CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage A - BesluitPreview vaststelling - versie 9-12-2025.pdf

Commissie Samen wonen RK 8 januari 2026, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 5: Vaststellen wijziging omgevingsplan voor bodemactiviteiten46.355 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 6

Artikel 7.11 Register met bodemlocaties De registers worden gebruikt om locaties bij te houden en raadpleegbaar te maken. Er zijn momenteel twee vindplaatsen. De gemeente wijst een register met bodemlocaties aan. Dit betreft het gedeelde Bodeminformatiesysteem Nazca, opgezet door DCMR, provincie Zuid-Holland en regiogemeenten en de Viewer kaart bodem en ondergrond, opgezet door DCMR. Deze registers bevatten alle bekende informatie over verdachte locaties, locaties met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico, historische bodemactiviteiten en bodemonderzoek uit voorgaande jaren. Ook worden daar in de toekomst de nazorglocaties opgenomen, waar als saneringsaanpak een afdeklaag is aangebracht of waar tijdelijke beschermingsmaatregelen zijn getroffen. Dit is nodig bij een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de Omgevingswet, waar de bron van de verontreiniging niet is weggenomen maar waar blootstelling aan de verontreiniging wordt voorkomen door het treffen van tijdelijke beschermingsmaatregelen.

Artikel 7.12 lid 1 Deze paragraaf gaat over kleinschalig grondverzet. Dit lid beperkt de toepassing van de regels tot locaties waarbij al eerder, via besluitvorming onder de Wet bodembescherming of via het Besluit bodemkwaliteit, is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is met één of meerdere stoffen tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit in een omvang groter dan 25 m3. In het register Bodemlocaties zijn deze verdachte bodemlocaties op te zoeken.

Artikel 7.12 lid 2 Met zeven wordt vooral puin uit de grond gehaald, waardoor de verdichtbaarheid en de civieltechnische toepassingsmogelijkheden worden verbeterd voordat de grond wordt teruggeplaatst of ergens anders wordt toegepast. Met het tijdelijk opslaan van de grond wordt bedoeld het opslaan van de bij het graven vrijkomende grond tijdens de activiteit, voorafgaand aan het terugplaatsen of afvoeren van de grond.

Artikel 7.12 lid 3 Deze paragraaf beperkt zich tot graven in de landbodem.

63

Onder waterbodem wordt verstaan: 'de bodem van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust'. Het Rijk en het waterschap Hollandse Delta stellen hier zelf regels voor op.

Artikel 7.13 Oogmerken Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

Artikel 7.14 lid 1 Tijdens of na afloop van het graven kan het noodzakelijk zijn om de grond tijdelijk op te slaan. Bijvoorbeeld omdat de grond tijdelijk uitgenomen wordt en na afloop van de werkzaamheden weer wordt teruggebracht in het oorspronkelijk ontgravingsprofiel. Of omdat de grond naar een andere plek moet worden afgevoerd. De periode van acht weken is bedoeld om een afvoerbestemming te vinden voor de partij grond. Het is niet toegestaan om de grond langer dan acht weken na het dichten van de ontgravingsput of cunet op te slaan. Als het voornemen bestaat om de grond langer dan de toegestane periode op te slaan of de vrijgekomen grond op een andere locatie dan de ontgravingslocatie op te slaan, gelden de regels voor het opslaan van grond en baggerspecie in paragraaf 3.2.24 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 7.14 lid 2 Onder a Sub a van dit artikel bevat regels die verplichten tot maatregelen om verwaaing van droge grond te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door het vochtig houden van de grond, het afdekken van het depot of door het opslaan van grond in dichte containers. Het is voornamelijk, maar niet uitsluitend, van toepassing als de grond asbest bevat. De achtergrond van deze regel is dat de opslag meestal van korte duur is en plaatsvindt op de locatie van ontgraving. Daardoor is de kwaliteit van de uitkomende grond vaak vergelijkbaar aan de kwaliteit van de onderliggende bodem. Het nemen van bodembeschermende maatregelen, zoals het aanbrengen van een folie, is in principe niet nodig. Dit kan anders zijn als de uitgegraven grond een slechtere kwaliteit heeft, bijvoorbeeld bij de ontgraving van een spot met minerale olie verontreinigde grond. In dat geval kan van de initiatiefnemer op basis van de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving verwacht worden dat maatregelen worden genomen ter bescherming van de onderliggende bodem, zoals het aanbrengen van een folie. Onder b Sub b van dit artikel bevat de plicht om maatregelen te nemen die voorkomen dat onbevoegden in contact kunnen komen met vrijgekomen grond, bijvoorbeeld door afscherming met een af te sluiten hekwerk.

Artikel 7.15 Kwaliteitsborging aannemer Uitvoering door een erkende aannemer is noodzakelijk als de graafwerkzaamheden dieper gaan dan een eerder in het kader van een bodemsanering aangebrachte afdeklaag, zoals bijvoorbeeld een leeflaag of andere duurzame afdeklaag. De graafwerkzaamheden moeten uitgevoerd worden volgens de BRL SIKB 7000.

Artikel 7.16 Milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven Milieukundige begeleiding is noodzakelijk als de graafwerkzaamheden dieper gaan dan een eerder in het kader van een bodemsanering aangebrachte afdeklaag, zoals bijvoorbeeld een leeflaag of andere duurzame afdeklaag. De milieukundige begeleiding moet uitgevoerd worden volgens de BRL SIKB 6000. Tijdens de milieukundige begeleiding houdt de milieukundige een logboek bij. Na

64

afloop van de activiteit rapporteert de milieukundige in het evaluatieverslag milieukundige processturing volgens de BRL SIKB 6000. Volgens de BRL SIKB 6000 is een continue aanwezigheid van de milieukundige meestal niet noodzakelijk. De milieukundige moet aanwezig zijn bij kritische werkzaamheden. Dat zijn de werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van de leefomgeving. In dit geval is het moment van doorgraven en weer herstellen van de afdeklaag het kritische moment.

Artikel 7.17 lid 1 Dit lid regelt dat het bevoegd gezag geïnformeerd wordt, voordat met het graven wordt begonnen. Op basis van de aangeleverde informatie en gegevens kan het bevoegd gezag toezicht houden op de activiteit.

Artikel 7.17 lid 2 Dit lid regelt dat de initiatiefnemer bij wijzigingen het bevoegd gezag, direct, zonder uitstel, moet informeren. Dit geldt ook bij wijzigingen die optreden tijdens de uitvoering van de activiteit.

Artikel 7.17 lid 3 De informatieplicht is niet van toepassing als het graven in bodem gebeurt vanwege een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Bijvoorbeeld bij het herstellen van gasleidingen en (drink)waterleidingen vanwege lekkages of het herstellen van een kabelbreuk (elektriciteit, glasvezels et cetera). Bij zo'n spoedreparatie is het niet redelijk en ook niet mogelijk om vooraf een bodemonderzoek uit te voeren en te voldoen aan de termijn van de informatieplicht (een week). Daarom komt in die situatie een beperkte informatieplicht achteraf in plaats van een meldingsplicht en onderzoek vooraf.

Artikel 7.17 lid 4 Dit lid regelt dat de in het eerste lid bedoelde onderzoeken ook in het bestandsformaat XML ingeleverd moeten worden. De gemeente kan deze dan direct in haar Bodeminformatiesysteem verwerken. Naar verwachting zal deze plicht op termijn in regels van het Rijk worden opgenomen. De regeling in dit omgevingsplan wordt dan overbodig.

Artikel 7.18 Toepassingsbereik Deze paragraaf bevat regels in aanvulling op paragraaf 4.119 en bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving. In deze paragraaf wordt geregeld dat de regels voor graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarden en een bodemvolume van meer dan 25 m3 ook van toepassing zijn op de stoffen PFOS, PFOA en overige PFAS.

Artikel 7.19 Oogmerken Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

Artikel 7.20 Waarden PFOS, PFOA en overige PFAS (maatwerkregel) In Nederland is de bodem op verschillende plekken verontreinigd met PFAS. Het Rijk heeft echter voor PFAS vooralsnog geen wettelijke interventiewaarden vastgesteld. Daarom heeft het RIVM Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV) voor PFOS, PFOA en overige PFAS afgeleid. Een INEV is vergelijkbaar met de interventiewaarden in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving. Bij concentraties onder de INEV's zijn geen ontoelaatbare negatieve gezondheidseffecten te verwachten.

65

De gemeente Ridderkerk kiest er voor om, net als andere gemeenten en vooruitlopend op landelijke wettelijke normen, de INEV's als ‘lokale’ normen voor PFAS vast te stellen. Hiermee kunnen ernstige gezondheidsrisico’s worden voorkomen en is de bodem beter beschermd. Met dit artikel wordt geregeld dat de algemene regels in het Besluit activiteiten leefomgeving, die gelden voor het graven in niet-sterk met reguliere stoffen verontreinigde grond, nu ook gelden voor het graven in niet-sterk met PFOS, PFOA en overige PFAS verontreinigde grond (gehaltes onder de INEV). De regels in paragraaf 4.119 Besluit activiteiten leefomgeving geven onder andere aan dat er milieuhygiënisch gewerkt moet worden en dat er een informatieplicht geldt. • RIVM, Toelichting op Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV) PFAS voor grond en grondwater, publicatiedatum 5 maart 2020, Versie: 20200302v10

Artikel 7.21 lid 1 Dit artikel bevat een aanvulling op artikel 4.1220, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Daarin is geregeld dat het college van burgemeester en wethouders een week voor het begin van de activiteit gegevens en bescheiden ontvangt over: • de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; • de verwachte datum van het begin van de activiteit; • de verwachte duur van de activiteit. Aanvullende daarop is in dit artikel geregeld dat het verplicht is om ook de genoemde onderzoeken aan het college van burgemeester en wethouders te verstrekken.

Artikel 7.21 lid 2 Dit lid regelt dat de in het eerste lid bedoelde onderzoeken ook in het bestandsformaat XML ingeleverd moeten worden. De gemeente kan deze dan direct in haar Bodeminformatiesysteem verwerken. Naar verwachting zal deze plicht op termijn in regels van het Rijk worden opgenomen. De regeling in dit omgevingsplan wordt dan overbodig.

Artikel 7.22 Gescheiden houden van grond (maatwerkregel) Op grond van artikel 4.1222 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden bij het graven, terugplaatsen of afvoeren van grond, partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen gescheiden gehouden. In aanvulling daarop beschrijft dit artikel een aantal gevallen waarin partijen grond ook gescheiden moet worden gehouden, namelijk: Onder a Als de partijen grond meer dan 20% bodemvreemd materiaal bevatten moeten deze gescheiden worden gehouden. Het is niet wenselijk om deze grond ongezeefd terug in de bodem te brengen. Het bodemvreemde materiaal hoort niet in de bodem. Onder b Als de partijen grond uit verschillende grondsoorten bestaan worden deze ook gescheiden gehouden. Hiermee wordt voorkomen dat grondsoorten vermengd raken. Op deze manier kan bij terugplaatsing de oorspronkelijke bodemopbouw intact blijven. Onder c Partijen grond met visueel asbest zijn ongewenst en worden daarom apart gehouden. Als de asbest zichtbaar is, kan de asbest met handpicking worden verwijderd of kan de hele partij worden afgevoerd. Onder d

66

Partijen grond die invasieve exoten bevatten, zoals de Japanse duizendknoop, worden apart gehouden en daarna afgevoerd. De Japanse duizendknoop is een ongewenste exoot die door zijn woekergedrag zorgt voor schade.

Artikel 7.23 Tijdelijk uitnemen van grond (maatwerkregel) Dit artikel bevat een aanvulling op artikel 4.1222a van het Besluit activiteiten leefomgeving. Het beschrijft een aantal gevallen waarin partijen grond, ook na het tijdelijke uitnemen daarvan, niet wordt teruggebracht in de grond. Het gaat om de volgende gevallen: Onder a Als de partijen grond meer dan 20% bodemvreemd materiaal bevatten worden deze niet teruggebracht. Het is niet wenselijk om deze grond ongezeefd terug in de bodem te brengen. Het bodemvreemde materiaal hoort niet in de bodem. Onder b Partijen grond met visueel asbest zijn ongewenst en worden daarom niet teruggebracht. Als de asbest zichtbaar is, kan de asbest met handpicking worden verwijderd of kan de hele partij worden afgevoerd. Onder c Partijen grond die invasieve exoten bevatten, zoals de Japanse duizendknoop, worden apart gehouden en daarna afgevoerd. De Japanse duizendknoop is een ongewenste exoot die door zijn woekergedrag zorgt voor schade.

Artikel 7.24 Tijdelijke opslag van vrijgekomen grond (maatwerkregel) Onder a Sub a van dit artikel bevat de plicht om maatregelen te nemen om verwaaiing van droge grond te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld gedaan worden door het vochtig houden van de grond, het afdekken van het depot of door het opslaan van grond in dichte containers. Dit is vooral belangrijk, maar niet uitsluitend, als de grond asbest bevat. Meestal heeft de uitkomende grond een vergelijkbare kwaliteit als de onderliggende bodem, is de opslag is van korte duur en vindt deze plaats op de locatie van ontgraving. Het nemen van bodembeschermende maatregelen is dan in principe niet nodig. Dit kan anders zijn als de uitgegraven grond een slechtere kwaliteit heeft, bijvoorbeeld bij de ontgraving van een spot met minerale olie verontreinigde grond. In dat geval kan van de initiatiefnemer op grond van de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, verwacht worden dat maatregelen worden genomen ter bescherming van de onderliggende bodem, zoals het aanbrengen van een folie. Onder b Sub b van dit artikel bevat de plicht om maatregelen te nemen die voorkomen dat onbevoegden in contact kunnen komen met vrijgekomen grond, bijvoorbeeld door afscherming met een af te sluiten hekwerk.

Artikel 7.25 Terugplaatsen tijdelijk uitgenomen grond (maatwerkregel) Het tijdelijk uitnemen van grond is een veelgebruikte actie bij bijvoorbeeld de aanleg van kabels en leidingen. In het Besluit activiteiten leefomgeving zijn hierover regels opgenomen. Bij een bodemkwaliteit onder de interventiewaarde mag grond op en nabij de plaats van ontgraven worden teruggebracht. Dit mag alleen als deze onder dezelfde omstandigheden teruggebracht wordt.

67

In de voormalige Nota bodembeheer (7 juni 2021) stonden regels voor ‘over-de-kop’ werken bij tijdelijke uitplaatsing. In het stedelijk gebied is de grond vaak al gemengd. Dit artikel sluit daarbij aan. Het maakt het mogelijk om grond terug te plaatsen, zonder exact het ontgravingsprofiel aan te houden. De gedachte hierbij is dat in deze situatie weinig tot niets verandert aan de milieubelasting op een bepaalde locatie.

Artikel 7.26 Toepassingsbereik Deze paragraaf bevat regels in aanvulling op paragraaf 4.120 en bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving. In deze paragraaf wordt geregeld dat de regels voor graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarden en een bodemvolume van meer dan 25 m3 ook van toepassing zijn op de stoffen PFOS, PFOA en overige PFAS.

Artikel 7.27 Oogmerken Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

Artikel 7.28 Waarden PFOS, PFOA en overige PFAS (maatwerkregel) In Nederland is de bodem op verschillende plekken verontreinigd met PFAS. Het Rijk heeft echter voor PFAS vooralsnog geen wettelijke interventiewaarden vastgesteld. Daarom heeft het RIVM Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV) voor PFOS, PFOA en overige PFAS afgeleid. Een INEV is vergelijkbaar met de interventiewaarden in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving. Bij concentraties onder de INEV's zijn geen ontoelaatbare negatieve gezondheidseffecten te verwachten. De gemeente Ridderkerk kiest er voor om, net als andere gemeenten en vooruitlopend op landelijke wettelijke normen, de INEV's als ‘lokale’ normen voor PFAS vast te stellen. Hiermee kunnen ernstige gezondheidsrisico’s worden voorkomen en is de bodem beter beschermd. Met dit artikel wordt geregeld dat de algemene regels in het Besluit activiteiten leefomgeving, die gelden voor het graven in sterk met reguliere stoffen verontreinigde grond, nu ook gelden voor het graven in sterk met PFOS, PFOA en overige PFAS verontreinigde grond (gehaltes boven de INEV). De regels in paragraaf 4.120 van het Besluit activiteiten leefomgeving geven onder andere aan dat er milieuhygiënisch gewerkt moet worden en dat er een informatieplicht geldt.

• RIVM, Toelichting op Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV) PFAS voor grond en grondwater, publicatiedatum 5 maart 2020, Versie: 20200302v10

Artikel 7.29 Meldplicht voorafgaand aan de activiteit (maatwerkregel) Dit artikel bevat een aanvulling op de artikel 4.1225, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Het artikel regelt dat de onderzoeken ook in het bestandsformaat XML ingeleverd moeten worden. De gemeente kan deze dan direct in haar Bodeminformatiesysteem verwerken. Naar verwachting zal deze plicht op termijn in regels van het Rijk worden opgenomen. De regeling in dit omgevingsplan wordt dan overbodig.

Artikel 7.30 Gescheiden houden van partijen grond (maatwerkregel) Op grond van artikel 4.1230 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden bij het graven, terugplaatsen of afvoeren van grond, partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen gescheiden gehouden. In aanvulling daarop beschrijft dit artikel een aantal gevallen waarin partijen grond ook gescheiden moet worden gehouden, namelijk: Onder a Als de partijen grond meer dan 20% bodemvreemd materiaal bevatten moeten deze gescheiden worden gehouden. Het is niet wenselijk om deze grond ongezeefd terug in de bodem te brengen. Het bodemvreemde materiaal hoort niet in de bodem.

68

Onder b Als de partijen grond uit verschillende grondsoorten bestaan worden deze ook gescheiden gehouden. Hiermee wordt voorkomen dat grondsoorten vermengd raken. Op deze manier kan bij terugplaatsing de oorspronkelijke bodemopbouw intact blijven. Onder c Partijen grond met visueel asbest zijn ongewenst en worden daarom apart gehouden. Als de asbest zichtbaar is, kan de asbest met handpicking worden verwijderd of kan de hele partij worden afgevoerd. Onder d Partijen grond die invasieve exoten bevatten, zoals de Japanse duizendknoop, worden apart gehouden en daarna afgevoerd. De Japanse duizendknoop is een ongewenste exoot die door zijn woekergedrag zorgt voor schade. Onder e Partijen grond die een mobiele verontreiniging bevatten worden apart gehouden vanwege het risico op verspreiding van de verontreiniging.

Artikel 7.31 Tijdelijk uitnemen van partijen grond (maatwerkregel) Dit artikel bevat een aanvulling op artikel 4.1230a van het Besluit activiteiten leefomgeving. Het beschrijft een aantal gevallen waarin partijen grond, ook na het tijdelijke uitnemen daarvan, niet wordt teruggebracht in de grond. Het gaat om de volgende gevallen: Onder a Als de partijen grond meer dan 20% bodemvreemd materiaal bevatten worden deze niet teruggebracht. Het is niet wenselijk om deze grond ongezeefd terug in de bodem te brengen. Het bodemvreemde materiaal hoort niet in de bodem. Onder b Partijen grond met visueel asbest zijn ongewenst en worden daarom niet teruggebracht. Als de asbest zichtbaar is, kan de asbest met handpicking worden verwijderd of kan de hele partij worden afgevoerd. Onder c Partijen grond die invasieve exoten bevatten, zoals de Japanse duizendknoop, worden apart gehouden en daarna afgevoerd. De Japanse duizendknoop is een ongewenste exoot die door zijn woekergedrag zorgt voor schade. Onder d Partijen grond die een mobiele verontreiniging bevatten mogen niet teruggebracht worden vanwege het risico op verspreiding van de verontreiniging.

Artikel 7.32 Tijdelijke opslag van vrijgekomen grond (maatwerkregel) Onder a Sub a van dit artikel bevat de plicht om maatregelen te nemen om verwaaiing van droge grond te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld gedaan worden door het vochtig houden van de grond, het afdekken van het depot of door het opslaan van grond in dichte containers. Dit is vooral belangrijk, maar niet uitsluitend, als de grond asbest bevat.

69

Meestal heeft de uitkomende grond een vergelijkbare kwaliteit als de onderliggende bodem, is de opslag is van korte duur en vindt deze plaats op de locatie van ontgraving. Het nemen van bodembeschermende maatregelen is dan in principe niet nodig. Dit kan anders zijn als de uitgegraven grond een slechtere kwaliteit heeft, bijvoorbeeld bij de ontgraving van een spot met minerale olie verontreinigde grond. In dat geval kan van de initiatiefnemer op grond van de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, verwacht worden dat maatregelen worden genomen ter bescherming van de onderliggende bodem, zoals het aanbrengen van een folie. Onder b Sub b van dit artikel bevat de plicht om maatregelen te nemen bij partijen grond die een mobiele verontreiniging bevatten. Deze aanvullende maatregelen zijn nodig om verspreiding van de verontreiniging tegen te gaan. Verspreiding kan bijvoorbeeld voorkomen worden door een folie aan te brengen. Onder c Sub c van dit artikel bevat de plicht om maatregelen te nemen die voorkomen dat onbevoegden in contact kunnen komen met vrijgekomen grond, bijvoorbeeld door afscherming met een af te sluiten hekwerk.

Artikel 7.33 lid 1 Dit artikel bevat een aanvulling op artikel 4.1234 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Als er aanvullend bodemonderzoek is uitgevoerd tijdens de graafwerkzaamheden, dan moet dit onderzoek ook verstrekt worden aan het college.

Artikel 7.33 lid 2 Dit lid regelt dat de in het eerste lid bedoelde onderzoeken ook in het bestandsformaat XML ingeleverd moeten worden. De gemeente kan deze dan direct in haar Bodeminformatiesysteem verwerken. Naar verwachting zal deze plicht op termijn in regels van het Rijk worden opgenomen. De regeling in dit omgevingsplan wordt dan overbodig.

Artikel 7.34 Toepassingsbereik Deze paragraaf bevat regels in aanvulling op paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving over het saneren van de bodem.

Artikel 7.35 Oogmerken Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

Artikel 7.36 Verwijderen van verontreiniging als saneringsaanpak (maatwerkregel) Met deze maatwerkregel wordt geregeld dat het aanbrengen van een afdeklaag als saneringsaanpak, bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving, niet meer mogelijk is. Dit omdat met een afdeklaag de vluchtige stof nog steeds uit kan dampen en een risico kan vormen voor de mens. Door het verwijderen van de verontreiniging wordt het risico op uitdamping, en op gezondheidsrisico's als gevolg daarvan, geminimaliseerd.

Artikel 7.37 Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit na saneren (maatwerkregel) Artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving regelt dat grond met concentraties boven de interventiewaarde bodemkwaliteit of de lokale waarde voor toelaatbare bodemkwaliteit uit het omgevingsplan, wordt gesaneerd door het te ontgraven. Na sanering mag de concentratie in de bodem, binnen de saneringslocatie, niet meer hoger zijn dan de kwaliteitseisen die horen bij de

70

bodemgevoelige gebruiksfunctie waarin de landbodem ter plaatse is ingedeeld: landbouw/natuur, wonen of industrie. Als er sprake is van sanering van een niet door regels genormeerde stof die in een gebied of op een locatie voorkomt, is het mogelijk om via maatwerkregels in het omgevingsplan hiervoor een terugsaneerwaarde vast te leggen. Van deze mogelijkheid is in dit artikel gebruik gemaakt door het opnemen van terugsaneerwaarden voor de stoffen lood, asbest, PFOS, PFOA en overig PFAS.

Artikel 7.37 lid 1 De wettelijke normen voor lood die zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit en bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn niet in lijn met de inzichten van het RIVM en de GGD over de risico’s van lood voor de gezondheid. Gebleken is dat blootstelling aan lood nog schadelijker is voor de gezondheid dan eerst werd gedacht, met name voor jonge kinderen. De voor lood gekozen terugsaneerwaarden van 90 en 60 mg/kg in droge stof sluiten aan bij de gezondheidskundige risicowaarden voor deze gebruiksfuncties bepaald door het RIVM. De waarden voor lood in artikelen 4.7, 4.25 en 4.31 zijn signaleringswaarden. Als er met bodemonderzoek hogere concentraties worden aangetoond dan deze signaleringswaarden, dan zijn maatregelen nodig. Door middel van deze maatregelen moet de concentratie verlaagd worden tot de waarden als aangegeven in dit lid. De gemeente Ridderkerk volgt het rapport van RIVM en advies van de GGD voor locaties waar verwacht wordt dat kinderen vaak in aanraking kunnen komen met de bodem, zoals een tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school. Voor deze locaties hanteert de gemeente een afwijkende waarde voor lood. • RIVM Rapport 2015-0204. Diffuse loodverontreiniging in de bodem. Advies voor een gemeen schappelijk beleidskader.

Otte P, Bakker MI, Lijzen JPA, Versluijs CW, Zeilmaker MJ; en • GGD Rotterdam-Rijnmond, Toetsingskader actuele gezondheidsrisico’s bij bodemverontreini ging (werkdocument), datum 1 september 2025.

Artikel 7.37 lid 2 Het tweede lid bevat de terugsaneerwaarden voor asbest.

Artikel 7.37 lid 3 Het derde lid bevat de terugsaneerwaarden voor de stoffen POFS, PFOA en overige PFAS. Bij ontgraven mogen deze stoffen niet voorkomen in een concentratie hoger dan of gelijk aan deze waarden.

Artikel 7.38 Toepassingsbereik In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn instructieregels opgenomen voor de gemeente. Deze instructieregels moeten in acht worden genomen bij het wijzigen van het omgevingsplan. Paragraaf 7.3.5.2 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening bevat instructieregels die gaan over het saneren van de bodem ter uitvoering van een bronaanpak. De Zuid-Hollandse Omgevingsverordening bevat ook een artikelsgewijze toelichting op deze regels.

Artikel 7.38 lid 1 Deze paragraaf bevat regels over het uitvoeren van een bronaanpak. Deze kan verplicht zijn, bijvoorbeeld bij het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie. Een bronaanpak is bedoeld om te voorkomen dat een mobiele verontreiniging, die zich in de vaste bodem bevindt, leidt tot een inbreng naar het grondwater. De bronaanpak kan ook zorgen voor het beperken van de inbreng naar het grondwater. De mobiele verontreiniging in de vaste bodem kan zich zowel in de onverzadigde zone als in de verzadigde zone bevinden. De bronaanpak is niet bedoeld voor verontreinigingen die zich enkel in het grondwater bevinden. Grondwater bevindt zich in de verzadigde zone van de bodem. Het beheren, beperken of ongedaan

71

maken van verontreiniging van het grondwater is een grondwatersanering en geen onderdeel van deze paragraaf.

Artikel 7.38 lid 2 In het tweede lid van dit artikel is het saneren van de bodem in een grondwaterbeschermingsgebied uitgesloten van het toepassingsbereik. De regels hierover staan in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. De grondwaterbeschermingsgebieden zijn daarin opgenomen als gebiedsaanwijzing: Zuid-Hollandse Omgevingsverordening - Regels op de kaart - Omgevingsloket

Artikel 7.39 Oogmerken Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen. Deze oogmerken zijn ontleend aan de oogmerken in artikel 3.119, Afdeling 3.4 'Activiteiten in verband met verontreiniging van het grondwater', van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Artikel 7.40 lid 1 Dit lid bepaalt dat afdekken in principe niet is toegestaan bij het uitvoeren van een bronaanpak. Dit omdat een afdeklaag niet leidt tot het verminderen of voorkomen van de mobiele verontreiniging die zich in de vaste bodem bevindt.

Artikel 7.40 lid 2 In sommige gevallen zou een afdeklaag er wel toe kunnen leiden dat de in de vaste bodem aanwezige mobiele verontreiniging niet of in ieder geval minder uitspoelt naar het grondwater. Die gevallen zijn beschreven in dit artikel.

Artikel 7.41 Informatieplicht: voor het begin van de bronaanpak Voor aanvang van de bronaanpak worden er op grond van artikel 4.1236 en artikel 4.1237 van het Besluit activiteiten Leefomgeving gegevens gestuurd aan de gemeente als bevoegd gezag voor het saneren van de bodem. Dit artikel garandeert dat dezelfde gegevens en bescheiden ook worden gestuurd aan gedeputeerde staten. Dit is in het belang van de provincie, omdat die verantwoordelijkheden heeft voor het behalen van de doelen voor grondwater uit de Kader Richtlijn Water (KRW).

Artikel 7.42 Informatieplicht: bij beëindiging van de bronaanpak Dit artikel regelt dat het evaluatieverslag dat wordt gestuurd aan het college van burgemeester en wethouders, ook wordt gestuurd aan gedeputeerde staten. Dit is in het belang van de provincie, omdat die verantwoordelijkheden heeft voor het behalen van de doelen voor grondwater uit de Kader Richtlijn Water (KRW).

Artikel 7.43 Maatwerkvoorschrift andere aanpak grondwaterverontreiniging Via dit artikel is ook een alternatieve saneringsaanpak mogelijk. Deze moet echter wel gericht zijn op het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater. Ook is denkbaar dat bij de saneringsaanpak verwijderen van verontreiniging, bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving het verwijderen van de gehele bron in de vaste bodem buitenproportioneel is om te verlangen. De beoordeling hiervan is altijd maatwerk. Zowel initiatiefnemers als het bevoegd gezag hebben daarom de mogelijkheid om respectievelijk maatwerkvoorschriften aan te vragen of op te leggen voor een andere saneringsaanpak.

72

Artikel 7.44 lid 1 Deze paragraaf regelt dat de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie, waarvoor op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift een deklaag of isolatielaag is aangebracht, alle maatregelen moet nemen om deze deklaag of isolatielaag in stand te houden, te onderhouden of te vervangen.

Artikel 7.44 lid 2 Ook voor het in stand houden van tijdelijke beschermingsmaatregelen, die zijn genomen als gevolg van een toevalsvondst, bevat deze paragraaf regels. Het zijn regels over maatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen, maar de blootstellingsroute (blijven) blokkeren.

Artikel 7.45 Oogmerken Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

Artikel 7.46 Locatie nazorg bodem - afdeklaag Als een bodemsanering om blootstelling te voorkomen is uitgevoerd door het aanbrengen van een afdeklaag, dan is het voor de bescherming van de gezondheid van belang dat die afdeklaag in stand blijft. De afdeklaag kan beschadigd raken of te dun worden, waardoor bij het dagelijkse gebruik van de locatie blootstelling en contactmogelijkheden met de verontreinigde bodem kunnen ontstaan. De maatregelen zijn gericht op het herstellen van de afdeklaag.

Artikel 7.47 Locatie nazorg bodem - tijdelijke beschermingsmaatregelen Als tijdelijke beschermingsmaatregelen zijn genomen, dan is het voor de bescherming van de gezondheid van belang dat deze in stand blijven.

Artikel 7.48 Toepassingsbereik In artikel 4.1272 Besluit activiteiten leefomgeving worden (in samenhang met het Besluit bodemkwaliteit) kwaliteitseisen gesteld aan grond of baggerspecie die wordt toegepast in of op de landbodem. In deze paragraaf zijn de regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving aangescherpt en aangevuld.

Artikel 7.49 Oogmerken Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

Artikel 7.50 Bodembeheergebied Het bodembeheergebied is aangewezen overeenkomstig artikel 5.89o Besluit kwaliteit leefomgeving. Binnen dit gebied zijn maatwerkregels mogelijk ter versoepeling van de kwaliteitseisen als de grond of baggerspecie afkomstig is uit en ook weer binnen dat gebied wordt toegepast. De regels hiervoor staan in deze paragraaf. Binnen dit bodembeheergebied wordt het gebiedsspecifieke beleid uit de voormalige Nota Bodembeheer (7 juni 2021) uitgewerkt. Voor grond en baggerspecie van buiten het bodembeheergebied gelden de gelden de regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving in combinatie met bodemkwaliteitskaarten en toepassingskaarten. Deze kaarten zijn te raadplegen op https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR714140. Een bodemkwaliteitskaart geeft de feitelijk bodemkwaliteit van een gebied weer. Het gaat dan om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem die te verwachten is op gebiedsniveau. Een bodemkwaliteitskaart kan gebruikt worden als basis voor een milieuverklaring zoals bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving.

73

Zo'n milieuverklaring is nodig voor: • ontgraven grond of baggerspecie (vaak aangeduid als ontgravingskaart) of; • de bodem waarop grond of baggerspecie wordt toegepast (vaak aangeduid als een kaart voor de kwaliteit van de ontvangende bodem). De toepassingskaart geeft aan welke kwaliteit grond en baggerspecie mag worden toegepast.

Artikel 7.51 Invasieve exoten (maatwerkregel) Er geldt een Europees verbod op bezit, handel, kweek, transport en import van een aantal schadelijke exotische planten en dieren. Deze soorten staan op de zogenoemde Unielijst. Invasieve exoten kunnen schadelijk zijn voor de natuur. Ze kunnen er bijvoorbeeld voor zorgen dat inheemse planten en dieren gedeeltelijk of zelfs geheel verdwijnen. Sommige invasieve exoten kunnen daarnaast gezondheidsproblemen bij mensen veroorzaken. Het is daarom niet gewenst dat restanten van deze exoten zijn terug vinden in bouwstoffen die als fundering van een weg of als fundering van een gebouw worden gebruikt. De EU-verordening 1143/2014 over invasieve uitheemse soorten bevat rechtstreeks werkende regels om de introductie en verspreiding van zorgwekkende invasieve uitheemse soorten op de zogenoemde 'Unielijst' te voorkomen. Dit zijn invasieve exoten waarvan de negatieve effecten zodanig zijn dat gezamenlijk optreden op het niveau van de Europese Unie nodig is.

Artikel 7.52 lid 1 De wettelijke normen voor lood die zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit en bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn niet in lijn met de inzichten van het RIVM en de GGD over de risico’s van lood voor de gezondheid. Gebleken is dat blootstelling aan lood nog schadelijker is voor de gezondheid dan eerst werd gedacht, met name voor jonge kinderen. De gemeente Ridderkerk volgt het rapport van RIVM en advies van de GGD voor locaties waar verwacht wordt dat kinderen vaak in aanraking kunnen komen met de bodem, zoals een tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school. Voor deze locaties hanteert de gemeente een afwijkende waarde voor lood. • RIVM Rapport 2015-0204. Diffuse loodverontreiniging in de bodem. Advies voor een gemeen schappelijk beleidskader. Otte P, Bakker MI, Lijzen JPA, Versluijs CW, Zeilmaker MJ; en • GGD-advies Lood in bodem en gezondheid. Aanvullend advies met informatie voor GGD-ad viseurs gezondheid en milieu. GGD GHOR Nederland/GGD-projectgroep bodem - geactuali seerde versie: 2 november 2020.

Artikel 7.52 lid 2 De in dit lid opgenomen waarden voor asbest zijn strenger dan de waarden die zijn opgenomen in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving. Deze strengere waarden voor asbest komen voort uit de voormalige Nota Bodembeheer (7 juni 2021) en sluiten ook aan bij het basisdocument voor eenheid in het regionale bodembeleid van de Rijnmondgemeenten.

Artikel 7.52 lid 3 In Nederland is de bodem op verschillende plekken verontreinigd met PFAS. Het Rijk heeft echter voor PFAS vooralsnog geen wettelijke interventiewaarden vastgesteld. Ook zijn er nog geen wettelijke waarden voor PFAS voor het toepassen van grond en baggerspecie. Daarom heeft het RIVM Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV) voor PFOS, PFOA en overige PFAS afgeleid. Daarnaast zijn normen voor grondverzet opgenomen in het landelijk handelingskader (Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie, vigerende versie). De gemeente Ridderkerk kiest ervoor om, net als andere gemeenten en vooruitlopend op landelijke wettelijke normen, deze waarden als ‘lokale’ normen voor PFOS, PFOA en overige PFAS vast te stellen. Hiermee kunnen ernstige gezondheidsrisico’s worden voorkomen en is de bodem beter

74

beschermd. Daarbij maken we onderscheid tussen grond afkomstig van binnen en van buiten het bodembeheergebied. • RIVM, Toelichting op Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV) PFAS voor grond en grondwater, publicatiedatum 5 maart 2020, Versie: 20200302v10 • Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie, december 2023 • GGD Rotterdam-Rijnmond, Toetsingskader actuele gezondheidsrisico’s bij bodemverontreini ging (werkdocument), datum 1 september 2025

Artikel 7.53 Grond en baggerspecie in een bodembeheergebied toepassen (maatwerkregel) Dit artikel bevat maatwerkregels in overeenstemming met het Ridderkerkse beleid ten aanzien van bodem. In het Besluit activiteit leefomgeving zijn kwaliteitseisen opgenomen voor het toepassen van grond of baggerspecie. Met dit artikel worden de kwaliteitseisen uit de voormalige Nota Bodembeheer (7 juni 2021) van toepassing verklaard. Deze kwaliteitseisen gelden in afwijking van de kwaliteitseisen als genoemd in artikel 4.1272, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving. Onder a en b De functie van de zone is leidend voor de kwaliteit van de grond die mag worden toegepast. Onder c Hier wordt geregeld dat de kwaliteitseisen voor lood, asbest, PFOS, PFOA en overige PFAS gelden binnen het bodembeheergebied bij grondverplaatsing. Onder d Deze maatwerkregel geldt alleen voor grond afkomstig uit het bodembeheergebied. Voor grond afkomstig buiten het bodembeheergebied gelden de landelijke regels.

Artikel 7.54 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie voor zone Nieuw Reijerwaard In de bodem van bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard worden regelmatig lage gehalten drins (bestrijdingsmiddelen) aangetroffen. Als gevolg daarvan is is hergebruik van de grond, op basis van het Besluit bodemkwaliteit, binnen het bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard formeel niet toegestaan. De oorzaak van de bestrijdingsmiddelen in de grond is het langjarige gebruik van het gebied als tuinbouwgrond en kassengebied. In dit artikel wordt het al sinds 2014 bestaande hergebruiksbeleid overgenomen uit de voormalige Nota Bodembeheer (7 juni 2021). Daarmee kan, op aanvaardbare wijze, hergebruik van deze grond binnen bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard als gebiedseigen grond worden toegestaan.

Artikel 7.55 Meldplicht voorafgaand aan een grootschalige bodemtoepassing (maatwerkregel) Dit artikel bevat maatwerk voor gegevens die moeten worden overlegd voorafgaand aan een grootschalige bodemtoepassingen (GBT). Hierdoor is er voldoende informatie voor toezicht.

Artikel 7.56 Informatieplicht na een grootschalige bodemtoepassing (maatwerkregel) Dit artikel bevat maatwerk voor gegevens die moeten worden overlegd na grootschalige bodemtoepassingen (GBT). Dit om te voorkomen dat er na toepassing allerlei onduidelijkheden ontstaan over de wijze waarop de toepassing tot stand is gekomen en hoe deze wordt beheerd.

Artikel 7.57 lid 1 Deze paragraaf gaat over locaties waarvoor voor 1 januari 2024 een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat sprake is van een zogenaamd

75

'ernst, niet-spoedlocatie'. Dat betekent dat het huidige of het voorgenomen gebruik van de bodem, of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging, niet leidt tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is. Deze locaties en de bijbehorende rapporten zijn te vinden via het register, als bedoeld in artikel 7.11, tweede lid.

Artikel 7.57 lid 2 Omdat spoedige sanering van 'ernst, niet spoedlocaties' niet noodzakelijk was, zijn er in de provincie Zuid-Holland ook veel gevallen bekend waarvoor geen beschikking is verleend. In het tweede lid is daarom geregeld dat deze paragraaf ook gaat over activiteiten op locaties waar uit nader bodemonderzoek volgt dat er sprake is van een zogenaamd 'ernst, niet-spoedlocatie'. Ook als hiervoor geen beschikking is verleend. Het nader bodemonderzoek moet wel voldoen aan de normen van NTA 5755 voor milieuhygiënisch onderzoek van de land- en waterbodem. Ook deze locaties en de bijbehorende rapporten zijn te vinden via het register, bedoeld in artikel 7.11, eerste lid

Artikel 7.58 Oogmerken Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

Artikel 7.59 lid 1 Onder a Dit artikel heeft een tweeledig doel. Ten eerste om de bekende historische verontreinigingen, die niet onder overgangsrecht vallen, kenbaar te houden onder de Omgevingswet en het instrumentarium van de Omgevingswet te kunnen toepassen. Ten tweede om een (licht) beschermingsregime van toepassing te laten zijn op deze locaties, aangezien het gaat om niet eerder gesaneerde locaties waar nog altijd een (bron van) een significante bodem- en/of grondwaterverontreiniging aanwezig is. Onder b Sub b geeft invulling aan instructieregel 7.39f 'grondwater: mitigerende maatregelen' in de ZuidHollandse Omgevingsverordening. Historische bodemverontreinigingen omvatten immers ook verontreiniging van het grondwater. Maatregelen ter bescherming van de gezondheid zijn niet altijd nodig, terwijl de aanwezige verontreiniging wel degelijk een risico vormt voor het grondwater. Dit kan een risico zijn ten aanzien van de doelen die de Kaderrichtlijn Water (KRW) aan het grondwater stelt, voor grondwater dat gebruikt wordt voor de openbare drinkwatervoorziening of overige vormen van gebruik die afhangen van het grondwater. Denk hierbij aan veedrenking of irrigatie van landbouwgewassen.

Indien zich een natuurlijk moment voordoet, zoals een activiteit op een dergelijke locatie, dan wordt van de initiatiefnemer verwacht dat deze maatregelen treft die verdere verontreiniging van het grondwater voorkomen of verminderen. De maatregelen kunnen zich ook richten tot het verminderen of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging in de vaste bodem naar het grondwater, de zogeheten bronaanpak.

Artikel 7.59 lid 2 Dit tweede lid regelt dat wanneer de extra kosten voor het helemaal ongedaan maken van de verontreiniging niet onevenredig belastend zijn voor de initiatiefnemer, dit ook gebeurt. Zie ook de toelichting bij het eerste lid. AAA De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.128 lid 1 De gegevens en bescheiden worden ten minste een week voor het begin van de activiteit graven aangeleverd. Met deze informatie wordt het bevoegd gezag in kennis gesteld van een aantal prakti-

76

sche gegevens, zodat het voor het bevoegd gezag mogelijk is om toezicht te houden. Uit de verstrekte gegevens en bescheiden moet blijken wat de begrenzing is van de locatie waar de activiteit plaats vindt, de verwachte datum van het begin van de activiteit en de duur van de activiteit. [Vervallen] BBB De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.128 lid 2 Als de verstrekte informatie over begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit wijzigt, geeft de initiatiefnemer de wijziging onverwijld door. Dit betekent dat ook als er een wijziging in die gegevens optreedt tijdens de uitvoering van de activiteit, de initiatiefnemer het bevoegd gezag opnieuw moet informeren. [Vervallen] CCC De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten Bijlage I bij het Bbl bevat de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument». Deze begrippen gelden op grond van artikel 1.1, eerstetweede lid, van dit omgevingsplan ook voor dit plan. Deze begrippen worden gebruikt in de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295. De begripsomschrijvingen van bovengenoemde begrippen zijn toegesneden op de wijze waarop de bescherming van monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau via het toekennen van een beschermde status en daardoor het van toepassing worden van bepaalde regels onder het nieuwe recht van de Omgevingswet vorm krijgt. Dit gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven en, als het gaat om een voorbeschermd monument of archeologisch monument, door het voor de locatie van het monument of archeologisch monument toevoegen van een voorbeschermingsregel aan dit omgevingsplan via een voorbereidingsbesluit vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven.

Daarmee zouden buiten de reikwijdte van bovengenoemde begrippen vallen monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau die onder het voor de Omgevingswet geldende recht als gemeentelijk monument of archeologisch monument zijn aangewezen op grond van een gemeentelijke verordening of een voorbeschermde status hebben verkregen op grond van een zodanige verordening, en waaraan nog niet direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of waarvoor op dat moment in het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel is opgenomen. In de praktijk werden onder het voormalige recht onder de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument» dergelijke monumenten en archeologische monumenten verstaan (hierna samen te noemen: gemeentelijke monumenten «oude stijl»). Dit gevolg, dat niet is beoogd, kan zich voordoen tot het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop gemeenten over een omgevingsplan moeten beschikken dat voldoet aan alle eisen van de Omgevingswet. Uiteraard moeten de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» gedurende deze overgangsfase wel adequaat worden beschermd.

Dit is het geval zolang deze in dit omgevingsplan nog niet zijn voorzien van de functie-aanduiding gemeentelijk monument in het omgevingsplan of, voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten of archeologische monumenten, ter zake een voorbeschermingsregel in dit omgevingsplan is opgenomen. Daarbij wordt er voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten op gewezen dat die onder de Omgevingswet niet per se eerst via een door een voorbereidingsbesluit toe te voegen voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan hoeven te worden omgezet naar een voorbeschermd gemeentelijk monument in de zin van de begripsomschrijving uit bijlage I bij het

77

Bbl. Afhankelijk van het tijdsverloop van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening en van de procedure om tot vaststelling van een nieuw omgevingsplan te komen, kan er voor deze voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten ook voor worden gekozen om deze direct, dus zonder hiervoor eerst een voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan toe te voegen, in het nieuwe deel van het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Dit zal zich met name voordoen als de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening gedurende hetzelfde tijdvak gaande is als de procedure tot vaststelling van het omgevingsplan. In dat geval kan het zo zijn dat die procedure tot aanwijzing voldoende voorziet in de benodigde voorbescherming en hoeft die voorbescherming niet afzonderlijk met voorbeschermingsregels in het omgevingsplan te worden gecreëerd. Voor zover het gaat om de continuering van de gelding van de gemeentelijke verordeningen zelf en een eventueel daarin opgenomen vergunningplicht wordt in de bescherming van de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» al voorzien door de artikelen 22.4 en 22.8 van de Omgevingswet, zoals die artikelen bij de Invoeringswet Omgevingswet worden toegevoegd.

Maar voor een adequate bescherming van deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» is ook vereist dat de onderdelen van de artikelen 22.28, 22.38, 22.276, 22.277, 22.279 tot en met 22.282 en 22.284 die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten in overeenstemming met de daarvoor geldende begripsomschrijvingen, ook op deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» van toepassing zijn. Artikel 22.2 van dit omgevingsplan voorziet hierin. Daarbij is het uiteraard zo dat als bij voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten de uitkomst van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening is dat wordt afgezien van de aanwijzing, op dat moment de voorbescherming vervalt en niet langer sprake is van een «monument of archeologisch monument waarop die verordening van overeenkomstige toepassing is» als bedoeld in artikel 22.2, eerste lid.

Het van toepassing zijn van dit artikel op de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» kan dus niet alleen worden beëindigd doordat gedurende de overgangsfase daaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument wordt gegeven of ter zake in het omgevingsplan een voorbeschermingsregel wordt opgenomen (de situaties beschreven in artikel 22.2, tweede lid), waardoor de desbetreffende monumenten en archeologische monumenten rechtstreeks onder de begrippen gemeentelijk monument en voorbeschermd gemeentelijk monument komen te vallen, maar ook doordat de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening uiteindelijk niet tot een aanwijzing leidt. DDD De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.128 lid 3 De informatieplicht van dit artikel geldt niet als de activiteit alleen bestaat uit het tijdelijk uitnemen en weer terugplaatsen van de grond. [Vervallen] EEE De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.129 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond Dit artikel staat de tijdelijke opslag van vrijkomende grond toe gedurende de looptijd van de werkzaamheden en gedurende maximaal acht weken na het beëindigen van de werkzaamheden, mits de partijen van verschillende kwaliteitsklassen gescheiden worden opgeslagen. Tijdens of na afloop van graven kan het noodzakelijk zijn om de grond tijdelijk op te slaan, bijvoorbeeld omdat de grond tijdelijk uitgenomen wordt en na afloop van de werkzaamheden weer wordt teruggebracht in het oorspronkelijk ontgravingsprofiel of omdat de grond naar elders moet worden afgevoerd. De periode van acht weken is bedoeld om een afvoerbestemming te vinden voor de partij grond. Het is niet toegestaan om de grond langer dan acht weken na het dichten van de ontgravingsput of cunet op te slaan. Als het voornemen bestaat om de grond langer dan de toegestane periode op te slaan of de vrijgekomen grond op een andere locatie dan de ontgravingslocatie op

78

te slaan, gelden de regels voor het opslaan van grond en baggerspecie van paragraaf 3.2.24 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit artikel bevat geen regels die verplichten tot maatregelen om te voorkomen dat de bodem ter plaatse van de tijdelijke opslag verontreinigd raakt, of dat emissies zich verspreiden naar de omgeving. De achtergrond hiervan is dat de opslag doorgaans een kortdurend karakter kent en plaatsvindt op de locatie van ontgraving, waardoor meestal de uitkomende grond een vergelijkbare kwaliteit heeft als de onderliggende bodem. Het nemen van bodembeschermende maatregelen als het aanbrengen van een folie is in principe niet nodig. Dit kan anders zijn als de uitgegraven grond een slechtere kwaliteit heeft, bijvoorbeeld bij de ontgraving van een spot met minerale olie verontreinigde grond. In dat geval kan van de initiatiefnemer op basis van de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving verwacht worden dat maatregelen worden genomen ter bescherming van de onderliggende bodem, zoals het aanbrengen van een folie. Een ander voorbeeld is dat als sprake is van droge condities het noodzakelijk is dat voorkomen moet worden dat verwaaiing of verstuiving van het opgeslagen materiaal kan plaatsvinden.

Dit kan gerealiseerd worden door het vochtig houden van de grond, het afdekken van het depot of door het opslaan van grond in dichte containers. [Vervallen] FFF De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.130 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven Dit artikel regelt in welke situaties de activiteit onder milieukundige begeleiding moet plaatsvinden. Milieukundige begeleiding is noodzakelijk als de graafwerkzaamheden dieper reiken dan een eerder in het kader van een bodemsanering aangebrachte afdeklaag zoals bijvoorbeeld een leeflaag of andere duurzame afdeklaag. De milieukundige begeleiding moet uitgevoerd worden volgens de BRL SIKB 6000. Tijdens de milieukundige begeleiding houdt de milieukundige begeleider een logboek bij. Na afloop van de activiteit rapporteert de milieukundige begeleider in het evaluatieverslag milieukundige processturing volgens de BRL SIKB 6000. Volgens de BRL SIKB 6000 is een continue aanwezigheid van de milieukundige doorgaans niet noodzakelijk. De milieukundige moet aanwezig zijn bij kritische werkzaamheden, dus bij die werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van de leefomgeving. In dit geval is het moment van doorgraven en weer herstellen van de afdeklaag het kritische moment. [Vervallen] GGG De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.131 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging niet leidt tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is. [Vervallen] HHH De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

79

Artikel 22.132 Bodem: mitigerende maatregelen Degene die op de locatie, bedoeld in artikel 22.131, een activiteit verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken, of – als en voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is als onderdeel van een activiteit die wordt verricht – ongedaan te maken. Zie verder hierna over de mogelijkheden en beperkingen van dit artikel. Er geldt een licht beschermingsregime voor deze bekende verontreinigde locaties in afwachting van sanering, net als onder de Wet bodembescherming. Dit artikel heeft betrekking op zogenoemde niet-spoed locaties, zoals deze waren beschikt als saneringsgeval op grond van de Wet bodembescherming. In de toelichting bij de Aanvullingswet bodem is aangegeven dat de beschikking niet-spoed als zodanig bij inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt. Er is overgangsrecht geregeld voor onder meer gebruiksbeperkingen op grond van artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming (artikelen 3.1 en 3.2 Aanvullingswet bodem). Voor de spoedlocaties is overgangsrecht opgenomen in de Aanvullingswet bodem (artikel 3.1), zodat daarvoor de bestaande regels bij of krachtens de Wet bodembescherming blijven gelden.

Locaties met een verontreiniging boven de interventiewaarde die onder de Wet bodembescherming waren aangemerkt als niet-spoed worden in het nieuwe stelsel, net als onder de Wet bodembescherming, gesaneerd op een natuurlijk moment, meestal bouwen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en dit omgevingsplan regelen dat saneren een voorwaarde is voor het bouwen en de saneringsaanpak. De milieubelastende activiteit graven regelt hoe om te gaan met graven in verontreiniging boven de interventiewaarde. Bij deze activiteiten is een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift mogelijk bijvoorbeeld als een bronaanpak aan de orde is die om een specifieke saneringsaanpak vraagt. Artikel 22.132 heeft een tweeledig doel. Ten eerste om de in het verleden beschikte locaties, die niet onder overgangsrecht vallen, kenbaar te houden onder de Omgevingswet en het instrumentarium van de Omgevingswet te kunnen toepassen. Ten tweede om een (licht) beschermingsregime van toepassing te laten zijn op deze locaties, aangezien het gaat om niet eerder gesaneerde locaties waar nog bodemverontreiniging aanwezig is. Ten behoeve van het eerste doel (kenbaarheid) is het mogelijk om met een maatwerkvoorschrift een individuele locatie te koppelen aan deze algemene regel in dit omgevingsplan, wat het voor de huidige of toekomstige eigenaar beter inzichtelijk maakt.

Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn maatwerkvoorschriften namelijk (nog) niet zichtbaar in DSO met de zogenoemde «klik op de kaart». Het inzien van de (voormalige) registratie van de niet-spoed beschikkingen in het Kadaster blijft nodig om het volledige beeld te hebben van de exacte locaties (gekoppeld aan kadastrale percelen) waar dit artikel op van toepassing is. Voor wat betreft het tweede doel (beschermen in afwachting van sanering) geldt dat het mogelijk is om het lichte basisregime dat geldt op deze locaties te concretiseren, verder aan te vullen of toe te spitsen op de individuele locatie. Dat kan door middel van een maatwerkvoorschrift, dat voor een initiatiefnemer voldoende concreet maakt welke actie het bevoegd gezag verwacht. Bij de activiteiten bouwen, saneren of graven voorziet de Omgevingswet al in die mogelijkheid, daarom heeft dit artikel vooral betekenis als sprake is van een andere activiteit dan bouwen, saneren of graven. Ook kan dit basisregime een aangrijpingspunt bieden voor een individueel maatwerkvoorschrift om in sommige situaties van een initiatiefnemer te verlangen dat die als onderdeel van een voorgenomen activiteit van de gelegenheid gebruik maakt om aanwezige verontreiniging van de bodem te verwijderen of mitigerende maatregelen te treffen.

Gelet op die inkadering is voornamelijk gedoeld op situaties waarin de extra moeite en kosten van het beperken of verwijderen van verontreiniging niet onevenredig belastend zijn voor de initiatiefnemer. Dit basisregime is zodanig ingekaderd dat er geen sprake is van een zelfstandige saneringsplicht. Onder verontreiniging van de bodem wordt ook verstaan de verontreiniging van het grondwater, maar aangezien grondwaterkwaliteit primair tot de taken en bevoegdheden van de provincie ligt het voor de hand dat het vooral gaat om de vaste bodem en eventuele bronnen van verontreiniging die zich verspreiden naar het grondwater. [Vervallen] III

80

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen Dit artikel regelt wanneer een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk wordt verleend. Het artikel is een voortzetting van artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Op grond van artikel 22.29, eerste lid, wordt de vergunning alleen verleend als het bouwplan niet in strijd is met de regels die in dit omgevingsplan zijn gesteld over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken (onderdeel a) en dat het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota (onderdeel b). In onderdeel a is paragraaf 22.2.4 expliciet uitgezonderd omdat het hier om voormalige rijksregels gaat waar op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ook niet aan getoetst werd bij de vergunningverlening. Daarnaast zijn er in dit omgevingsplan (als onderdeel van de omgevingsplanregels van rijkswege) tal van regels opgenomen die niet over bouwwerken gaan, maar bijvoorbeeld over open erven en terreinen.

Deze regels vallen alle buiten het beoordelingskader voor de omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op bouwwerken. Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op de eis dat het bouwwerk niet in strijd mag zijn met redelijke eisen van welstand. Ook deze uitzonderingen zijn een voortzetting van het recht zoals dat gold onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. De redactie van het eerste lid sluit aan bij artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl. Het imperatieve karakter («wordt verleend») houdt in dat de vergunning moet worden verleend als het bouwplan niet in strijd is met de daarvoor gestelde regels in het omgevingsplan. Er kunnen buiten het omgevingsplan om dus geen aanvullende redenen worden gehanteerd om een vergunning toch te weigeren. Het limitatieve karakter komt tot uiting doordat «alleen» op grondslag van de in het omgevingsplan gestelde regels het «binnenplans» verlenen van een vergunning mogelijk is. Als het bevoegd gezag op basis van de regels in het omgevingsplan tot het oordeel komt dat vergunningverlening niet mogelijk of (bij beslissingsruimte) niet wenselijk is, moet de activiteit als strijdig met het omgevingsplan worden aangemerkt. In dat geval is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1236/documents/42451