BOPA-ond.-bijlage 13. Archeologisch bureauonderzoek
Tekst van het document
Noldijk 41, Ridderkerk (gemeente Ridderkerk) Archeologisch bureauonderzoek RUBICON Asdgekel de) Rubicon Erfgoed Rapport 170 CONCEPT Rubicon Erfgoed // Adviesbureau voor archeologie en cultuurhistorie Colofon Auteur Versie Datum Rubicon Erfgoed projectnummer Opdrachtgever Contactpersoon opdrachtgever Bevoegde overheid Contactpersoon bevoegde overheid Adviseur bevoegde overheid Contactpersoon adviseur bevoegde overheid Onderzoeksmelding (ARCHIS3) Beheer documentatie RUBICON Asdgekel de) H.G. Pape-Luijten Concept 02-07-2026 26012 Herkon P. van Dijk Gemeente Ridderkerk A. Ramak Archeologie Rotterdam (BOOR) A.V. Schoonhoven 6002442001 Rubicon Erfgoed, Rheden Vrijgave Naam Datum Handtekening H.G.
Pape-Luijten Senior KNA Bureauonderzoek Archeoloog Actorregistratienummer 23021110 02-07-2026 Rubicon Erfgoed // Adviesbureau voor archeologie en cultuurhistorie RUBICON Asdgekel de) Inhoudsopgave Samenvatting … …..nsssunssssernnseeenennnnseerrenennnnnnnneerseeneeenennnnnensenennnnnnnnnnennenennnnnnnnennnnennnennnnnennn nee nnennnnn 1 Selectiebesluit bevoegde overheid … none enenennrensserennennnnnennnnnvenennnnensnennssenennnnnnennnn veren 1 Inleiding … aanne nenenennnerensn eneen nennnenrneeeeennennenseennneeennnnnennnnnnvenennnnnnnnens ende ennennnnnennnseeennnnnnnennneeeen 3 Aanleiding onderzoek … uu ananneneennsnrenvenenenvennnrenvennnenneennnennennnenenvennnseneennsendennvenveennen: 3 Doelstelling onderzoek u annrennenanennrvenenensenenenseenanenseennnensennnensneennnenseennnensennnenseennnensen 3 Werkwijze onderzoek … nanus eneenenrnneennenenreennnenvennnenrvennnenrvennnenvennsnenrvennnenrvennsenvennnenveennen: 3 Kaders onderzoek … unseren enenenreeneneneneenenenrenenenveenenenseennnensenanenenennnnenseennneneennnenseennnenven 3 Leeswijzer …….nussanesnnnnnenrennenenrennnnenrenenenrennnnenerennnnenr vennen vennnnenvennnnenrennnnenvennnnenvennnnenvennnenvennnnen sen 5 Locatie en planvorming … …....nnssnennennneenenn eene nnnnnnnseernreennnnnnnenennnnvennnnnnnensnnnneennnnennnnnen eneen nnnnnnennns 7 Afbakening plan- en onderzoeksgebied …… nn oaunanrennenenenr nennen
senenenenvenenennnennnennennneeneennnens 7 Huidige situatie plangebied …… unne sanrsenenennenenenseenenenseenenenrenenensneenenenseenenense menens eenenensen 7 Toekomstige situatie plangebied … ……....usnnsensenne rennen eneen nnnnnnennnn eenen nnnansnennnsenenennnnnennn sereen 8 Landschappelijke informatie … … nun ennsnnnrnne enne eenen ennnenenneernnnnenennenennsnenrennennnnneennnnnennnnnnnnennnn: 10 Inleiding landschappelijke informatie … nnn rnnnnneneneneneeevenenenennnneerenenenenenenenenenennnnnnnnenen 10 Beknopte landschapsontwikkeling … … nnn eneeeneneneneeeneneneneneneereenenenenenenenenenenenenennnnnnen 10 Paleogeografi@ anar nennen nnenenereneennnnnnnnrensneennnnnnnnnenssnvennnnnnneennnnnverennnnnnnnnneveeennnneneen: 11 Geologie nuno nneneneneennneneennneneennnennvennnnnnn vennen vennnennvennnenrvennnennennanensennnnene vennen vnnnneneennnne 12 Geomorfologie una nan neren rennen eennnnrnveennenenvennnenvennnnnnvennnnnneennennvennnnnnnvennnenseennnnneennnens eenn 13 Bodem … nun ranreneennnensnennns eee eenensennnneenennennnnnnnensveenennnnnnnennnneenennnnnnnnennnvenennnnnnnnennveeennnnennen: 14 Grondwater … …...…....ununsnnneneneneneneneenenenenenenenennnennnennnnnnnnnnnnnnnnnnnnnnnnnnnnnnnnnnn nennen nnnnnnnennnenananananenn 14 Conclusie landschappelijke informatie …...uusuunansrerrsrennennnensenre venne ennnnnnnrenssnvvennnnsnnennnenn 15 Archeologische informatie …
unserer enennnnnnneeeeneerennnnnnenenreennnnnnnenrnnenrennnnnnnnnenneneennnnnnneennnn: 16 Inleiding archeologische informatie … usus ensenenenseenenenreenenenreneneneneenenenseenenensennnensennenenen 16 Archeologische verwachting op provinciaal niveau … unne ssnenneenenenenennenenrenee eneen ennnvenvennnns 17 Archeologische verwachting op gemeentelijk niveau … uns ennennerennenenrenrenenrenennnren vens 17 Archeologische monumenten … … ……....nssnnsneerrenneneenanrenvenantenvennntenenaneneneennnveneeennsensennvenvennn. 18 Archeologische vondstmeldingen … ananas ennenanrenvenanrenvenanrenrennnseneennnseneennvenvennvenvennnnn 18 Archeologische onderzoeksmeldingen „ns aarseenennansnrensneeenenanrenrenssrveennnanserenvenennnnenvens 19 Conclusie archeologische informatie … … nnen ernenneneennenenenennnnnennnrenrenennnnnnrennnnenennnnnennnnnenn 21 Cultuurhistorische informatie … ns snennnenserrerennnrenennnnrnenseneneennnansnennnenennnnnensnnnnnnnendennnnnennnnnenenen 22 Inleiding cultuurhistorische informatie suus enneenenenseenenenre meneren eenenenseenenensennnenseenenenen 22 Beknopte lokale en regionale geschiedenis u ansananenseenenenrenanenenvenenenseennnensennnenseennnenen 22 Historisch kaartmateriaal … … … …....uuussanse eren nnnrnnennennerenreeeneennnnenensneeenennnnnennnnnnvenennnnnnneenevennnnnnnnnnns 25 Conclusie cultuurhistorische informati@ aaneen nnn
nonnennnnnnnnnnenenenennnnnananananann 25 Verwachtingsmodel, conclusie en advies ….……...nnsnunnnnnserenereennnennnneeneneeernnnnnneneennerenennnnnnneen rennen 26 Verwachtingsmodel … neee eenen enen venenneneneeenee eee eee eeenen 26 Confrontatie verwachtingsmodel met geplande bodemingrepen … … nnen 27 Conclusie en advies …… ..….....unsunnanrenrreeneennnnnnsnenensnennnnennennnnserennnnnnnennseeeeeeennnnnenennnneeennnnnnennnnnen 27 Selectiebesluit bevoegde overheid, ….ununaeensennnneneneneneeennnnnvennnnneennennvennnenn vennen vennnenn eenn 28 Bronnen..….......uusnensenrenen venen venenvenenrnnnnenenrennrrnnenvennendenennenrennen venen veneneenenvenenrennen venen venenrenenvenen enen: 30 Documenten … nnn ernnnernnernenennenrnnnernnenernnnerenenrnnnernnnernnernnnenrnnenrnnnernnernnennnnnennnennnen ennn 30 Overig …..nnnsusnnnrnnnennnnnnnnnenrenenrerennnnnnnenereennnennnnnnnennnneennnnnnneennnvennnnnnnenrnveneennnnnnnnnnnnneenennnnnnennn ennn 30 Rubicon Erfgoed // Adviesbureau voor archeologie en cultuurhistorie RUBICON Asdgekel de) Bijlage 1 — Inleiding … naa nannn ene ennenreennnreneenneneennnenrennnnenrenennenenenanenrennnnenseennneneneneeneennnnn 32 Bijlage 2 — Locatie en planvorming … eu uuunnrensennneneennseereennnenreennnenrennnnenrennnnensennnsenennnneneennnnn 34 Bijlage 3 — Landschappelijke informatie … nnn nnenenenenenenenenenenennennnnerenenenenenenenenennennnnnenenen 40
Bijlage 4 — Archeologische informatie … nnn enenenenenenenenenenenenennenserenenenenenenenenennenenenenenen 48 Bijlage 5 — Cultuurhistorische informati® eens snnnananrenrenrvennnenenensne ereen nnnnnnnennnnvnennnnnnnennnenn 50 Bijlage 6 — Verwachtingsmodel, conclusie en advies ….….….….uuunsanunnnnenennnenenrennnnenrennnnensnnnnenvennnnn 54 Rubicon Erfgoed // Adviesbureau voor archeologie en cultuurhistorie RUBICON Asägekel de) behoort niet tot de Samenvatting ontwikkeling ! Ter plaatse van een drietal percelen aan de Noldijk 41 te Ridderkerk (gemeente Ridderkerk, provincie Zuid-Holland), kadastraal bekend als Ridderkerk D 2703, 3549 en 4465, bestaat het voornemen om het terrein in kwestie te (her)ontwikkelen ten behoeve van woningbouw. Hiervoor is een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) nodig, binnen welk kader archeologisch vooronderzoek uitgevoerd dient te worden. Uit het bureauonderzoek blijkt dat voor het aantreffen van archeologische resten binnen de geplande verstoringsdiepte in het plangebied een lage verwachting geldt voor de periode Laat-Paleolithicum — Midden-IJzertijd, een middelhoge verwachting voor de periode Late IJzertijd — Vroege Middeleeuwen een hoge verwachting voor de periode Late Middeleeuwen — Nieuwe Tijd.
Hoewel er altijd een kans bestaat dat (sommige) relevante archeologische lagen (ten dele) niet meer aanwezig zijn, of (ten dele) niet worden bedreigd door toekomstige ontgravingen, is de bodemopbouw op basis van bureauonderzoek alleen niet vast te stellen. Hetzelfde geldt voor de aard en mate van eventuele bodemverstoringen. Op basis van dit bureauonderzoek adviseert Rubicon Erfgoed dan ook om de archeologische verwachting uit dit bureauonderzoek in het veld te toetsen, door de opbouw, aard en mate van intactheid van de bodem vast te stellen middels een verkennend booronderzoek in het plangebied. Naast het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting dient het verkennend booronderzoek ook waar mogelijk (extra) informatie te verschaffen over bekende en of verwachte archeologische waarden in het plangebied, betreffende de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Daarnaast heeft de verkennende fase als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Doel daarbij het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor volgende vormen van onderzoek, indien aanwezig.
Geadviseerd wordt in het plangebied verkennende boringen te zetten met een 7 cm Edelmanboor en/of een 3 cm steekquts, tot minimaal 50 cm in de top van de afzettingen onder het Hollandveen dan wel tot een maximale diepte van 5,0 m -Mv (afhankelijk van welke situatie zich eerder voordoet), teneinde vast te stellen of de bodem tot minimaal die diepte intact, dan wel verstoord is, alsook of deze archeologisch relevante niveaus bevat, alsmede om te controleren of er in de verscheidene afzettingen sprake is van bodemvorming als gevolg van menselijk handelen in het verleden. Dit met een minimum van 6 boringen per hectare. Conform het PvE-boren dat door Archeologie Rotterdam (BOOR) is opgesteld voor dit plangebied dienen 8 boringen gezet te worden. De uitvoerder van de boringen wordt aangeraden om zowel een KLIC-melding te doen alsook navraag te doen bij de initiatiefnemer, om een zo recent en duidelijk mogelijk beeld te krijgen van de toestand van de ondergrond wat betreft eventuele kabels en leidingen. Voorts dient het PvE-boren gevolgd te worden wat betreft eisen en randvoorwaarden aan het verkennend booronderzoek. Zie Bijlage 6 (figuur 30) voor de advieskaart in deze. Bovenstaande betreft een onafhankelijk tot stand gekomen advies, op basis van bekende informatie en de kwaliteitsnormen van de beroepsgroep archeologie.
Naar aanleiding van dit advies zal de bevoegde RUBICON Asdgekel de) overheid (de gemeente Ridderkerk) een eigen besluit nemen. In dat besluit kan en mag de bevoegde overheid beredeneerd afwijken van het advies. Mocht het plangebied in dat besluit worden vrijgegeven door de bevoegde overheid en er worden onverhoopt toch archeologische waarden aangetroffen tijdens de geplande graafwerkzaamheden, dan geldt op basis van de Erfgoedwet de plicht deze zogenaamde toevalsvondsten te melden bij het Rijk. Uit praktische overweging is het aan te bevelen deze melding te doen bij de bevoegde overheid, de gemeente Ridderkerk. Aan bovenstaand advies kunnen, behoudens opzet of grove nalatigheid onzerzijds, geen rechten worden ontleend, noch eventuele schade die daaruit kan voortvloeien, worden geclaimd. Selectiebesluit bevoegde overheid [Dit wordt ingevuld zodra het conceptrapport is beoordeeld door de bevoegde overheid en er een selectiebesluit is genomen n.a.v. het gegeven selectieadvies.
Na verwerking van eventuele opmerkingen gemaakt door de bevoegde overheid op de conceptversie wordt dit rapport definitief gemaakt en afgemeld in ARCHIS.] RUBICON Asägekel de) Inleiding Aanleiding onderzoek Ter plaatse van een drietal percelen aan de Noldijk 41 te Ridderkerk (gemeente Ridderkerk, provincie Zuid-Holland), kadastraal bekend als Ridderkerk D 2703, 3549 en 4465, bestaat het voornemen om het terrein in kwestie te (her)ontwikkelen ten behoeve van woningbouw. Hiervoor is een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) nodig, binnen welk kader archeologisch vooronderzoek uitgevoerd dient te worden. Doelstelling onderzoek Het doel van een archeologisch bureauonderzoek is het vaststellen van de specifieke archeologische verwachting van een plangebied. Op basis hiervan wordt een advies gegeven over aanbevolen archeologische vervolgstappen. Werkwijze onderzoek In het bureauonderzoek wordt de archeologische verwachting van een plangebied gespecificeerd aan de hand van informatie uit databases, kaartmateriaal, onderzoeksrapporten en literatuur over ontwikkelingen in het landschap (geologie, geomorfologie, bodem) en de bewoningsgeschiedenis (archeologie en recente historie).
De eerste stap is dan ook het raadplegen en analyseren van verschillende bronnen: e _ARCHIS 3, de nationale archeologische database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), is een primaire bron: zij biedt toegang tot de bekende landschappelijke informatie (geomorfologische kaart, bodemkaart inclusief grondwaterstand) en archeologische informatie (monumenten, waarnemingen en onderzoeksmeldingen) en in en rond het plangebied. Het bureauonderzoek wordt ook aangemeld bij ARCHIS, zodat het later zelf weer gebruikt kan worden als bron in andere onderzoeken; e _ Cultuurhistorische basisinformatie volgt uit (waar mogelijk en beschikbaar) gebiedspecifieke literatuur, alsook uit historisch kaartmateriaal (betrokken van o.a. het Kadaster); e Overige bronnen geven aanvullende informatie, zoals over de opbouw van de ondergrond (DINOloket) en bekende bodemvervuiling (Bodemloket); e Bovenstaande opsomming is uiteraard niet uitputtend en kan per project uitgebreid worden, bijvoorbeeld met kennis van archeologische vrijwilligers en _ professionele (overheids)archeologen, of boorgegevens van milieukundige onderzoeken. De informatie die uit de verschillende bronnen is vergaard wordt vervolgens gerangschikt, geduid, gekoppeld en verwerkt in tekst en kaartmateriaal middels een GIS (Geografisch Informatie Systeem).
Uit deze elementen wordt een rapport opgebouwd, met een verwachtingsmodel en advies als kernpunten. Dit rapport wordt vervolgens in concept aangeboden aan de opdrachtgever ter controle en aan de bevoegde overheid ter beoordeling. Na verwerking van eventuele opmerkingen wordt het rapport definitief gemaakt en afgemeld bij ARCHIS. Kaders onderzoek Dit archeologische onderzoek is uitgevoerd binnen wettelijke, beleidsmatige, juridisch-planologische en procesmatige kaders. Deze kaders zijn onderling met elkaar verbonden. RUBICON Asägekel de) Wettelijke kaders In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend. Dit verdrag wordt ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland of de stad waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in Nederland geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet. Vanuit de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bestond al een verplichting om bij de voorbereiding van bestemmingsplannen alle ter zake doende belangen mee te wegen. In feite is de Wamz een concrete invulling en verbreding van deze verplichting. Sinds 1 juli 2016 is de nieuwe Erfgoedwet in werking getreden.
Deze wet bundelt de daarvoor bestaande wet- en regelgeving (6 wetten en regelingen) voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het is een integrale wet die betrekking heeft op de museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Een gedeelte van de Monumentenwet 1988 is opgegaan in de Erfgoedwet. Een ander deel is opgaan in de Omgevingswet, welke op 1 januari 2024 in werking is getreden. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de Omgevingswet is dat roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten in de Erfgoedwet staan, terwijl de aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving in de Omgevingswet staan. De Erfgoedwet en Omgevingswet maken zo samen een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Beleidskaders De veranderende wetgeving in de afgelopen decennia heeft gezorgd voor decentralisatie, waarmee de verantwoordelijkheid voor het opstellen en handhaven van archeologiebeleid verschoven is naar de gemeentes. De gemeente Ridderkerk heeft een Archeologische Waarden- en Beleidskaart, die deel uitmaakt van haar tweedelige Archeologische Waardenkaart (AWK).
De AWK gaat gepaard met een bijbehorende beleidsnota! Het plangebied ligt op de Archeologische Waarden- en Beleidskaart deels in een zone met een hoge archeologische verwachting dieper dan 50 cm -Mv,‚ en deels in een zone met redelijk hoge archeologische verwachting dieper dan 50 cm -Mv (Bijlage 1, figuur 1). Juríidisch-planologische kaders Om de koppeling met de ruimtelijke ordening te maken, worden de verwachtingen van archeologische beleidskaarten (al dan niet aangevuld of gewijzigd door recenter archeologisch onderzoek) juridisch- planologisch ingebed, zowel op provinciaal niveau in projectbesluiten, alsook op gemeentelijk niveau in omgevingsplannen. Met het inwerking treden van de Omgevingswet verkreeg iedere gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege, dat bestaat uit een tijdelijk en een nieuw deel. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit (ruimtelijke) regels uit verschillende vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen en rijksregels over activiteiten (aangeduid als de bruidsschat). Het nieuwe deel van het omgevingsplan is eerst nog leeg, met uitzondering van eventuele voorbereidingsbesluiten op basis van het overgangsrecht. De regels in het nieuwe deel komen deels tot stand door bestaande regels uit het tijdelijk deel om te zetten naar het nieuwe deel.
Daarnaast neemt de gemeente in het nieuwe deel nieuwe regels op voor ruimtelijke ontwikkelingen en beleid. Het wijzigingen/vaststellen van het nieuwe deel van het omgevingsplan kan ook thematisch gebeuren. Deze overgangsfase duurt tot eind 2031. ! Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam, 2013. ? iplo.nl/regelgeving/instrumenten/omgevingsplan/omgevingsplan-rechtswege. RUBICON Asägekel de) Omgevingsplannen en oudere ruimtelijke plannen, zoals de bestemmingsplannen die tot het tijdelijk deel van een omgevingsplan behoren, zijn via het Omgevingsloket te raadplegen. De gemeente Molenlanden beschikt nog niet over een definitief omgevingsplan zoals voorzien in de Omgevingswet. Tot die tijd worden alle bestemmingsplannen samengebracht in een tijdelijk omgevingsplan, een zogenaamd ‘omgevingsplan-van-rechtswege’. In het bestemmingsplan Veren Ambacht (vastgesteld 19- 10-1998) heeft het plangebied geen archeologische dubbelbestemming of gebiedsaanduiding. Conform de Archeologieverordening Ridderkerk 2013? is echter in de bij de AWK genoemde zones archeologisch onderzoek benodigd bij overschrijding van genoemde dieptes en respectievelijk 100 m? en 200 m?. Aangezien de plannen deze grenzen overschrijden geldt een onderzoeksplicht. Procesmatige kaders Vanuit de archeologische beroepsgroep is in de afgelopen jaren continu gestreefd naar verbetering van het archeologische proces.
Aan de basis hiervan ligt de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De KNA stelt de eisen en randvoorwaarden aan de procesmatige kwaliteit van archeologisch onderzoek, wat bijdrage levert aan de borging van de inhoudelijke kwaliteit van het onderzoek. Dit bureauonderzoek is opgesteld aan de hand van de vigerende versie van de KNA (4.2), specifiek Protocol 4002 Bureauonderzoek en de daarin opgenomen specificaties LSO1-LS06. Het hoofdstuk met cultuurhistorische informatie binnen dit bureauonderzoek (zie leeswijzer hierna) is opgesteld aan de hand van beschikbare historische bronnen, kaartmateriaal, ervaring en expert judgment. Op verzoek van de gemeente Ridderkerk is door haar adviseur Archeologie Rotterdam (BOOR) een plantoets opgesteld voor het plangebied, en vervolgens een PvE-boren. Laatstgenoemde is een document met daarin eisen en randvoorwaarden ten aanzien van zowel bureauonderzoek alsook verkennend booronderzoek binnen het plangebied, zoals volgend uit de plantoets. Met onderhavig bureauonderzoek wordt voldaan aan de eis tot uitvoering van een KNA-conform bureauonderzoek. Daarbij is gebruik gemaakt van de handreiking zoals opgenomen in het genoemde PvE-boren.* Na goedkeuring van het bureauonderzoek door de bevoegde overheid wordt het definitieve rapport digitaal gedeponeerd bij het e-depot van ARCHIS, conform specificatie DSO5.
Leeswijzer Het bureauonderzoek dat op deze inleiding volgt is opgedeeld in een aantal tekstuele hoofdstukken, die hieronder zijn weergegeven. Tussen haakjes is per hoofdstuk aangegeven welke specificaties) uit Protocol 4002 Bureauonderzoek van toepassing is/zijn. e Locatie en planvorming (LSO1, LS02, LS03); e Landschappelijke informatie (LSO4); e _ Archeologische informatie (LS04); e _Cultuurhistorische informatie (LS04); e _Verwachtingsmodel, conclusie en advies (LSO5, LS06). In de lopende tekst van bovenstaande hoofdstukken wordt verwezen naar afbeeldingen. Deze zijn achteraan het bureauonderzoek opgenomen in bijlagen, die gekoppeld zijn aan de inleiding en 3 lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR305673. 4 Schoonhoven, 2026. RUBICON Asdgekel de) gelijknamige hoofdstukken. Een bureauonderzoek van Rubicon Erfgoed is letterlijk de verslaglegging van een lopend onderzoek, wat betekent dat informatie in eerdere hoofdstukken (zoals verwachte landschapselementen) door feiten in latere hoofdstukken (zoals archeologische waarnemingen) bevestigd, ontkracht of genuanceerd kunnen worden. RUBICON Asdgekel de) Locatie en planvorming Afbakening plan- en onderzoeksgebied Het plangebied betreft de percelen, of delen daarvan, waarbinnen de toekomstige bodemingrepen zullen plaatsvinden. In dit geval gaat het om de percelen Ridderkerk D 2703, 3549 en 4465.
De plangebiedgrenzen zijn voor dit bureauonderzoek gelijk aan de projectgrenzen zoals ontleend aan het schetsontwerp voor het plangebied (zie Bijlage 2, figuur 10). De administratieve gegevens van het plangebied zijn weergegeven in tabel 1. Het onderzoeksgebied betreft wegens aanwezigheid van bekende archeologische waarden in de nabije omgeving een gebied met een straal van 500 m rond het plangebied (zie het hoofdstuk Archeologische informatie). De ligging van het plan- en het onderzoeksgebied op de topografische kaart en een recente luchtfoto zijn te zien in Bijlage 2 (figuren 2-3). Gegeven Informatie Toponiem Noldijk 41 Plaats Ridderkerk Gemeente Ridderkerk Provincie Zuid-Holland Kaartblad 37H MIN: 98/399/429.680 Coördinaten (bounding box) MAX: 98.500/429.745 CNT: 98.450/429.712 Oppervlakte Circa 3550 m? Tabel 1: Gegevens plangebied. Huidige situatie plangebied Het plangebied is gelegen in het buitengebied tussen Barendrecht, Ridderkerk en Rijsoord, daar waar de Noldijk kruist met de Wevershoeve en de Gebroken Meeldijk.
Noldijk 41, het pand binnen het plangebied, is een rijksmonumentale boerderij uit de eerste helft van de 18° eeuw (volgens het BAG- register van het Kadaster daterend uit 1996, maar dit heeft zeer waarschijnlijk betrekking op de functie als restaurant die het pand tot recent had) dat bekend staat als ‘De Wevershoeve',” De rest van het plangebied bestaat voornamelijk uit een inrit en parkeerterrein bestaande uit asfalt, met een groenstrook langs de weg. In Bijlage 2, figuren 4-7, is de huidige situatie in beeld gebracht middels Google Streetview en een luchtfoto gemaakt vanaf geringe hoogte. > monumentenregister.cultureelerfgoed.nl/monumenten/32513; bagviewer.kadaster.nl. RUBICON Asägekel de) In het Bodemloket is geen informatie opgenomen m.b.t. milieukundige onderzoeken of saneringen die eventueel de bodem ter plaatse (verder) verstoord kunnen hebben. Via de online module van de DCMR Milieudienst Rijnmond is vervolgens een rapportage vervaardigd.® Hierin is te zien dat in 1994 een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd voor Noldijk 41a, wat de latere aanbouw aan de oorspronkelijke boerderij Wevershoeve is (locatiecode AA059700295).
Het plangebied ligt tevens deels binnen de contouren van een bijzonder inventariserend onderzoek uit 1987 en een oriënterend bodemonderzoek uit 1989 aan Noldijk 16, bijgenaamd het Bemoterrein: hier was sprake van een baggerspeciedepot, onder de naam loswal 16. Wat (nog) niet in de online module van de DCMR Milieudienst Rijnmond staat is het verkennend bodemonderzoek dat in 2024 is uitgevoerd ten behoeve van de huidige herontwikkeling van het plangebied.” De samenvatting hiervan is als volgt: e Uit zowel het historisch onderzoek als het veld- en chemisch onderzoek uit ‘87-89 zijn aanwijzingen voortgekomen dat op het terrein aan de Noldijk verontreinigd baggerspecie is terechtgekomen, behorende tot de tussen 1970-1983 opgespoten loswal 16. De oprit tot deze loswal lag binnen het plangebied (de huidige weg Wevershoek). Het noordelijke deel van de onderzoekscontour (waarin het plangebied is gelegen) bevat grotendeels zintuiglijk schoon grof zand, op het zuidelijke deel komt naast zand ook slibachtig materiaal voor. In het slibachtige materiaal zijn geen verontreinigingen met de onderzochte stoffen aangetroffen; e Ter plaatse van de oprit en het parkeerterrein achter het restaurant is een asfaltverharding aanwezig. Hieronder is funderingsmateriaal aangetroffen, bestaande uit grind met plaatselijk een bijmenging met baksteen.
Het asfalt en de verharding zijn niet betrokken in het onderzoek; e De bodem bestaat tot circa 2,3 m -Mv afwisselend uit klei en zand. Vervolgens is tot de geboorde einddiepte van 3,0 m -Mv veen aanwezig. In de grond zijn tot een variërende diepte (maximaal 2,3 m -Mv) bijmengingen met baksteen aangetroffen. Daarnaast zijn in de grond plaatselijk bijmengingen met plastic, grind, asfalt en ijzer aanwezig; e In de matig baksteenhoudende zandige ondergrond ter plaatse van het plantsoen nabij de oprit (boring 13; 0,5-0,8 m -Mv) is sprake van overschrijdingen van de interventiewaarde voor koper en lood. In de overige geanalyseerde grond, waaronder de bovenliggende kleilaag ter plaatse van boring 13 met sporen baksteen (0,0-0,5 m -Mv), zijn geen sterke verontreinigingen aangetoond; e Eris visueel geen asbestverdacht materiaal in de grond aangetroffen; e In de grond zijn verhoogde gehalten PFOS en PFOA aangetoond. De grond onder het asfalt is volgens het landelijke hergebruikskader elders toepasbaar als klasse Landbouw/Natuur. De bovengrond ter plaatse van de onverharde bodem is toepasbaar als klasse Wonen/Industrie; e _Op basis van indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit (inclusief PFAS) is de boven- en ondergrond over het algemeen toepasbaar als klasse Wonen of Industrie.
De matig baksteenhoudende zandige ondergrond ter plaatse van het plantsoen nabij de oprit (boring 13; 0,5-0,8 m -Mv) is niet toepasbaar op basis van de gehalten koper en lood; e De voorlopige veiligheidsklasse conform de CROW 400 bij graafwerkzaamheden in de bodem wordt vastgesteld op ‘Geen veiligheidsklasse’ (basishygiëne). De definitieve veiligheidsklasse dient door een veiligheidskundige bij aanvang van de werkzaamheden worden vastgesteld; 6 demr.nazea4u.nl. 7 Van Wolferen, 2024. S—____IRSK, Van Wolferen RUBICON Asdgekel de) e Het grondwater is waargenomen op een diepte van circa 0,8 à 1,7 m -Mv. In het grondwater zijn geen overschrijdingen van de signaleringswaarden (voormalige interventiewaarden uit de niet meer vigerende Wet bodembescherming) aangetoond; e Op basis van de resultaten van het bodemonderzoek zijn er geen belemmeringen voor de herontwikkeling van de locatie ten behoeve van woningbouw, indien er geen graafwerkzaamheden ter plaatse van de oprit en het naastgelegen plantsoen verricht zullen worden en de verontreinigingen beperkt blijven tot de oprit en het plantsoen. Ook zijn er vooralsnog geen gegevens bekend met betrekking tot de (hergebruiks)kwaliteit van het asfalt op de locatie. In Bijlage 2, figuren 8-9, is de boorpuntenkaart van bovengenoemd bodemonderzoek weergegeven alsook de bijbehorende boorstaten.
Toekomstige situatie plangebied De herontwikkeling binnen het plangebied voorziet in meerdere elementen. Ten eerste zal de rijksmonumentale boerderij intern worden omgebouwd en aangepast tot circa acht woningen; hiermee gaan geen bodemingrepen gepaard. Daarnaast zullen op het achtererf acht nieuwe huizen worden gebouwd, in twee blokken. Voor de fundering van deze nieuw te bouwen woningen zal naar verwachting worden ontgraven tot circa 80 cm -Mv i.v.m. vorstvrije aanleg. Tenslotte zal het huidige geasfalteerde parkeerterrein worden gewijzigd in een parkeerzone met stukken groen. In Bijlage 2, figuren 10-13, is de toekomstige situatie opgenomen in de vorm van een ontwerptekening, twee artist impressions en een doorsnede van de maaiveldhoogtes binnen het plangebied. RUBICON Asägekel de) Landschappelijke informatie Inleiding landschappelijke informatie De archeologische verwachting van een plangebied is in de eerste plaats afhankelijk van de bewoningsmogelijkheden van het landschap. Op basis van informatie over de geologie (diepere ondergrond), geomorfologie (landschapsvormen), bodem (bodemvorming- en types) en de grondwaterstand kunnen de bewoningsmogelijkheden in en rond een plangebied in kaart worden gebracht.
Beknopte landschapsontwikkeling® Eén van de belangrijkste vestigingsfactoren tot in de Middeleeuwen was de aanwezigheid van natuurlijk voorkomende hoge — en dus droge — delen in het landschap. Het plangebied ligt in het Zeeuws kleigebied, op het eiland IJsselmonde. Dit eiland bestaat effectief uit twee delen; IJsselmonde en de Zwijndrechtse Waard, die van elkaar worden gescheiden door de dode rivierarm van de Waal, waar het plangebied iets ten westen van ligt. Historisch gezien stond het middendeel van IJsselmonde, waar het plangebied ook gelegen is, bekend als de Riederwaard. Hierover meer in het hoofdstuk Cultuurhistorische informatie. In het midden van de laatste ijstijd (het Weichselien) maakte dit gebied deel uit van een brede riviervlakte, waarbinnen de riviergeulen in een verwilderd (‘vlechtend’) patroon verspreid lagen. Door deze geulen werd grof zand en grind afgezet, dat geologisch gezien wordt gerekend tot de Formatie van Kreftenheye. De aanwezigheid van grof zand en grind wijst op hoge stroomsnelheden en sterke variaties in de (piek)afvoer (als gevolg van grote hoeveelheden (smelt)water). Op andere momenten lag de bedding van de riviervlakte langere perioden droog. Vanuit de drooggelegen vlakte kon fijner rivierzand door sterke winden worden verstoven, dat vervolgens langs de randen van de riviervlakte tot afzetting kwam.
Daar ontstonden op grote schaal rivierduinen of donken. Rivierduinafzettingen behoren tegenwoordig tot het Laagpakket van Delwijnen binnen de Formatie van Boxtel, maar worden vooral in ouder onderzoek nog als Formatie van Kreftenheye bestempeld, in navolging van Dopper e.a. die dit in 1975 zo stelde. Vanaf 15.000 jaar geleden begon dit beeld enigszins te veranderen aangezien toen het klimaat geleidelijk begon te verbeteren. In eerste instantie was sprake van enkele relatief kortdurende warmere perioden (respectievelijk het Bglling-en Allergd-interstadiaal, 14.650 tot 14.000 BP en 13.900 tot 12.850 BP). Gedurende deze oplevingen nam de vegetatie toe en werd de afvoer van rivierwater beter verdeeld. De riviergeulen begonnen te kronkelen (meanderen) en sneden zich in de riviervlakte in, waardoor langzamerhand een rivierdal ontstond. In het dal werd tijdens overstromingen zogenaamd Hochflutlehm afgezet, ook wel bekend als de Laag van Wijchen. Pas vanaf 11.700 BP, in het Holoceen, zetten de verbeterde klimaatomstandigheden definitief door, waardoor de toenemende vegetatie de verstuivingen van rivierzand aan banden legde en de oevers van de rivieren door de alsmaar kleiner wordende verschillen in afvoer zich stabiliseerden. Door de stabiele oevers traden de rivieren alleen nog bij hoogwater buiten hun oevers.
De klei die bij hoogwater buiten de rivieren werd afgezet, wordt eveneens gerekend tot de Laag van Wijchen. 8 De Mulder e.a., 2003; Van Zijverden en De Moor, 2014; Stouthamer e.a., 2015. 10 RUBICON Asägekel de) De zich insnijdende meanderende rivieren gingen onder invloed van een voortdurend stijgende zeespiegel in het Holoceen over in accumulerende meanderende rivieren, die meermaals hun loop verlegden en daardoor verschillende stroomgordels ontwikkelden. Hierdoor vond in het grootste deel van het rivierengebied afzetting plaats van zand (beddingafzettingen), zandige klei (oeverafzettingen) en zware klei (komafzettingen), die werden afgewisseld door veen. Deze rivierafzettingen behoren geologisch gezien tot de Formatie van Echteld. Bij dit proces van afzetting werden de oudere afzettingen door jongere begraven. Het moment waarop dit optreedt, hangt af van de ligging van de zogenaamde terrassenkruising. De terrassenkruising is het punt waarop de netto insnijding overgaat in een netto accumulatie van sediment. De ligging van dit punt ligt niet vast maar is afhankelijk van het debiet, de sedimentlast van een rivier en de stijging dan wel daling van de zeespiegel. Berendsen en Stouthamer vermoeden dat de terrassenkruising rond 7.500 BP in de omgeving van Gorinchem heeft gelegen.
Daarna raakten de laatpleistocene en vroegholocene afzettingen afgedekt met holocene rivierafzettingen en kon het oude rivierenlandschap met duinen verdrinken, wanneer ze verder van een rivier verwijderd lagen. Daar trad door de aanhoudende stijging van het grondwater op grote schaal veenvorming op en ontstond een moeras met zoetwatermeren, dat doorsneden werd door kleine veenstroompjes. In holoceen westelijk Nederland is de krachtige invloed van de zee op het achterliggende landschap door de millennia heen niet te onderschatten. Stijgingen van de zeespiegel, het dagelijkse getij en stormvloeden gingen gepaard met inbraken en extra sedimentatie middels de bestaande rivieren alsook via getijdengeulen en -kreken. Daarnaast zorgden de grootschalige veenontginningen vanaf de Late Middeleeuwen ervoor dat bodemdaling plaatsvond door ontwatering (klink en zetting), wat het land alsmaar kwetsbaarder maakte voor overstromingen. Vanaf de Middeleeuwen werden steeds meer laaggelegen delen van Nederland bedijkt om deze risico’s te beteugelen, maar in gevallen van doorbraken bij grote overstromingen waren de gevolgen enorm. De Sint-Elizabethsvloed van 1421 is een schoolvoorbeeld van een dergelijke catastrofe, waarbij nederzettingen werden weggevaagd en hele stukken van de toenmalige Groote Waard werden weggeslagen.
Hierbij werden dikke pakketten klei en zand afgezet en ontstond het Eiland van Dordrecht. Maar ook andere waarden als de Riederwaard en Zwijndrechtse Waard werden eeuwenlang veelal geteisterd door overstromingen, met verstrekkende gevolgen voor de waterhuishouding die daarbij kwam kijken. Paleogeografie Op de paleogeografische kaarten in Bijlage 3 (figuren 14-15)? is in grote lijnen de landschappelijke ontwikkeling te volgen van het plangebied en haar omgeving, over een periode van 11.000 jaren. De pleistocene situatie laat zien dat het plangebied in een zandgebied van gemiddelde hoogte (tussen -16 en 0 m NAP) lag tussen twee waterlopen, deel van het enorme vlechtende riviersysteem dat zich in deze periode als een gordel uitstrekte over Nederland van west naar oost. De hoogste — en dus voor bewoning en gebruik meest aantrekkelijke — delen van het pleistocene zandlandschap waren de rivierduinen, welke in de waarden ruim vertegenwoordigd zijn. Zo ook rondom het plangebied. In de navolgende situaties is te zien dat het landschap dat het landschap gaandeweg verdronk: nadat de invloed van de zee met name verder landinwaarts afnam ten gunste van de rivieren begon tussen de vele stroompjes van het vlechtende riviersysteem steeds meer veen te groeien, waarbij eerst het lagergelegen zandgebied en mettertijd ook de rivierduinen overgroeid raakten.
Rond 5500 voor Chr., In het Laat-Mesolithicum, lag het plangebied in een gebied met wadden en slikken, onder invloed van het tij. Rond 3850 voor Chr., tijdens het Midden-Neolithicum, is echter te zien dat de zee juist nabij het 9 Dataset nationaalgeoregister.nl, op basis van kaarten ontleend aan Vos e.a, 2018. 11 RUBICON Asägekel de) plangebied nog veel invloed had vanuit een daar eindigende geul. Het zou nog tot 500 voor Chr. duren, in de Midden-IJzertijd, totdat het plangebied uiteindelijk overgroeid raakte met veen. Rivieren vonden een nieuwe weg: zo is verder zuidelijk op het kaartbeeld de Oude Maas te zien. Hoewel de transformatie van het rivierengebied naar accumulerende meanderende rivieren ervoor zorgde dat de ruimere regio in de daaropvolgende millennia weer meer begaanbaar raakte, bleef het overgrote deel van IJsselmonde, waaronder het plangebied, begroeid met veen. Vanaf 250 voor Chr., in de Late IJzertijd, lag het plangebied echter al vrij van veen in de riviervlakte ten noorden van de Oude Maas. In die vlakte is vanaf 100 na Chr. in de Midden-Romeinse Tijd, de loop van de (Oude) Waal te zien: destijds de verbinding tussen de Oude Maas en de Noord. Met de ontginningen van het veen vanaf de Late Middeleeuwen en de bedijking en inpoldering werd het veengebied alsmaar verder teruggedrongen en kreeg het landschap stilaan de huidige aanblik.
Desondanks bleef er veel veen in de bodem achter in de regio. Vanaf 1250 na Chr. is de Waal geen stromende rivier meer en blijft deze als dode arm achter in het huidige landschap: het plangebied ligt dan binnen de riviervlakte en wordt omsloten door ingepolderd land. Op de paleogeografische stroomgordelkaart in Bijlage 3 op figuur 16 is te zien hoe het plangebied ten westen van de stroomgordel van de Oude Waal (kaartcode 136) ligt en ten zuiden van de stroomgordel van de Ridderkerk (kaartcode 147).*° De Oude Waal werd in 1331-1332 na Chr. op last van graaf Willem III van Holland afgedamd, eerst bij Oostendam en later ook bij Heerjansdam, in dezelfde periode als de (her)inpoldering van de Zwijndrechtse Waard. Deze rivier sedimenteerde tot die tijd actief vanaf (gekalibreerd) circa 278 voor Chr., in de Late IJzertijd. De Ridderkerk is aanzienlijk ouder en sedimenteerde actief tussen (gekalibreerd) circa 3637-2521 voor Chr., van het Midden-Neolithicum A t/m Laat-Neolithicum A. Geologie Volgens de geologische kaart van 2021 (Bijlage 3, figuur 17) ligt het plangebied ter plaatse van komafzettingen op kustveen op oudere getijden- of komafzettingen, oftewel Formatie van Echteld-k op Hollandveen Laagpakket op Laagpakket van Wormer-o of Formatie van Echteld-k (kaartcode kvo*). Dit is het geheel aan rivier- en getijdenafzettingen, dat ook al op de paleogeografische kaarten te zien was.
Het plangebied ligt vlakbij de grens tot waar de invloed van het tij domineerde: pal ten westen van de Noldijk beginnen de getijdenafzettingen op kustveen op oudere getijden- of komafzettingen, oftewel Laagpakket van Walcheren-o op Hollandveen Laagpakket op Laagpakket van Wormer-o of Formatie van Echteld-k (kaartcode ovo*). # Vervolgens is in het DINOloket gekeken naar geologische boringen in of nabij het plangebied om dit te bevestigen, ontkrachten of te nuanceren. Deze zijn helaas niet aanwezig. Daarom is ook gekeken naar een geschikt ondergrondmodel om alsnog een uitspraak te doen over de vermoedelijke opbouw van bodem en diepere ondergrond ter plaatse tot 10 m -Mv. Centraal in het plangebied is dan ook middels een digitale appelboor middels BRO GeoTOP v.1.6.1 de volgende bodemopbouw gemodelleerd tot 10 m -Mv: 10 Cohen e.a, 2012. H dinoloket.nl/ondergrondmodellen.
12 RUBICON Asdgekel de) Diepte (NAP) Diepte (-Mv) Lithostratigrafie Lithologie Ouderdom Antropogene " ri le -0,25- -0,75 m 0-50 cm afzettingen, Zand, zeer fijn tot zeer grof, klei, siltig Holoceen tot zandig, humeus; huisafval; puin (Antropoceen) opgebrachte grond Formatie van Klei, lokaal zandig, lokaal humeus; -0,75- -4,25 m 50 — 400 cm Echteld (gedeelte zand, zeer fijn tot uiterst grof, kleiig Holoceen boven NUNIHO) tot grindig Formatie van -4,25- -5,75 m 400 — 550 cm Nieuwkoop, Veen, lokaal kleiig Holoceen Hollandveen Laagpakket ormatean Zand, zeer fijn tot matig grof, lokaal -5,75- -10,25 m 550 — 1000 cm DK, kleiig, schelphoudend, kalkrijk; klei, Holoceen Laagpakket van ne . siltig tot zandig, lokaal humeus Wormer Tabel 2: Gegevens digitale appelboring BRO GeoTOP v.1.6.1 in het plangebied.*2 De beschreven digitale appelboring geeft een goed beeld van de in het plangebied verwachtte bodemopbouw en toont een opeenvolging van antropogene gronden, jongere rivierafzettingen behorende tot de Formatie van Echteld boven een pakket veen van het Hollandveen Laagpakket binnen de Formatie van Nieuwkoop (oftewel NUNIHO) en uiteindelijk klei en zand behorende tot de oudere mariene afzettingen van het Laagpakket van Wormer binnen de Formatie van Naaldwijk. De top van het pleistocene oppervlak (Bijlage 3, figuur 18) ligt tegenwoordig in het bereik van -16 tot - 14 m NAP.
Hoewel niet binnen de hierboven gemodelleerde 10 m besproken, laat verdere modellering zien dat de pleistocene oude rivier- en rivierduinafzettingen behorende tot de Formatie van Kreftenheye en Formatie van Boxtel, Laagpakket van Delwijnen, te vinden zijn vanaf circa 14 m -Mv oftewel -14,25 m NAP. Geomorfologie Op de geomorfologische kaart van 2025 (Bijlage 3, figuur 19) ligt het plangebied nagenoeg geheel ter plaatse van een getij-kreekbedding/zee-erosiegeul (kaartcode R71), wat slaat op de Oude Waal. Getij- kreekbeddingen zijn geulen in het land, die in verbinding staan of hebben gestaan met de zee, onder invloed van het getij zijn gevormd en sedimenterend van karakter zijn. Door de eb- en vloedbeweging, waarbij zeewater twee maal daags de geul in- en uitstroomt, ontstaat een grillig, landinwaarts sterk vertakkende geulenpatroon. Aan weerzijden van de geulen ontwikkelen zich door inundatie vanuit de kreekbedding lage oeverwallen. Nadat een kreekbedding van de zee is afgesloten en het maaiveld tussen de kreken als gevolg van klink daalt komt het complex van oeverwallen en kreekbedding als een lage rug in het landschap te liggen (getij-inversierug B71). Tot deze vormsubgroep reken we ook de zee-erosiegeul. Deze geulen zijn ontstaan door inbraak van de zee in het voormalige Noord- en Westnederlandse veenlandschap en zijn erosief van karakter.
Het onderscheidt tussen getij- kreekbeddingen en erosiegeulen is niet te maken omdat, afhankelijk van de heersende milieucondities beide geulen in elkaar over kunnen gaan. Veel van de getij-kreekbeddingen zijn initiële zee- 2 Idem. B dinoloket.nl/ondergrondmodellen. 13 RUBICON Asägekel de) erosiegeulen. Actieve vorming van getij-kreekbeddingen/zee-erosiegeulen vinden we onder andere langs de Westerschelde in het Verdronken Land van Saaftinghe en in de Slufter op Texel. Een klein deel van het plangebied langs de Noldijk ligt in een uitgestrekte vlakte van getij-afzettingen (kaartcode M72). Vrij vlak tot zeer vlak zijn de afzettingen die onder getij-invloed zijn gevormd en die voornamelijk bestaan uit jonge zeeklei, zoals in Zeeland. Plaatselijk kunnen hierop veenresten voorkomen, die om praktische redenen niet afzonderlijk worden aangegeven, toevoeging 'W'.* Het verschil in reliëf in het plan- en onderzoeksgebied is te zien op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN).! Bijlage 3, figuur 20, laat een relatief effen landschap zien, ten gevolge van de inpoldering en verdere menselijke inmenging in dit landschap. De maaiveldhoogte binnen het plangebied loopt vanaf de Noldijk in het westen af naar het oosten, van circa 1,5 m NAP tot circa -0,2 m NAP. De dijk is logischerwijs het hoogste deel, de boerderij ligt ook op een verhoging.
Het parkeerterrein ligt lager, doch nog steeds iets hoger dan de polders verderop. Dit heeft te maken met het voormalige baggerspeciedepot hier, loswal 16, dat later is getransformeerd tot het huidige recreatiegebied Wevershoek. Bodem Op de bodemkaart van 2025 (Bijlage 3, figuur 21)! ligt het plangebied grotendeels op de kreekbedding van de Oude Waal (kaartcode AK). De westelijke strook bestaat uit kalkrijke poldervaaggronden in lichte klei, profielverloop 5 (kaartcode eMn35A). Dit zijn kalkrijke zeekleigronden zonder minerale eerdlaag, en met roest en grijze vlekken beginnend binnen 50 cm, en met een homogene, aflopende of oplopende profielopbouw. De bouwvoor bestaat uit lichte klei. De toevoeging ‘e‘ aan de kaartcode duidt op een bijzonder kenmerk van de bovenlaag: in dit geval gaat het om zoete getijdenafzettingen van minimaal 40 cm dik, te herkennen aan het afzettingspatroon van zeeklei, de lage lutum-slibverhouding en het geringe aandeel van de fractie (> 150 um) bij zavel en klei in vergelijking met de rivierkleigronden. Bovendien hebben deze zeekleigronden een hoge kalifixatie (of kaliumfixatie), een proces in de bodem waarbij kaliumionen door kleimineralen worden ingesloten en vastgelegd. Hierdoor wordt de kalium tijdelijk of permanent onbeschikbaar voor de opname door planten en gewassen, ook al is er via bemesting voldoende kalium in de bodem aanwezig.
# Grondwater De grondwaterstand en de fluctuaties daarin hebben effect op zowel de aantrekkelijkheid van bodems voor bewoning/gebruik, alsook op de conservering van archeologische resten in die bodems. De grondwaterstand wordt in twee uitersten ten opzichte van maaiveld gemeten: de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) en Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG). Boven de GHG blijven onverbrande organische resten, zoals begraven botmateriaal, hout, leer of textiel, in het zandgebied meestal niet tot nauwelijks bewaard — uitzonderingen zijn in waterputten en onderin diep ingegraven sporen. Boven de GHG resteren vrijwel alleen verbrande organische resten (bijvoorbeeld crematieresten en houtskool) en anorganische resten, zoals aardewerk en vuur-/natuursteen (in het rivierengebied gaat deze redenering echter minder goed tot niet op, afhankelijk van de situatie ter plaatse). Op de grondwaterspiegeldieptekaart van 2025 is het plangebied niet gekarteerd en kan deze wegens menselijk 4 Idem. 5 pdok.nl. 16 dinoloket.nl/ondergrondmodellen. 7 legenda-bodemkaart.bodemdata.nl.
14 RUBICON Asdgekel de) ingrijpen fluctueren afwijkend zijn, maar de gronden in de directe omgeving kennen een grondwatertrap VIo (GHG 40-80 cm -Mv‚, GLG 120-180 cm -Mv).'® Conclusie landschappelijke informatie Op basis van de informatie die in dit hoofdstuk is verzameld is duidelijk geworden dat het plangebied tijdens het Pleistoceen temidden van een zich verleggend riviersysteem lag, in een zandgebied dat in de loop van de daaropvolgende duizenden jaren verdronk. Er zijn vervolgens met name zand en klei afgezet vanuit de Oude Waal, onder invloed van het tij. Ook is er sprake geweest van veengroei. Naar verwachting zijn eventuele komafzettingen van de Oude Waal in het plangebied weinig aantrekkelijk geweest, maar zandige oeverafzettingen en in mindere mate de verlandde bedding kunnen wel geschikt zijn geweest voor bewoning of andersoortig gebruik. 8 dinoloket.nl/ondergrondmodellen. 15 RUBICON Asdgekel de) Archeologische informatie Inleiding archeologische informatie De archeologische verwachting van een plangebied wordt naast het landschap mede bepaald door de daadwerkelijk vastgestelde bewoningsgeschiedenis.
Eerder uitgevoerde archeologische onderzoeken, terreinen van archeologische waarde (monumenten) en archeologische vondstmeldingen in de omgeving kunnen de verwachting nader specificeren en soms zelfs informatie verschaffen over de mogelijke diepteligging en conserveringsgraad van archeologische resten in het plangebied. Periode Deel-/subperiode Afkorting Alternatieve periode Van Tot Middeleeuwen _ Late Middeleeuwen B LMEB Late Middeleeuwen 1250 na Chr. 1500 na Chr. Late Middeleeuwen A LMEA Volle Middeleeuwen 1050 na Chr. 1250 na Chr. Vroege Middeleeuwen D VMED Ottoonse Tijd 900 na Chr. 1050 na Chr. Vroege Middeleeuwen C VMEC Karolingische Tijd 725 na Chr. 900 na Chr. Vroege Middeleeuwen B VMEB Merovingische Tijd 525 na Chr. 725 na Chr. Vroege Middeleeuwen A VMEA Merovingische Tijd 450 na Chr. 525 na Chr. Romeinse Tijd _Laat-Romeinse Tijd B ROMLB 350 na Chr. 450 na Chr. Laat-Romeinse Tijd A ROMLA 270 na Chr. 350 na Chr. Midden-Romeinse Tijd B ROMMB 150 na Chr. 270 na Chr. Midden-Romeinse Tijd A ROMMA 70 na Chr. 150 na Chr. Vroeg-Romeinse Tijd B ROMVB 25 na Chr. 70 na Chr. Vroeg-Romeinse Tijd A ROMVA 12 voor Chr. 25 na Chr. IJzertijd Late IJzertijd IJZL 250 voor Chr. 12 voor Chr. Midden-IJzertijd IJZM 500 voor Chr. 250 voor Chr. Vroege IJzertijd IJZV 800 voor Chr. 500 voor Chr. Bronstijd Late Bronstijd BRONSL 1100 voor Chr. 800 voor Chr. Midden-Bronstijd B BRONSMB 1500 voor Chr.
1100 voor Chr. Midden-Bronstijd A BRONSMA 1800 voor Chr. 1500 voor Chr. Vroege Bronstijd BRONSV 2000 voor Chr. 1800 voor Chr. Neolithicum Laat-Neolithicum B NEOLB 2450 voor Chr. 2000 voor Chr. Laat-Neolithicum A NEOLA 2850 voor Chr. 2450 voor Chr. Midden-Neolithicum B NEOMB 3400 voor Chr. 2850 voor Chr. Midden-Neolithicum A NEOMA 4200 voor Chr. 3400 voor Chr. Vroeg-Neolithicum B NEOVB 4900 voor Chr. 4200 voor Chr. Vroeg-Neolithicum A NEOVA 5300 voor Chr. 4900 voor Chr. Mesolithicum Laat-Mesolithicum MESOL 6450 voor Chr. 4900 voor Chr. Midden-Mesolithicum MESOM 7100 voor Chr. 6450 voor Chr. Vroeg-Mesolithicum MESOV Tabel 3: Indeling archeologische periodes in Nederland (bron: Archeologisch Basis Register). 16 8800 voor Chr. 7100 voor Chr. RUBICON Asdgekel de) Archeologische verwachting op provinciaal niveau De provincie Zuid-Holland beschikt over een digitaal raadpleegbare cultuurhistorische kaart, waarop de provinciale aandachtsgebieden aangegeven staan waarvoor specifiek archeologisch beleid geldt. Het plangebied ligt niet een dergelijk aandachtsgebied. Op de provinciale kaart is de archeologische verwachting in vijf klassen verdeeld, wat leidt tot de volgende tabellen voor respectievelijk een westelijke zone langs de dijk met de oorspronkelijke boerderij, en een oostelijke zone daarachter met de latere aanbouw.
Diepte Type afzetting Kenmerk Waarde Maaiveld/oppervlak 0-1 m -Mv | Komafzettingen Oude komafzettingen n.v.t. 1-3 m -Mv Komafzettingen Oude komafzettingen Hoog 3-5 m -Mv Komafzettingen Komafzettingen met veen Geen of laag Dieper dan 5 m -Mv Komafzettingen Komafzettingen met veen Geen of laag Ruim dieper dan 5 m -Mv Komafzettingen Komafzettingen met veen Geen of laag Tabel 4: Archeologische verwachting van het westelijk deel van het plangebied op de cultuurhistorische kaart provincie Zuid-Holland. Diepte Type afzetting Kenmerk Waarde Maaiveld/oppervlak 0-1 m -Mv | Zeeafzettingen Oude zeeafzettingen met veen n.v.t. 1-3 m -Mv Zeeafzettingen Oude zeeafzettingen met veen Hoog 3-5 m -Mv Zeeafzettingen Oude zeeafzettingen met veen; overig Geen of laag Dieper dan 5 m -Mv Zeeafzettingen Oude zeeafzettingen met veen; overig Geen of laag Ruim dieper dan 5 m -Mv Zeeafzettingen Oude zeeafzettingen met veen; overig Geen of laag Tabel 5: Archeologische verwachting van het oostelijk deel van het plangebied op de cultuurhistorische kaart provincie Zuid-Holland. De reeds besproken opbouw van bodem en ondergrond wordt gereflecteerd in bovenstaande verwachtingen, met name de ligging van het plangebied in de grenszone van de invloed van zee en rivier.
Archeologische verwachting op gemeentelijk niveau Het plangebied ligt op de Archeologische Waarden- en Beleidskaart van de gemeente Ridderkerk deels in een zone met een hoge archeologische verwachting dieper dan 50 cm -Mv‚ en deels in een zone met redelijk hoge archeologische verwachting dieper dan 50 cm -Mv (Bijlage 1, figuur 1). P apps.vertigisstudio.com. RUBICON Asdgekel de) Daarnaast beschikt de gemeente Ridderkerk ook over een Archeologische Kenmerkenkaart, die als inhoudelijk fundament geldt voor de al besproken Archeologische Waarden- en Beleidskaart. Op de Archeologische Kenmerkenkaart is aan de Noldijk sprake van een zone met aanduiding 6. Ligging dijken, aangelegd tot circa 1373. Hier geldt een grote kans op de aanwezigheid van archeologische sporen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd op en in de nabijheid van de dijken. In de rest van het plangebied is sprake van een zone met aanduiding 9. Komafzettingen (Formatie van Echteld) op een afwisseling van veen (Hollandveen Laagpakket) met kom- en oeverafzettingen (Formatie van Echteld) op komafzettingen (Formatie van Kreftenheye, Laag van Wijchen) op geulafzettingen (Formatie van Kreftenheye). Hier geldt een middelgrote kans op de aanwezigheid van archeologische sporen uit de Romeinse Tijd en uit de Late Middeleeuwen in het bodemtraject top Hollandveen Laagpakket - maaiveld.
De geologische opbouw van de diepere ondergrond is in detail vaak onbekend. De grootte van de kans op de aanwezigheid van archeologische sporen ouder dan de Romeinse tijd is daarmee niet aan te geven. Archeologische monumenten Binnen het onderzoeksgebied staan in ARCHIS twee archeologische monumenten geregistreerd (Bijlage 4, figuur 23). AMK nr. Status Complectype Toponiem en omschrijving en periode Polder Rijsoord en Strevelshoek; Waalweg: terrein met sporen van N . bewoning uit de Middeleeuwen. De vindplaats betreft de bewoning van de Terrein van Nederzetting Zwijndrechtse Waard voor de bedijking, een fase vanaf de ontginning van hoge (onbepaald) N ee: e : . . 6582 archeologische | ROM-VME dit gebied in de 11° eeuw of iets eerder tot de overstroming ervan circa 9 ' 1315. Op een deel van het terrein zijn in 1981/1982 door de stichting Oud waarde LME : f : Ridderkerk langs deze en aanliggende sloten veel laatmiddeleeuwse en nieuwtijdse vondsten gedaan. Polder Rijsoord en Strevelshoek; Waalweg: terrein met sporen van Terrein van bewoning uit de Romeinse Tijd, Vroege en Late Middeleeuwen. Op dit hoge Nederzetting terrein is een flinke hoeveelheid laatmiddeleeuws aardewerk gevonden. De 6590 archeolo ische (onbepaald) sporen liggen op een diepte van circa 1 tot 1,2 meter onder maaiveld.
De waarde 9 LME site betreft de Middeleeuwse bewoning van de Zwijndrechtse Waard voor de bedijking, een fase vanaf de ontginning van dit gebied in de 11° eeuw of iets eerder tot de overstroming ervan circa 1315. Tabel 6: Archeologische monumententerreinen in het onderzoeksgebied. De twee monumenten binnen het onderzoeksgebied bevinden zich aan de andere kant van de Oude Waal, in de polder Rijsoord en Strevelshoek. Hier liggen vier monumententerreinen naast elkaar, met sporen van bewoning uit met name de Late Middeleeuwen, maar ook uit de Romeinse Tijd en Vroege Middeleeuwen. Dit uitte zich met name in de vondst van veel laatmiddeleeuws aardewerk en reflecteert de bewoning in de Zwijndrechtse Waard voor de bedijking in het begin van de 14° eeuw. Archeologische vondstmeldingen Binnen het onderzoeksgebied staan in ARCHIS3 acht archeologische vondstmeldingen (vondsten gedaan buiten formele onderzoeksmeldingen, uitgezonderd ouder onderzoek dat met terugwerkende kracht is aangemeld) geregistreerd (Bijlage 4, figuur 23). 18 RUBICON Asdgekel de) ZaakID Periode Toponiem en omschrijving Noldijk: muurrestant dijk (baksteen 5 m en 20 m lang; muurdikte 4 tot 5 dm), 2713835100 LMEB aangetroffen tijdens veldkartering. Gripskeel: grote hoeveelheid aardewerk, aangetroffen tijdens veldkartering. O.a.
2713949100 LMEA-LMEB (proto)steengoed, Andenne, Paffrath, roodbakkend geglazuurd, grijsbakkend gedraaid, Pingsdorf. Gripskeel: grote hoeveelheid aardewerk, aangetroffen tijdens veldkartering. O.a. 2713957100 LMEA-LMEB (proto)steengoed, Andenne, Paffrath, roodbakkend geglazuurd, grijsbakkend gedraaid, Pingsdorf. 2733201100 ROM-LMEB oen 15 fragmenten aardewerk. O.a. roodbakkend geglazuurd, grijsbakkend Gripskeel: grote hoeveelheid aardewerk, aangetroffen tijdens veldkartering. O.a. 2785059100 LMEA-LMEB kogelpot, (proto)steengoed, Andenne, Paffrath, roodbakkend geglazuurd, grijsbakkend gedraaid, Pingsdorf. Noldijk: muurrestant dijk (baksteen, 75 m lang X 15-20 dm hoog, tegen westkant 3073775100 LMÉB Noldijk), aangetroffen tijdens veldkartering. Gripskeel: grote hoeveelheid aardewerk, aangetroffen tijdens veldkartering. O.a. 3092818100 LMEA-LMEB kogelpot, (proto)steengoed, Andenne, Paffrath, roodbakkend geglazuurd, grijsbakkend gedraaid, Pingsdorf. 3242821100 MESO-NT Rijksstraatweg: mogelijke vuurstenen bijl Tabel 7: Vondstmeldingen in het onderzoeksgebied. De meeste vondstmeldingen in het onderzoeksgebied zijn te koppelen aan de monumententerreinen die al zijn besproken, aangetroffen tijdens veldkarteringen in de polder Rijsoord en Strevelshoek aan de overzijde van de Oude Waal. Er zijn echter ook twee meldingen aan de Noldijk zelf gedaan, ten zuiden van het plangebied.
Deze ARCHIS-meldingen met zaakID 2713835100 en 3073775100 staan ook bekend als respectievelijk als BOOR-vindplaats 20-32 en 20-31. In het PvE-boren?® staan beide vindplaatsen als zodanig beschreven: e _BOOR-vindplaats 20-31: complex bestaat uit een dijkmuur (75 m) van in koperverband gemetselde, secundair gebruikte rode bakstenen. Het dijklichaam bestaat uit een muur aan de landzijde die is aangestort met aarde aan de zeezijde; e _BOOR-vindplaats 20-32: complex bestaat uit een dijkmuur in twee delen (resp. 20 en 5 m) van in strekverband gemetselde, secundair gebruikte rode (en enige groen verglaasde) bakstenen. Het dijklichaam bestaat uit een muur aan de landzijde die is aangestort met aarde aan de zeezijde. Een historische bron zou het bestaan melden van twee muurdijken langs de Noldijk in 1470. De muren moeten zijn aangelegd na ondergang van de Riederwaard, met gebruikmaking van oude stenen, vermoedelijk van bouwsels uit het overstroomde gebied. Langs de westkant van de Noldijk is circa 150 m uit elkaar een tweetal ‘muurdijken’ aanwezig. Na de ondergang van de Riederwaard moest de vroegere landzijde van de Noldijk (de westkant) als zeewering van de Zwijndrechtse Waard gaan funderen. De muren verloren hun betekenis met de bedijking van de polder Ziedewij in 1496. Het PvE maakt ook melding van BOOR-vindplaats 20-02.
Deze ligt buiten het onderzoeksgebied, maar is gezien het mogelijke complextype en de datering zeker interessant. Het betreft een aantal 20 Schoonhoven, 2026. 19 RUBICON Asdgekel de) baggervondsten, gedaan in de Oude Waal nabij het Waalviaduct. Het complex bestaat vermoedelijk uit een restant van een steiger; waarschijnlijk Romeinse Tijd, gezien de constructie, de ligging (ver uit de tot 1331 geërodeerde oever van de buitenbocht), en de grote hoeveelheid RT aardewerkscherven uit het zanddepot. De constructie betreft een dubbele rij zware, behakte palen, paarsgewijs verbonden door een of meer met bindwerk bevestigde horizontale dwarsbalken. Palen stonden diep in de zandbodem in een buitenbocht van de Waal, ca. 25 m en verder uit de linkeroever. De constructie is opgevat als een steiger, behorend bij een door de rivier opgeruimd nederzettingsterrein uit de Romeinse Tijd. In 1967 is het object ontdekt en verloren gegaan bij systematisch bagger zuigen in de Waal voor zandwinning. Archeologische onderzoeksmeldingen Binnen het onderzoeksgebied staan in ARCHIS3 16 onderzoeksmeldingen geregistreerd (Bijlage 4, figuur 23).
ZaakID Toponiem/ project Verwerving Jaar 2110481100 Noldijk 84 archeologisch: boring 2006 2110498100 Noldijk 84 archeologisch: boring 2006 2118088100 Noldijk archeologisch: boring 2006 2136037100 Waalbos, de boomgaard, bos Rijsoord en archeologisch: bureauonderzoek 2006 uitbreiding Wevershoek 2136061100 - archeologisch: bureauonderzoek 2006 2208321100 Waalbos archeologisch: boring 2008 2209618100 - archeologisch: boring 2008 2237603100 Noldijk archeologisch: boring 2009 2335605100 Waalbos, fase 2 archeologisch: boring 2011 2352542100 Nieuw-Reijerwaard archeologisch: boring 2011 2392662100 Natuurvriendelijke oever Waalbos, fase 2 archeologisch: boring 2012 2402843100 Tracé NAM ZWA-BRDTZ1 archeologisch: bureauonderzoek 2013 4013763100 Noldijk 34 archeologisch: boring 2016 5143438100 Waterkering IJsselmonde archeologisch: bureauonderzoek 2021 5460326100 Wegaanleg Ziedewij nabij nr. 40 archeologisch: boring 2023 20 RUBICON Asägekel de) 5869320001 Nieuwbouw tracédeel gemeente Ridderkerk archeologisch: bureauonderzoek 2025 Tabel 8: Onderzoeksmeldingen in het onderzoeksgebied. Binnen een straal van 500 m is sinds het begin van de 21° eeuw een aanzienlijk aantal archeologische onderzoeken uitgevoerd, in de vorm van bureauonderzoeken en verkennende booronderzoeken. De meest recente en relevante hiervan is het booronderzoek dat door Transect aan de Noldijk 34 is uitgevoerd in 2016.