BOPA-onderbouwing 2e deel - vanaf pagina 40
Tekst van het document
Het gebied is verder rustig en groen, zonder zware bedrijvigheid die geuroverlast met zich meebrengt. 57 KUIPER COMPAGNONS Er zijn geen intensieve veehouderijen, tuinbouwbedrijven of andere vormen van intensieve landbouw in de omgeving die vaak geuroverlast kunnen veroorzaken. De agrarische activiteiten in de buurt zijn beperkt tot kleinschalig landgebruik, wat doorgaans geen merkbare geurhinder veroorzaakt. 4.5.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft voor wat betreft het aspect ‘geur’ geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit aspect draagt op zichzelf daarom bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 46 Trillingen 4.6.1 Kader Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) moet rekening worden gehouden met het aspect trillingen, als onderdeel van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (art. 5.1 Omgevingswet en art. 8.0b Bkl). Het juridisch kader voor trillingen is vastgelegd in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Deze regels zijn van toepassing op trillingen met een frequentie van 1 tot 80 Hz, veroorzaakt door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Het gaat bijvoorbeeld om woningen, kantoren of zorggebouwen.
De maximaal toegestane trillingswaarden zijn opgenomen in: e Artikel 22.88 (voor continue trillingen), en e Artikel 5.87a (voor herhaald voorkomende trillingen). Bij de beoordeling van een BOPA moet worden aangetoond dat de activiteit niet leidt tot overschrijding van deze grenswaarden. Indien nodig moeten maatregelen worden getroffen om hinder of schade te voorkomen. Door aan deze normen te voldoen, wordt geborgd dat de ontwikkeling past binnen een verantwoorde leefomgeving en daarmee voldoet aan de eisen van de Omgevingswet. 4.6.2 Onderzoek Met deze BOPA-vergunning worden geen activiteiten toegestaan die trillingen veroorzaken. Bovendien zijn er geen activiteiten binnen de directe omgeving van de geplande ontwikkeling die significante trilling overlast zouden kunnen veroorzaken. De omgeving is voornamelijk rustig, met overwegend agrarische en woonbestemmingen, waar geen trillingen veroorzakende activiteiten plaatsvinden die de toekomstige bewoners zouden kunnen storen. Aangezien er geen infrastructuur of bedrijven in de buurt zijn die trillingsoverlast veroorzaken, is de verwachting dat de geplande woningen niet worden blootgesteld aan schadelijke of hinderlijke trillingen. 4.6.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is wat betreft trillingen door activiteiten niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
4.7 Bodemkwaliteit 4.7.1 Kader Het wettelijk kader voor bodemgebruik en bescherming is vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en wordt verder uitgewerkt in het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet. Dit kader heeft als doel de bescherming van de gezondheid en het milieu door het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem. Er worden drie hoofdcategorieën van bodemgebruik onderscheiden, waarop specifieke regels van toepassing zijn: e Landbouw en natuur e Wonen e Industrie 58 KUIPER COMPAGNONS Voor elke categorie zijn risicogrenswaarden vastgesteld die de toelaatbare bodemkwaliteit bepalen, afhankelijk van het beoogde gebruik en de specifieke omstandigheden van het gebied. De wettelijke eisen zijn gericht op het voorkomen van schade aan de bodem en het milieu door verontreiniging of ongepast gebruik. Volgens artikel 5.89i Bkl worden in het definitieve omgevingsplan de waarden vastgelegd voor de toelaatbare bodemkwaliteit, met name voor het bouwen van bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties. Deze waarden kunnen per gebied of gebruiksfunctie verschillen. In geval van overschrijding van de vastgestelde waarden voor de bodemkwaliteit, mag het bouwen van een bodemgevoelig gebouw uitsluitend plaatsvinden onder strikte voorwaarden.
Dit betekent dat het project alleen kan doorgaan indien de voorgeschreven sanerende of beschermende maatregelen, zoals vastgesteld in artikel 5.89K Bkl, worden getroffen om de risico's voor gezondheid en milieu te minimaliseren. Naast de vastgestelde normen voor bodemkwaliteit, bevat het Aanvullingsbesluit bodem en het Besluit activiteiten leefomgeving aanvullende regels met betrekking tot bodembeheer, zoals: e Nazorg na sanering: Artikel 5.89n Bkl bepaalt dat voor saneringen en bodembeheer, nazorg verplicht is. Dit kan betrekking hebben op maatregelen die in het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift zijn vastgelegd. e Graven in de bodem: In paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bkl worden de voorwaarden voor graafactiviteiten in de bodem geregeld. Specifieke toetsingscriteria gelden voor activiteiten die de bodem kunnen verstoren of verontreinigen. e _ Historische bodemverontreiniging: Het beleid voorziet ook in regels voor het omgaan met locaties waar sprake is van historische bodemverontreiniging, mits er geen onaanvaardbare risico’s voor gezondheid of milieu zijn. Dit betekent dat een gedegen risicobeoordeling en geschikte beheersmaatregelen nodig zijn om verdere verontreiniging of schade te voorkomen. Bij wijzigingen van activiteiten op een locatie moet de bodem altijd geschikt worden bevonden voor het beoogde gebruik.
Het is verplicht dat de bodemkwaliteit in lijn is met de vastgestelde risicogrenswaarden en dat de noodzakelijke sanerings- of beschermende maatregelen zijn getroffen, indien nodig. 4.7.2 Onderzoek Door RSK is in oktober 2024 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, dit onderzoek is in bijlage 2 toegevoegd. Het doel van dit onderzoek was om de bodemkwaliteit in kaart te brengen en te bepalen of er belemmeringen zijn voor de voorgenomen plannen. Ook is gekeken naar de herbruikbaarheid van vrijkomende grond en is een voorlopige veiligheidsklasse vastgesteld conform de CROW 400-richtlijn. Het veldwerk werd uitgevoerd op 23 en 30 september 2024. In totaal zijn verspreid over de locatie dertien grondboringen uitgevoerd, waarvan één is afgewerkt met een peilbuis voor grondwaterbemonstering. Bij het boren werd geconstateerd dat de bodem tot circa 2,3 meter onder maaiveld (m-mv) bestaat uit afwisselend klei en zand, met daaronder een veenlaag tot een diepte van 3,0 m-mv. Onder de asfaltverharding op de oprit en het parkeerterrein is een funderingslaag van grind aangetroffen, soms met bijmengingen van baksteen of asfalt. In de bodem zijn verspreid bijmengingen van baksteen, plastic, asfalt, ijzer en grind aangetroffen. Het onderzoek leverde geen aanwijzingen voor asbest op. Het grondwater is aangetroffen op een diepte van circa 0,8 tot 1,7 m-mv.
Uit de chemische analyse blijkt dat het grondwater geen overschrijdingen laat zien van de signaleringswaarden die gelden in het kader van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Hoewel de troebelheid van het grondwater verhoogd was, had dit geen invloed op de betrouwbaarheid van de resultaten. Het laboratoriumonderzoek op de grondmonsters toont aan dat er op één locatie sprake is van sterke bodemverontreiniging. In de matig baksteenhoudende zandige ondergrond ter hoogte van boring 013 (op een diepte van 0,5 tot 0,8 m-mv) zijn interventiewaarden voor koper en lood overschreden. De overige onderzochte lagen op deze locatie, evenals de andere boringen, bevatten geen stoffen in concentraties boven de interventiewaarden. Wel zijn in meerdere grondmonsters verhoogde gehalten van PFAS-stoffen (PFOS en PFOA) vastgesteld, maar deze blijven binnen de landelijke toepassingsnormen voor hergebruik van grond. De grond 59 KUIPER COMPAGNONS onder het asfalt voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/Natuur’, en de bovengrond op onverharde delen is toepasbaar als ‘Wonen/industrie’. De voorlopige veiligheidsklasse voor het uitvoeren van graafwerkzaamheden volgens CROW 400 is vastgesteld op ‘Geen veiligheidsklasse’, wat betekent dat alleen basishygiënemaatregelen nodig zijn. De definitieve klasse moet echter nog worden bepaald door een veiligheidskundige voorafgaand aan de werkzaamheden.
Op basis van de resultaten van het onderzoek zijn er geen belemmeringen voor de geplande woningbouw, zolang er geen graafwerkzaamheden plaatsvinden ter hoogte van de oprit en het aangrenzende plantsoen, de locaties waar de verontreinigingen zijn aangetoond. Indien hier toch werkzaamheden worden gepland, dient melding te worden gedaan van ‘Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde’ en mogelijk ook van ‘Saneren van de bodem’ binnen het kader van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Voor graafwerkzaamheden in overige delen van het terrein volstaat een melding van ‘Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde’. Indien bij de herontwikkeling het asfalt wordt opgebroken en afgevoerd, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de kwaliteit van dit asfalt, met name op teerhoudendheid. Daarnaast wordt geadviseerd om — afhankelijk van de geplande werkzaamheden en het bodembeheer — eventueel een nader bodemonderzoek uit te voeren om de omvang van de aangetoonde sterke verontreiniging beter vast te stellen. Kortom, het terrein is grotendeels geschikt voor woningbouw, mits bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende rekening wordt gehouden met de lokaal aangetroffen verontreiniging en de daaruit voortvloeiende verplichtingen.
4.7.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is wat betreft bodem niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd. Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek is vastgesteld dat de bodemkwaliteit op deze locatie in voldoende mate is afgestemd op het beoogde gebruik. 4.8 Omgevingsveiligheid 4.8.1 Kader Omgevingsveiligheid betreft de risico’s die ontstaan door de opslag, productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen, evenals door de aanwezigheid van windturbines. De hoofdlijnen van het wettelijk kader met betrekking tot omgevingsveiligheid zijn vastgelegd in de instructieregels in afdeling 5.1 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl). In bijlage VII van het Bkl worden activiteiten aangewezen als risicobronnen, die van belang zijn voor de regels rondom het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. De betreffende risicobronnen zijn: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, als milieubelastende activiteiten volgens het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); e Het basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen via weg, water en spoor; e Buisleidingen die gevaarlijke stoffen transporteren, die als milieubelastende activiteit in het Bal zijn opgenomen; e _ Windturbines die als milieubelastende activiteit zijn aangewezen in het Bal.
De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl behandelen het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen, evenals beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties, in verband met het externe veiligheidsrisico van activiteiten die op basis van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning zijn toegelaten voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Plaatsgebonden Risico De grenswaarden en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR) met betrekking tot (zeer) kwetsbare en (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties zijn vastgelegd in artikelen 5.6 tot en met 5.11 van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7, lid 1 Bkl) worden in het Omgevingsplan opgenomen. Standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties worden eveneens in het omgevingsplan in acht genomen (artikel 5.11 Bk). Voor het plaatsgebonden risico gelden, 60 KUIPER COMPAGNONS afhankelijk van de aard van de activiteit, vastgestelde afstanden of afstanden die rekenkundig moeten worden bepaald (bijlage VI BkI) Groepsrisico Het groepsrisico betreft het risico voor een grotere groep mensen in de omgeving van een risicobron. In dit kader worden aandachtsgebieden geïntroduceerd. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl).
Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht, maar aandachtsgebieden gelden automatisch voor activiteiten met gevaarlijke stoffen. Deze aandachtsgebieden geven aan waar mensen binnenshuis onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen, zoals brand, explosie of gifwolk. Afhankelijk van het type risicovolle activiteit, zijn voor het aandachtsgebied vaste afstanden vastgesteld of moeten afstanden rekenkundig worden bepaald (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan een voorschriftengebied worden ingesteld. Dit voorschriftengebied kan door de gemeente in het omgevingsplan worden aangewezen, waarbij de gemeente ervoor kan kiezen om af te zien van de aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner gebied aan te wijzen (artikel 5.14 Bkl). Als een initiatief binnen een voorschriftengebied valt, gelden er aanvullende bouweisen voor nieuwbouw, zoals beschreven in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) (artikelen 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagverblijven en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, wat betekent dat er aanvullende bouweisen moeten worden nageleefd bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl).
Naast de voorschriften voor nieuwbouw kunnen gemeenten aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld met betrekking tot vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied voor hulpdiensten. Het berekenen van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel. Het is niet verplicht, maar een gemeente kan besluiten om deze berekening op te nemen als voorschrift voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van een situatie. 4.8.2 Onderzoek Met voorgenomen ontwikkeling worden kwetsbare gebouwen (woningen) mogelijk gemaakt. In de omgeving van de locatie zijn volgens het register externe veiligheid verschillende risicobronnen aanwezig. Het plangebied is gelegen binnen het gifwolkaandachtsgebied van de volgende inrichtingen: . Kramer Group B.V; . Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V; . Barge Center Waalhaven B.V; ° Rail Service Center Rotterdam B.V. Het plangebied is niet gelegen binnen aandachtsgebieden van andere risicobronnen. Op onderstaande afbeelding is de locatie van het plangebied weergegeven ten opzichte van de omliggende risicobronnen en aandachtsgebieden. 61 KUIPER COMPAGNONS Afbeelding 4.8 : Uitsnede Portaal Atlas Veiligheid met globale ligging plangebied (zwarte ovaal) Inrichtingen Het plangebied bevindt zich binnen het gifwolkaandachtsgebied van vier bedrijven op de industrieterreinen in Rotterdam en Moerdijk waar giftige stoffen worden opgeslagen, verwerkt of geproduceerd.
Deze bedrijven bevinden zich allen op grote afstand van het plangebied, waardoor de ontwikkeling geen invloed zal hebben op het groepsrisico. Zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid Door een incident bij de inrichtingen kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt. De toxische stof verdampt deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. Het gevaar kan door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied in het geval van ammoniak opgemerkt worden door de herkenbare geur. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario en de mechanische ventilatie uit schakelen. De woningen dienen zodanig geconstrueerd te worden dat bij een toxische wolk de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van aanwezigen verbeterd worden (conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving). Als deuren, ramen en ventilatieopeningen afsluitbaar zijn en het luchtverversingssysteem uitgeschakeld kan worden is een gebouw geschikt om enkele uren in te schuilen. Binnen het plangebied worden geen zeer kwetsbare gebouwen mogelijk gemaakt. Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat een NL-Alert wordt ingezet. Risicocommunicatie naar de toekomstige bewoners is zeer belangrijk.
Bij het sluiten van een koop-/huurcontract kunnen bewoners op de externe veiligheidsrisico's gewezen worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht. Aan de energietransitie (nieuwe vormen van energiewinning, -opslag en —transport) zijn veiligheidsrisico’s verbonden, zoals risico’s rond elektrisch rijden/parkeren, waterstof en grootschalig gebruik van zonnepanelen in 62 KUIPER COMPAGNONS combinatie met energie opslag systemen (EOS). Indien in het plangebied nieuwe energiebronnen worden ontwikkeld dient de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond hierover geïnformeerd te worden. In het kader van de beoordeling van de fysieke veiligheid is advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Rotterdam- Rijnmond (VRR). De VRR beoordeelt ontwikkelingen op de aspecten bestrijdbaarheid, zelfredzaamheid en beheersbaarheid van incidenten. De VRR adviseert te voorzien in een adequate bereikbaarheid voor hulpdiensten en voldoende bluswatervoorzieningen. Bij de verdere uitwerking van het plan wordt hiermee rekening gehouden, conform de Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid van de VRR.
4.8.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is, mede gelet op het advies van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond, vanuit het aspect omgevingsveiligheid aanvaardbaar. Door het treffen van maatregelen ten aanzien van bereikbaarheid, bluswatervoorziening en zelfredzaamheid wordt een veilige en gezonde fysieke leefomgeving geborgd. Dit aspect draagt daarmee bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.9 Geluid door activiteiten 4.9.1 Kader Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gelden er instructieregels vanuit het Rijk over geluid van activiteiten (paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl). De beoordeling van geluid door activiteiten kan op twee manieren worden benaderd: Geluidproducerende activiteit: wanneer de voorgenomen ontwikkeling geluid produceert, wordt beoordeeld of het geluidsniveau voldoet aan de geldende normen en of dit geen onaanvaardbare hinder oplevert voor de fysieke leefomgeving. In het kader van de Omgevingswet (artikel 1.7 zorgplicht) wordt beoordeeld of de activiteit geen negatieve invloed heeft op de omgevingskwaliteit, inclusief geluidsoverlast. Er wordt gekeken naar de aard van de geluidsproductie, het geluidsniveau, de duur en de tijdstippen waarop het geluid wordt geproduceerd. Dit gebeurt in lijn met de geldende geluidsnormen.
Geluidsgevoelig object: wanneer de activiteit plaatsvindt in de nabijheid van een geluidsgevoelig object (zoals een woning of school), moet worden onderzocht of de bestaande activiteiten in de omgeving geen onaanvaardbare geluidshinder veroorzaken. Dit betekent dat wordt getoetst of de geluidsbelasting van omliggende activiteiten voldoet aan de normen voor geluidsbelasting die zijn bedoeld om overlast voor de bewoners te voorkomen. Hierbij wordt opnieuw rekening gehouden met de zorgplicht uit artikel 1.7 van de Omgevingswet, die vereist dat geen nadelige effecten op de fysieke leefomgeving mogen ontstaan. In beide gevallen wordt getoetst of de geluidshinder voldoet aan de geldende geluidsnormen en of er passende maatregelen worden getroffen om overlast te beperken. Als de geluidsoverlast de normen overschrijdt, kunnen er maatregelen worden opgelegd. 4.9.2 Onderzoek De geplande ontwikkeling bevindt zich in een gebied waar wonen en andere functies al met elkaar worden gecombineerd. In de omgeving bestaan momenteel al woningen naast agrarische en andere functies, wat aangeeft dat een gemengde invulling van het gebied goed mogelijk is zonder dat dit belemmeringen oplevert.
Er zijn geen bedrijven in de directe omgeving die hinder veroorzaken voor de woningen, en de realisatie van de nieuwe woningen zal op zijn beurt geen nadelige effecten hebben op de bestaande (agrarische) activiteiten in de regio. Wonen en andere functies gaan in dit gebied al in harmonie samen, wat de geschiktheid van de locatie voor deze ontwikkeling onderstreept. De planlocatie ligt in de nabijheid van een recreatiegebied, maar er wordt niet verwacht dat deze recreatieve activiteiten negatieve effecten zullen hebben op de toekomstige woningen. Activiteiten zoals wandelen, fietsen en andere vormen van buitenrecreatie zijn over het algemeen rustig en veroorzaken geen noemenswaardige geluidsoverlast, geur of trillingen die de woonkwaliteit zouden kunnen beïnvloeden. De recreatie in dit gebied heeft een ontspannen karakter, wat geen conflicten oplevert met de rustige, groene woonomgeving die voor de nieuwe woningen zal worden gecreëerd. 63 KUIPER COMPAGNONS Bovendien is de ontwikkeling zorgvuldig ontworpen met voldoende afstand en landschappelijke inpassing, zodat de overgang tussen de woningen en het recreatiegebied op een natuurlijke wijze wordt vormgegeven. Het ontwerp voorziet in een bufferzone, zoals een groene, open ruimte en lage hagen, die ervoor zorgen dat er geen direct visueel of fysiek contact is tussen de woningen en het recreatiegebied.
Dit draagt niet alleen bij aan de beleving van het recreatiegebied, maar versterkt ook de privacy van de toekomstige bewoners, wat de woonkwaliteit ten goede komt. 4.9.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is wat betreft geluid door activiteiten niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd. 4.10 Water en klimaatadaptatie 4.10.1 Kader Op grond van artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet bij een BOPA-vergunning rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij moeten de opvattingen van de beheerder van deze watersystemen worden betrokken. Daarnaast is er een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt een en ander uiteengezet. Europees en rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hadden de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP.
Zij ontwikkelden dit samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstromingsrisicobeheerplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma invulling aan de Europese richtlijnen voor water. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij wordt gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘water’ gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan.
Daarnaast worden de raakvlakken laten zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat Nederland nu en in de toekomst te wachten staat. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Kaderrichtlijn water 64 KUIPER COMPAGNONS De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater.
Zo dienen alle waterlichamen in 2027 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2027 een “goed ecologisch potentieel” (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2027 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. Water en bodem sturend Voldoende en schoon water en een gezonde bodem. Het is van groot belang voor iedereen in ons land. Het kabinet wil bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem. Dat heeft de ministerraad besloten, op voorstel van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Daarom zijn er diverse structurerende keuzes gemaakt. Veel van deze keuzes zijn randvoorwaarden waarmee provincies samen met alle betrokken partijen een gebiedsgerichte aanpak kunnen opstellen. 4.10.11 Onderzoek In het kader van de herontwikkeling van de locatie Noldijk 41 te Ridderkerk is gekeken naar de gevolgen van de ruimtelijke ingreep op de waterhuishouding. Belangrijke aspecten zijn de wijziging van het verhard oppervlak, het bodemprofiel en de omgang met hemelwater. Verhard oppervlakte Bestaande situatie In de huidige situatie bedraagt het totale verharde oppervlak binnen het plangebied 3.451 m?. Dit oppervlak bestaat uit 2.579 m? asfaltverharding, 221 m? elementenverharding en 651 m? bebouwing.
Alle aanwezige verhardingen zijn volledig verhard (100%), waardoor hemelwater nauwelijks kan infiltreren in de bodem en grotendeels oppervlakkig wordt afgevoerd. Soort verharding Oppervlakte (m2) Verhardingspercentage Verhard oppervlak (m2) Asfaslt 2.579 100 2.579 Elementenverharding 221 100 221 Bebouwing 651 100 651 Totaal 3451 Toekomstige situatie Na realisatie van de voorgenomen herontwikkeling bedraagt het totale verharde oppervlak binnen het plangebied 2.044 m?. Dit oppervlak bestaat uit 1.046 m? bebouwing, 848 m? gesloten verharding en 150 m? open verharding. De bebouwing en de verhardingen vormen gezamenlijk het toekomstige verharde oppervlak van het plangebied. Soort oppervlak Oppervlakte (m2) Bebouwing 1.046 Gesloten verharding 848 Open verharding 150 Totaal verhard oppervlak 2.044 Naast het verharde oppervlak wordt binnen het plangebied 578 m? ingericht als tuin- en groenvoorziening. Het totale oppervlak van het plangebied bedraagt 3.575 m?, waarvan 2.044 m? als verhard oppervlak wordt aangemerkt. Hiermee blijft circa 1.531 m? onverhard terrein aanwezig binnen het plangebied. 65 KUIPER COMPAGNONS —_ plangebied tet.
LSA m2 Bebouwing 10e m2 Tena (EEN van 1357) STR m2 (ml Verbarding gesloten Bab m2 Verkarding egen zs0 m2 tataal 26m? Afbeelding 4.10: Verhardingskaart toekomstige situatie Compensatie Het terrein is momenteel volledig geasfalteerd, met voorgenomen ontwikkeling vindt er geen toename, maar juist een afname van het verhard oppervlatke plaats. Hierdoor is compensatie van verhard oppervlak niet van toepassing. Bodem en infiltratie Uit het uitgevoerde bodemonderzoek blijkt dat de bodem bestaat uit afwisselend klei- en zandlagen tot circa 2,3 meter beneden maaiveld, met daaronder een veenlaag. In delen van de bodem zijn bijmengingen van baksteen, grind en andere materialen aangetroffen, wat lokaal de infiltratiecapaciteit kan beïnvloeden. De grondwaterstand varieert tussen circa 0,8 en 1,7 meter onder maaiveld. Dit betekent dat er — buiten de sterk verontreinigde zones — mogelijkheden zijn voor natuurlijke infiltratie van regenwater. Afstroming en hemelwaterbeleid Door de afname van het verhard oppervlak neemt de hoeveelheid afstromend hemelwater af. Dit sluit aan bij het gemeentelijke beleid om klimaatadaptieve maatregelen toe te passen. De toename van groene en halfverharde oppervlakken draagt bij aan het beperken van piekafvoeren bij hevige neerslag en bevordert de lokale waterbalans.
Primaire waterkering Een deel van de werkzaamheden vinden plaats binnen de kern- en beschermingszone van de primaire waterkering, waardoor voor dat deel extra voorwaarden gelden. De nieuwe funderingen wordt hier trilingsarm aangebracht; dit dient expliciet vermeld te worden bij de vergunningaanvraag, inclusief dwarsdoorsnede tekeningen. Leiding en riool De ontwikkeling betreft de realisatie van reguliere woningbouw en voorziet in de aanleg van een nieuw gescheiden rioolstelsel voor vuilwater en hemelwater. Voor de afvoer van afvalwater wordt een nieuw hoofdriool aangelegd (PVC {250 mm, SN8, bruin), dat wordt aangesloten op de bestaande pompput TP26. Alle woningen krijgen een eigen aansluiting op deze hoofdleiding, waarbij op de erfgrenzen erfafscheidingsputjes 66 KUIPER COMPAGNONS worden aangebracht. Het vuilwater wordt hiermee afgevoerd naar het bestaande gemeentelijke rioleringsstelsel. De toename van de vuilwaterbelasting als gevolg van de ontwikkeling is beperkt en kan binnen de beschikbare capaciteit van het bestaande rioolstelsel worden opgevangen. Er worden daarom geen knelpunten verwacht binnen de afvalwaterketen. Voor de afvoer en verwerking van hemelwater wordt een afzonderlijk hemelwatersysteem aangelegd in de vorm van een IT-rioleringssysteem (d250/315 mm). Het hemelwater van de woningen en de terreinverharding wordt hierop aangesloten.
Het systeem zorgt voor tijdelijke berging en infiltratie van hemelwater in de bodem en voorziet, via een overstortvoorziening, in een vertraagde afvoer naar het aangrenzende oppervlaktewater. Hiermee wordt het hemelwater op een duurzame wijze verwerkt en wordt de belasting op het gemeentelijke rioolstelsel beperkt. Het toekomstige rioolstelsel wordt conform het inrichtingsplan uitgevoerd en voorzien van noodzakelijke controleputten en beheer- en onderhoudsvoorzieningen. Waterveiligheid Uit de analyse van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond volgt dat ter plaatse van het plangebied sprake kan zijn van wateroverlast bij extreme neerslag en in geval van overstromingen. Dit hangt samen met klimaatverandering, waarbij vaker sprake is van piekbuien en een toenemende belasting van het watersysteem. Wateroverlast kan leiden tot schade aan gebouwen en installaties en kan tevens de zelfredzaamheid van bewoners en de bereikbaarheid van hulpdiensten negatief beïnvloeden. In het kader is het van belang om rekening te houden met klimaatadaptieve maatregelen. Binnen het plan wordt hier invulling aan gegeven door een klimaatbestendige inrichting van het terrein, waarbij water zoveel mogelijk wordt vastgehouden en vertraagd wordt afgevoerd. 4.10.3 Conclusie Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de bestaande waterhuishouding.
In het kader van het vooroverleg wordt een concept van de BOPA aan het Waterschap Hollandse Delta voorgelegd. 4.11 Natuur en ecologie 4.11.1 Kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen die gericht zijn op twee hoofdthema’s: bescherming van natuurgebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van plant- en diersoorten (soortenbescherming). Gebiedsbescherming Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden, dat in Nederland wordt beschermd op basis van de Omgevingswet. Deze wet biedt een juridisch kader om de aangewezen beschermde gebieden te waarborgen. De bescherming is gericht op het behouden en, waar nodig, herstellen van de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en andere planten- en diersoorten. Naast de wettelijke bescherming van Natura 2000-gebieden, heeft Nederland ook andere gebieden planologisch beschermd. Dit omvat onder andere weidevogelgebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De bescherming van het NNN wordt geregeld door de toetsing van beschermingsplannen en omgevingsvergunningen aan het NNN-beleid. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden, dat door de verbinding van natuurgebieden de verspreiding van planten en dieren over een groter gebied vergemakkelijkt.
De bescherming van het NNN, zoals vastgelegd in artikel 7.8, lid 2, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), houdt in dat er geen activiteiten mogen plaatsvinden die schadelijk zijn voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN, of die de omvang, samenhang of de waarde van het netwerk verminderen. Soortenbescherming De Omgevingswet beschermt vele dier- en plantsoorten, met een focus op soorten van Europees belang die vallen onder de Vogel- en Habitatrichtlijn, evenals op soorten van nationaal belang. Deze bescherming geldt zowel binnen als buiten het Natuurnetwerk Nederland. De bescherming kan vorm krijgen door wet- en regelgeving, maar ook door fysieke maatregelen die de bescherming, vestiging of uitbreiding van 67 KUIPER COMPAGNONS soortenpopulaties bevorderen. Volgens artikel 2.18, lid 1, sub f van de Omgevingswet zijn de provincies in principe verantwoordelijk voor deze bescherming. 4.11.2 Onderzoek Soortenbescherming Door Groenteam is in september 2025 een ecologische quickscan uitgevoerd, deze is in bijlage 3 toegevoegd. Voor de planlocatie is een toetsing uitgevoerd op basis van de meest actuele gegevens uit de Nederlandse Databank Flora & Fauna (NDFF) en een aanvullende habitatbeoordeling ter plaatse.
Het doel van het onderzoek was om te bepalen of juridische beschermde soorten aanwezig zijn of kunnen worden verwacht en of aanvullende inventarisatie of vergunningverlening noodzakelijk is. De locatie bestaat voornamelijk uit bebouwing en verharding met beperkt tuinbegroeiing. Het terrein ligt aan de rand van Ridderkerk, nabij het Waaltje. Vaatplanten Beschermde soorten zoals Kartuizer anjer en Knolspirea zijn in de omgeving aangetroffen, maar het terrein biedt geen geschikte groeiplaatsen. Conclusie: beschermde vaatplanten kunnen worden uitgesloten. Zoogdieren e Grondgebonden soorten: Bever en Noordse woelmuis zijn in de regio geregistreerd, maar het werkgebied biedt geen geschikt leefgebied. Steenmarter wordt nog als mogelijkheid genoemd, maar verblijfplaatsen zijn niet aangetroffen. e Vrijgestelde soorten: muizen, egel, vos en konijn kunnen voorkomen. Hiervoor geldt de specifieke zorgplicht. e Vleermuizen: meerdere soorten komen in de regio voor. Gebouwen en bomen zijn onderzocht; er zijn geen sporen van verblijfplaatsen gevonden. Mogelijk foerageren vleermuizen in het omliggende park, waarvoor lichtverstoring en obstakels vermeden moeten worden. Conclusie: verblijfplaatsen zijn uitgesloten, foerageerfuncties vergen zorgvuldigheid. Broedvogels Jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4) zijn op de locatie uitgesloten.
Algemene broedvogels kunnen in bomen en struiken voorkomen. Conclusie: werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen (1 maart — eind augustus) plaatsvinden, of vooraf gecontroleerd worden. Amfibieën en reptielen Binnen het uurhok zijn geen beschermde soorten geregistreerd. Algemene soorten zoals gewone pad of kleine watersalamander kunnen incidenteel aanwezig zijn. Conclusie: enkel de zorgplicht is van toepassing. Reptielen kunnen worden uitgesloten. Vissen Beschermde vissoorten ontbreken in het gebied. Conclusie: uitgesloten. Ongewervelden Alleen de vlinder Grote vos is in de regio geregistreerd. Geschikte waardplanten ontbreken op de locatie. Conclusie: uitgesloten. Habitatinspectie ter plaatse De inspectie (september 2025) wees uit dat: e De gebouwen geen verblijfplaatsen voor vleermuizen of steenmarter bevatten. e Geen sporen van beschermde soorten aanwezig zijn. e Algemene broedvogels in struiken en bomen in de omgeving kunnen nestelen. e Mogelijk incidenteel kleine zoogdieren of amfibieën aanwezig zijn. Gebiedsbescherming Voor de ontwikkeling van de Wevershoeven aan de Noldijk 41, waarbij een bestaande boerderij wordt gerenoveerd tot woningen en vijf nieuwbouwwoningen worden gerealiseerd, zijn twee AERIUS-berekeningen 68 KUIPER COMPAGNONS uitgevoerd: één voor de realisatiefase en één voor de gebruiksfase. Beide berekeningen zijn opgesteld door Herkon B.V.
en uitgevoerd op 24 juli 2025. De berekeningen zijn in bijlage 4 en 5 toegevoegd. Tijdens de realisatiefase wordt stikstofuitstoot veroorzaakt door diverse bouwactiviteiten. Mobiele werktuigen zoals graafmachines, heistellingen, torenkranen en verreikers, allemaal draaiend op dieselmotoren met SCR- technologie, dragen bij aan de emissie van stikstofdioxiden (NO) en ammoniak (NH3). Daarnaast is er uitstoot door stationair draaiende vrachtwagens en rijdend verkeer rondom de bouwlocatie. Ondanks deze bronnen van uitstoot blijkt uit de berekening dat er geen significante toename of afname van stikstofdepositie plaatsvindt op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. In de gebruiksfase, wanneer de woningen in gebruik zijn genomen, is de stikstofuitstoot voornamelijk afkomstig van verkeer in en rondom het projectgebied. De woningen zelf veroorzaken geen directe emissie. Net als in de realisatiefase toont de berekening aan dat er geen merkbare impact is op Natura 2000-gebieden. Er zijn geen gebieden met toename of afname van stikstofdepositie en ook hier zijn geen resultaten bij saldering of referentie beschikbaar. Houtoptanden Binnen het plangebied wordt mogelijk ten behoeve van het plan opgaand groen verwijderd. De exacte hoeveelheden en welke bomen worden gekapt zijn nog niet duidelijk.
Voor de effectbepaling wordt uitgegaan van een algehele verwijdering van het groen in het plangebied. In het plangebied staan diverse bomen waaronder enkele lagere en enkele hoge bomen zoals de coniferen langs de bebouwing. Er is sprake van beschermde houtopstanden in het kader van de Omgevingswet indien: . de houtopstand buiten de ‘bebouwingscontour houtkap’ ligt, en e de houtopstand groter is dan 10 are (1.000 m2) of het om bomen gaat in een rijbeplanting van meer dan 20 bomen. Op basis van de ligging binnen de bebouwingscontour houtkap kan geconcludeerd worden dat het beschermingsregime van de Omgevingswet ten aanzien van houtopstanden niet geldt. Vervolgstappen in het kader van de Omgevingswet zijn zodoende niet aan de orde. Vanuit gemeentelijk beleid ten aanzien van bomenkap zijn wel vervolgstappen aan de orde. De gemeente Ridderkerk geeft aan dat bomen zonder vergunning gekapt mogen worden als deze niet op de ‘Groene kaart! (Gemeente Ridderkerk, 2023) staan. De (mogelijk) te kappen bomen binnen het plangebied staan niet in deze lijst vermeld als monumentale boom, maar staan wel in de groene zone. Hiervoor dient dus een kapvergunning te worden aangevraagd. 4.11.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is wat betreft natuur en ecologie niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
Wel geldt dat bij de werkzaamheden rekening moet worden gehouden met de wettelijke zorgplicht ten aanzien van algemene soorten en broedende vogels. Daarnaast dienen mogelijke effecten op foeragerende vleermuizen, met name lichtverstoring en fysieke obstakels langs bestaande groenstructuren, te worden voorkomen. 4.12 Landschap, cultuurhistorie en archeologie 4.12.1 Kader Landschap Onder de Omgevingswet zijn instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in paragraaf 5.1.5: ‘Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed’. Daarnaast zijn er beleidskaders vastgelegd. Op basis van deze documenten is een beschermingsregime opgenomen voor het behoud en versterken van kenmerkende landschapsstructuren en cultureel erfgoed. Rijksbeleid De Erfgoedwet is deels opgegaan in de Omgevingswet: onder andere onderdelen uit de Monumentenwet 1988 die in het overgangsrecht van de Erfgoedwet waren opgenomen. Daarbij blijven de bevoegdheden en beschermingsniveaus in grote lijnen gehandhaafd. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit 69 KUIPER COMPAGNONS staat in de Erfgoedwet, de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.
Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld in de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn regels opgenomen voor de bescherming van rijksmonumenten en archeologische monumenten. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn regels over het bouwen, verbouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken opgenomen. Cultuurhistorische waardenkaart buitengebied Ridderkerk 2022 De Wevershoeve is gelegen binnen het cultuurhistorisch waardevolle gebied Wevershoek, dat in de Cultuurhistorische waardenkaart buitengebied Ridderkerk (Dorp, Stad & Land, 2022) is aangemerkt als een gebied met een hoge cultuurhistorische waarde. De oorsprong van dit gebied hangt samen met de afdamming van de Waal in de 14e eeuw, waarbij de Noldijk als secundaire waterkering ontstond. De huidige ruimtelijke structuur wordt gekenmerkt door een historisch dijklint met bijbehorende erven, boerderijen en ondersteunende landschapselementen. Tot de kenmerkende elementen behoren onder meer historische bebouwing, erven, sloten, boerderijplaatsen en buitendijkse gronden.
Ook de aanwezigheid van groene voortuinen langs de dijk maakt onderdeel uit van het karakteristieke beeld. De Wevershoek wordt beschreven als een buurtschap in de bocht van de Waal, gelegen tegenover Strevelshoek. De naam ‘Nol’ verwijst hierbij naar een landschappelijke hoogte, zoals een rivierduin, oeverwal of dijkrestant. Het buurtschap bevindt zich op een historisch kruispunt van infrastructuur, waar de Noldijk samenkomt met onder andere de Gebroken Meeldijk. Deze kruising wordt ruimtelijk gemarkeerd door de aanwezigheid van de Wevershoeve, die daarmee een beeldbepalende positie inneemt. Langs de buitendijkse zijde van de dijk is sprake van gevarieerde bebouwing, variërend van eenvoudige arbeiderswoningen tot meer vrijstaande woningen. De groenstructuur langs de dijk, bestaande uit private voortuinen en opgaand groen, draagt sterk bij aan de landschappelijke kwaliteit en het karakter van het gebied. Aan de polderzijde zijn open agrarische percelen aanwezig, vaak begrensd door sloten en beplanting.
De cultuurhistorische waarde van het gebied wordt onderbouwd vanuit drie hoofdaspecten: e _Ontstaansgeschiedenis: de directe relatie met de ontginnings- en waterstaatkundige ontwikkeling van Ridderkerk; e Samenhang en context: de ruimtelijke relatie tussen dijk, bebouwing en landschap; e Zichtbaarheid: de mate waarin deze historische structuren nog herkenbaar en beleefbaar zijn in het huidige landschap. De waarde van de Wevershoek en daarmee van de Wevershoeve, ligt in de sterke samenhang tussen deze elementen en de bijdrage ervan aan het groene, landelijke karakter van het gebied. Ondanks veranderingen in de tijd is deze structuur nog grotendeels leesbaar en vormt zij een belangrijke drager van de ruimtelijke kwaliteit. 4.12.2 Onderzoek Cultuurhistorie De Wevershoeve is een rijksmonumentale boerderij uit de eerste helft van de 18e eeuw, gelegen aan de Noldijk 41 in Ridderkerk, nabij de grens met Barendrecht. Oorspronkelijk diende het pand als vlasserij en gemengd agrarisch bedrijf met rundvee voor zuivelproductie. Sinds de tweede helft van de 20e eeuw is De Wevershoeve in gebruik als restaurant, waarvoor een moderne aanbouw werd geplaatst en het interieur werd aangepast. Het exterieur, met name de kozijnen, luiken en rijkversierde deur, wordt als cultuurhistorisch waardevol beschouwd. In 1971 werd het pand opgenomen in het rijksmonumentenregister.
Cultuur- en bouwhistorisch onderzoek, 2024 In 2024 heeft Coup een cultuur- en bouwhistorisch onderzoek uitgevoerd naar De Wevershoeve (zie bijlage 6 voor het volledige rapport). Uit dit onderzoek blijkt dat De Wevershoeve een bijzondere historische boerderij is binnen de gemeente Ridderkerk. Echter, door de herbestemming en bijbehorende verbouwingen in de jaren ’70 70 KUIPER COMPAGNONS en ’80 van de vorige eeuw zijn de oorspronkelijke waarden van het gebouw aanzienlijk afgenomen. Met name de wijzigingen in het interieur hielden nauwelijks rekening met de historische betekenis van de boerderij. Hoewel het exterieur grotendeels behouden is gebleven, hebben ook hier aanpassingen plaatsgevonden die de cultuurhistorische waarde hebben aangetast. Dit geldt met name voor de zuidoostelijke gevel, waar in eerste instantie nieuwe deuren en ramen zijn geplaatst en later een grote moderne aanbouw is toegevoegd. De historische uitstraling en gevelindeling van de noordwestelijke zijde, langs de Noldijk 41, zijn daarentegen beter bewaard gebleven, met slechts enkele kleinere, ondergeschikte wijzigingen. De waarde van de Wevershoeve ligt voornamelijk in haar lange bestaansgeschiedenis als 18e-eeuwse boerderij in Ridderkerk en de behouden historische uitstraling van het exterieur, met name aan de noordwestelijke gevel.
Daarnaast heeft de ligging aan de Wevershoek en nabij het Waaltje een belangrijke situationele en ensemblewaarde, doordat deze locatie historisch verbonden is met de oorspronkelijke functie als vlasserij, waarbij nabijheid van water essentieel was. Deze historische verbondenheid strekt zich uit tot het perceel aan de overzijde van de weg, waar zich in het verleden een zogenaamde vlassersstelling bevond. Uit het rapport van Henk Jan Derksen (Sterrebos Erfgoedadvies, 2026) blijkt dat deze vlassersstelling, gelegen op het perceel met het huidige adres Gebroken Meeldijk 1,onderdeel was van een samenhangend ensemble van functies die gericht waren op de verwerking van vlas. De aanwezigheid van onder meer een huis, schuur, zwingelkeet, drooghuis en droogput onderstreept het belang van deze locatie binnen de historische vlasteelt. Hoewel op het erf van de Wevershoeve zelf nauwelijks nog fysieke resten van deze functie aanwezig zijn, is de relatie met de vlasteelt nog indirect herkenbaar, onder andere in bouwsporen in de gevel. Belangrijker nog is de ruimtelijke samenhang met het tegenovergelegen perceel, die nog steeds afleesbaar is in de structuur van het gebied.
Deze samenhang komt onder meer tot uitdrukking in de ligging van een historisch toegangshek recht tegenover de oorspronkelijke inrijdeuren van de boerderij, waarmee een functionele en visuele relatie tussen beide percelen is behouden. De Wevershoeve moet dan ook niet uitsluitend worden gezien als een individueel monument, maar als onderdeel van een groter cultuurhistorisch ensemble, waarin bebouwing, erven, infrastructuur en water een samenhangend geheel vormen. Deze ensemblewaarde — in combinatie met de historische gelaagdheid — maakt de locatie bijzonder waardevol binnen het buitengebied van Ridderkerk. Ondanks de afname van historische waarden in de afgelopen 50 jaar blijft De Wevershoeve een waardevol Rijksmonument. De historische architectuur en de lange bestaansgeschiedenis maken het nog altijd een betekenisvol gebouw binnen de gemeente Ridderkerk. De waarde van de Wevershoeve ligt daarbij niet alleen in de hoofdvorm en uitstraling van het gebouw, maar ook in specifieke historische elementen die samenhangen met het oorspronkelijke gebruik en de situering in het landschap. In dit verband is van belang dat zich tot in de jaren ‘70 in de gevel aan de dijkzijde van de boerderij een grote dubbele inrijdeur bevond. Deze deur was functioneel verbonden met het tegenovergelegen perceel en vormde een belangrijk onderdeel van de oorspronkelijke erfstructuur.
nT Afbeelding 4.12 tekening van de grote dubbele deur uit de jaren 70 De ligging van deze dubbele deur correspondeerde met een toegangshek aan de overzijde van de weg, zoals ook beschreven in eerdere analyses van de cultuurhistorische samenhang. Hiermee bestond een duidelijke visuele 71 KUIPER COMPAGNONS en functionele relatie tussen het erf van de Wevershoeve en het tegenovergelegen perceel, dat onderdeel uitmaakte van hetzelfde historische ensemble. Deze relatie onderstreept de betekenis van de Wevershoeve als onderdeel van een groter ruimtelijk systeem, waarin bebouwing, infrastructuur en gebruik met elkaar verweven waren. Dat deze dubbele deur daadwerkelijk aanwezig was, wordt bevestigd door historisch beeldmateriaal. Op een aquarel uit oktober 1934 van de Rotterdamse architect Johannes (Jan) Verheul Dzn. is de boerderij aan de Noldijk duidelijk afgebeeld, waarbij de dubbele deuren zichtbaar zijn in de gevel aan de dijkzijde. Gezien de achtergrond van Verheul als architect mag worden aangenomen dat deze weergave een betrouwbare en nauwkeurige weergave is van de situatie in die periode. Hoewel deze deuren in de loop der tijd zijn verdwenen, vormt dit element een belangrijk onderdeel van de historische leesbaarheid van het gebouw en zijn relatie tot de omgeving.
De dubbele deur zal worden meegenomen in het ontwerp voor de herontwikkeling en op passende wijze worden teruggebracht. In het voorliggende ontwerp van de Wevershoeve is nadrukkelijk rekening gehouden met de cultuurhistorische en architectonische waarden van het rijksmonument. De herontwikkeling laat de bestaande draagconstructie intact, waardoor de historische kapconstructie behouden blijft. De gevel aan de Noldijk 41 en de westelijke kopgevel blijven zo goed als onaangetast, wat in lijn is met de hoge monumentale waarde van deze gevels. Door de latere aanbouwen aan de achterzijde te verwijderen, wordt de oorspronkelijke hoofdvorm van de boerderij hersteld. Dit draagt bij aan het behoud van de historische architectuur en zorgt ervoor dat de boerderij haar oorspronkelijke uitstraling en monumentaliteit behoudt, zoals passend is bij een rijksmonument. De achtergevel is vormgegeven met in het rieten dak geïntegreerde gevelopeningen. Door deze zorgvuldig in de dakvorm op te nemen ontstaat voldoende daglicht en uitzicht voor de woningen, zonder afbreuk te doen aan de karakteristieke kapvorm en de monumentale uitstraling van het gebouw. Deze ingreep contrasteert met de historische architectuur, maar versterkt tegelijkertijd de hoofdvorm van de boerderij, waardoor het exterieur herkenbaar blijft als historisch agrarisch gebouw.
Extra daklichten worden uitsluitend aan de achterzijde geplaatst, zodat het aanzicht vanaf de Noldijk 41 authentiek blijft. Daarnaast wordt in de uitwerking van het interieur nadrukkelijk ingezet op het behoud en zichtbaar maken van de historische draagconstructie. De houten balken en spanten van het gebouw worden zoveel mogelijk in het zicht gelaten binnen de nieuwe woningen. Dit volgt het advies van Henk Jan Derksen (Sterrebos Erfgoedadvies, 2026), waarin expliciet wordt gesteld dat het wegwerken van deze constructieve elementen leidt tot verlies van belevingswaarde en ertoe kan leiden dat de woningen als reguliere nieuwbouwwoningen worden ervaren. Door de spanten en ankerbalkgebinten zichtbaar te houden en deze te integreren in de woningscheidende structuur, blijft in iedere woning een deel van de oorspronkelijke constructie beleefbaar. Hiermee wordt niet alleen de fysieke structuur behouden, maar ook de ruimtelijke en historische gelaagdheid van het gebouw zichtbaar gemaakt. Dit draagt bij aan de herkenbaarheid van de voormalige agrarische functie en versterkt de cultuurhistorische waarde van de Wevershoeve als geheel. Advies voor aanpassing van de plannen voor herontwikkeling, met cultuurhistorie als inspiratiebron Sterrebos Erfgoedadvies heeft advies uitgebracht over de benodigde aanpassingen van de plannen, met inachtneming ingekomen opmerkingen van instanties.
Dit advies is in bijlage 8 toegevoegd. De Wevershoeve aan de Noldijk 41 in Rijsoord is een rijksmonumentale boerderij uit het midden van de achttiende eeuw, gelegen in het historische dijklandschap van de Wevershoek langs het Waaltje. De boerderij kent een lange en gelaagde geschiedenis: oorspronkelijk was zij in gebruik als agrarisch bedrijf, met een belangrijke rol in de vlasteelt en veehouderij. Na het beëindigen van het agrarisch gebruik in 1964 volgden diverse functiewijzigingen, waaronder wonen en later horeca en partycentrum. Door ingrijpende verbouwingen in de loop van de twintigste eeuw is een groot deel van het oorspronkelijke interieur verdwenen, maar de hoofdvorm, de gevels en met name de rieten kap en de constructieve spanten dragen nog steeds een duidelijke cultuurhistorische waarde. Sinds eind 2024 staat de boerderij leeg. 72 KUIPER COMPAGNONS De huidige eigenaar, projectontwikkelaar Herkon BV, heeft samen met KuiperCompagnons plannen ontwikkeld om de Wevershoeve te herbestemmen naar wonen. Het voorliggende plan voorziet in acht woningen binnen het monumentale gebouw en vijf nieuwe woningen op het achtererf, vormgegeven als zogenaamde schuurwoningen.
Omdat het hier gaat om een rijksmonument en een cultuurhistorisch waardevolle omgeving, is Sterrebos Erfgoedadvies gevraagd om een inhoudelijk advies te geven over noodzakelijke aanpassingen aan het ontwerp, met de cultuurhistorische waarden als vertrekpunt. De Wevershoeve maakt deel uit van een historisch dijklint, waar kleinschalige bebouwing, doorzichten naar het achterliggende landschap en een duidelijke hiërarchie tussen hoofdgebouw en bijgebouwen kenmerkend zijn. De boerderij markeert bovendien een belangrijke plek in het landschap, op de kruising van Noldijk 41 en Gebroken Meeldijk. Gemeentelijk beleid en de cultuurhistorische waardenkaart van Ridderkerk erkennen deze hoge landschappelijke en historische waarde en vragen bij nieuwe ontwikkelingen om respect, maatwerk en inspiratie vanuit de geschiedenis. Het advies benadrukt dat de herbestemming geen restauratie naar een vermeende oorspronkelijke staat moet zijn, maar een zorgvuldige toevoeging van een nieuwe tijdlaag. Daarbij moet de historische gelaagdheid leesbaar blijven en mogen nieuwe ingrepen het monumentale karakter niet overheersen. Voor de Wevershoeve betekent dit dat de boerderij herkenbaar moet blijven als agrarisch hoofdgebouw, met een ondergeschikte positie voor nieuwe bebouwing op het erf.
In de beoordeling van de huidige plannen wordt geconcludeerd dat er positieve stappen zijn gezet, maar dat het ontwerp in meerdere opzichten tekortschiet. Met name de zuidoostgevel van de boerderij (aan het achtererf) is te sterk getransformeerd tot een moderne woongevel met grote glaspuien, waardoor het karakter van een langgerekte schuurboerderij verloren dreigt te gaan. Ook de voorgestelde grote risalieten en het hoge aantal dakopeningen verstoren de rustige horizontale werking van het rieten dak. Het advies pleit daarom voor het sterker benutten van bestaande muuropeningen, behoud van oud metselwerk en het beperken en verfijnen van nieuwe ingrepen in het dak. Daarnaast wordt aandacht gevraagd voor verdergaand bouwhistorisch onderzoek. De huidige kennis over de bouwgeschiedenis en ouderdom van constructies, gevels en materialen is beperkt, terwijl juist daar aanwijzingen liggen voor een gefaseerde ontwikkeling van het gebouw. Aanvullend onderzoek kan niet alleen bijdragen aan betere ontwerpkeuzes, maar ook vertraging tijdens de uitvoering voorkomen. Voor het interieur geldt dat ondanks eerdere verbouwingen met name de houten spantconstructies nog een belangrijke drager van historische beleving zijn. Het advies is om deze spanten zichtbaar te houden binnen de nieuwe woningen, zodat de agrarische oorsprong ook inwendig beleefbaar blijft.
Het volledig wegwerken van deze constructies zou de woningen reduceren tot generieke nieuwbouw en doet geen recht aan het monument. De nieuw te bouwen schuurwoningen op het erf worden in principe passend geacht bij de historische situatie, omdat er van oudsher meerdere bijgebouwen op het erf aanwezig waren. Wel wordt benadrukt dat deze nieuwbouw volumetrisch en hiërarchisch duidelijk ondergeschikt moet zijn aan de boerderij. In het huidige ontwerp zijn de schuurwoningen te groot en te hoog, waardoor zij concurreren met het monument. Geadviseerd wordt om ze lager uit te voeren, eenvoudiger van vorm te houden en sterker aan te sluiten bij streekeigen schuurtypologieën in materiaalgebruik, schaal en detaillering. Ook de inrichting van het erf vraagt verbetering. Er is nu te veel nadruk op verharding en parkeren, terwijl een groen, informeel erf met hagen, boomgaardachtige beplanting en beperkte verlichting beter past bij het dijklandschap. Parkeren moet zo veel mogelijk uit het zicht blijven en het collectieve erf dient meer verblijfswaarde te krijgen. Er wordt geconcludeerd dat het plan in hoofdlijnen aansluit bij de denkrichting van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, maar dat belangrijke onderdelen, met name gevelindelingen, dakvormen, bouwhoogte van de nieuwbouw en zichtbaarheid van historische constructies, nog moeten worden aangepast.
Met gerichte verbeteringen kan uiteindelijk een haalbaar en kwalitatief hoogwaardig plan ontstaan, waarin de Wevershoeve niet wordt overvleugeld door nieuwbouw, maar juist haar historische betekenis behoudt en versterkt in een nieuwe woonfunctie. Archeologie 73 KUIPER COMPAGNONS Het plangebied maakt deel uit van een archeologisch kansrijk gebied. Op de Archeologische Waarden- en Beleidskaart Riderkerk (2013) die is gekoppeld aan de Archeologieverordening Ridderkerk (2013), nu opgenomen in het Omgevingsplan Ridderkerk (2024), wordt aan de locatie een redelijk tot hoge archeologische verwachting toegekend. Conform de AWK dient de noodzaak voor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek te worden getoetst bij grondroerende werkzaamheden (inclusief heien) die dieper reiken dan 1,5 meter beneden maaiveld en die tevens een oppervlakte van meer dan 100, respectievelijk 200 vierkante meter beslaan. De strengere marge betreft een zone grenzend aan de dijk. De toegestane marges van diepte en oppervlakte worden beiden overschreden. De afdeling Archeologie van de gemeente Rotterdam (Archeologie Rotterdam) heeft beoordeeld dat een archeologisch onderzoek voor deze planlocatie noodzakelijk is. Archeologie Rotterdam adviseert om in het plangebied een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen (verkennende en karterende fasen) uit te voeren.
Ten behoeve van de voorgenomen herontwikkeling van de percelen aan de Noldijk 41 te Ridderkerk is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, dit onderzoek is in bijlage 13 toegevoegd. De ontwikkeling bestaat uit de transformatie van de monumentale boerderij naar woningen en de realisatie van nieuwe woningen op het achterterrein. Uit het bureauonderzoek blijkt dat voor het plangebied een lage archeologische verwachting geldt voor resten uit het Laat-Paleolithicum tot en met de Midden-IJzertijd, een middelhoge verwachting voor resten uit de Late IJzertijd tot en met de Vroege Middeleeuwen en een hoge verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. Deze verwachting hangt samen met de ligging langs de historische Noldijk en de bekende bewoningsgeschiedenis van het gebied. Op basis van het bureauonderzoek kan de bodemopbouw en de mate van verstoring niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld, Daarom adviseert Rubicon Erfgoed de archeologische verwachting door middel van een verkennend booronderzoek te toetsen. Dit onderzoek moet inzicht geven in de bodemopbouw, de intactheid van archeologisch relevante lagen en de eventuele aanwezigheid, aard, omvang, datering en kwaliteit van archeologische resten. Het booronderzoek dient te worden uitgevoerd conform het door Archeologie Rotterdam (BOOR) opgestelde Programma van Eisen.