. De stikstofberekening komt uit op een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jr. Significant negatieve effecten zijn daarmee uitgesloten. De berekeningen en bijbehorende memo zijn bijgevoegd in Bijlage 4. Soortenbescherming - quickscan Om de effecten van de aanpak van het Oosterpark met betrekking tot soortenbescherming te bepalen is een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 1.

Naast de effecten van een aantal ruimtelijke ingrepen (uitbreiding sportcomplex, aanleg geluidsscherm, aanleg plek natuurlijk spelen) is de gemeente ook op zoek naar mogelijkheden om de natuurwaarden te verbeteren in het park. Mogelijk bieden de bosvakken in het park ruimte voor jaarrond beschermde soorten als de sperwer, buizerd en de boomvalk. Het verwijderen of aantasten van de nestplekken is ontheffingsplichtig. Er dient vervolgonderzoek te worden uitgevoerd naar mogelijke nestlocaties van roofvogels. Het effect van deze ontwikkeling op vleermuizen is niet goed te bepalen. Er wordt geadviseerd vervolgonderzoek te doen naar het gebiedsgebruik door vleermuizen. Het gaat dan zowel om het verdwijnen van bosvakken als ook het negatieve effect van het toevoegen van extra verlichting. Bij sloop van het clubgebouw dient hier ook vervolgonderzoek naar uitgevoerd te worden. Bij alle ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen, omdat alle beschermde soorten beschermd zijn tijdens het broeden. Controleer voorafgaand aan de werkzaamheden op aanwezigheid van broedende vogels en nesten. Verder geldt voor alle werkzaamheden de zorgplicht. Dit houdt in dat onnodige schade en verstoring van planten en dieren zoveel mogelijk voorkomen moet worden. Bij werkzaamheden moet men zorgvuldig handelen. Voor bomenkap geldt de APV van de gemeente Ridderkerk.

Soortenbescherming - aanvullend ecologisch onderzoek Uit de quickscan flora en fauna is naar voren gekomen dat er vervolgonderzoek gedaan moet worden naar gebiedsgebruik door vleermuizen en jaarrond beschermde nesten van roofvogels. In Bijlage 3 zijn de resultaten van dit onderzoek opgenomen. Indien beschermde situaties negatief beïnvloed worden door de ruimtelijke ontwikkelingen dan kan een ontheffing nodig zijn en/of beschermingsmaatregelen noodzakelijk zijn.

45/142

Op basis van het ecologisch vervolgonderzoek zijn de volgende beschermde situaties vastgesteld:  Jaarrond beschermd nest van een Buizerd;  Twee jaarrond beschermde nesten van Sperwers;  Essentieel foerageergebied voor vleermuizen. De aanleg van het geluidsscherm langs de A15 zal leiden tot een grootschalige bomenkap, waardoor het nest van de Buizerd verdwijnt en het foerageergebied van vleermuizen ernstig wordt aangetast. De bosvakken rond beide nesten van Sperwers worden niet aangetast door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. In het groencompensatieplan zijn vijf maatregelen opgenomen om de impact van het verlies aan foerageergebied van vleermuizen en het nest van de Buizerd te compenseren. De uitbreiding van de sportvelden heeft alleen beperkt negatief effect op de omvang van het foerageergebied van vleermuizen. Boven de sportvelden zijn tijdens het onderzoek nauwelijks vleermuizen waargenomen. Vleermuizen mijden de felle verlichting van de sportvelden. De uitbreiding van de sportvelden heeft tot gevolg dat een bosvak gekapt wordt. De jaarrond beschermde nesten van de roofvogels worden niet aangetast door deze ruimtelijke ontwikkeling. De herinrichting van het park kan tot een negatief effect leiden als een grote hoeveelheid bomen wordt gekapt. Deze ontwikkeling biedt echter ook kansen om het park aantrekkelijker te maken voor vleermuizen.

In het groencompensatieplan zijn maatregelen opgenomen om het park aantrekkelijker te maken voor vleermuizen. Voor het verwijderen van het buizerdnest en de aantasting van het essentiële foerageergebied van vleermuizen moet een ontheffing op de Wet natuurbescherming aangevraagd worden. De aanvraag moet onderbouwd worden met een overtuigende argumentatie ten aanzien van de belangen die de ruimtelijke ontwikkelingen dienen. Bovendien moeten alternatieven geboden worden om het negatieve effect op de beschermde soorten te verkleinen en te compenseren. De herinrichting van het park biedt hiervoor mogelijkheden, zoals de plaatsing van kunstnesten voor de Buizerd. Het creëren van mantelzomen, het vergroten van het aanbod aan nectarplanten, vergroten van de afwisseling in het gebied met open plekken en gesloten bosvakken en de aanleg van water met natuurvriendelijke oevers heeft tot doel om het voedselaanbod voor de vleermuizen op peil te houden. Daarnaast kunnen ook andere dieren en planten hiervan profiteren. De biodiversiteit in het park krijgt hiermee een impuls. De exacte maatregelen zijn uitgewerkt in het groencompensatieplan. Conclusie Gebiedsbescherming Gezien de afstand tot omliggende Natura 2000-gebieden en de resultaten van het stikstofonderzoek zijn significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten.

De ontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Soortenbescherming De voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen kunnen leiden tot negatieve effecten op enkele beschermde soorten. Daarom is een vervolgonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek richtte zich op het gebiedsgebruik door vleermuizen en aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten. Voor het aantasten van essentieel foerageergebied van Gewone dwergvleermuizen en het verwijderen van een buizerdnest is een ontheffing op de Wet natuurbescherming nodig. De aanvraag voor de ontheffing Wnb wordt parallel gedaan met de procedure voor het ontwerpbestemmingsplan en de omgevingsvergunningsaanvraag voor kap- en verplant van de bomen. De herinrichting van het park biedt kansen

46/142

om tot waardevolle mitigerende en compenserende maatregelen voor de beschermde soorten te komen. In het groencompensatieplan zijn de mitigerende maatregelen opgenomen die normaliter leiden tot goedkeuring van de ontheffingsaanvraag voor deze soorten. Verder dient rekening te worden gehouden met broedende vogels door werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of te voorkomen dat vogels in het projectgebied gaan broeden. De zorgplicht voor wilde dieren/planten is onverkort van kracht. Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.3

Bodemkwaliteit

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Onderzoek In het Oosterpark zijn bijna alle bestemmingsleggingen conserverend van aard. Alleen ter plaatse van de uitbreiding van het sportcomplex is sprake van een functiewijziging. De functie wijzigt hier van 'Recreatie/Park' naar 'Sport'. Hiervoor is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Tevens is een verkennend waterbodemonderzoek uitgevoerd voor te graven en te dempen watergangen. Voor hierboven niet genoemde grondwerkzaamheden in het park geldt dat het van belang is om te weten wat er met deze grond gebeurd, bijvoorbeeld voor de aanleg van het geluidsscherm. Zolang de grond binnen het plangebied of in de gemeente Ridderkerk/Barendrecht wordt hergebruikt is er geen probleem.

Dit kan op basis van de bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaarten in figuur 4.6a en 4.6b. Indien de grond naar elders gaat is er in veel gevallen een analyse van de grond benodigd.

Figuur 4.6a - bodemfunctieklassenkaart (bron: regionale bodemkwaliteitskaart Ridderkerk)

47/142

Bodemkwaliteitskaart Ridderkerk Op basis van de Regionale Bodemkwaliteitskaart Ridderkerk (figuur 4.7) voldoet het park zowel de bovengrond (0 0,5 meter onder maaiveld) als de ondergrond (0,5 - 2 meter onder maaiveld) aan de kwaliteit van klasse Achtergrondwaarde. Alle gemiddelden voor de klasse 'Achtergrondwaarden' zijn lager dan de maximale waarden voor de klasse 'Wonen'.

Figuur 4.6b - bodemkwaliteitskaart boven- en ondergrond (bron: regionale bodemkwaliteitskaart Ridderkerk) Verkennend bodemonderzoek In het Oosterpark zijn bijna alle bestemmingsleggingen conserverend van aard. Alleen ter plaatse van de uitbreiding van het sportcomplex is sprake van een functiewijziging. De functie wijzigt hier van 'Recreatie/Park' naar 'Sport'. Voor deze functiewijziging is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 8. Uit het bodemonderzoek is de algemene milieuhygiënische bodemkwaliteit, de aard en samenstelling van verhardings- en funderingslagen én de teerhoudendheid van asfalt ter plaatse van het sportcomplex van honkbal- en softbalvereniging Rowdies en een gedeelte van het Oosterpark aan de Oosterparkweg te Ridderkerk in voldoende mate vastgelegd. De asfaltverhardingen binnen het onderzoeksgebied zijn niet teerhoudend en kunnen als zodanig worden afgevoerd. Gravellagen en verhardings- en funderingslagen binnen het onderzoeksgebied bevatten zowel zintuiglijk als chemisch-analytisch geen asbest en zijn (indicatief) geschikt voor hergebruik als niet-vormgegeven bouwstof. In grond en grondwater binnen het onderzoeksgebied worden maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond. De bovengrond binnen het onderzoeksgebied voldoet aan klasse AW tot plaatselijk klasse Industrie. De ondergrond voldoet over het algemeen aan klasse AW.

48/142

In vrijwel alle grond(meng)monsters die zijn geanalyseerd op PFAS, worden verhoogde gehalten PFOA, PFOS en/of overige PFAS-verbindingen aangetoond. Alle aangetoonde gehalten PFAS voldoen aan de huidige toetsingswaarden zoals opgenomen in het Tijdelijke Handelingskader voor PFAS-houdende grond, hergebruik van deze grond (onder voorwaarden) lijkt derhalve mogelijk. Uitzondering hierop vormt een gedeelte van de bovengrond ter plaatse van deellocatie A2, op basis van het aangetoonde gehalte PFOS is bovengrond uit dit gedeelte niet geschikt voor toepassing elders. Hergebruik ter plaatse is wel toegestaan. De onderzoeksresultaten vormen geen aanleiding voor nader bodemonderzoek en derhalve ook geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling van het sportcomplex. Er is geen aanleiding tot het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging, derhalve zijn er voor de uitvoering van de werkzaamheden geen verplichtingen noodzakelijk in het kader van de Wet Bodembescherming. Met betrekking tot het werken in of met (licht) verontreinigde grond is de CROW-publicatie 400 van toepassing. Op basis van de resultaten van onderhavig bodemonderzoek, kan worden gesteld dat voor graafwerkzaamheden de veiligheidsklassen niet van toepassing zijn.

Opgemerkt wordt tot slot dat het onderhavige onderzoek is uitgevoerd onder Kwalibo (onderdeel van het Besluit Bodemkwaliteit), maar dat het een verkennend bodemonderzoek betreft en geen partijkeuring. Voor het bepalen van definitieve hergebruiksmogelijkheden van vrijkomende grond is formeel een partijkeuring van de grond (AP04 keuring) conform de geldende richtlijnen van het Besluit Bodemkwaliteit noodzakelijk. Een insitu partijkeuring is uitgevoerd op een partij grond gelegen ten zuiden van het sportcomplex van Honkbal en Softbalvereniging 'Ridderkerk Rowdies'. Deze keuring is bijgevoegd in Bijlage 9. Ook kan binnen de gemeentegrenzen mogelijk een bestemming worden gezocht op basis van de Bodemkwaliteitskaart. Verkennend waterbodemonderzoek De aanleiding voor het waterbodemonderzoek is de voorgenomen verbreding van een watergang tot een waterpartij en de voorgenomen demping van een andere watergang. het verkennend waterbodemonderzoek is bijgevoegd in Bijlage 10. Middels onderhavig waterbodemonderzoek is de milieuhygiënische (hergebruiks)kwaliteit van het aanwezige slib bepaald. De onderzoekslocaties zijn weergegeven in figuur 4.7. De waterbodem bestaat uit een sliblaag met daaronder klei of veen.

49/142

Figuur 4.7

- onderzoekslocaties verkennend waterbodemonderzoek

Deellocatie 1 (verbreding sloot tot waterpartij): Het slib is toepasbaar op landbodem als Klasse Wonen en in oppervlaktewater als Klasse A. Het slib is verspreidbaar op aangrenzend perceel. Op basis van de gehalten PFAS is het slib toepasbaar in gebieden waar de kwaliteitseisen landbouw/natuur (Achtergrondwaarde), Wonen en Industrie gelden. Deellocatie 2 (demping waterbodem): Het slib is altijd toepasbaar op landbodem en in oppervlaktewater en verspreidbaar op aangrenzend perceel. Op basis van de gehalten PFAS is het slib toepasbaar in gebieden waar de kwaliteitseisen landbouw/natuur (Achtergrondwaarde), Wonen en Industrie gelden. Conclusie De onderzoeksresultaten van het verkennend bodemonderzoek vormen geen aanleiding voor nader bodemonderzoek en derhalve ook geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling van het sportcomplex. Uit het verkennend waterbodemonderzoek is naar voren gekomen dat het slib van onderzoekslocatie 1 toepasbaar is op landbodem als Klasse Wonen, in oppervlaktewater als Klasse A en verspreidbaar op aangrenzend perceel. Het slib van onderzoekslocatie 2 is altijd toepasbaar op landbodem en in oppervlaktewater en verspreidbaar op aangrenzend perceel. Voor beide locaties geldt dat, op basis van de gehalten PFAS, het slib toepasbaar is in gebieden waar de kwaliteitseisen landbouw/natuur (Achtergrondwaarde), Wonen en Industrie gelden.

Voor de toekomstige graafwerkzaamheden in het park ten behoeve van andere nieuwe watergangen en het geluidsscherm kan onderzoek benodigd zijn. Dit is het geval indien de gronden buiten de gemeente worden gebruikt. Er wordt geconcludeerd dat het aspect bodem de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg staat.

50/142

4.4

Archeologie

Beleid en normstelling De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen met als uitgangspunt: 'de veroorzaker betaalt'. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Onderzoek De gemeente Ridderkerk heeft op 23 september 2013 de archeologische waardenkaart vastgesteld. Deze kaart bestaat uit twee kaarten 1) de archeologische kenmerkenkaart en 2) de archeologische waarden- en beleidskaart. Beide kaarten worden hieronder besproken.

Nagenoeg het gehele plangebied van het Oosterpark bestaat uit zogenaamde 'komafzettingen' (Formatie van Echteld) op een afwisseling van veen (Hollandveen Laagpakket) met kom- en oeverafzettingen (Formatie van Echteld) op komafzettingen (Formatie van Kreftenheye, Laag van Wijchen) op geulafzettingen (Formatie van Kreftenheye), zoals te zien in figuur 4.9. Voor deze gebieden geldt een middelgrote kans op de aanwezigheid van archeologische sporen uit de Romeinse tijd en uit de Late Middeleeuwen in het bodemtraject top Hollandveen Laagpakket maaiveld. De geologische opbouw van de diepere ondergrond is in detail vaak onbekend. De grootte van de kans op de aanwezigheid van archeologische sporen ouder dan de Romeinse tijd is daarmee niet aan te geven. In het noordwesten van het plangebied (ten westen van de zwemplas) bevindt zich ook een gebied met stroomgordelafzettingen (Formatie van Echteld) onder het veen (Hollandveen Laagpakket). In de top van de stroomgordelafzettingen is een middelgrote kans op de aanwezigheid van sporen uit het Neoliticum. Verder zijn er enkele hoofdwatergangen in het plangebied. Deze zijn aangeduid als water in figuur 4.8. Op deze locaties geldt een kleine kans op de aanwezigheid van archeologische sporen. Er worden geen werkzaamheden in de hoofdwatergangen uitgevoerd.

51/142

Figuur 4.8 - archeologische kenmerkenkaart met in rood het plangebied (bron: gemeente Ridderkerk) In figuur 4.9 is de archeologische waarden- en beleidskaart weergegeven. Deze kaart geeft de kans op aanwezigheid van archeologische sporen aan. Vrijwel het gehele plangebied kent een redelijk hoge archeologische verwachtingswaarde. Deze waarden zijn te verwachten op een niveau dieper dan 50cm. Op enkele plekken ligt water. Hier geldt een archeologisch lage verwachtingswaarde. De aanwezigheid van archeologische sporen mag hierbij verwacht worden vanaf de huidige onderwaterbodem. Voor de grond met een redelijk hoge archeologische waarde geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning bij grondwerkzaamheden (inclusief heien) met een oppervlak groter dan 200 m² en bij een diepte dieper dan 100 cm beneden het maaiveld. Deze gronden zijn opgenomen in de regels als 'Waarde - Archeologie 3'. Voor de gronden met een lage archeologische verwachtingswaarde gelden marges van respectievelijk 200 m² en de huidige onderwaterbodem. Deze gronden zijn in de regels opgenomen als 'Waarde - Archeologie 4'.

Figuur 4.9 - archeologische waarden- en beleidskaart met in rood het plangebied (bron: gemeente Ridderkerk)

52/142

Onderzoeken locatie sportcomplex en geluidsscherm De gemeente heeft daarnaast voor het graven/uitbreiden van watergangen en het geluidsscherm archeologisch vooronderzoek uit laten voeren. De rapporten hiervan zijn opgenomen in Bijlage 5 Archeologisch vooronderzoek geluidsscherm en Bijlage 6 Archeologisch vooronderzoek sportcomplex. Hierna worden de uitkomsten uit deze rapporten behandel. Geluidsscherm Op basis van de uitgevoerde boringen zijn in de verstoorde grond op de boorlocaties tot 10 -140 cm – mv geen in situ archeologische sporen en resten te verwachten. In de hieronder gelegen dekafzettingen (gevormd na 1373) zijn geen tekenen van bodemvorming waargenomen en de oorspronkelijke top van dit pakket is waarschijnlijk deels in de verstoorde grond opgenomen, waardoor voor deze lagen een lage archeologische verwachting bestaat. In deze dekafzettingen zouden wel verspoelde archeologische resten kunnen worden aangetroffen. Onder de dekafzettingen zijn lagen oeverafzettingen, komafzettingen, (rest)geulafzettingen (op verschillende niveaus) en veen aanwezig. Voor de komafzettingen (zonder tekenen van bodemvorming), (rest)geulafzettingen en het veen (geen veraarde niveaus, plaatselijk afgetopt) bestaat in principe een relatief lage archeologische verwachting voor bewoningssporen.

In deze lagen zouden wel sporen van jacht of visserij of vondsten uit natte contexten aanwezig kunnen zijn. Gezien het aantreffen van geulafzettingen op grofweg twee niveaus (met en zonder duidelijk waarneembare (bredere) oeverwallen), zouden zulke archeologische resten uit verschillende perioden kunnen dateren (vermoedelijk de late ijzertijd-middeleeuwen en het neolithicum, hoewel dateerbaar bewijs voor dit vermoeden niet tijdens het huidige onderzoek is aangetroffen). De aangetroffen oeverafzettingen (gelegen boven het veen, nabij de hoogst gelegen geulen en binnen de voorgenomen ontgravingsdiepte van 1-1,5 m –mv; vanaf 50-107 cm –mv/vanaf 2,2-2,56 m –NAP) gaan in principe gepaard met een hogere archeologische verwachting voor de Romeinse tijd. Hierin zouden eventueel ook sporen en resten uit de late ijzertijd tot late middeleeuwen (tot 1373) aanwezig kunnen zijn. Tijdens het veldonderzoek zijn, ook na de uitvoering van aanvullende karterende boringen, geen potentiële archeologische niveaus in de vorm van lak- of cultuurlagen aangetroffen. Op basis van deze afwezigheid is de kans klein dat er nederzettingsvormen uit de Romeinse tijd of periode late ijzertijd-late middeleeuwen in het plangebied aanwezig zijn. Nederzettingen uit deze periode gaan in het algemeen namelijk gepaard met de aanwezigheid van een archeologische (cultuur)laag.

Daarnaast is sprake van relatief dunne lagen oeverafzettingen (voornamelijk 10-30 cm dik en in een enkele boring 50 cm dik), waarvan de oorspronkelijke top mogelijk plaatselijk is weggeslagen tijdens de vorming van het laat middeleeuwse overstromingspakket. Hoewel in het plangebied geen bewoningssporen worden verwacht, zouden wel archeologische sporen of vindplaatsen zonder archeologische laag (ontginningsgreppels, dammen, duikers, grafvelden, etc.) in de (nog) aanwezige oeverafzettingen kunnen worden aangetroffen. De aan-/afwezigheid van zulke archeologische fenomenen is op basis van een archeologisch booronderzoek echter lastig te toetsen.

53/142

Op basis van de resultaten van dit onderzoek lijkt de kans klein dat in het plangebied archeologische resten in de vorm van nederzettingen of vindplaatsen met een archeologische laag bedreigd worden door de ontgravingen tot 1-1,5 m -mv. Hoewel feitelijk geen uitspraken kunnen worden gedaan over de bodemopbouw dieper dan de maximale boordiepten (290-400 cm –mv), zullen de aan te brengen hei of buispalen onder de funderingspoeren van het geluidsscherm naar verwachting tot een relatief beperkte bodemverstoring leiden. Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. Graven/uitbreiden watergangen Op basis van de verkennende archeologische boringen zijn in de verstoorde bovengrond tot circa 40-70 cm –mv geen in situ archeologische sporen en resten te verwachten. In de hieronder gelegen dekafzettingen (gevormd na 1373) zijn geen tekenen van bodemvorming waargenomen en de oorspronkelijke top van dit pakket is waarschijnlijk deels in de verstoorde grond opgenomen, waardoor voor deze lagen een lage archeologische verwachting bestaat. In deze dekafzettingen zouden wel verspoelde archeologische resten aanwezig kunnen zijn.

Voor de lagen onder dit overstromingsdek binnen de maximale boordieptes van 300-400 cm –mv (veen dat plaatselijk is afgetopt en waarin geen veraarde niveaus zijn waargenomen, komafzettingen zonder tekenen van bodemvorming en vermoedelijke restgeul-/veenstroomafzettingen) bestaat eveneens een lage archeologische verwachting voor bewoningssporen of andere vormen van intensief landgebruik uit de periode voorafgaand aan 1373. In deze lagen zouden wel sporen van jacht of visserij of vondsten uit natte contexten aanwezig kunnen zijn, maar de aan-/afwezigheid van dit soort archeologische fenomenen is lastig op basis van archeologisch booronderzoek te toetsen. Op basis van de resultaten van dit onderzoek blijkt dat de kans gering dat in de onderzoeksgebieden archeologische resten bedreigd worden. Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. Algemeen Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS).

Conclusie Er heeft archeologisch vooronderzoek plaatsgevonden ter plaatse van het te realiseren geluidsscherm en te graven/uit te breiden watergangen in het park. Op basis van de resultaten van dit onderzoek blijkt dat de kans gering dat in de onderzoeksgebieden archeologische resten bedreigd worden. Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. De archeologische verwachtingswaarden zijn een-op-een overgenomen van de gemeentelijke waarden- en beleidskaart en verwerkt in de regels zijnde 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 4'. Indien een ontwikkeling, anders dan onderzocht in het archeologisch vooronderzoek, de diepte- en of oppervlaktemaat overschrijdt altijd contact te worden opgenomen met de gemeente om de onderzoeksbehoefte te beoordelen. Het aspect Archeologie vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

54/142

4.5

Cultuurhistorie

Toetsingskader De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten. Onderzoek en conclusie In 2017 is de cultuurhistorische waardenkaart woongebieden Ridderkerk opgesteld door de stichting 'Dorp, stad en land'. In dit stuk is de ruimtelijke ontwikkelingsgeschiedenis van Ridderkerk beschreven. Ridderkerk is ontstaan op veengrond die vanaf de negende en tiende eeuw werd bewoond. Vanaf die tijd werd begonnen met de ontginning van het gebied waardoor het veen drastisch inklonk. Om het gebied tegen het buitenwater te beschermen legde men in de elfde en twaalfde eeuw dijken en kaden aan.

Zo ontstonden het eiland Rhoon, de Zwijndrechtse Waard en de Riederwaard (samen: IJsselmonde). Het Oosterpark ligt daarbij in de polder genaamd 'Oud Reijerwaard'. In de jaren '80 van de vorige eeuw is hier de wijk Drievliet-Het Zand aangelegd samen met het Oosterpark. Op de cultuurhistorische waardenkaart woongebieden Ridderkerk is het gehele Oosterpark aangemerkt als gebied met een hoge historische waarde. Dit is te zien in figuur 4.10. De oude slotenstructuur is nog steeds grotendeels intact.

Figuur 4.10 – historische waardenkaart gemeente Ridderkerk (bron: stichting Dorp, Stad en Land) In het westen van het Oosterpark liggen ook twee historische gebouwen: 7. Oosterparkweg 33 (Woning – hoge waarde) 8. Oosterparkweg 27-29 (Tuinderswoning - redelijk hoge waarde) Beide gebouwen blijven, conform het beleid in Ridderkerk, behouden in het nieuwe plan. Er zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten in het plangebied aanwezig. Concluderend blijven de historische panden in het gebied behouden. Een deel van de bestaande historische structuren gaat verloren met de aanpak van het park. Bij de aanpak van het park prevaleert het gebruik en de beleving boven de bestaande slotenstructuur.

55/142

4.6

Bedrijven en milieuzonering

Beleid en Normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van aanwezige bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Onderzoek De voorgenomen ontwikkelingen in dit plan maken geen milieugevoelige functies mogelijk. Dat betekent dat middels dit plan de bedrijven in de omgeving ook niet worden beperkt door de voorgenomen ontwikkelingen. De aanpassing van de ligging van het sportcomplex (honk- en softbalvelden) en herbouw van het clubgebouw voor de honk- en softbalvereniging zijn de enige ontwikkelingen waarvoor aangetoond dient te worden dat er na aanpassing sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Bij veldsportcomplexen geldt een richtafstand van 50 meter voor licht en geluid. Met de huidige inrichting van het terrein wordt grotendeels voldaan aan die richtafstand.

Alleen een deel van het meest noordelijke veld van de honk- en softbalvereniging en een deel van de midgetgolfbanen liggen voor een klein deel binnen deze (richt) afstand. Door de herinrichting van het sportcomplex komt het veld en het clubgebouw van de honk- en softbalvereniging op grotere afstand van de woningen te liggen en wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. Figuur 4.11 geeft inzicht in de afstanden. Per saldo levert deze ontwikkeling dan ook een positieve bijdrage aan het woon- en leefklimaat in het gebied.

56/142

Figuur 4.11 - afstanden tussen de woningen in de huidige situatie en nieuwe situatie Voor de midgetgolfbaan verandert er niets. Er geldt overigens ook geen specifieke richtafstand voor midgetgolf. Voor golfbanen geldt een richtafstand van 10 meter voor geluid. Met een afstand van circa 25 meter tot aan de dichtstbijzijnde woning wordt hieraan ook voldaan. Met betrekking tot lichthinder geldt een zorgplicht. Eventuele lichthinder dient tot een aanvaardbaar niveau te worden beperkt. In het Activiteitenbesluit is geregeld dat de verlichting moet zijn uitgeschakeld tussen 23 uur en 7 uur, als er geen sport wordt beoefend en als er geen onderhoud plaatsvindt. Voor de niet gereguleerde aspecten is het mogelijk maatwerk te leveren. De gemeente kan in zo'n geval maatwerkvoorschriften opstellen. Een voorbeeld is de wijze waarop de verlichting wordt uitgevoerd. Gezien de grote afstand vanaf de velden tot omliggende woningen wordt overigens geen lichthinder verwacht. Er wordt voldaan aan de in de VNG-brochure voor veldsportcomplexen met veldverlichting aanbevolen richtafstand van 50 meter doordat het dichtstbijzijnde veld op 60 meter afstand ligt van woningen. In het verlichtingsplan dat wordt opgesteld zal dit nader worden uitgewerkt en aangetoond. Conclusie Met uitvoering van de nieuwe ontwikkelingen wordt voldaan aan de richtafstand van 50 meter.

Door de voorgenomen ontwikkeling waarin de velden en het clubgebouw op ruimere afstand komen te liggen van de woningen heeft de toekomstige situatie een positieve invloed op het woon- en leefklimaat ter plekke. Op basis van voorgaande kan worden geconcludeerd dat de aspecten geluid en licht geen belemmeringen vormen voor de beoogde ontwikkeling.

57/142

4.7

Wegverkeerslawaai

Er worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies toegestaan middels dit bestemmingsplan. Ook is er geen sprake van een relevante toename van) de verkeersaantrekkende werking door de ruimtelijke ontwikkelingen die in dit plan mogelijk worden gemaakt. Akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai is hierom niet noodzakelijk. Het aspect wegverkeerslawaai staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. De aanleg van het geluidsscherm heeft belangrijke positieve effecten op de geluidhinder van de A15 die nu in het park en in de wijken ten noorden daarvan wordt ervaren. Dit is aangetoond op basis van diverse onderzoeken (Bijlage 11 Geluidhinder Oosterpark Ridderkerk van 30 juni 2020, adviesbureau DGMR en Bijlage 12 Oosterpark Ridderkerk – uitwerking effect schermen van 15 oktober 2020, adviesbureau DGMR) en heeft geleid tot de keuze voor plaats, hoogte en uitvoering van het scherm.

4.8

Externe veiligheid

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.

Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de

58/142

bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Aan de zuidoostzijde van het verordeningsgebied is de BEVI-inrichting Shell Ridderkerk gelegen. Dit betreft een LPG-tankstation.

Deze inrichting beschikt over een PR10-6 risicocontour van 45 m en een invloedsgebied voor het groepsrisico van 150 m. Op afbeelding 4.12 is de locatie van het LPG-tankstation weergegeven. Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied en de PR10-6 risicocontour van deze inrichting.

Figuur 4.12 - Omliggende risicovolle inrichtingen Transport gevaarlijke stoffen Over de rijkswegen A15 en A16 worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Langs en door het plangebied zijn 3 hogedruk gasleidingen gelegen. In figuur 4.13 zijn deze risicobronnen weergegeven.

59/142

Figuur 4.13 - Plangebied (zwarte lijn, bij benadering) en risicobronnen Vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van 3 hogedruk gasleidingen (W-507-01, W-530-01, de rijkswegen A15 en A16 is nader onderzoek uitgevoerd dat is toegevoegd in bijlage 2.

W-530-07) en

Aardgasbuisleidingen De berekeningen hebben ter plaatse van het plangebied niet geleid tot een PR 10-6-contour. Het plaatsgebonden risico vormt daarom geen belemmering voor de ontwikkeling. Het groepsrisico van de aardgasleidingen is in de huidige en toekomstige situatie kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. Er kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Voor aardgasleiding W-530-07 is geen sprake van een groepsrisico. Een verantwoording is daarom niet noodzakelijk. Binnen de belemmeringenstroken van de beschouwde buisleidingen bevinden zich geen (geprojecteerde) (beperkt) kwetsbare objecten. Rijksweg A15/A16 Binnen PR 10-6 contour bevinden zich geen (geprojecteerde) (beperkt) kwetsbare objecten. In zowel de huidige als toekomstige situatie is het groepsrisico kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk ten aanzien van deze rijkswegen. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het PAG bevinden zich geen (geprojecteerde) (beperkt) kwetsbare objecten. De oprichting van het circa 6 meter hoge geluidsscherm vormt een buffer bij eventuele plasbranden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1069/documents/37652