CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

BOPA-onderbouwing 2e deel - vanaf pagina 40

Gemeenteraad RK 15 oktober 2026, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 8: Onderbouwing BOPA Noldijk 41 (Wevershoeve)20.286 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

landschap worden gezien als dragers van de identiteit van Ridderkerk. Ontwikkelingen dienen zorgvuldig te worden ingepast en mogen geen afbreuk doen aan deze structuren, maar moeten deze juist versterken. De visie benadrukt daarbij dat ruimte schaars is en zorgvuldig moet worden benut. Initiatieven die leiden tot aantasting van het open landschap of karakteristieke lintstructuren worden nadrukkelijk onwenselijk geacht. Groen-blauwe oase als structurerend principe Binnen de kernwaarde groen-blauwe oase ligt de nadruk op het versterken van het samenhangende netwerk van groen- en waterstructuren in en rondom de gemeente. Dit netwerk vervult meerdere functies: het vormt een buffer tegen verstedelijking, draagt bij aan biodiversiteit en klimaatadaptatie en versterkt de recreatieve kwaliteit van de leefomgeving. De visie zet in op: e _hetbeter verbinden van bestaande groengebieden; e het vergroten van de toegankelijkheid en beleefbaarheid van deze gebieden; e het versterken van de relatie tussen bebouwing en landschap. Nieuwe ontwikkelingen dienen dit netwerk niet te verstoren, maar waar mogelijk juist te versterken, bijvoorbeeld door vergroening van erven, het verminderen van verharding en het verbeteren van landschappelijke overgangen.

Sterke wijken en passend woningaanbod Binnen de kernwaarde sterke wijken, goed verbonden staat het behoud van de eigen identiteit van wijken en linten centraal. Ridderkerk bestaat uit verschillende gebieden met een eigen karakter, zoals dijkdorpen en wijken die historisch zijn gegroeid. Ontwikkelingen moeten aansluiten bij deze identiteit en schaal. Daarnaast wordt ingezet op: e diversiteit in woonvormen en woningtypen; e ontmoeting en sociale cohesie; e een aantrekkelijke en functionele openbare ruimte. Kleinschalige, gebiedseigen ontwikkelingen die bijdragen aan differentiatie in het woningaanbod passen binnen deze doelstelling. “Ja, mits”: ruimte voor initiatieven met voorwaarden De omgevingsvisie hanteert expliciet het principe “ja, mits”. Dit betekent dat ontwikkelingen in beginsel mogelijk zijn, mits zij voldoen aan de randvoorwaarden vanuit de kernwaarden en bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Daarbij worden initiatieven integraal beoordeeld, onder andere op: e landschappelijke inpassing; e _cultuurhistorische waarde; e _ bijdrage aan ruimtelijke kwaliteit; e effecten op leefbaarheid en gebruikswaarde. Deze benadering biedt ruimte voor maatwerk, maar vereist tegelijkertijd een zorgvuldige en goed gemotiveerde afweging. Samenwerking en uitvoering Tot slot benadrukt de omgevingsvisie dat het realiseren van deze ambities een gezamenlijke opgave is.

De gemeente werkt daarbij samen met bewoners, initiatiefnemers en andere partijen. De visie is gekoppeld aan een dynamisch uitvoeringsprogramma, waarin projecten en acties worden benoemd en periodiek worden geactualiseerd. Hiermee fungeert de omgevingsvisie niet alleen als beleidskader, maar ook als praktisch instrument voor het sturen op kwaliteit bij concrete ontwikkelingen. 40 KUIPER COMPAGNONS 3.4.1.2 Toetsing van het bouwplan aan de Omgevingsvisie Ridderkerk De voorgenomen ontwikkeling aan de Noldijk 41 kan worden beoordeeld als passend binnen de Omgevingsvisie Ridderkerk 2035. De ontwikkeling sluit aan bij de kernwaarden en uitgangspunten van de visie, met name waar het gaat om het behoud van identiteit, zorgvuldig ruimtegebruik en het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Behoud en versterking van cultuurhistorische identiteit Een belangrijk uitgangspunt van de omgevingsvisie is het koesteren van cultuurhistorische structuren en karakteristieke bebouwing als dragers van de identiteit van Ridderkerk. De herbestemming van de Wevershoeve als rijksmonument sluit hier direct op aan. Door de boerderij te behouden, zorgvuldig te restaureren en een nieuwe functie te geven, wordt leegstand en verval voorkomen en blijft een beeldbepalend element van het dijklint behouden.

De ontwikkeling draagt daarmee bij aan het veiligstellen en versterken van de cultuurhistorische kwaliteit van het gebied, hetgeen expliciet aansluit bij de visie om bestaande kwaliteiten te behouden en te versterken. Zorgvuldig ruimtegebruik en duurzame herbestemming De omgevingsvisie zet in op zorgvuldig omgaan met de schaarse ruimte en het benutten van bestaande bebouwing. De herontwikkeling van een bestaand erf, zonder uitbreiding in het open landschap, past binnen deze benadering. Door hergebruik van het monument en het transformeren van het bestaande erf wordt invulling gegeven aan duurzaam ruimtegebruik. De ontwikkeling voorkomt nieuwe verstedelijking in het buitengebied en draagt bij aan een toekomstbestendige invulling van een bestaande locatie. Groen-blauwe oase: behoud en versterking van landschappelijke kwaliteit Binnen de kernwaarde groen-blauwe oase staat het versterken van het groen-blauwe netwerk en het behouden van het open landschap centraal. De ontwikkeling leidt niet tot aantasting van deze structuren, maar draagt juist bij aan een kwaliteitsverbetering op erfniveau. Door het verwijderen van verharding en verrommeling, het toevoegen van streekeigen beplanting en het versterken van de landschappelijke inrichting ontstaat een samenhangender en groener erf. Tegelijkertijd blijven de omliggende groen- en waterstructuren onaangetast.

De overgang tussen privé en openbaar wordt bewust duidelijk begrensd met groene erfafscheidingen. Daarmee wordt de openbaarheid en beleefbaarheid van het aangrenzende recreatiegebied geborgd en wordt voorkomen dat het openbare gebied geleidelijk privatiseert. Dit sluit aan bij de doelstelling om de recreatieve en landschappelijke kwaliteit van het groen-blauwe netwerk te behouden. Sterke wijken en passende, gebiedseigen ontwikkeling De omgevingsvisie benadrukt het belang van ontwikkelingen die aansluiten bij de identiteit en schaal van hun omgeving. De herontwikkeling van de Wevershoeve betreft een kleinschalig initiatief binnen een bestaand erf, passend bij het karakter van het dijklint. De ontwikkeling draagt bij aan een gevarieerd woningaanbod en ondersteunt daarmee de doelstelling van differentiatie in woonvormen. Tegelijkertijd blijft de opzet van het erf ondergeschikt aan de historische boerderij en wordt de ruimtelijke hiërarchie gerespecteerd. “Ja, mits”: integrale kwaliteitsverbetering De omgevingsvisie hanteert het principe “ja, mits”, waarbij ontwikkelingen worden toegestaan mits zij bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving en passen binnen de gebiedskenmerken.

De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan dit uitgangspunt doordat: e de cultuurhistorische waarden worden behouden en versterkt; e het bestaande erf wordt opgewaardeerd en ontrommeld; e geen aantasting plaatsvindt van het open landschap en de groen-blauwe structuren; e de ruimtelijke kwaliteit per saldo duidelijk verbetert. 41 KUIPER COMPAGNONS Belevingswaarde en recreatieve context De Wevershoeve ligt aan belangrijke recreatieve routes langs de Noldijk. Door de herbestemming en kwaliteitsverbetering van het erf blijft het gebouw een herkenbaar en aantrekkelijk element in het landschap. Hiermee wordt indirect ook de recreatieve belevingswaarde van het gebied ondersteund, wat aansluit bij de ambitie om groen en landschap beter beleefbaar te maken. De ontwikkeling aan de Noldijk 41 is in overeenstemming met de Omgevingsvisie Ridderkerk 2035. Het plan geeft op een zorgvuldige en gebiedseigen wijze invulling aan de kernwaarden van Ridderkerk door het behoud van cultuurhistorisch erfgoed, het versterken van de landschappelijke kwaliteit en het zorgvuldig benutten van de bestaande ruimte. Daarmee past de ontwikkeling binnen de “ja, mits”-benadering van de omgevingsvisie en levert zij per saldo een duidelijke kwaliteitsverbetering op voor de locatie en haar omgeving.

3.4.2 Woonvisie Ridderkerk 2021 — 2026 34.2.1.1 Kader De Woonvisie Ridderkerk 2021-2026 dient als leidraad voor het woonbeleid in de gemeente Ridderkerk. Het document adresseert de woningbouwopgave, de aanpak van de bestaande woningvoorraad en de uitdagingen binnen de sociale huursector. Daarnaast wordt aandacht besteed aan verduurzaming, leefbaarheid en de combinatie van wonen en zorg. De hoofddoelstellingen zijn: Voldoende woningen: Het streven is om tussen 2021 en 2030 minimaal 900 woningen toe te voegen aan de bestaande woningvoorraad. Bij overschrijding van dit aantal wordt een afwegingskader toegepast om kwalitatieve keuzes te maken die in het belang zijn van Ridderkerk. Variatie en passend aanbod: Er wordt ingezet op een gevarieerd woningaanbod dat aansluit bij de behoeften van diverse doelgroepen, waaronder starters, senioren en mensen met een zorgbehoefte. Duurzaamheid en energiezuinigheid: De gemeente streeft naar verduurzaming van zowel nieuwbouw als bestaande woningen om energiezuinigheid te bevorderen. Leefbare wijken: Er wordt aandacht besteed aan het creëren van prettige en leefbare woonomgevingen met voldoende voorzieningen en een goede infrastructuur. Voor de eerste jaren van de Woonvisie is een uitvoeringsprogramma opgesteld met concrete acties en maatregelen.

Dit programma fungeert als een flexibel ‘spoorboekje’ dat periodiek wordt bijgesteld op basis van nieuwe inzichten. De Woonvisie Ridderkerk 2021-2026 biedt een helder kader voor het woonbeleid in de gemeente, met aandacht voor woningbouw, diversiteit in het woningaanbod, duurzaamheid en leefbaarheid. Door middel van een flexibel uitvoeringsprogramma wordt invulling gegeven aan de gestelde doelen, met ruimte voor aanpassingen op basis van voortschrijdend inzicht. 34.2.1.2 Toetsing van het bouwplan aan de Woonvisie Ridderkerk De voorgenomen ontwikkeling van de Wevershoeve sluit uitstekend aan bij de Woonvisie Ridderkerk 2021-2026. Met de realisatie van 13 grondgebonden woningen draagt het plan bij aan de woningbouwopgave van de gemeente en biedt het een gevarieerd woonaanbod. Door de herontwikkeling van de boerderij tot acht woningen en de toevoeging van vijf nieuwe woningen op het achtererf ontstaat een combinatie van historisch behoud en subtiele vernieuwing. Dit zorgt voor diversiteit in de woningvoorraad en sluit aan bij de wens om verschillende doelgroepen te bedienen. Daarnaast wordt de monumentale waarde van de Wevershoeve gerespecteerd door de bestaande draagconstructie en kapconstructie te behouden en de gevels aan de Noldijk 41 intact te laten.

De restauratie van de historische elementen en het verwijderen van latere aanbouwen versterken de oorspronkelijke architectuur, terwijl de toevoeging van daglicht via dubbelhoge dakkapellen aan de achterzijde bijdraagt aan een kwalitatieve woonomgeving. Dit sluit aan bij de doelstelling van de Woonvisie om bestaand vastgoed duurzaam te hergebruiken en ruimtelijke kwaliteit te waarborgen. 42 KUIPER COMPAGNONS De ontwikkeling draagt ook bij aan een prettige en leefbare woonomgeving. De herinrichting van het achtererf, dat nu grotendeels een parkeerterrein is, transformeert het gebied tot een groen woonhof. De nieuwe volumes blijven bescheiden architectuur, zodat ze ondergeschikt blijven aan de boerderij en passen binnen het historische karakter van de omgeving. Door het toevoegen van voortuinen met lage hagen wordt er aansluiting gezocht met het omliggende park en ’t Waaltje. Zo wordt er een open en toegankelijke leefomgeving gecreëerd. Dit bevordert sociale veiligheid en versterkt de historische relatie van de Wevershoeve met het landschap. Tot slot draagt het plan bij aan de verduurzaming van de woningvoorraad, een belangrijk speerpunt in de Woonvisie. Het hergebruik van de bestaande boerderij vermindert de ecologische impact van nieuwbouw, terwijl de zorgvuldige inpassing van de nieuwe woningen zorgt voor een evenwichtige ruimtelijke ontwikkeling.

De combinatie van historisch behoud, kwalitatieve woningbouw en aandacht voor leefbaarheid maakt deze ontwikkeling een goed voorbeeld van hoe de ambities uit de Woonvisie Ridderkerk 2021-2026 in de praktijk worden gebracht. Wel is van belang dat binnen de Woonvisie nadrukkelijk aandacht wordt gevraagd voor het aandeel betaalbare woningen in nieuwe ontwikkelingen. Vanuit gemeentelijk perspectief wordt hier in algemene zin op gestuurd, passend binnen de bredere woningbouwopgave van Ridderkerk. In dat kader kan worden gesteld dat het plan op hoofdlijnen aansluit bij de ambities van de Woonvisie, maar dat de bijdrage aan het betaalbare segment een aandachtspunt blijft. Voor de locatie Wevershoeve is sprake van een specifieke situatie, waarbij de mogelijkheden om betaalbare woningen te realiseren worden beïnvloed door de bijzondere projectkenmerken, waaronder de herontwikkeling van een rijksmonument en de bijbehorende kosten en randvoorwaarden. 34.3 Groenbeleid gemeente Ridderkerk 343.11 Kader De gemeente Ridderkerk heeft haar groen- en ecologiebeleid opgebouwd uit een samenhangende visie, uitwerking en instrumentarium. In de Groenvisie ‘Groen is onze toekomst’ staat de ambitie centraal om Ridderkerk te ontwikkelen tot de groenste gemeente van IJsselmonde.

Groen wordt daarbij niet alleen gezien als aankleding van de openbare ruimte, maar als een essentieel onderdeel van een gezonde, aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving. De gemeente wil het bestaande groen versterken en uitbreiden, met name in de woonwijken waar relatief weinig groen aanwezig is. Tegelijkertijd wordt ingezet op het verbeteren van de kwaliteit en variatie van het groen, zodat het bijdraagt aan recreatie, gezondheid en het opvangen van effecten van klimaatverandering, zoals hittestress en wateroverlast. Om deze ambitie concreter te maken, is de beleidsnota ‘Werken vanuit ecologie’ opgesteld. Dit document vormt een verdere uitwerking van de Groenvisie en introduceert een andere manier van kijken naar de openbare ruimte. Niet het uiterlijk of het onderhoudsgemak van groen staat centraal, maar de werking van het ecosysteem. De gemeente bekijkt de inrichting en het beheer van de buitenruimte als het ware “door de ogen van planten en dieren”. Daarbij ligt de nadruk op het versterken van biodiversiteit en het herstellen van natuurlijke samenhang tussen soorten en leefgebieden. Dit betekent in de praktijk bijvoorbeeld dat er meer ruimte wordt gegeven aan kruidenrijke vegetatie, dat maaibeheer wordt aangepast en dat er bij ruimtelijke ontwikkelingen bewuster wordt gestuurd op ecologische kwaliteit.

Ook wordt ingezet op het vergroten van bewustwording en betrokkenheid van inwoners, omdat een robuust ecosysteem vraagt om samenwerking tussen overheid en bewoners. Naast visie en beleid beschikt de gemeente over de Groene Kaart 2023, die fungeert als een concreet instrument voor bescherming en sturing. Op deze kaart zijn de belangrijkste groenstructuren en waardevolle bomen vastgelegd, waaronder lanen, parken, dijken en monumentale bomen, zowel in openbaar als particulier eigendom. Deze plekken zijn van bijzonder belang voor het straatbeeld, de ecologische samenhang en de cultuurhistorie. De Groene Kaart heeft ook een juridische functie: zij bepaalt onder andere waar een vergunning nodig is voor het kappen van bomen. Door deze bescherming wordt voorkomen dat waardevolle groenstructuren verdwijnen en blijft de kwaliteit van het groene netwerk behouden. Gezamenlijk vormen deze drie onderdelen één duidelijke beleidslijn. De Groenvisie geeft richting en ambitie, “Werken vanuit ecologie” vertaalt deze naar een ecologische manier van ontwerpen en beheren, en de Groene 43 KUIPER COMPAGNONS Kaart borgt de bescherming van het bestaande groen.

Daarmee werkt Ridderkerk aan een leefomgeving waarin groen niet alleen mooier, maar vooral ook functioneler en biodiverser wordt, en waarin het een belangrijke rol speelt in het versterken van de leefkwaliteit en de klimaatbestendigheid van de gemeente. 34.3.1.2 Toetsing van het bouwplan aan het groenbeleid van de gemeente Ridderkerk Bij de voorgenomen ontwikkeling is zorgvuldig gekeken naar de aanwezige groenstructuren, landschappelijke kenmerken en de inpassing van nieuw groen binnen het bestaande dijklint. De adviezen en aandachtspunten van de gemeentelijke discipline Groen en Ecologie zijn betrokken bij de planvorming en afgewogen binnen de integrale ruimtelijke afweging van het plan. Uitgangspunt is dat de ontwikkeling voldoet aan de geldende beleidskaders en regelgeving op het gebied van groen, ecologie en landschappelijke inpassing. Tegelijkertijd maakt het plan onderdeel uit van een bredere ruimtelijke herontwikkeling, waarin meerdere belangen samenkomen, waaronder de realisatie van woningbouw en het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van het erfensemble. Binnen deze context is sprake van een integrale afweging, waarbij niet alle wenselijke groenmaatregelen één-op-één kunnen worden overgenomen, maar waarin wordt gezocht naar een zorgvuldig en uitvoerbaar evenwicht.

Voor de landschappelijke inpassing en de keuze van beplanting wordt expliciet aangesloten bij de relevante regionale en landschappelijke leidraden voor het dijkenlandschap van IJsselmonde. In het bijzonder wordt gebruikgemaakt van de inzichten uit de handreiking ‘Ruimte voor ruimtelijke kwaliteit. Handreiking voor ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied van IJsselmonde’ (2015) en de daaruit voortgekomen brochure ‘Dijken(landschap). Streekeigen bebouwing en beplanting in IJsselmonde’ (2015). Deze documenten vormen een belangrijke onderlegger voor de keuze van streekeigen beplanting, erfbeplanting en de wijze waarop de overgang tussen erf en landschap wordt vormgegeven. De Groene Kaart 2023 is eveneens betrokken in de beoordeling. De daarin opgenomen waardevolle groenstructuren en bomen worden gerespecteerd en waar relevant ingepast in de planontwikkeling. Waar ingrepen plaatsvinden, wordt dit gecompenseerd door nieuwe groenstructuren en versterking van de landschappelijke randen. In de uitwerking van het plan wordt nieuw groen toegevoegd dat aansluit bij het karakter van het dijklint en het omliggende landschap. Hierbij wordt gewerkt met streekeigen soorten en erfbeplanting, waarbij met name hagen, erfafscheidingen en groene randen worden vormgegeven in lijn met de genoemde leidraden voor IJsselmonde.

Dit zorgt voor een herkenbare en gebiedseigen landschappelijke inpassing. Per saldo leidt de ontwikkeling tot een heringericht erf waarin bestaand groen deels wordt hergebruikt of getransformeerd, en waarin aanvullend nieuw groen wordt toegevoegd dat de landschappelijke structuur versterkt. De combinatie van erfstructuur, streekeigen beplanting en zorgvuldige randen zorgt ervoor dat het plan ruimtelijk wordt ingepast in het dijklandschap en bijdraagt aan de kwaliteit van de leefomgeving. In overleg met Staatsbosbeheer en het Natuur- en Recreatieschap is de inrichting van de groenstructuur langs de grens van het plangebied nader afgestemd. Hierbij is rekening gehouden met de beheer- en onderhoudsvereisten van het aangrenzende natuurgebied. Ten behoeve van het machinaal uitvoeren van maaibeheer wordt een onderhoudsstrook van 4 meter breed gehandhaafd. Deze strook blijft vrij van obstakels zodat regulier beheer en onderhoud efficiënt kunnen plaatsvinden. Daarnaast wordt een duidelijke afscheiding gerealiseerd tussen de particuliere tuinen en het aangrenzende natuurgebied. Hiermee wordt een heldere overgang tussen privé- en openbaar/natuurterrein gewaarborgd en worden ongewenste verstoringen van de natuurwaarden zoveel mogelijk voorkomen. Het binnenerf wordt niet overgenomen door de gemeente.

Het beheer en onderhoud van het binnenterrein wordt ondergebracht in een op te richten beheervereniging. De gronden worden als mandelig terrein ingericht, waarbij de gezamenlijke eigenaren verantwoordelijk zijn voor het beheer, onderhoud en instandhouding van de gemeenschappelijke voorzieningen binnen het binnenerf. Gelet op deze integrale afweging en de gekozen ontwerpuitgangspunten is sprake van een passende en zorgvuldig gemotiveerde groeninpassing. 44 KUIPER COMPAGNONS Afbeelding 3.4. Erfinrichting Noldijk 41 45 KUIPER COMPAGNONS 4 Aspecten van de fysieke leefomgeving 4.1 Milieueffectrapportage 4.1.1 Kader Op Europees niveau is vastgelegd dat projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, worden onderzocht op hun gevolgen voor het milieu. Dit is geregeld in de Europese richtlijn milieueffectbeoordeling (m.e.r.-richtlijn). Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een project in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving. Hiermee draagt de milieueffectrapportage ook bij aan de onderbouwing en transparantie van de effecten van een besluit en kan het als hulpmiddel worden gebruikt bij de participatie van omwonenden bij de totstandkoming van het besluit.

Voor een reeks van projecten is bepaald dat een milieueffectrapport moet worden gemaakt, voordat toestemming wordt gegeven het project uit te voeren. Voor een andere reeks van projecten moet worden onderzocht of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. In Nederland is de m.e.r-richtlijn geïmplementeerd in paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, is af te leiden uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In dit geval wordt er eerst een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Bij deze beoordeling dient rekening te worden gehouden met de criteria van bijlage Ill bij de m.e.r.-richtlijn. De m.e.r.-beoordeling dient te voldoen aan de inhoudelijke eisen in artikel 11.10 en 11.11 van het Omgevingsbesluit. Op basis van bijlage V van het Omgevingsbesluit kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling onder een stedelijke ontwikkeling valt en daarmee onder categorie J11 en dus m.e.r.-beoordelingplichtig is. 4.1.2 Kenmerken en locatie van het project De ontwikkeling ziet op de realisatie van 13 grondgebonden woningen. Zie hoofdstuk 2 voor een uitgebreide toelichting op het project en de locatie van de voorgenomen ontwikkelingen.

Voor de beoogde ontwikkeling zijn in het kader van het de in voorbereiding planologische procedure meerdere omgevingsaspecten beoordeeld en/of onderzocht. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten en overige haalbaarheidsaspecten die van belang zijn. Hierin wordt ook ingegaan op de ligging van het project ten opzichte van kwetsbare of gevoelige gebieden. Het plangebied ligt buiten de grenzen van Natura 2000-gebieden. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden liggen op circa 2,8 kilometer tot 22 kilometer afstand. Overige Natura 2000-gebieden bevinden zich op meer dan 25 kilometer afstand. Het Natura 2000-gebied Oude Maas ligt het dichtstbij met 2,8 kilometer. 46 KUIPER COMPAGNONS en …— … Elden, ZL 189,06M hrdek „u rpider Stein 5,456, 51 m iks woerem: Laagten Kinderdijk Dude TT Maas Haringvliet Oüdeland 14.132,51 m van hd nn Biesbasch Hanaad Hollands Diep Diep Afbeelding 2.8.1 Globale ligging plangebied ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden Voor het initiatief is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase geen toename én geen afname van stikstofdepositie optreedt op stikstofgevoelige Natura 2000- gebieden. De locatie ligt daarnaast niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 2,5 kilometer afstand.

Gezien de ruime afstand (> 2 kilometer), de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling en het tussenliggende bebouwde gebied dat een afschermde werking heeft, is geen sprake van aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Vervolgstappen ten aanzien van het NNN zijn niet aan de orde. 4.1.3 Kenmerken van de potentiële effecten Cumulatie met andere projecten In de directe omgeving van de Noldijk zijn meerdere woningbouwinitiatieven voorzien of in voorbereiding, waaronder de ontwikkeling De Boomgaard en diverse binnenstedelijke transformatieprojecten zoals aan de Stadhouderslaan. Deze projecten hebben een vergelijkbare doelstelling: het vernieuwen en uitbreiden van de woningvoorraad in Ridderkerk om te voorzien in de actuele en toekomstige woningvraag. Er is geen sprake van negatieve cumulatieve effecten, aangezien de projecten elk een eigen schaal, doelgroep en ontwikkeltempo kennen. De woningbouw aan de Noldijk 41vormt geen concurrerende opgave, maar een aanvullende. Doordat de ontwikkelingen ruimtelijk verspreid liggen en niet gelijktijdig pieken in bouw- of gebruiksfasen veroorzaken, is er geen stapeling van effecten op het gebied van bereikbaarheid, verkeersafwikkeling, geluid, luchtkwaliteit of milieuruimte te verwachten.

Daarnaast dragen de verschillende locaties bij aan een evenwichtige opbouw van de ruimtelijke structuur van Ridderkerk, waarbij de verstedelijkingsdruk niet op één locatie neerkomt. De gefaseerde realisatie van zowel De Boomgaard als de Noldijk-ontwikkeling voorkomt dat voorzieningen, infrastructuur en leefkwaliteit onder druk komen te staan. De bestaande capaciteit en het gemeentelijke faseringstempo bieden voldoende ruimte om de woningbouwopgave parallel te laten groeien zonder onderlinge hinder. 47 KUIPER COMPAGNONS Conclusie is dat de ontwikkelingen in de omgeving elkaar niet belemmeren, maar juist bijdragen aan een robuuste, gedifferentieerde en tijdig realiseerbare uitbreiding van het woningaanbod in Ridderkerk zonder cumulatieve nadelige effecten. Effecten op gebieden Voor de beoogde ontwikkeling zijn in het kader van het de in voorbereiding planologische procedure meerdere omgevingsaspecten beoordeeld en/of onderzocht. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten en overige haalbaarheidsaspecten die van belang zijn. Hieronder worden de belangrijkste resultaten samengevat. Luchtkwaliteit Het projectgebied ligt binnen het aandachtsgebied voor luchtkwaliteit (agglomeratie Rotterdam-Dordrecht), maar de ontwikkeling van dertien woningen levert geen significante bijdrage aan de concentratie stikstofdioxide en fijnstof.

De gemeten waarden van NO», PMso en PM>,s liggen ruim onder de wettelijke grenswaarden en de bijdrage van het project wordt aangemerkt als ‘niet in betekende mate’. Hierdoor is geen aanvullende toetsing of nader onderzoek nodig en vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor de realisatie van het plan. Geluid Het akoestisch onderzoek toont aan dat de ontwikkeling voldoet aan de wettelijke en gemeentelijke geluidsnormen. Hoewel bij de Wevershoeve enkele standaardwaarden worden overschreden, blijven de grenswaarden binnen de toegestane marges en beschikken alle woningen over een geluidluwe gevel. De cumulatieve geluidbelasting en indirecte effecten zijn niet significant, waardoor het woon- en leefklimaat niet verslechtert. Geluid vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Geur De geplande ontwikkeling ligt in een rustig, groen gebied zonder geurintensieve bedrijven of activiteiten. Er zijn geen industriële ondernemingen, intensieve veehouderijen of andere bronnen van geurhinder in de omgeving. Hierdoor heeft het aspect geur geen negatieve invloed op een veilige en gezonde leefomgeving. Trillingen De geplande ontwikkeling vindt plaats in een rustige omgeving zonder trillingsintensieve activiteiten of infrastructuur. Hierdoor worden de toekomstige woningen niet blootgesteld aan schadelijke of hinderlijke trillingen.

Het project is wat betreft trillingen dus veilig uitvoerbaar. Bodemkwaliteit In oktober 2024 is een bodemonderzoek uitgevoerd. De bodem is overwegend geschikt voor woningbouw, met lokaal beperkte verontreinigingen van koper en lood. PFAS- en grondwaterwaarden liggen binnen de normen. Voor werkzaamheden op verontreinigde plekken gelden aanvullende meld- en saneringsverplichtingen. De locatie is grotendeels geschikt voor woningbouw en de voorgenomen ontwikkeling kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd, mits rekening wordt gehouden met de lokaal aangetroffen verontreinigingen. Omgevingsveiligheid Het plangebied ligt binnen het gifwolkaandachtsgebied van vier bedrijven in Rotterdam en Moerdijk, maar op ruime afstand, waardoor de ontwikkeling geen effect heeft op het groepsrisico. De woningen worden zo gebouwd dat bewoners bij een incident kunnen schuilen, en risicocommunicatie via NL-Alert en bij koop- /huurcontracten is voorzien. Er worden geen zeer kwetsbare gebouwen gerealiseerd. De ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de omgevingsveiligheid en kan veilig worden uitgevoerd. Geluid door activiteiten De locatie is geschikt voor een gemengde invulling van wonen en andere functies, net zoals dat in de huidige situatie al harmonieus naast elkaar bestaat. De recreatie in de nabijheid van de ontwikkeling is rustig en veroorzaakt geen hinder.

De ontwikkeling is wat betreft geluid door activiteiten haalbaar en kan op aanvaardbare wijze worden uitgevoerd. 48 KUIPER COMPAGNONS Water en klimaat Bij de voorgenomen ontwikkeling neemt het verhard oppervlak af met 716 m?, waardoor de infiltratiecapaciteit van het terrein verbetert en de afvoer van hemelwater afneemt. De bodem (klei, zand en veen) biedt voldoende mogelijkheden voor natuurlijke infiltratie buiten de sterk verontreinigde zones. De werkzaamheden vinden plaats binnen de zones van de primaire waterkering, waarvoor trilingsarme funderingen worden toegepast. De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding van het gebied. Ecologie In september 2025 is een ecologische quickscan uitgevoerd. De ecologische quickscan laat zien dat op de planlocatie geen verblijfplaatsen van strikt beschermde soorten aanwezig zijn. Beschermde vaatplanten, vissen, reptielen en de meeste zoogdieren kunnen worden uitgesloten. Alleen algemene soorten zoals muizen, egels, konijnen, algemene broedvogels en incidenteel amfibieën kunnen voorkomen; hiervoor geldt de zorgplicht. Voor vleermuizen zijn geen verblijfplaatsen gevonden, maar foerageren in de omgeving is mogelijk, zodat lichtverstoring moet worden voorkomen. Werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen plaats te vinden of vooraf gecontroleerd te worden.

Archeologie Het plangebied ligt in een archeologisch kansrijk gebied met een redelijk tot hoge archeologische verwachting volgens de Archeologische Waarden- en Beleidskaart Ridderkerk (2013), opgenomen in het Omgevingsplan Ridderkerk (2024). Omdat de voorgenomen bodemingrepen de vrijstellingsgrenzen voor diepte en oppervlakte overschrijden, is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Archeologie Rotterdam adviseert hiervoor een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uit te voeren. Uit het reeds uitgevoerde bureauonderzoek blijkt dat het gebied een lage verwachting heeft voor resten uit het Laat- Paleolithicum tot en met de Midden-IJzertijd, een middelhoge verwachting voor de Late IJzertijd tot en met de Vroege Middeleeuwen en een hoge verwachting voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd, mede vanwege de ligging langs de historische Noldijk. Omdat de bodemopbouw en eventuele verstoringen nog onvoldoende inzichtelijk zijn, wordt geadviseerd een verkennend booronderzoek uit te voeren conform het Programma van Eisen van Archeologie Rotterdam. Dit onderzoek wordt als voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden, zodat eventuele archeologische waarden voorafgaand aan de werkzaamheden worden vastgesteld en beschermd.

Het voorschrift staat de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling niet in de weg en draagt bij aan een zorgvuldige realisatie van het initiatief. Mobiliteit De realisatie van 13 grondgebonden woningen op Noldijk 41 leidt tot circa 96 voertuigbewegingen per etmaal, vergelijkbaar met of iets lager dan de huidige situatie als horeca-locatie (44-71 bewegingen/etmaal). Het verkeer wordt gelijkmatiger over de dag verdeeld, zonder pieken in avonduren of weekenden. De bestaande ontsluiting via de Noldijk 41 blijft ongewijzigd en de infrastructuur is geschikt voor de nieuwe verkeersintensiteit. Parkeren wordt voorzien volgens de gemeentelijke norm, met voldoende plekken voor bewoners en bezoekers op eigen terrein. De ontwikkeling is wat betreft verkeer en mobiliteit uitvoerbaar zonder knelpunten of negatieve effecten. Uit de beoordeling van deze aspecten volgt in algemene zin dat er in het kader van de ontwikkeling geen sprake is van een grensoverschrijdend effect. De effecten zijn beperkt qua intensiteit en complexiteit (er worden geen vervolgeffecten of indirecte effecten verwacht). Ook is er geen sprake van onomkeerbare effecten. De aanvang van het project zal plaatsvinden nadat de vergunning is verleend.

Gelet op de aard en omvang van het project zijn er daarnaast geen bijzondere effecten te verwachten wat betreft gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging, het risico op zware ongevallen en/of rampen (waaronder rampen door klimaatverandering) of risico’s voor de menselijke gezondheid. 4.1.4 Conclusie Uit de voorgaande analyse blijkt dat de mogelijke milieueffecten zorgvuldig zijn beoordeeld. Waar nodig worden maatregelen getroffen om effecten te voorkomen of te beperken. Er zijn geen bijzondere omstandigheden in de kenmerken of locatie van de ontwikkeling die zouden leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Voor de onderzochte milieuaspecten worden geen aanzienlijke negatieve effecten verwacht. Mogelijke nadelige effecten zijn beheersbaar, waardoor het opstellen van een milieueffectrapport in dit geval niet noodzakelijk is. 49 KUIPER COMPAGNONS 4.2 Laddertoets 4.2.1 Kader Onder de Omgevingswet is in het Besluit kwaliteit leefomgeving de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de BOPA onderbouwing een onderbouwing op te nemen van de nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Dit volgt uit artikel 8.0b, eerste lid, onder a, van het Bkl.

Eén van de belangrijkste bepalingen in dat hoofdstuk is artikel 5.129g, waarin de zogenaamde ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen. Deze ladder is bedoeld als een instrument om zorgvuldig en efficiënt met de schaarse ruimte om te gaan, en vormt daarmee een belangrijk onderdeel van het nieuwe ruimtelijke toetsingskader onder de Omgevingswet: de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De laddertoets moet worden toegepast wanneer sprake is van een stedelijke ontwikkeling, ook als deze wordt mogelijk gemaakt via een BOPA in plaats van een wijziging van het omgevingsplan zelf. De verplichting om de ladder te doorlopen is dan ook niet beperkt tot planologische besluiten, maar geldt ook bij vergunningverlening. In artikel 5.129g, eerste lid, van het Bkl is bepaald dat de ladder van toepassing is bij wijzigingen van het omgevingsplan die voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Vervolgens bepaalt artikel 8.0b dat deze regels ook gelden bij een BOPA, wat betekent dat ook dan aan de ladder moet worden getoetst. De term ‘stedelijke ontwikkeling’ is gedefinieerd in bijlage | bij het Bkl. Het gaat daarbij om ruimtelijke ontwikkelingen van enige omvang, zoals woningbouwprojecten, de vestiging van detailhandel of kantoren, of uitbreiding van bedrijventerreinen.

Wanneer een ontwikkeling als stedelijk wordt aangemerkt, moet de aanvrager van een BOPA kunnen aantonen dat aan de voorwaarden van de ladder wordt voldaan. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl stelt twee belangrijke eisen bij een stedelijke ontwikkeling. Allereerst moet worden gemotiveerd dat er een actuele behoefte bestaat aan de ontwikkeling. Dit betekent dat duidelijk moet worden gemaakt dat de ontwikkeling aansluit bij de feitelijke en toekomstige vraag. De behoefte kan bijvoorbeeld worden aangetoond met gemeentelijke of regionale woningbehoeftecijfers, marktanalyses of sectorale beleidsdocumenten. Ten tweede moet worden beoordeeld of in die behoefte kan worden voorzien binnen het bestaand stedelijk gebied. Indien dat niet mogelijk is, moet overtuigend worden gemotiveerd waarom een locatie buiten het bestaande stedelijk gebied wordt gekozen. Hierbij spelen onder meer ruimtelijke, functionele of milieutechnische argumenten een rol. De voorkeur voor het benutten van bestaand stedelijk gebied sluit aan bij de bredere doelstelling van zuinig en doelmatig ruimtegebruik onder de Omgevingswet. In de context van een BOPA helpt de laddertoets dus niet alleen bij het toetsen van de ontwikkeling zelf, maar ook bij het juridisch onderbouwen waarom de locatie geschikt is voor de beoogde functie, in het licht van het bredere omgevingsbeleid.

4.2.2 Onderzoek Conform de definitie van een stedelijke ontwikkeling, wordt de bouw van 13 woningen gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Behoefte Door Openred is in 2025 een potentiescan uitgevoerd, deze is in bijlage 1 toegevoegd. . Uit de potentiescan blijkt dat er sprake is van een duidelijke woningbehoefte in deze buurt. In de direct omgeving van de locatie bestaat een totale marktvraag van 299 nieuwbouwwoningen per jaar, waarbij met name rijwoningen en grondgebonden koopwoningen sterk in trek zijn. Alleen al voor koop-rijwoningen wordt een vraag van 50 woningen per jaar verwacht. Ook voor andere woningtypen zoals hoekwoningen, twee-onder-een-kap en levensloopbestendige woningen is de behoefte significant. Het plan met 13 grondgebonden woningen sluit daarmee uitstekend aan op de kwantitatieve én kwalitatieve vraag in de wijk en de regio. Wat betreft beleidsmatige inpassing is van belang dat de ontwikkeling aansluit bij het beleid van de gemeente Ridderkerk, en in breder verband bij de doelstellingen van de regio Rotterdam en de provincie Zuid-Holland. Er 50 KUIPER COMPAGNONS is regionale behoefte aan zowel betaalbare als duurdere woningen, deze ontwikkeling biedt ruimte voor dit segmenten. De nadruk ligt hierbij niet op grootschalige uitbreiding, maar op de kwaliteitsverbetering van het bestaande woongebied.

In het kader van een zorgvuldige ruimtelijke afweging is tevens relevant of de geconstateerde woningbehoefte (volledig) binnen bestaand stedelijk gebied kan worden opgevangen. In algemene zin wordt de woningbouwopgave van Ridderkerk primair binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd, onder andere door herstructurering, transformatie en inbreiding. De onderhavige ontwikkeling sluit daar in feite op aan: het betreft geen uitbreiding in het open landschap, maar de herontwikkeling van een bestaand erf met bebouwing (een voormalig horecapand). Locatiekeuze De locatiekeuze voor de ontwikkeling van 13 grondgebonden woningen aan de Noldijk 41in Ridderkerk is zorgvuldig onderbouwd en passend binnen de ruimtelijke en landschappelijke context van het gebied. De ontwikkeling vindt plaats op een karakteristieke plek aan de rand van het dorp Rijsoord, waar de monumentale boerderij De Wevershoeve centraal staat. Deze locatie heeft een bijzonder agrarisch en cultuurhistorisch karakter dat in het plan nadrukkelijk wordt gerespecteerd en versterkt. De bestaande kapconstructie en gevels van de boerderij blijven behouden, en het oorspronkelijke bouwvolume wordt hersteld door het slopen van latere aanbouwen. Hiermee wordt niet alleen erfgoed behouden, maar ook de ruimtelijke kwaliteit versterkt. De locatie is goed ontsloten en uitstekend bereikbaar.

Op korte afstand bevinden zich diverse voorzieningen: een supermarkt op slechts 340 meter, een basisschool op 1,2 kilometer, een bushalte op 50 meter en op circa 800 meter bevindt zich spoorwegstation Barendrecht. Ook zijn bushaltes bij 't Zwaantje en Barendrecht Ziedewij nabij gelegen, wat bijdraagt aan de bereikbaarheid voor zowel bewoners als bezoekers. Bovendien ligt de locatie aan recreatief groen en in de nabijheid van ’t Waaltje, wat de woonkwaliteit aanzienlijk verhoogt. Hoewel de locatie buiten het bestaand stedelijk gebied ligt, is de keuze goed te verantwoorden. Het plan voorziet in een kleinschalige, locatie-specifieke ontwikkeling die zorgvuldig is afgestemd op de omgeving. De projectlocatie is relatief klein en vormt daarmee een bescheiden toevoeging aan de bestaande bebouwing. De ontwikkeling heeft daardoor beperkte impact op de ruimtelijke structuur van de regio en sluit qua schaal, functie en karakter goed aan bij het omliggende landschap. De herontwikkeling draagt actief bij aan de verbetering van de leefomgeving. Het behoud van de groene en agrarische uitstraling en een open overgang naar het aangrenzende parkgebied, zorgt voor een goede balans tussen bebouwing en natuur. De woningen worden voorzien van voortuinen met lage hagen, wat niet alleen de landschappelijke kwaliteit ten goede komt, maar ook bijdraagt aan een open, veilige en sociale woonomgeving.

Deze ruimtelijke opzet bevordert de sociale cohesie en vergroot de leefbaarheid voor omwonenden en toekomstige bewoners. 4.2.3 Conclusie Op basis van de bovenstaande criteria kan de voorgenomen ontwikkeling als passend worden beoordeeld volgens de laddertoets: . Behoefte: Er is een duidelijke vraag naar woningen, zowel betaalbare als duurdere, en de ontwikkeling voldoet aan deze behoefte. . Locatiekeuze: De locatie buiten bestaand stedelijk gebied is goed onderbouwd door de goede ontsluiting, verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, en versterking van de leefomgeving. . Ruimtelijke Impact: De ruimtelijke impact is beperkt en de ontwikkeling is goed inpasbaar in het landschap. . Beleid: De ontwikkeling past binnen het gemeentelijke en provinciale beleid voor woningbouw en ruimtelijke kwaliteit. De ontwikkeling van 13 woningen op deze locatie is een kleinschalige, goed onderbouwde en duurzame ruimtelijke ingreep die voldoet aan de richtpunten en doelstellingen van het beleid. 51 KUIPER COMPAGNONS 4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Kader Het wettelijk kader voor luchtkwaliteit is vastgelegd in de Omgevingswet, specifiek in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De hoofdlijnen van de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit zijn opgenomen in de instructieregels van het Bkl, met name in paragraaf 5.1.4.1, die zich richt op de bescherming van de gezondheid.

Deze regels stellen omgevingswaarden vast voor verschillende stoffen in de buitenlucht, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Er zijn drie voorwaarden waaraan een activiteit moet voldoen om als toelaatbaar te worden beschouwd op het gebied van luchtkwaliteit: e Er mag geen sprake zijn van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde voor luchtverontreinigende stoffen. e Het project mag niet leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. e Het project mag slechts in beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Voor projecten die niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Dit wordt beoordeeld op basis van de toename van de concentraties NO2 en PM10, waarbij de grenswaarde voor NIBM ligt op een toename van maximaal 1,2 ug/m?, wat overeenkomt met 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van deze stoffen. Er zijn twee manieren om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: e _Standaardgevallen NIBM: Dit betreft categorieën van projecten, zoals kantoren, woonwijken of het telen van gewassen, die onder bepaalde grenzen van omvang blijven zoals beschreven in artikel 5.54 Bkl.

Als een project buiten de gestelde grenzen valt, kunnen detailberekeningen helpen om aan te tonen dat de 3%-grens niet wordt overschreden. e Aannemelijk maken op andere wijze: In sommige gevallen kan een kwalitatieve berekening volstaan. Er is ook een NIBM-tool die snel kan bepalen of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging, maar soms zijn gedetailleerde berekeningen nodig. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide en/of fijnstof. Deze aandachtsgebieden zijn gedefinieerd in artikel 5.51, lid 3 Bkl, en gemeenten die onder agglomeraties vallen, worden aangegeven in artikel 2.38 van de Omgevingsregeling. Er zijn situaties waarin de luchtkwaliteit altijd moet worden beoordeeld, zoals: e _ Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. e Bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter of bij een wijziging van een tunnel waarbij de lengte met minstens 100 meter toeneemt. e Bij de aanleg van een autoweg of autosnelweg. 4.3.2 Onderzoek Het projectgebied is gelegen binnen een van de aangewezen aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit, namelijk de agglomeratie Rotterdam- Dordrecht. De voorgenomen ontwikkeling gaat om de realisatie van 13 woningen.

Het behoort hierdoor tot een standaardgeval dat niet in betekende mate bijdraagt aan de verhoging van de concentratie van stikstofdioxide en fijnstof. Van deze standaardgevallen staat vast dat de verhoging maximaal 1,2 ug/m3 bedraagt. De realisatie van het project is daarom nauwelijks van invloed op de kwaliteit van de buitenlucht. Een aparte toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen is niet nodig. Uit de kaart van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) blijkt dat de waarden van NO2, PM10 en PM2,5 ruim onder de omgevingswaarden blijven zoals benoemd in artikel 2.4 en artikel 2.5 uit het Bkl. Op afbeelding 2.7 is een uitsnede weergegeven van de kaart van het CIMLK voor de concentratie NO2 in de omgeving van het plangebied. 52 KUIPER COMPAGNONS ® <10 ue/m? @ @® 10 tot 20 pg/m? _® © @ 20 tot 35 ue/m? © CS hed @ 35 tot 38 ue/m? N hoe, © a _@ 38 tot 40,5 ug/m? ©: hed @ 40,5 tot 42,5 ue/m? ® 2425 ue/m? | © O Onbekend of (nog) niet berekend e ° ® se be e Afbeelding 2.7: NO2 concentratie projectlocatie 2023 (het projectgebied is rood omkaderd). Volgens de kaarten van de Atlas leefomgeving bedragen de concentratie van NO2 ter plaatse van het plagenbied en de directe omgeving minder dan 10 ug/m3 en de concentratie PM10 minder dan 16 ug/m3 per jaar (2021). Dit ligt onder de wettelijke grenswaarden van 25 ug/m3 per jaar.

Het effect op de luchtkwaliteit wordt daarbij beschouwd als ‘niet in betekende mate’. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde. Fijn stof conc. (u: PM2,5/m3) B- 5 meme WHO advieswaarde 5-7 7-8 -9 -10 Afbeelding 2.8: PM2,5 concentratie (het plangebied is rood omkaderd). 53 COMPAGNONS Fijn stof conc. (ug PM10/m3) Md -12 TE m.: „14 14-15 zemen WHO advieswaarde 15-16 16-18 18 - 20 20-22 N22 -2s m- 25 Afbeelding 2.9: PM10 concentratie (het plangebied is rood omkaderd). 4.3.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is wat betreft luchtkwaliteit niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd. De luchtkwaliteit in het plangebied wordt niet significant beïnvloed door de woningbouw, aangezien de realisatie van maximaal dertien woningen geen substantiële bijdrage leveren aan de verhoging van stikstofdioxide en fijnstof. Het plangebied ligt wel binnen de aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit, en de luchtkwaliteitsmetingen (zoals weergegeven in de CIMLK-kaart) tonen aan dat de concentraties van NO2, PM1o en PM2,5 ruim onder de geldende omgevingswaarden blijven. Gezien schaal van de woningbouwontwikkeling en het feit dat deze ontwikkeling geen significante verslechtering van de luchtkwaliteit veroorzaakt, is er geen nader onderzoek nodig.

44 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen 4.4.1 Kader Geluid kan aanzienlijke effecten hebben op zowel het woon- en leefklimaat als de gezondheid van mensen. De aanvaardbaarheid van geluidsbelasting onder de Omgevingswet is in grote mate een decentrale afweging. Het is de taak van de gemeente om in het omgevingsplan voor iedere locatie in haar gebied de gewenste geluidskwaliteit vast te leggen. In afdeling 3.5 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) zijn regels opgenomen voor belangrijke geluidsbronnen, zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen. De regelgeving omtrent geluid heeft een tweeledige werking om zowel de bescherming tegen geluidsoverlast als de mogelijkheid voor nieuwe geluidsgevoelige functies te waarborgen. Enerzijds richt de wetgeving zich op de aanleg of wijziging van spoorwegen en industrieterreinen, anderzijds wordt ook de aanleg van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en functies (zoals woningen, scholen en zorginstellingen) en de locaties nabij geluidsbronnen gereguleerd. Er wordt onderscheid gemaakt tussen geluidsbronnen die een geluidsproductieplafond (GPP) hebben als omgevingswaarde, en bronnen met een basisgeluidsemissie (BGE). Geluidsbronnen met een GPP omvatten onder andere lokale spoorwegen die zijn aangewezen in de omgevingsverordening, rijkswegen, provinciale wegen, hoofdspoorwegen en industrieterreinen.

Geluidsbronnen met een BGE betreffen bijvoorbeeld lokale wegen (verharde gemeente- of waterschapswegen met meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal) en lokale spoorwegen die niet zijn aangewezen in de omgevingsverordening. 54 KUIPER COMPAGNONS Voor andere gebouwen of locaties, die niet expliciet onder de genoemde regels vallen, bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Binnen een geluidsaandachtsgebied is een akoestisch onderzoek noodzakelijk om de mogelijkheid te beoordelen voor de toelating van een geluidsgevoelig gebouw. Geluidsbronsoorten Standaardwaarde Grenswaarde Rijkswegen en provinciale wegen 50 Lden 65 Lden Gemeentewegen en waterschap wegen 53 Lden 70 Lden Hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen 55 Lden 70 Lden Industrieterreinen 50 Lden 60 Lden 40 Lnight 50 Lnight Tabel 2: Standaardwaarde en grenswaarde geluid per bronsoort op basis van het Bkl Beleid gemeente Ridderkerk: ‘Beleidsregels geluid wegverkeer Omgevingswet’ en ‘Programma Geluid en Lucht 2025 — 2029’ De gemeente Ridderkerk heeft haar eigen geluidbeleid. Dit bestaat uit twee documenten: “Beleidsregels geluid wegverkeer Omgevingswet gemeente Ridderkerk” en “Programma Geluid en Lucht 2025 — 2029”. In de beleidsregels zijn voorwaarden beschreven om een hogere geluidsbelasting dan de standaardwaarde toe te staan.

Deze voorwaarden zijn: -__ Geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; -__De overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; - __ Het geluid op de geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de voor deze situatie bepalende plandrempel van 61 dB voor wegen en spoorwegen. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als deze financieel doelmatig zijn en als daartegen geen overwegende bezwaren zijn van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, financiële en technische aard. Bij de nieuwe woningen zelf moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan: -__Bij elke woning is er tenminste 1 geluidluwe gevel; -__Er is tenminste 1 geluidluwe buitenruimte; -__ Slaapkamers zijn zoveel mogelijk gesitueerd aan de zijde met de laagste cumulatieve geluidsbelasting; -__Het plafond bij balkons wordt, voor zover aanwezig, absorberend uitgevoerd; -__Een dove gevel wordt toegepast als het geluid boven 5 dB de plandrempel van 61 dB uitkomt; - Een dove gevel wordt vastgelegd in het ruimtelijke besluit; -__ Elk gebouw heeft maximaal 1 dove gevel.

In afwijking van deze regels mag voor woningen: - waarvoor geen geluidsluwe gevel kan worden gerealiseerd en dat meerzijdig is geörienteerd, ten minste 1 geluidluwe gevel per geluidgevoelig gebouw worden gerealiseerd; - Woningen zonder geluidsluwe buitenruimte binnen 100 m een geluidsluwe gemeenschappelijke buitenruimte beschikbaar moet worden gesteld; -__ Voor woningen kleiner dan 30 m2 een geluidsluwe gevel en buitenruimte voor de helft van de woningen aanwezig moet zijn. De gemeente Ridderkerk hanteert vanuit het Programma Geluid en Lucht 2025 — 2029 daarnaast plandrempels voor de totale gecumuleerde geluidbelasting. Deze plandrempel bedraagt 63 dB Lden en 55 dB Lnight. In tabel 3 zijn de verschillende plandrempels opgenomen. Plandrempel Wegverkeer 61 dB Lden Gecumuleerde geluidbelasting 63 dB Lden 55 dB Lnight Tabel 3: De plandrempel voor de verschillende geluidsbronsoorten 55 KUIPER COMPAGNONS 4.4.2 Onderzoek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling aan de Noldijk 41 is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van weg- en railverkeerslawaai. Dit onderzoek is in bijlage 7 toegevoegd. De ontwikkeling bestaat uit de realisatie van vijf nieuwe grondgebonden woningen op het achter terrein en het transformeren van de bestaande Wevershoeve naar acht woningen.

Omdat de nieuwe geluidgevoelige functies zijn gelegen binnen de aandachtsgebieden van verschillende geluidbronnen, waaronder de Rijkswegen A15 en A16, gemeentelijke wegen, waterschapswegen en een spoorweg, is onderzocht of sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Voor de beoordeling van de geluidbelasting is een akoestisch rekenmodel opgesteld conform de geldende rekenmethodiek. In het model zijn onder meer de bestaande bebouwing, de nieuwe woningen, bodemgebieden, hoogtelijnen, wegen, spoorlijnen en relevante omgevingskenmerken opgenomen. De geluidbelasting is bepaald ter plaatse van de nieuwe woningen en ter plaatse van bestaande woningen om eventuele indirecte akoestische effecten van de ontwikkeling inzichtelijk te maken. Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van de vijf nieuwe grondgebonden woningen op het achterterrein geen sprake is van overschrijding van de standaardwaarden voor de onderzochte geluidbronnen. De geluidbelasting vanwege de verschillende bronnen blijft voor deze woningen binnen de geldende waarden, waardoor het aspect geluid geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van deze woningen. Voor de acht woningen in de bestaande Wevershoeve wordt de standaardwaarde voor twee geluidbronnen overschreden. De geluidbelasting vanwege de Rijkswegen bedraagt maximaal 52 dB, waarmee de standaardwaarde van 50 dB met 2 dB wordt overschreden.

Daarnaast bedraagt de geluidbelasting vanwege waterschapswegen maximaal 60 dB, waarmee de standaardwaarde van 53 dB met 7 dB wordt overschreden. De grenswaarden worden hierbij niet overschreden. Omdat sprake is van overschrijding van de standaardwaarden is onderzocht of aanvullende geluidmaatregelen mogelijk en doelmatig zijn. Voor de Rijkswegen A15 en A16 geldt dat deze op circa 1.700 meter afstand liggen. Om hier een relevante geluidreductie te bereiken zouden grootschalige maatregelen nodig zijn, zoals geluidsschermen of stiller wegdek over een aanzienlijke lengte. Gelet op de beperkte omvang van de ontwikkeling staan dergelijke maatregelen niet in verhouding tot het effect dat daarmee wordt bereikt. Bovendien hebben maatregelen aan de Rijkswegen slechts een beperkt effect op de totale geluidbelasting, omdat de bijdrage van de Noldijk bepalender is. Voor de Noldijk wordt gewerkt aan een toekomstige herinrichting waarbij de weg wordt ingericht als 30 km- gebied. Hoewel deze herinrichting nog niet formeel is vastgesteld en daarom niet als uitgangspunt in de formele berekeningen kon worden meegenomen, is aanvullend inzichtelijk gemaakt dat een dergelijke maatregel naar verwachting leidt tot een geluidreductie van minimaal 3 dB.

Daarnaast wordt verwacht dat het instellen van een 30 km-regime zal leiden tot een afname van de verkeersintensiteit, waardoor de geluidbelasting verder kan afnemen. Daarnaast is beoordeeld of de nieuwe ontwikkeling leidt tot relevante indirecte akoestische effecten voor bestaande woningen. Daarbij is gekeken naar zowel mogelijke geluidreflectie door nieuwe bebouwing als een toename van verkeersbewegingen. Omdat de nieuwe woningen achter de bestaande Wevershoeve worden gerealiseerd, is geen sprake van relevante extra geluidreflectie. Ook de toename van verkeersbewegingen blijft ruim onder de grens waarbij sprake zou zijn van een significante geluidtoename. De ontwikkeling leidt daarom niet tot een relevante verslechtering van het akoestisch woon- en leefklimaat in de omgeving. Voor de acht woningen in de Wevershoeve is tevens vastgesteld dat sprake is van een geluidluwe gevel. Aan de zuidoostzijde van de woningen blijft de geluidbelasting vanwege alle onderzochte geluidbronnen onder de standaardwaarden. Daarmee beschikken deze woningen over een geluidluwe zijde die kan bijdragen aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tot slot is de cumulatieve geluidbelasting beoordeeld. De maximale gecumuleerde geluidbelasting vanwege weg- en railverkeer blijft binnen de door de gemeente Ridderkerk gehanteerde maximale waarden.

De cumulatieve waarden voor zowel het etmaal als de nachtperiode worden niet overschreden. 56 KUIPER COMPAGNONS Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling, ondanks een beperkte overschrijding van de standaardwaarden bij de woningen in de Wevershoeve, leidt tot een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Er zijn geen grenswaarden die worden overschreden, er zijn geen doelmatige aanvullende maatregelen beschikbaar die in verhouding staan tot de ontwikkeling en de woningen beschikken over geluidluwe gevels. Het aspect geluid staat de voorgenomen ontwikkeling daarom niet in de weg en is daarmee aanvaardbaar in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.4.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is wat betreft geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd. Op basis van het uitgevoerde akoestische onderzoek kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de geluidsnormen zoals vastgelegd in het Bkl. Het onderzoek toont aan dat de geluidsbelasting op het geluidsgevoelige gebouw, binnen de toegestane grenswaarden blijft voor de relevante geluidsbronnen (zoals wegen, spoorwegen en industrieterreinen).

De geluidsbelasting heeft geen onaanvaardbare gevolgen voor de gezondheid en het welzijn van de toekomstige bewoners en gebruikers van het gebied.’ Het akoestische onderzoek heeft aangetoond dat de geluidseffecten binnen de geldende normen blijven, zonder dat er negatieve gevolgen voor de leefbaarheid optreden. De geluidsbelasting wordt dan ook als aanvaardbaar beoordeeld. Dit betekent dat de voorgenomen ontwikkeling kan plaatsvinden zonder aanvullende maatregelen, aangezien de geluidsbelasting voldoet aan de gestelde eisen van het Bkl. 4.5 Geur 4.5.1 Kader De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door geurhinder die ontstaat door activiteiten die in of rondom het plangebied zijn toegestaan. Bij een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het plangebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het deelplangebied, optreedt. Het wettelijk kader voor geurhinder is opgenomen in verschillende wettelijke kaders, afhankelijk van het type activiteit. Geurhinder kan een rol spelen in diverse sectoren, zoals veehouderijen, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en andere milieubelastende activiteiten. Activiteiten moeten voldoen aan de regels die in het omgevingsplan zijn vastgelegd.

Het Rijk heeft specifieke regels gesteld voor geurbelasting met betrekking tot bepaalde gebouwen, met name voor geurgevoelige gebouwen. Deze regels zijn opgenomen in de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), die gericht zijn op het beschermen van geurgevoelige gebouwen. Voor overige gebouwen of locaties, die geen geurgevoelige functie hebben, bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geur. De gemeente heeft de taak om functies evenwichtig toe te delen aan locaties, waarbij zij ook rekening houdt met geurhinder. Dit betekent dat de gemeente, afhankelijk van de specifieke situatie, maatregelen kan nemen om geurhinder te beperken of te voorkomen. Volgens artikel 5.91 Bkl moeten geurgevoelige gebouwen die zijn aangewezen door het Rijk, altijd beschermd worden tegen geurhinder. Specifieke beoordelingsregels voor geurbelasting worden bepaald aan de hand van de aard van de activiteit en de gevoeligheid van het gebouw of de locatie. 4.5.2 Onderzoek De geplande ontwikkeling bevindt zich in een gebied waar geen activiteiten plaatsvinden die aanzienlijke geurhinder veroorzaken. Het omliggende gebied bestaat voornamelijk uit agrarische en woonbestemmingen. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen industriële of commerciële activiteiten die doorgaans geurhinder kunnen veroorzaken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1253/documents/43604