CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

BOPA-ond.-bijlage 3. Quick Scan flora fauna

Commissie Samen wonen RK 1 oktober 2026, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 4: Onderbouwing BOPA Noldijk 41 (Wevershoeve)8.200 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

ONDERZOEK NATUURWETGEVING/ Quick Scan flora & fauna transformatie en sloop t.b.v. woningbouw Wevershoeve - Noldijk 41 te Ridderkerk Moordrecht, 19 september 2025 in opdracht van HERKON B.V. GROENTEAM - Adviescentrum voor Natuurontwikkeling, Landschapsplanning en Groenontwerp Burg. Brandtstraat 1 - 2841 XA Moordrecht - telefoon 0653-77.61.70 - email Groenteam@groenteam.nl Lee * * Quick Scan flora & fauna, onderzoek in het kader van de natuurwetgeving t.b.v. transformatie boerderij, sloop bijgebouwen en aanvullende nieuwbouw Noldijk 41 te Ridderkerk foto voorpagina: overzicht situatie Wevershoeve onderzoek en rapportage onder verantwoordelijkheid van: drs. John Mulder, veldverkenning en habitatbeoordeling ing. Jan Oosterbaan, eindrapportage en advies swijzer: In hoofdstuk 1 is de scope van het projectvoornemen weergegeven. In hoofdstuk 2 worden de hoofdlijnen van de regelgeving weergegeven, wat wordt beëindigd met de voorgestelde aanpak van het onderzoek. In Hoofdstuk 3 wordt op basis van beschikbare verspreidingsgegevens en recente gegevens uit de databank van de NDFF, de literatuurstudie met daaruit voort ko- mende voorlopige conclusies ten behoeve van uit te sluiten soorten uitgevoerd.

In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op vigerende gebiedsregelgeving (Natura 2000 en NNN) en worden de bevindingen van de ecologische verkenning met beoordeling van de betreffende habitat beschreven, zo nodig aangevuld met de verslaglegging van een nader veldonderzoek. In hoofdstuk 5 worden de voor de uitvoering relevante conclusies kort samengevat en wordt advies gegeven met betrekking tot mitigerende maatregelen. Voorts wordt advies gegeven met betrekking tot de gewenste nadere handelwijze. De rapportage wordt beëindigd met lijsten van geraadpleegde literatuur en van gebruikte termen en afkortingen. Onderzoek natuurwetgeving — Wevershoeve, Noldijk 41 Ridderkerk INHOUDSOPGAVE pagina 1 OMSCHRIJVING PROJECTVOORNEMEN … eee. 4 2 TOELICHTING OP DE REGELGEVING 2.1 Globale kaders van de regelgeving … ……..nnuunnnnennnne nennen sernneneeeeenennereenen: 7 2.2 Beschermingsregiems … … …….unssnnnnnnnnerrennneereennnnerernneeeennnnnsennsnrereennnnnsneenen: 9 2.2.1 Soortbescherming.……… nnen ennnnneenn eren enennnnnnneneen eenen eennnnnnen eenen. 9 2.2.2 Gebiedsbescherming … … annen eerenennnnennneeen ener nenenennnnen ennen 11 2.3 Onderzoeksplan ans sensennnnasrrenseerveennnnrernsneeenennenennnsenreeesnnnn nennen: 12 3 TOETSING GEREGISTREERDE SOORTEN 3.1 Vaatplanten … aan.

sunnanrnreenenenreennnsenvennnenennnnnene vennen ennnanensennnneneennns 13 3.2 Zoogdieren … nnn nnnnnn serene reren nnnnnnrrense rees snnnnerensneeenennnnenens veren ensnnnseennn: 14 3.3 Broedvogels ……….nnnnnnnnsoennserreennnnanrrensneensennnnrennnneeenenneneennn ensen esnnnnsennnn: 16 3.4 Amfibieën en reptielen … ………...unnnnunnnserennerenennnnnernnenerenennnnernnneeeeenennnnsennen: 17 3.5 Vissen... ennn vereeeerereeverenvnereeeervereevenvnnennnnnnenenennnnnnnne nennen nnen 17 3.6 Ongewervelde soorten … … nnen nennen eeeeeereneeneeneneneneee nennen nennen ennen 17 3.7 Conclusie uit verspreidingsgegevens … nnen nennen eneen nennen neene nennen 18 4 LOCATIEONDERZOEK 4.1 Toetsing vigerende regelgeving gebiedsbescherming … nanne. 19 4.2 Verkenning werkgebied en nadere habitatbevindingen … … eneen 20 5 SAMENVATTENDE CONCLUSIES … … … … eneen: 25 GERAADPLEEGDE LITERATUUR … eee enenneeeeneneenenennen 26 GEBRUIKTE TERMEN EN AFKORTINGEN … eenen nennen nennen: 28 Onderzoek natuurwetgeving — Wevershoeve, Noldijk 41 Ridderkerk 1 OMSCHRIJVING PROJECTVOORNEMEN Situering plangebied De werklocatie betreft een boerderij met bijgebouwen aan de Noldijk 41 te Ridderkerk.

Figuur 1, situering werklocatie Boothellin Vaalweg Rijsoor Onderzoek natuurwetgeving — Wevershoeve, Noldijk 41 Ridderkerk Figuur 3, situatie werkgebied k Voorgenomen ingreep Deze omvat: - de transformatie van een boerderij met monumentstatus in 8 wooneenheden -__sloop van aanwezige bijgebouwen - opbreken van verharding en kap van enkele bomen rond de bestaande bebouwing = aanvullende nieuwbouw met 5 woningen Fi guur 4, ontwikkeling splan Onderzoek natuurwetgeving — Wevershoeve, Noldijk 41 Ridderkerk Omgevingswet Deze werkzaamheden vallen in het kader van de natuurregelgeving onder ‘ruimtelijke ingreep’, waartoe met betrekking tot de effecten op flora en fauna een onderzoekver- plichting van kracht is. Sinds 2024 is de nieuwe Omgevingswet van kracht. Volgens deze Omgevingswet dient, vergelijkbaar met de voormalige Wnb, bij dergelijke ingrepen door de initiatiefnemer met natuuronderzoek te worden aangetoond in hoeverre er met die ingreep mogelijk effecten kunnen ontstaan op juridisch zwaarder beschermde planten en/of dieren. Indien inder- daad effecten ontstaan op dergelijke vergunningsplichtige soorten vergt dat aanvraag van een natuurvergunning (zie 8 2.1).

Onderzoek natuurwetgeving — Wevershoeve, Noldijk 41 Ridderkerk 2 TOELICHTING OP DE REGELGEVING 2.1 Globale kaders van de regelgeving Omgevingswet en ‘Flora- en fauna-activiteit’ Met betrekking tot natuuraspecten is in de Omgevingswet een ‘flora- en fauna-activiteit’ onderscheiden. Hiervan is sprake indien een ruimtelijke ingreep een mógelijk gevolg heeft voor één of méér ‘van nature in het wild levende’ dieren of planten, ongeacht of deze soort/ soorten volgens de Omgevingswet beschermd zijn. Deze regelgeving is weergegeven in het Besluit activiteiten leefomgeving (‘Bal’). Onderzoeksverplichting en gevolgen Indien er aanwijzingen zijn dat een ruimtelijke ingreep gevolgen heeft voor flora en/of fauna, dient de initiatiefnemer op voorhand, op grond van objectieve gegevens, vast te stellen of nadelige gevolgen voor die planten of voor nesten, foerageerplaatsen, voort- plantingsplaatsen, rustplaatsen en eieren van die soorten, kunnen worden uitgesloten. *_Met dit onderzoek moet worden onderbouwd: - met welke beschermde soorten rekening moet worden gehouden, - voor welke soorten effecten kunnen worden uitgesloten omdat ze er niet worden verwacht, en/of .. - welke soorten er niet zijn aangetroffen, dan wel kunnen worden uitgesloten omdat de planingreep geen natuurschade aan die soorten met zich mee brengt.

Het uitsluiten van gebruik door (of schade aan) de betreffende soorten ‘op voorhand’ vergt een gedegen, controleerbare onderbouwing. *_Zijn nadelige gevolgen niet uit te sluiten, dan moet worden nagegaan: - welke nadelige gevolgen kunnen optreden, - of er specifieke zorgplicht in acht moet worden genomen (zie blz.9), dan wel in hoeverre dit vergunningsplichtige soorten betreft, of er passende preventieve maatregelen moeten worden genomen, óf de activiteit moet worden gestaakt, - of, als ‘staken’ niet kan, passende herstelmaatregelen dienen te worden genomen. Deze onderzoeksverplichting geldt overigens niét voor exoten en voor soorten die voor- komen buiten het natuurlijk verspreidingsgebied. Bovenstaande betekent dat: -__met onderzoek in ieder geval moet worden nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van soorten planten en dieren die kwetsbaar of bedreigd zijn (soort- bescherming, zie blz.9-11); - het altijd geldt voor alle in het wild levende soorten, ongeacht een eventueel van toepassing zijnde vrijstelling, gedragscode of vergunning; - dit bovendien niet beperkt is tot de dieren en planten zelf, maar ook tot de directe leefomgeving van de soorten zoals rust en vaste verblijfplaatsen, plaatsen voor het grootbrengen van de jongen en specifieke foerageergebieden.

Voor zover er in het kader van soortbescherming géén provinciale vrijstelling van toe- passing is (zie bij ‘vergunningsplicht’), vergt dat voor het vereiste onderzoek een oriën- tatie op de database van NDFF met tenminste een habitatverkenning. Daarmee wordt beoordeeld of er voor de mogelijk te verwachten vergunningsplichtige gevallen, signifi- cante onderdelen van het leefgebied in het geding kunnen zijn. In dat laatste geval is er een nader soortgericht onderzoek vereist, uit te voeren volgens de richtlijnen in beschikbare Kennisdocumenten (Bij12) of het vleermuisprotocol (GAN). Onderzoek natuurwetgeving — Wevershoeve, Noldijk 41 Ridderkerk Naast deze onderzoeksverplichting met betrekking tot soorten: - moet er tevens worden aangetoond in hoeverre gebiedsbescherming in het geding is, zoals met betrekking tot Natura 2000, tot Natuurnetwerk Nederland (NNN) of andere provinciale gebiedsbescherming, (gebiedsbescherming, zie blz. 11-12); - is er, afhankelijk van de situatie, ook een onderzoeksverplichting met betrekking tot stikstofuitstoot aan de orde (‘Aanvullingsbesluit’, zie ook blz. 12).

Doel en strekking van dit natuuronderzoek Deze Quick Scan als bureaustudie heeft als primair doel om vast te stellen of er met het voornemen beschermde soorten in het geding kunnen zijn, en zo ja of het ook vergun- ningsplichtige soorten betreft (zie vorige bladzijde): in dat laatste geval zal er in tweede instantie een nader veldonderzoek nodig zijn. Vergunningsplicht Voor een ‘flora- en fauna-activiteit’ is in het BAL een Vergunningsplicht’ met voorwaar- den opgenomen. De vergunningsplicht is van toepassing bij effecten op ‘richtlijnsoorten’, zwaarder beschermde soorten zoals zijn opgenomen in de Vogelrichtlijn, de Habitatricht- lijn en op de lijst ‘andere soorten’ zoals genoemd in Bijlage Xl van het BAL. Deze ‘andere soorten’ betref inheemse soorten en deels ook soorten van de Rode Lijst, die niet onder de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Provinciale vrijstelling Voor de lijst ‘andere soorten’ bestaat tegelijkertijd de mogelijkheid dat afzonderlijke pro- vincies daaruit soorten aanwijzen welke worden vrijgesteld van deze vergunningsplicht, wat wordt aangegeven in de provinciale Omgevingsverordening. Vergunningsvoorwaarden Een vergunning kan worden verkregen wanneer de ‘gunstige staat’ van betreffende soort(en) niet in het geding komt.

De voorwaarden staan in de Habitatrichtlijn genoemd: *_uit populatie-dynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat op lange termijn zal blijven, en... *_het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen af- zienbare tijd kleiner lijkt te zullen worden, en... er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden. Voorts moet de ingreep tegemoet komen aan een wettelijk belang zoals is opgenomen in het regiem van soortbescherming (zie blz.11). Bevoegd gezag Voor de toekenning van vergunningen en handhaving op deze regelgeving ligt het pri- maat bij de verschillende provincies. Op gemeentelijk niveau ligt er een signalerings- functie, waaraan echter geen gezag kan worden ontleend: die bevoegdheid ligt bij de Provincie. In de meeste provincies is deze functie overigens uitbesteed aan de betref- fende provinciale Omgevingsdienst. De in te lossen voorwaarden worden in de vergun- ningen nader aangegeven, zoals voorheen onder de Wnb in de ‘ontheffingen’. Nota Bene Handhaving: in sommige situaties handhaven provincies niet actief, doch al- leen bij wijze van steekproef achteraf of als gevolg van een melding.

Indien dan blijkt dat niet aan de onderzoeksverplichting is voldaan, is de initiatiefnemer strafbaar (econo- misch delict). Onderzoek natuurwetgeving — Wevershoeve, Noldijk 41 Ridderkerk Specifieke en algemene zorgplicht Indien een ruimtelijke ingreep gevolgen heeft voor flora en/of fauna bestaat daartoe een ‘specifieke zorgplicht’. Voor bescherming van Rode Lijst-soorten en soorten van Bijlage IX van het Bal is deze zorgplicht onder de Omgevingswet nieuw. Dit betreft effecten op soorten bij alle ruimte- lijke activiteiten, óók voor de beschermde soorten die niét vergunningsplichtig zijn. Tevens betreft dit broedende vogels. Werkzaamheden die verstorend kunnen zijn dienen in beginsel buiten het broedseizoen plaats te vinden. De verdere interpretatie van de reikwijdte van benodigd onderzoek en de te nemen maat- regelen zullen door jurisprudentie op termijn duidelijk moeten worden. Tot die tijd wordt van wat redelijkerwijs kan worden gevraagd, een inschatting gemaakt van de onderzoekslast en te nemen maatregelen voor de betreffende soorten. Voorals- nog wordt ervan uitgegaan dat deze de zorgverplichting met zich meebrengt dat: a. alle maatregelen worden genomen die redelijkerwijs van diegene kunnen wor- den gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (art.

11.27, 1e lid Bal); en .… . c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: de activiteit achterwege wordt gelaten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Met betrekking tot deze specifieke zorgplicht is de bescherming gericht op ‘van nature, in het wild levende dieren of planten’. Daarnaast is ook nog de ‘algemene zorgplicht’ van kracht: Deze geldt voor álle, dus ook niét-beschermde soorten. Indien bij een flora- en fauna- activiteit individuele dieren of hun vaste verblijfplaatsen worden verstoord of bedreigd, wordt in de Omgevingswet vereist dat ‘een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toe- passing van bestuursdwang worden gehandhaafd’ (herkomst Min.v. EZ 2016/ 8 2.4). Ten aanzien van beide vormen van zorgplicht bestaat een ketenverantwoordelijkheid tussen initiatiefnemer en uitvoerder. 2.2 Beschermingsregiems In deze regelgeving wordt onderscheid gemaakt in ‘Soortbescherming’ en ‘Gebiedsbe- scherming’, voor welke beide regiems de onderzoeksplicht geldt. 2.2.1 Soortbescherming De ‘soortbescherming’ is gericht op de ‘richtlijnsoorten’ (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn) en een lijst van ‘andere soorten’.

*__De Vogelrichtlijn is van toepassing op alle inneemse vogels: bedreiging van vogels, of verstoring van vogels tijdens het broeden is niet toegestaan, in beginsel ook niet middels een vergunning. Met betrekking tot de in gebruik zijnde nesten is er bovendien een lijst met vogels die jaarlijks hun nest opnieuw gebruiken dan wel er jaarlijks terugkeren. Deze groep is verdeeld in 5 categorieën (zie RvON 2021) waarvan het nest van categorieën 1 t/m 4 het jaarrond, dus óók buiten het broedseizoen, beschermd is en het nest buiten het broedseizoen vergunningsplichtig is. De Habitatrichtlijn is van toepassing op een daartoe opgenomen lijst met soorten zoogdieren, reptielen, amfibieën, dagvlinders, libellen, vissen, vaatplanten, kevers en Onderzoek natuurwetgeving — Wevershoeve, Noldijk 41 Ridderkerk 10 ‘overige ongewervelden’ (weekdieren). Deze groep soorten is bij verstoring of bedrei- ging te allen tijde vergunningsplichtig. *_De vergunningsplichtige lijst ‘andere soorten’ zoals opgenomen in de Bijlage IX (art.11.54 Bal) omvat inheemse soorten vaatplanten, zoogdieren, amfibieën, reptie- len, vissen, dagvlinders, libellen, en kevers. Slechts voor een beperkt aantal zoogdieren en amfibieën zijn, per afzonderlijke pro- vincie, nadere vrijstellingsregelingen opgenomen. Voor alle andere soorten die in de lijst ‘andere soorten’ zijn opgenomen, geldt dus eveneens een vergunningsplicht.

Ten opzichte van de eerdere situatie onder de Wnb zijn aan de Bijlage nog soorten toegevoegd waaronder ook een selectie uit Rode Lijst-soorten. Bij deze bovengenoemde drie groepen wordt in de Omgevingswet gesproken over scha- delijke handelingen die leiden tot een ‘vergunningsplichtig geval’, behalve als de betref- fende soort dus onder een vrijstellingsregeling valt. N.B. voor eventuele provinciale vrijstellingen, zie provinciale Omgevingsverordening. Schadelijke handelingen bestaan voor de verschillende beschermingsregiems uit: Voor de Vogelrichtlijn (art.11.37 Bal): *__het vernielen of beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het wegnemen van nesten van die vogels; *_ het (opzettelijk) verstoren van vogels. Voor de Habitatrichtlijn (art. 11.46 Bal): *_het verstoren van dieren; *_het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van die- ren; *_het plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soor- ten, genoemd in bijlage IV, onder b Hrl of bijlage | verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Voor de groep ‘andere soorten’ (art.

11.54 Bal): *_het beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of ei- eren van dieren; het in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwor- telen of vernielen van soorten vaatplanten zoals genoemd in bijlage IX, onder B. Wettelijk belangen bij een ‘vergunningsplichtig geval’ Bij eventuele aanvraag van een vergunning in het kader van soortbescherming is onder meer bepalend, naast ‘de gunstige staat’ (zie vergunningsvoorwaarden blz.8), of er een wettelijk belang uit het betreffende beschermingsregiem van toepassing is. Daarbij wordt onder het belang ‘ruimtelijke inrichting of ontwikkeling’ bij soortbescher- ming géén vergunning afgegeven voor soorten van de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn, behalve indien de ecologische functionaliteit van de soort daarmee geheel niet wordt aangetast, bijvoorbeeld door het nemen van maatregelen. * Een vergunning kan uitsluitend worden afgegeven indien de situatie van de ingreep vol- doet aan de specifieke bij het beschermingsregiem behorende belangen: *_Voor soorten van de Vogelrichtlijn (zoals jaarrond beschermde nesten) wanneer: - er geen andere bevredigende oplossing bestaat; - de ingreep nodig is in het kader van een voorgeschreven wettelijk belang, (onder meer openbare veiligheid, volksgezondheid, de veiligheid van het luchtverkeer e.a. zie S 3.1/ art. 3.3).

Onderzoek natuurwetgeving — Wevershoeve, Noldijk 41 Ridderkerk 11 * Voor soorten van de Habitatrichtlijn wanneer: - er geen andere bevredigende oplossing bestaat; - de ingreep nodig is in het kader van een voorgeschreven wettelijk belang, onder meer: volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende reden van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten (zie 8 3.2/ art.3.8). * Voor ‘andere soorten’ wanneer: - de ingreep nodig is in het kader van een voorgeschreven wettelijk belang, te we- ten volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende reden van groot openbaar belang; - het uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwik- keling betreft (algemeen belang); - in het kader van een goedgekeurde Gedragscode. 2.2.2 Gebiedsbescherming Hierbij gaat het om werkzaamheden ín of met betrekking tot nader aangewezen gebie- den zoals Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland (NNN) en aangewezen weidevogel- gebieden. Gebiedsbescherming omvat voor de aangewezen gebieden een eigen specifieke regel- geving en geldt, naast de regelgeving voor soortbescherming, een specifiek op de eigen regelgeving afgestemde onderzoeksverplichting. Toetsing aan de soortbescherming is daarentegen in beginsel altijd vereist, zowel binnen als buiten beschermde gebieden.

De regels van soort- en gebiedsbescherming sluiten elkaar niet uit, doch vullen elkaar aan. Natura 2000: - Natura 2000-gebieden betreft speciale beschermingszones die zijn aangewezen in het kader van de Vogel- of Habitatrichtlijn (resp. REG 1979 en REG 1992/1997). Wanneer de voorgenomen werkzaamheden effecten kunnen hebben op de voor dat betreffende gebied ‘aangewezen soorten’en de instandhouding van de aangewezen natuurlijke habitats, zijn deze vergunningsplichtig. Daarnaast is in deze gebieden, in- dien van toepassing, ook de soortbescherming van toepassing. - ‘externe werking Natura 2000” dit omvat gebieden die buiten de aangewezen Natura 2000-gebieden vallen maar die een aanwijsbare ecologische functie voor de aange- wezen soorten uit Natura 2000-gebieden vervullen en daarmee eveneens onder dat regiem en de vergunningsplicht vallen. -__stikstofemissie/ Aanvullingsbesluit: dit omvat het reguleren van stikstofdepositie als gevolg van ruimtelijke ingrepen en/of nieuw gebruik in de wijdere omgeving, wat is opgenomen in het ‘Aanvullingsbesluit Bal’ (zie ook Bij12 ‘Stikstof en Natura 2000’). Alhoewel gericht op Natura 2000-gebieden, is deze vergunningsplicht in beginsel overal van toepassing. Met betrekking tot de vergunningsplicht Natura 2000 bestaat géén vrijstellingsregeling.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) & aangewezen weidevogelgebieden Dit betreft eveneens bescherming van natuurwaarden binnen begrensde gebieden. Voor deze gebieden hebben Rijk en Provincie samen spelregels ontwikkeld welke zijn vervat in de provinciale regelgeving. Hierbij is een 'nee-tenzij' beleid van toepassing: binnen het NNN moeten de wezenlijke kenmerken en waarden van het betreffende ge- bied als onderdeel van het natuurnetwerk in acht worden genomen. De actuele en po- tentiële waarden van het NNN zijn vastgesteld in de natuurdoelen voor dat gebied. De basis daarvoor ligt in de provinciale structuurvisie en de betreffende ‘Provinciale Ruim- telijke Verordening’. Het beleid kan per provincie van elkaar verschillen. Onderzoek natuurwetgeving — Wevershoeve, Noldijk 41 Ridderkerk 12 2.3 Onderzoeksplan Met het onderzoek ten aanzien van flora en fauna wordt stapsgewijs ingezoomd op de situatie en vastgesteld welke juridisch zwaarder beschermde soorten of verstoring daar- van, kunnen worden uitgesloten dan wel nadere veldinventarisatie vergen. Werkstap 1, analyse bestaande gegevens Als eerste wordt de situatie getoetst aan indicaties van de NDFF (Nationale Databank, hoofdstuk 3). Die informatie is veelal niet compleet maar wel grotendeels indicerend. Ook eventuele eerdere onderzoekingen op de locatie worden daarin betrokken.

Op basis hiervan en de algemene habitat van de locatie wordt vastgesteld welke juridisch zwaarder beschermde soorten in dit gebied verwacht en bedreigd kunnen worden en welke daarvan op voorhand al kunnen worden uitgesloten. Met betrekking tot ‘uitsluitingen’ in het kader van de regelgeving wordt in de rapportage aandacht geschonken aan alle mogelijke soortgroepen van (beschermde) organismen. Voor sommige soortgroepen is dat niet méér dan het aangeven waarom daarvan géén vergunningsplichtige soorten op de locatie worden verwacht, dan wel waarom sommige soorten niet worden bedreigd of verstoord. Werkstap 2, toetsing aan gebiedsbescherming Dit omvat toetsing aan de regelgeving in het kader van de Omgevingswet en van provin- ciaal gebiedenbeleid (Natura 2000 en NNN, zie 8 4.1). Daarbij wordt beoordeeld of er wellicht ook andere natuurregelgeving in het geding kan zijn. Werkstap 3, habitatbeoordeling Naar aanleiding van het bovenstaande wordt op basis van een grondige inspectie een beoordeling gemaakt van de terreinkenmerken, de biotoop, de lokale habitat en van de ecologische betekenis van het effectieve werkgebied (zie 8 4.2).

In de conclusie wordt op basis van de nader beschreven habitat, vastgesteld welke voor de betreffende Provincie vergunningsplichtige en eventuele ‘aangewezen soorten’ (Na- tura 2000) voor de gegeven situatie zónder nadere veldinventarisatie kunnen worden uitgesloten, wat tevens geldt voor het al of niet van toepassing zijn van de ‘externe wer- king’ met betrekking tot ‘aangewezen soorten’. Tot zover betreft dit onderzoek een ‘Quick Scan’: bureaustudie met veldverkenning. Werkstap 4, eventuele veldinventarisaties Indien nader onderzoek nodig blijkt wordt dit uitgevoerd volgens de criteria zoals daartoe voor de betreffende soort(en) zijn vastgelegd in het onderzoeksprotocol. Werkstap 5, eindconclusie en advies De rapportage wordt afgerond met een puntsgewijze samenvatting van conclusies en consequenties, met een eventuele toetsing van consequenties, de haalbaarheid van het plan, het advies welke soorten nadere veldinventarisatie vergen dan wel in hoeverre natuurschade op voorhand met mitigatie kan worden voorkomen (zie hoofdstuk 5).

Onderzoek natuurwetgeving — Wevershoeve, Noldijk 41 Ridderkerk 13 3 TOETSING GEREGISTREERDE SOORTEN NDFF Onderzoekscontext Het onderzoek dat in dit hoofdstuk per soortgroep wordt weergegeven omvat toetsing van de locatie aan de meest actuele bronnen met reeds bestaande inventarisatie- en verspreidingsgegevens, met name NDFF, de ‘Nederlandse Databank Flora & Fauna’. Het is gericht op eventueel terreingebruik door juridisch zwaarder beschermde soorten (zie ‘soortbescherming’ blz.9-11) en indien voor het project relevant, op ‘aangewezen soorten’ (zie ‘gebiedsbescherming’ blz. 11-12). De gegevens waarop deze toetsing is gebaseerd omvatten veelal een aanzienlijk groter gebied dan de onderzoekslocatie (een uurhok, d.w.z. 5x5 km): naar aanleiding hiervan wordt in hoofdstuk 4 ingezoomd op de nader begrensde werklocatie. De gegevens uit de NDFF bieden een goede indicatie doch zijn niet geheel toegespitst op de werklocatie en vergen tenminste nog een aanscherping door een habitatbeoordeling op de locatie. Op basis van het bronnenonderzoek en de habitatbeoordeling wordt vervolgens bepaald welke vergunningsplichtige soorten in het werkgebied wellicht kunnen worden verwacht, en welke in het kader van de Omgevingsvergunning aanvullende veldinventarisatie ver- gen om vast te stellen of ze alsnog van aanwezigheid kunnen worden uitgesloten dan wel aanvraag van vergunning vergen.

De eventuele noodzaak tot nadere inventarisatie wordt afgeleid uit de samenhang tus- sen beschikbare gegevens (dit hoofdstuk 2), de habitatbeoordeling van het te onder- zoeken gebied (zie 8 4.2) en de ‘soort’ ingreep (hfdst.1). Algemeen karakter werkgebied De werklocatie ligt in het rivierengebied nabij het Waaltje (een oud afgesloten rivierres- tant), aan de rand van de stedelijke bebouwing van Ridderkerk. Tussen de Wevershoek en het Waaltje ligt een smal parkgebied. De werklocatie zelf bestaat voornamelijk uit bebouwing en verharding (groot parkeerter- rein), met direct rondom de bebouwing enkele beperkte groensnippers (zie figuur 3 blz.5) met een tuinkarakter. 3.1 Vaatplanten Beschikbare gegevens Uit de databank (NDFF 2025, Flora & Faunaverkenner) blijkt dat in de wijde omgeving beschermde ‘andere soorten’ zijn aangetroffen zoals Kartuizer anjer, Kleine en Stijve wolfsmelk, Schubvaren en Knolspirea (zie ook Floron 2011), alle zonder beleidsstatus. Voor genoemde soorten zijn binnen het werkgebied géén geschikte habitatcondities aanwezig. Conclusie Beschermde, vergunningsplichtige soorten zoals opgenomen in Bijlage IX bij art.11.54 van het Bal kunnen worden uitgesloten.

Onderzoek natuurwetgeving — Wevershoeve, Noldijk 41 Ridderkerk 14 3.2 Zoogdieren Beschikbare gegevens Uit de databank (NDFF 2025, Flora & Faunaverkenner) blijkt dat binnen het betreffende uurhok (5x5 km) 12 soorten zijn geregistreerd waaronder 5 vleermuissoorten (zie ook Broekhuizen 2016). Grondgebonden zoogdieren Van de grondgebonden soorten zijn Bever en Noordse woelmuis geregistreerd als ‘ver- gunningssplichtig geval’, behorend tot de categorie 'Habitatrichtlijnsoorten’. Bever wordt aangetroffen in een habitat met groter open water en een oeverhabitat met houtopstanden (zoals rivieruiterwaarden). Als schuilplaats wordt een hol gegraven of een burcht van takken en modder gemaakt. Noordse woelmuis wordt vooral aangetroffen in moerasstroken langs open water. Ze kunnen goed Zwemmen en maken ondergrondse gangen en verblijven. Bij hoge grondwaterstand worden bovengronds nesten gemaakt van mos, biezen en grassen, bijvoorbeeld onder riethopen. 's Winters worden grotere en zorgvuldiger ge- maakte nesten gebouwd dan ’s zomers. In het werkgebied zijn geen geschikte habitatvoorwaarden voor de Bever of de Noordse woelmuis aanwezig. Voorts is Steenmarter als ‘andere soort’ zonder provinciale vrijstelling geregistreerd. Daarnaast is een reeks ‘andere soorten’ geregistreerd waarop een provinciale vrijstelling van toepassing is.

Het betreft de muizensoorten Aardmuis, Bosmuis, Dwergmuis, Dwergspitsmuis, Huisspitsmuis en Veldmuis, Rosse woelmuis, de martersoorten Bun- zing en Wezel en voorts Egel, Mol, Vos, Ree, Haas, Konijn en Woelrat. Indien deze vrijgestelde inheemse soorten worden verstoord vergt dat toepassing van de onder de Omgevingswet ingevoerde ‘specifieke zorgplicht’ (zie blz.9). Vleermuizen Er zijn in deze regio binnen een afstand van 5 km thans tenminste 7 soorten vleermuizen geregistreerd: Gewone-, Kleine- en Ruige- dwergvleermuis, Laatvlieger, Meervleermuis en Rosse vleermuis. Van de meeste soorten betrof het slechts enkele exemplaren op meer dan 3 km afstand (“Uitvoerportaal NDFF’ 2025). Alle vleermuissoorten zijn vermeld in de Habitatrichtlijn Bijlage IV waarmee diverse ge- bruiksvormen van vleermuizen vergunningsplichtig zijn. Vleermuisgebruik kan bestaan uit vaste verblijfplaatsen in bomen, gebouwen of andere gebouwde constructies (kraam-, zomer-, paar- of winterverblijven). Van belang daarbij is dat de meeste vleermuissoorten steeds een ‘netwerk’ van vaste verblijfplaatsen gebruiken waartussen wordt gewisseld, waarbij het gehele netwerk strikt beschermd is (zie bijvoorbeeld ook Kennisdocumenten, BIJ12 versie 2.0, 2024).

Door sommige soorten worden tevens lineaire structuren (zoals houtsingels, boomrijen, bosranden, watergangen, dijken of combinaties daarvan) gebruikt als geleiding/ sonar- oriëntatie voor vaste vliegroutes (met name van dwergvleermuizen, Laatvlieger, Meer- vleermuis en Watervleermuis, zie Limpens 1997). Onderzoek natuurwetgeving — Wevershoeve, Noldijk 41 Ridderkerk 15 Gebruik als verblijfplaats: De verschillende soorten beschikken ieder over eigen soorten verblijven (zie ook Lim- pens 1997): *_Rosse vleermuis voornamelijk in (oudere) bomen, maar soms ook in gebouwen; *_Meervleermuis & Laatvlieger uitsluitend in bebouwing (zie Nota bene); *_dwergvleermuizen, kunnen zowel in bomen als in gebouwen worden aangetroffen (zoals in spouwruimten, onder dakpannen, achter betimmeringen, in doorvoeren van leidingen e.d.). Deze soorten maken gebruik van zeer smalle spleten (zie Nota bene); Nota bene: *_ Vleermuizen zijn met betrekking tot hun vaste verblijfplaatsen zeer honkvast: zo lang er geen significante ingrepen plaatsvinden waardoor hun gebruik wordt verstoord of belemmerd, blijven ze jaarlijks in continuïteit dezelfde verblijven en dezelfde vliegrou- tes naar hun afwisselende foerageergebieden gebruiken. *__van dwergvleermuizen en Laatvlieger is bekend dat ze thigmofiel zijn, dat wil zeggen dat ze in hun verblijfplaats contact aan borst- en rugzijde vergen.

Derhalve maken ze voor hun verblijf slechts gebruik van zeer nauwe ruimten van enkele centimeters. De toegang tot de verblijfplaats zit veelal 3 meter boven het maaiveld of hoger. Rond en direct onder de toegang dienen geen obstakels aanwezig te zijn die het invliegen kunnen hinderen: deze soorten vergen rondom de toegang van hun verblijf een vrije aanvliegruimte van 2 tot 3 meter. Vaste vliegroutes: Dwergvleermuizen en Laatvlieger benutten de beschutting van lijnvormige landschaps- elementen als geleiding voor hun vaste vliegroutes naar hun diverse foerageerlocaties. Daarbij valt te denken aan houtsingels, hagen, boomrijen, bospaden, bosranden, door- gaande watergangen, dijken en bouwingswanden en -linten. Meervleermuizen benutten voor hun vaste vliegroutes naar hun foerageergebied de geleiding van relatief onbe- schutte kanalen of brede vaarten, waarbij ze zeer laag over het water vliegen in de be- schutting van oevers; foerageergebied voor deze soort omvat veelal grotere open wa- terelementen. Conclusie zoogdieren Grondgebonden soorten: *_Gezien ter plaatse van het werkgebied, dat voornamelijk bestaat uit bebouwing en verharding, de nodige habitat voor Bever en Noordse woelmuis ontbreekt kunnen deze soorten op voorhand worden uitgesloten. *_Steenmarter kan mogelijk een verblijfplaats vinden rond bebouwing: dit vergt nadere inspectie van het werkgebied op potenties.

*__Werkprotocol vrijgestelde inheemse soorten: Hierop is de specifieke zorgplicht van toepassing. Indien dergelijke dieren (amfibieën of kleine zoogdieren) langs het werk- traject (kunnen) worden aangetroffen dienen deze ondanks de werkzaamheden, vol- doende ontsnappingskans te krijgen dan wel voorzichtig te worden opgepakt en op een veilige plek te worden weggezet. Vleermuizen: *__Deze vereisen nadere controle op gebruiksmogelijkheden in eventueel te slopen/ transformeren bebouwing en in kappen bomen. Bij potentiële verstoring van verblijfplaatsen en/of vliegroutes vereisen deze in begin- sel nader veldonderzoek, en indien aangetroffen aanvraag van vergunning. Onderzoek natuurwetgeving — Wevershoeve, Noldijk 41 Ridderkerk 16 3.3 Broedvogels Beschikbare gegevens Uit de databank (NDFF 2025, Flora & Faunaverkenner) blijkt dat binnen het betreffende uurhok (5x5 km) diverse vogels met een jaarrond beschermd nest zijn geregistreerd (zie ook Sovon 2002 & 2018). Deze nesten zijn vergunningsplichtig. Vaste en jaarrond beschermde nesten Vogels die hun nest het jaar rond gebruiken dan wel jaarlijks op hetzelfde nest terugke- ren, zijn ingedeeld in 5 categorieën (zie RVON 2021). De categorieën 1 t/m 4 hebben vanwege verschillende eigenschappen een jaarrond beschermd’ nest. Bij vernietiging of verstoring van het nest vergen deze aanvraag van een natuurvergunning.

De soorten van categorie 5 (waaronder ook veel holtenbroeders) gebruiken eveneens jaarlijks hetzelfde nest maar behoeven veelal geen jaarrond bescherming en behoeven, indien voldoende alternatieve nestelmogelijkheden beschikbaar, in beginsel geen ver- gunning. Overige broedvogels Veelal zijn er in elk soort terrein ook andere broedende vogels te verwachten, waaronder nesten in struwelen en in te kappen bomen (zie ook Sovon 2018). Broedende vogels mogen onder géén enkele conditie worden verstoord (zie DR 2009). Onder die voorwaarde is echter voor de meeste broedvogelsoorten géén aanvullende veldinventarisatie vereist Conclusie broedvogels Jaarrond beschermde nesten: *__Het werkterrein vergt nadere controle op mogelijk aanwezige jaarrond beschermde nesten uit categorieën 1 t/m 4 in mogelijk te kappen bomen. Zo nodig behoeft dat nadere inventarisatie van het gebruik en aanvraag van vergunning. *_Andere soorten met jaarrond beschermde nesten uit categorie 1 t/m 4 kunnen van- wege de afwezigheid van de vereiste habitat, bij voorbaat worden uitgesloten. *_Eventueel te verwachten soorten uit categorie 5 vergen nadere controle op aanwe- zigheid, zo nodig nadere inventarisatie van het gebruik en beoordeling op noodzaak tot aanvraag van vergunning. Overige broedende vogels: *_Deze vallen onder de specifieke zorgplicht (zie blz.9).

Werkzaamheden die verstorend kunnen zijn dienen in beginsel buiten het broedsei- zoen plaats te vinden. Tijdens het broeden mogen deze niet worden verstoord. Werkprotocol: bij werkzaamheden tijdens het broedseizoen vergt dat regelmatig broedvogelcontroles, en zo nodig het ontzien of afschermen van de werkplek tot de dieren zijn uitgebroed. * Onderzoek natuurwetgeving — Wevershoeve, Noldijk 41 Ridderkerk 17 3.4 Amfibieën en reptielen Beschikbare gegevens Uit de databank (NDFF 2025, Flora & Faunaverkenner) blijkt dat binnen een straal van ca. 3 km géén vergunningsplichtige soorten zijn aangetroffen (zie ook Creemers 2009; NDFF 2025). Amfibieën Vergunningsplichtige soorten zijn binnen het betreffende uurhok niét geregistreerd (zie ook ‘Uitvoerportaal NDFF’ 2025). Wel zijn in de wijde omgeving Bastaardkikker, Meerkikker, Bruine kikker, Gewone pad en Kleine watersalamander geregistreerd: op al deze soorten is een vrijstelling van toe- passing. Indien deze vrijgestelde inheemse soorten worden verstoord vergt dat toepassing van de onder de Omgevingswet ingevoerde ‘specifieke zorgplicht’ (zie blz.9). Daarbij benut- ten Gewone pad en Kleine watersalamander ook een winterhabitat (en Gewone pad ook een zomerhabitat) op land. Reptielen In het betreffende uurhok is géén Ringslang geregistreerd, terwijl ook de habitat (bebou- wing en verharding) geen verblijfspotenties biedt.

Conclusie amfibieën en reptielen Mede gezien de habitatsituatie van het werkgebied (zie blz.13) kunnen slechts be- perkt vrijgestelde amfibieën worden verwacht. *_Werkprotocol vrijgestelde inheemse soorten: Hierop is de specifieke zorgplicht van toepassing. Indien dergelijke dieren binnen het werktraject (kunnen) worden aange- troffen dienen deze voldoende ontsnappingskans te krijgen dan wel voorzichtig te worden opgepakt en op een veilige plek te worden weggezet. *_ Reptielen kunnen in het werkgebied worden uitgesloten 3.5 Vissen Beschikbare gegevens Uit de databank (NDFF 2025, Flora & Faunaverkenner) blijkt dat binnen het betreffende uurhok géén vergunningsplichtige en ook géén beschermde vissen zijn geregistreerd. Conclusie vissen Beschermde vissen kunnen op basis van verspreiding op voorhand worden uitgesloten. 3.6 Ongewervelde soorten Bij ongewervelde soorten moet men denken aan vlinders, libellen, sprinkhanen en soort- groepen als mieren, kevers, weekdieren e.d. Onder deze groepen vallen eveneens be- schermde soorten terwijl voor sommige soorten ook een vergunnings-plicht geldt. Juri- disch zwaar beschermd zijn soorten uit de groepen libellen, dagvlinders en ‘overige on- gewervelde soorten’ (waaronder ook waterorganismen).

Onderzoek natuurwetgeving — Wevershoeve, Noldijk 41 Ridderkerk 18 Beschikbare gegevens Uit de databank (NDFF 2025, Flora- en faunaverkenner) blijkt dat in de wijdere omgeving als vergunningsplichtige ‘andere soort’, slechts incidenteel Grote vos is geregistreerd (zie ook Bos 2006, Dijkstra 2002, Gmelig Meyling 2008). Grote vos komt voor in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. De waardplant is vooral iep, maar ook zoete kers en sommige wilgensoorten, waar de rupsen in de toppen van de bomen huizen. Conclusie ongewervelden De werklocatie vergt controle op geschikte waardplanten voor Grote vos. 3.7 Conclusies uit verspreidingsgegevens Volgens de databank van NDFF en verspreidingsgegevens blijkt dat in het werkgebied naast vrijgestelde ‘andere soorten’, meerdere vergunningsplichtige soorten verwacht kunnen worden waarvan reeds enkele op basis van het algemene karakter van het werk- gebied (blz.13), op voorhand kunnen worden uitgesloten.

De volgende resterende soorten vergen alsnog nadere controle van de habitat om te beoordelen of er een geschikte habitat voor is, in welk geval nader onderzoek (en moge- lijk aanvraag van vergunning) nodig is: Bij sloop of transformatie van bebouwing of kap van grotere bomen: - potenties voor- of sporen van verblijf van Steenmarter of vleermuizen; Bij te kappen bomen, controle op: - jaarrond beschermde nesten van roofvogels; - eventuele functie als waardplant voor Grote vos. Voorts zijn er broedgevallen te verwachten van algemene broedvogels in bomen en strui- ken, welke tijdens het broeden moeten worden ontzien. Ook zijn er mogelijk vrijgestelde kleine zoogdieren en/of amfibieën te verwachten, welke bij de uitvoering aandacht en toepassing van de specifieke zorgplicht vergen (zie blz.9). Andere vergunningsplichtige soorten kunnen op basis van verspreiding en/of habitat, op voorhand worden uitgesloten. Onderzoek natuurwetgeving — Wevershoeve, Noldijk 41 Ridderkerk 19 4 LOCATIEONDERZOEK 4.1 Toetsing vigerende regelgeving gebiedsbescherming Natuurbescherming met betrekking tot gebieden vormt sinds 2024 onderdeel van de Omgevingswet (Natura 2000-gebieden incl. de stikstofproblematiek) en van de provinci- ale regelgeving (Natuurnetwerk Nederland). Indien binnen Natura-2000 of een effect in het kader van externe werking, is sprake van een ‘Natura 2000-activiteit’.

Natura 2000-gebieden: De werklocatie ligt op ca. 3 km afstand van Natura 2000-gebied de ‘Oude Maas’ en op 3,5 km afstand van de ‘Boezems Kinderdijk’. De aanwijzing van Boezems Kinderdijk omvat: - instandhoudingsdoelen, Noordse woelmuis; - broedvogels Purperreiger, Porseleinhoen en Zwarte stern; - wintergasten Smient, Krakeend, Slobeend en Snor; De aanwijzing van Oude Maas omvat instandhoudingsdoelen m.b.t. Bever en Noordse woelmuis. Stikstofproblematiek: Als onderdeel van de Omgevingswet dient in dit kader te worden aangegeven in welke mate met de uitvoering wordt bijgedragen aan de stikstofproductie, in relatie tot stikstof- depositie in omringende Natura 2000-gebieden. Daartoe dient de stikstofproductie te worden berekend van te gebruiken verbrandings- motoren bij de werkzaamheden (zie ‘Aanvullingsbesluit’ blz.12). De berekeningen worden buiten dit natuuronderzoek afgehandeld (zie advies hieronder). Advies: Een dergelijk onderzoek kunt u laten verrichten door de milieuspecialist Mattijs Lan- gelaar, Langelaar Milieuadvies, info@langelaarmilieuadvies.nl - tel.0612-199.804. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De werklocaties vormen géén onderdeel van het NNN of bijzondere weidevogelgebieden waarmee de betreffende regelgeving hiervoor niet van toepassing is.

Bovendien is in de Provinciale Verordening opgenomen: ‘In principe behoren bestaande bebouwing, erven, tuinen en wegen met een gesloten verharding (inclusief bermen) niet tot het NNN”. Ook hiervoor geldt dus dat de betreffende regelgeving niet van toepassing is. Onderzoek natuurwetgeving — Wevershoeve, Noldijk 41 Ridderkerk 20 4.2 Verkenning werkgebied en nadere habitatbevindingen De verkenning is uitgevoerd op 12 september 2025 door de veldbioloog John Mulder. Tijdens het veldbezoek zijn het perceel als werklocatie en de opstallen onderzocht op (mogelijke) beschermde soorten. De te transformeren boerderij is binnen en op zolder geïnspecteerd. Inspectie van het perceel en de opstallen Het perceel is grotendeels verhard (zie foto 1). Bovendien zijn er kleine delen met een tuinbegroeiïïng aanwezig met dichte struiken zoals conifeer, haagliguster en olijfwilg (zie foto’s 2 en 3). Het perceel wordt omsloten door een parkbegroeïïng met veel bomen. Foto 1, indruk van de aanwezige verharding Foto 3, delen met tuinbegroeiïng Onderzoek natuurwetgeving — Wevershoeve, Noldijk 41 Ridderkerk 21 De boerderij kent massieve gemetselde gevels en een rieten kap (foto 4). Van binnen is de boerderij verbouwd en strak afgewerkt. De zolder in de nok van het dak is echter nog origineel. Er blijkt onder het dakriet geen dakbeschot aanwezig (zie foto's 5 en 6).

Foto 4, karakter boerderij nee Foto 5, situatie zolder Foto 6, geen dakbeschot _ ANA: Ni De boerderij heeft luiken en een gemetselde schoorsteen. Onderzoek natuurwetgeving — Wevershoeve, Noldijk 41 Ridderkerk 22 De luiken sluiten niet aan op de gevel (zie foto 7) zodat er geen verblijfsruimte is. De schoorsteen heeft geen openingen of (ruimte achter) openstaand zinkwerk (foto 8). Foto 7 luike of zinkwerk 4 AE, Het bijgebouw (de aanbouw) is van recentere datum en opgebouwd uit hout en gladde materialen. De gevels en omtimmerde dakgoot zijn kierdicht afgewerkt. Het pannendak is voorzien van werende middelen om ongedierte tegen te houden (zie foto's 9 en 10). bijgebouw Foto 9, het Onderzoek natuurwetgeving — Wevershoeve, Noldijk 41 Ridderkerk 23 Foto 10, dakgoot en pannendak Vaatplanten Voor wilde planten is op het perceel nagenoeg geen ruimte. Muurplanten ontbraken. In de zeer beperkte ruimte met tuinbegroeïïng zijn geen standplaatsomstandigheden aanwezig voor beschermde planten. Aanwezigheid van beschermde soorten of soorten van de Rode Lijst kan worden uitgesloten worden. Grondgebonden zoogdieren Vanwege de inrichting van het perceel (bebouwing, verharding en zeer kleine tuin) kun- nen soorten als Haas en Konijn vanwege het ontbreken van ruimte met een geschikte habitat, worden uitgesloten. De gebouwen zijn niet bereikbaar voor soorten als Wezel en Bunzing.

Dak en muren van de bebouwing zijn geïnspecteerd op mogelijke toegang voor Steen- marter, waartoe geen mogelijkheden zijn gevonden. Bovendien is in de bebouwing, met name ook op zolder, gezocht naar sporen van dieren. Op enkele keutels van Huis- muis na zijn deze niet gevonden. Aanwezigheid van marterachtigen in de bebouwing kan dus worden uitgesloten. Vleermuizen De luiken staan los en te ver van de gevel om een geschikte hangplek voor vleermui- zen te bieden. De schoorsteen kent geen holtes anders dan de schoorsteenpijp zelf. De gevels van de boerderij zijn massief en van de aanbouw (bijgebouwen) kierdicht gebouwd. Van het rieten dak is niet met zekerheid vast te stellen of dit invliegopeningen geschikt voor vleermuizen bevat. Echter, op zolder zijn ondanks goed zoeken geen keutels of andere sporen van vleermuizen aangetroffen. Gezien de toestand van de zolder is hier lang niet (of nooit) schoongemaakt. Oude keutels zouden zichtbaar moeten zijn. Buiten het (hek van het) perceel zijn bomen/groenstructuren aanwezig waar mogelijk wordt gefoerageerd of waarvan de begroeiïngsrand wordt gebruikt voor een vliegroute. Deze blijven echter geheel in stand (openbaar gebied). Deze, in de situatie waarschijn- lijk niet-essentiële, functies vergen zo nodig wel zorg om lichtverstoring of tijdelijke fy- sieke blokkade door werkzaamheden te voorkomen.

Onderzoek natuurwetgeving — Wevershoeve, Noldijk 41 Ridderkerk 24 Broedvogels De bebouwing biedt géén mogelijkheden voor het nestelen van huismussen met jaarrond beschermde nesten of voor bijvoorbeeld categorie 5-soorten zoals boerenzwaluwen. Wel kunnen algemene voorkomende vogels broedend in het tuingroen of langs de bui- tenranden van het aansluitende park, zoals Merel en Duif. Broedende vogels mogen nóóit worden verstoord. Amfibieën en reptielen Binnen het plangebied is geen water aanwezig. Voortplanting is daarom niet mogelijk. Zeer algemene soorten (bv. gewone pad) kunnen vrij ver van voortplantingswater land- biotoop gebruiken en zich buiten het voortplantingsseizoen ook in tuinen ophouden of begeven. De mogelijkheden hiertoe zijn in hier zeer gering, maar niet uit te sluiten. Deze soorten kennen een vrijstelling van verstoringsverboden voor ruimtelijke in- richting. Er geldt echter nog wel de specifieke zorgplicht. Reptielen zijn vanwege verspreiding en habitatcondities, reeds op voorhand uitgeslo- ten. Ongewervelde soorten! insecten Voor Grote vos ontbreken In het werkgebied eventuele waardplanten in de vorm van begroeïïng van iep, populier, prunus of breedbladige wilgen, evenals geschikte over- winteringsplaatsen zoals stapels hout of holle bomen, zodat Grote vos kan worden uit- gesloten.

Andere beschermde insecten of soorten van de Rode Lijst kunnen worden uitgesloten op basis van verspreiding en geschikte habitat. Conclusies habitatbevindingen De werkzaamheden kunnen mogelijk effect hebben op aanwezige soorten. Specifiek gaat het daarbij om bedreiging of verstoring van algemeen voorkomende soorten zoals kleine zoogdieren, amfibieën of broedende vogels, evenals mogelijke verstoring van foeragerende of op vliegroute zijnde vleermuizen. Dergelijke effecten dienen met de werkzaamheden te worden vermeden. Onderzoek natuurwetgeving — Wevershoeve, Noldijk 41 Ridderkerk 25 ej SAMENVATTENDE CONCLUSIES In samenhang tussen literatuuronderzoek, veldverkenning en habitatbeoordeling kunnen de volgende conclusies worden getrokken: 1) Vigerende regelgeving gebiedsbescherming *_Natura 2000: Op de planlocatie zijn geen condities aanwezig welke gebruik door aangewezen soorten uit Natura 2000-gebied mogelijk maken: de regelgeving van de ‘externe werking Natura 2000’ is dus niet van toepassing (zie S 4.1). *_Stikstof - Aanvullingsbesluit Bal: Indien bovendien een berekening van de te verwachten stikstofdepositie nodig is, moet deze separaat van deze rapportage worden uitgevoerd (zie 8 4.1). *_Natuurnetwerk Nederland: Het plangebied vormt géén onderdeel van het NNN of van ‘bijzondere weide- vogelgebieden’ (zie 8 4.1).

2) Bevindingen habitatverkenning Alle gvergunningsplichtige soorten, inclusief vogels met jaarrond beschermde nes- ten, vleermuizen, Steenmarter en Grote vos kunnen in het kader van soortbescher- ming worden uitgesloten op basis van verspreiding en/of ontbrekende gebruikscon- dities (zie hoofdstuk 3 en 8 4.2). 3) Zorgplicht/ werkprotocol *_ Overige broedende vogels kunnen tijdens het broedseizoen (1 maart tot eind au- gustus) worden verwacht in bomen en op het water. Ze mogen tijdens het broe- den niet door werkzaamheden worden verstoord. Voor algemeen voorkomende amfibieën en kleine zoogdieren dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Rondvliegende vleermuizen mogen niet worden belemmerd door obstakels of lichtverstoring (randen begroeïïng/ bouwlampen). Hiervoor dient bij voorkeur een werkprotocol te worden gehanteerd. 4) Met betrekking tot uitvoering *_Met het ontzien van overige broedende vogels en het in acht nemen van de wet- telijke zorgplicht ten aanzien van alle flora en fauna (zie blz.9), zijn binnen de geldigheidstermijn van dit onderzoek geen directe belemmeringen van toepas- sing: de onderhavige rapportage vormt daartoe de bewijslast. De geldigheid van dit onderzoek omvat 3 jaar vanaf de datering van dit rapport. Werkzaamheden kunnen op basis van deze rapportage binnen die termijn zonder aanvraag van vergunning en overige consequenties, worden uitgevoerd.

Onderzoek natuurwetgeving — Wevershoeve, Noldijk 41 Ridderkerk 26 GERAADPLEEGDE LITERATUUR Bal (2024). Besluit activiteiten leefomgeving: nieuw ingevoerde regelgeving m.b.t. onder meer flora & fauna in het kader van de Omgevingswet (1 januari 2024). Bij12 (2017). Kennisdocument Gewone dwergvleermuis, versie 1.0 Bij12 (2022). Kennisdocument Huismus, versie 2.0 (2024) Bij12 (2017). Wettelijk kader aanpak stikstof. www.bij12.nl/onderwerpen/programma-aanpak-stikstof/wettelijk-kader/ Bij12 (2023). Stikstof en Natura 2000. https://www.bij12.nl/onderwerpen/stikstof-en-natura2000/ Boesveld, A (2011), A. Gmeylig Meyling & R. de Bruyne, De Levende Natuur jg 112 nr. 3: Natuurbeheer, bescherming en biotoopeisen van drie bijzondere Nederlandse slakken. Bos/ F. (2006), M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, |. Wynhoff, De Vlinderstich- ting. De Dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming. Nederlandse Fauna 7, Leiden. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey — Nederland. Broekhuizen/ Sim (2016), Kamiel Spoelstra, Johan B.M. Thissen, Kees J. Canters en Jan C. Buys (redactie): Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Uitgever Naturalis Biodiversity Center en EIS-Nederland, Leiden. Creemers (2009) Raymond.C.M. en Jeroen J.C.W. van Delft (Ravon)/ redactie: De Am- fibieën en Reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9.

Nationaal Natuurhisto- rischMuseum Naturalis, EIS-Nederland, Leiden. Dijkstra/ Klaas-Douwe B. (2002), Vincent J.Kalkman, Robert Ketelaar, Michiel J.T. van der Weide: De Nederlandse Libellen (Nederlandse Fauna 4). KNNV Uitgeverij. DR 2009. Wijziging beoordeling ontheffing (vergunning) Flora- en faunawet bij ruimte- lijke ingrepen en aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten. Brief van de Dienst Rege-lingen, ffw2009.corr.046 van 25 augustus 2009, Ministerie van LNV (thans EZ). Floron 2011. Nieuwe atlas van de Nederlandse Flora. Stichting Floron/ KNNV Zeist. GAN 2021: Het protocol voor vleermuisinventarisaties. Gegevensautoriteit Natuur, Zoogdiervereniging VZZ en Netwerk Groene Bureau's. Gmelig Meyling, A.W. & A. Boesveld (2008). Inhaalslag Verspreidingsonderzoek Mol- lusken van de Europese habitatrichtlijn. resultaten van het inventarisatiejaar 2007/ Platte schijfhoorn Anisus vorticulus. Stichting Anemoon, Bennebroek, 30 juni 2008. Limpens/ H.J.G.A. (1997), K. Mostert en W. Bongers: Atlas van de Nederlandse Vleer- muizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Onderzoek natuurwetgeving — Wevershoeve, Noldijk 41 Ridderkerk 27 Ministerie van EZ (2016). Soortbescherming bij ruimtelijke ingrepen, versie 1.3 decem- ber 2016. Ministerie van LNV/ DG Stikstof (v.a. 2019): Handreiking beheer en onderhoud, Aanpak Stikstof. NDFF (2025).

Verkenner & Uitvoerportaal Nationale databank flora en fauna. NDFF/RAVON (2025). Online verspreidingsatlassen amfibieën resp. reptielen, http://verspreidingsatlas.nl. REG 1979, Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van Europese Gemeenschappen inzake het behoud van de vogelstand (Vogelrichtlijn, EEG 79/409, laatstelijk gewijzigd in 2006). REG 1992/1997, Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van Europese Gemeenschappen in- zake de instandhouding van de natuurlijke Habitats en de wilde flora en fauna (Habitatrichtlijn, EEG 92/43, laatstelijk gewijzigd in 1997). RvON 2021, Indicatieve lijst jaarrond beschermde vogelnesten (zie ook DR 2009). Sovon 2018. Vogelatlas van Nederland, redactie Fred Hustings & Kees Koffijberg. Kos- mos uitgevers, Utrecht/Antwerpen. Onderzoek natuurwetgeving — Wevershoeve, Noldijk 41 Ridderkerk 28 GEBRUIKTE TERMEN EN AFKORTINGEN aangewezen soorten Natura 2000 soorten planten en/of dieren welke in een ministerieel besluit ten aanzien van een Natura 2000-gebied zijn aangewezen als specifiek met betrekking tot dat gebied te beschermden; andere soorten (zie Bal) eveneens beschermde soorten, niet behorend tot de soorten van Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn (Bijlage bij de Wet Natuurbescherming); Bal Besluit activiteiten leefomgeving (onderdeel Omgevingswet zie blz.7); externe werking Natura 2000 de geboden m.b.t.

Natura 2000 zijn ook van kracht voor aangewezen fauna-soor- ten buiten een als zodanig aangewezen gebied wanneer zij daar ook significant gebruik maken voor functies zoals foerage, dagverblijf of hoogwatervluchtplaat- sen (bijv. vogels) of voor overwintering (bijv. vleermuizen); fauna dierlijke organismen waaronder zoogdieren, vissen, vogels, amfibieën, reptielen, insecten en andere ongewervelden; flora plantaardige organismen zoals houtgewassen, kruidachtige gewassen, grassen en waterplanten; flora- en fauna-activiteit indien een ruimtelijke ingreep een mógelijk gevolg heeft voor een ‘van nature in het wild levend dier of plant’, ongeacht of deze soort volgens de Omgevingswet beschermd is (zie verder blz.7); foerageren naar voedsel zoeken, voedsel verzamelen; GAN Gegevensautoriteit Natuur, onafhankelijke overheidsinstantie met de verantwoor- delijkheid voor het verzamelen van natuurgegevens, ingesteld door het Ministerie van LNV (thans EL&I); habitat typische leefomgeving van een bepaalde soort; Habitatrichtlijn, HR-soorten soorten planten of dieren welke zijn opgenomen in de verschillende Bijlagen van de Europese habitatrichtlijn: Bijlage IV: dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten wor- den beschermd; kraamverblijf (vleermuizen) een vaste holte of spleet (in boom of gebouw) waar vleermuizen worden geboren en gekraamd totdat ze vliegvlug zijn;

natuurschade de schade welke door werkzaamheden aan ter plaatse voorkomende (individuen van) beschermde soorten planten en dieren en vaste verblijf- en voortplantings- plaatsen daarvan, wordt toegebracht door bedreiging, verwonding, beschadiging of aantasting van de leefomgeving of specifieke biotoopomstandigheden; natuurvergunning een vergunning in het kader van de Omgevingswet tot het verrichten van een ruimtelijke ingreep onder voorwaarde van maatregelen vanwege verstoren van vergunningsplichtige soorten flora en fauna (voorheen onder Wnb, ‘ontheffing’); NDFF Nationale Databank Flora en Fauna: NNN Natuurnetwerk Nederland; Onderzoek natuurwetgeving — Wevershoeve, Noldijk 41 Ridderkerk 29 Omgevingsdienst regionale uitvoeringsdienst in opdracht van gemeenten en provincies, voor ver- gunningverlening, toezicht en handhaving op het gebied van natuur en milieu; Omgevingswet (Ow, januari 2024, (zie hoofdstuk 2): nieuwe wetgeving in het kader van de ruimtelijke ordening, waaronder ook natuur- wetgeving (i.p.v.

Wet natuurbescherming /Wnb) Onderdelen van de Ow: Ob = Omgevingsbesluit Bkl = Besluit kwaliteit leefomgeving Bal = Besluit activiteiten leefomgeving Or = Omgevingsregeling ongewervelde soorten diersoorten zónder dan wel met een uitwendig skelet, zoals weekdieren, kevers, mieren en insecten; RAVON Reptielen, Amfibieën en Vissen Onderzoek Nederland; RvON Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (voorheen Dienst Regelingen); soortgroep groep organismen van dezelfde klasse of ondersoort: vaatplanten, mossen, zoog- dieren, vogels, reptielen, amfibieën, vissen, insecten; specifieke zorgplicht flora en fauna dit betreft de zorgplicht voor alle inheemse soorten flora en fauna welke vrijwel alle ruimtelijke activiteiten betreft (zie ook algemene zorgplicht’ zie blz. 9); ‘ter zake kundige’ een persoon die: *_op HBO, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt ecologie, en/of * als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, en/of *_ zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van soortbescherming en is aangesloten bij de daarvoor bestaande organisaties/ PGO'’s zoals RAVON, VZZ, SOVON, FLORON enz.

(bron: Ministerie van LNV/ EZ); vaste verblijfplaatsen (zie Ob/ Bal) zomer-, winter- of paarverblijfplaatsen, vaste migratie- en vliegroutes en cruciale foerageerplekken van vleermuizen; vaste voortplantingslocaties van amfibieën; vaste verblijfplaatsen van Kleine modderkruiper, e.d; schuil- en broedplaatsen van vogels welke jaarlijks opnieuw als zodanig worden gebruikt; Vergunningsplichtig geval dit betreft schadelijke handelingen ten aanzien van álle inheemse soorten die niét onder een provinciale vrijstelling vallen en waarvoor bij te verwachten schade door een ruimtelijke ingreep, aanvraag van een provinciale vergunning vereist is (zie blz.8); verspreidingsgegevens/ -onderzoek met steekproefonderzoek vastgestelde gebieden waar een bepaalde soort ver- wacht kan worden; Vogelrichtlijn, VR-soorten vogelsoorten die zijn opgenomen in de Europese Vogelrichtlijn; volgens het Europese recht wijzen de lidstaten beschermingszones aan om voor alle aangewezen soorten een voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermden om populaties van deze soorten in stand te kunnen houden; Onderzoek natuurwetgeving — Wevershoeve, Noldijk 41 Ridderkerk 30 vrijstelling, provinciale (onderdeel Provinciale omgevingsverordening) een in het kader van de Omgevingswet geregelde provinciale toestemming tot on- der meer het verstoren of (per ongeluk, onvermijdelijk,)

doden van beschermde dieren en/of vernietigen van beschermde planten en hun groeiplaats; wettelijk belang (Ow) in de natuurwetgeving zijn een aantal verschillende belangen opgenomen op ba- sis waarvan het beschermingsregime met betrekking tot soorten van de Vogel- richtlijn of Habitatrichtlijn, mede wordt genuanceerd (zie blz.11); winterverblijf een plek (in boom, gebouw of in de bodem) welke door een faunasoort wordt ge- bruikt om vorstvrij te overwinteren; zorgplicht flora en fauna, algemene de in de wet vastgelegde plicht (art. 2) dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren (en dus niet alleen de be- schermde) en hun leefomgeving. Dit is een algemene fatsoenseis die voor ieder- een geldt. Overigens geldt de zorgplicht ook voor planten (LNV 2005, zie ook blz.9); zorgplicht flora en fauna, specifieke dit betreft de zorgplicht voor alle inheemse soorten flora en fauna welke vrijwel alle ruimtelijke activiteiten betreft (zie ook algemene zorgplicht/ blz.9). Onderzoek natuurwetgeving — Wevershoeve, Noldijk 41 Ridderkerk

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1252/documents/43590