CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage A - BesluitPreview vaststelling - versie 9-12-2025.pdf

Gemeenteraad RK 22 januari 2026, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 9: Vaststellen wijziging omgevingsplan voor bodemactiviteiten46.355 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 6

43

Subparagraaf 22.3.7.2 Kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Deze paragraaf heeft betrekking op graven in de bodem in een omvang die kleiner is dan of gelijk aan 25 m3 (ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet) en richt zich op locaties waarbij al via besluitvorming onder de Wet bodembescherming of via het Besluit bodemkwaliteit is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is met één of meerdere stoffen tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit in een omvang groter dan 25 m3. Het idee is dat de gemeente de algemene verwijzing naar locaties in het tijdelijke deel van het omgevingsplan via artikel 22.127 op een gegeven moment vervangt door de regels via coördinaten aan specifieke locaties te koppelen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Daarbij kunnen gemeenten uiteraard de regels voor minder locaties laten gelden (de locaties die niet meer ernstig-geen spoed zijn eraf halen) of juist voor meer locaties laten gelden (wel ernstig en geen spoed, maar eerder geen beschikking afgegeven). En uiteraard kunnen gemeenten daarbij de regel die voor die locaties geldt aanpassen, voor alle locaties, of alleen voor sommige, of elke locatie een eigen op die locatie toegesneden regel.

In het Besluit activiteiten leefomgeving is voorzien in algemene regels voor de milieubelastende activiteiten graven in de bodem met een kwaliteit beneden de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.119) en graven in de bodem boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.120). In het toepassingsbereik van beide milieubelastende activiteiten is aangegeven dat deze alleen van toepassing zijn als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3. De achtergrond hiervan is dat het Rijk geen regels wil stellen over kleinschalig grondverzet. Onder de Wet bodembescherming voorzag artikel 28 van de Wet bodembescherming in een meldingsplicht als sprake was van voorgenomen handelingen in een geval van ernstige bodemverontreiniging. Een geval van ernstige bodemverontreiniging was onder de Wet bodembescherming gedefinieerd als geval van verontreiniging waarbij de bodem zodanig is of dreigt te worden verontreinigd, dat de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, ernstig zijn of dreigen te worden verminderd.

In de Circulaire bodemsanering is deze definitie verder uitgewerkt en aangegeven dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie van minimaal 25 m3 bodemvolume in het geval van bodemverontreiniging, of 100 m3 poriënverzadigde bodemvolume in het geval van een grondwaterverontreiniging, hoger is dan de interventiewaarde. De Wet bodembescherming kende – in tegenstelling tot de milieubelastende activiteiten voor graven in een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit – geen ondergrens voor de omvang van het grondverzet. Deze paragraaf stelt een beperkt aantal bepalingen voor kleinschalig grondverzet (omvang bodemvolume kleiner dan 25 m3) die plaatsvindt op locaties die onder de Wet bodembescherming werden beschouwd als handelingen in een geval van ernstige bodemverontreiniging. Deze bepalingen komen dus in de plaats van de bepalingen die volgen uit artikel 28 van de Wet bodembescherming. Deze bepalingen zien op een informatieplicht, enkele inhoudelijke regels aan tijdelijke opslag en afvoer van de grond en verplichte milieukundige begeleiding als een in het kader van een eerder uitgevoerde bodemsanering aangebrachte afdeklaag wordt doorgraven.

Deze bepalingen zijn over het algemeen eenvoudig na te leven en leiden met uitzondering van de milieukundige begeleiding bij het doorgraven van een afdeklaag niet of nauwelijks tot extra kosten. Besloten is om geen onderzoeksverplichtingen op te leggen zoals opgenomen in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. [Vervallen] UU De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.127 Toepassingsbereik In dit artikel staat het toepassingsbereik van deze paragraaf. [Vervallen] VV

44

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.127 lid 1 Deze paragraaf heeft in de eerste plaats betrekking op het graven in de bodem in een omvang die kleiner is dan of gelijk is aan 25 m3 en wordt ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet en richt zich op locaties waarbij al via besluitvorming onder de Wet bodembescherming of via het Besluit bodemkwaliteit is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is met één of meerdere stoffen tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit in een omvang groter dan 25 m3. In het eerste lid is ook aangegeven op welke locaties de paragraaf daarnaast van toepassing is. a. In onderdeel a staat vermeld dat het gaat om locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging zonder dat sprake is van actuele risico’s voor mens, plant of dier of verspreiding van het grondwater (zogenaamde beschikking ernst en geen spoed). Hiervoor is gekozen omdat voor deze locaties via eerder onderzoek is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is tot boven de interventiewaarde en hierover besluitvorming heeft plaatsgevonden.

Locaties die op grond van de artikelen 29 en 37 van de Wet bodembescherming zijn beschikt als ernstig waarbij de sanering spoedeisend is (ernst en spoed) vallen niet onder het toepassingsbereik omdat deze locaties onder het overgangsrecht voor de Wet bodembescherming blijven vallen. b. In onderdeel b staat vermeld dat het gaat om locaties of gebieden waar de bodem op grond van een bodemkwaliteitskaart, vastgesteld op grond van artikel 25d, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit (voorheen artikel 57 van het oude Besluit bodemkwaliteit), diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn delen van de binnenstad van (grote) steden waarbij de bodem verontreinigd is met enkele metalen (bijvoorbeeld lood, koper of zink). Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet, worden bestaande bodemkwaliteitskaarten op grond van artikel 22.1, onder b, van de Omgevingswet, onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Gemeenten moeten deze bodemkwaliteitskaarten omzetten naar regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan. [Vervallen] WW De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.127 lid 2 De aangewezen activiteit omvat ook het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie, of het tijdelijk opslaan en het terugplaatsen na afloop van het tijdelijk uitnemen bij het tijdelijk uitnemen en terugplaatsen. Met zeven wordt veelal puin uit de grond gehaald waardoor de verdichtbaarheid en de civieltechnische toepassingsmogelijkheden worden verbeterd voordat de grond wordt teruggeplaatst of elders wordt toegepast. Dit zeven is niet gericht op kwaliteitsverbetering en wordt bij deze activiteit niet beschouwd als bewerking. Andere bewerkingen van grond vallen onder de milieubelastende activiteit grondbank of grondreinigingsbedrijf, aangewezen in artikel 3.178, eerste lid, onder b. Met het tijdelijk opslaan van de grond wordt bedoeld het opslaan van de bij het graven vrijkomende grond tijdens de activiteit, voorafgaand aan het terugplaatsen of afvoeren van de grond. Bemalen dat nodig is voor het graven valt niet onder de milieubelastende activiteit, maar is een wateractiviteit. [Vervallen] XX De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.127 lid 3 In het derde lid is aangegeven dat de milieubelastende activiteit zich niet uitstrekt tot graven in de waterbodem. Hiermee komt tot uiting dat deze activiteit zich beperkt tot de landbodem. Onder wa-

45

terbodem wordt verstaan de bodem van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust. Het graven in de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust, valt niet onder de reikwijdte van de activiteit graven in de waterbodem. Dit betekent dat de regels voor de milieubelastende activiteit graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde wel gelden voor voormalige droge oevergebieden, die als term/aanduiding niet meer terugkomen onder de Omgevingswet. [Vervallen] YY De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.128 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit Dit artikel bevat een informatieplicht. Voordat met het graven wordt begonnen, moet het bevoegd gezag worden geïnformeerd over de activiteit. De informatieplicht uit dit artikel in het omgevingsplan zorgt ervoor dat het bevoegd gezag over kleinschalige grondverzet geïnformeerd wordt. Deze bepaling komt in de plaats van het voormalige artikel 28 uit de Wet bodembescherming dat stelde dat alle handelingen (dus ook kleinschalig grondverzet) die plaatsvinden in een geval van ernstige verontreiniging moeten worden gemeld. Voor grondverzet in een omvang groter dan 25 m3 geldt via de algemene regels uit paragraaf 4.120 (graven in de bodem met kwaliteit boven de interventiewaarde) een meldingsplicht. Voor grondverzet in een omvang kleiner dan of gelijk aan 25 m3 (ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet) geldt op grond van de algemene regels uit deze paragraaf van het Besluit activiteiten leefomgeving geen informatie of meldingsplicht. [Vervallen] ZZ Voor sectie '' worden 168 secties ingevoegd, luidende:

Artikel 1.1 Begripsbepalingen In dit artikel zijn de begripsbepalingen van de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Omgevingsregeling van toepassing verklaard op dit omgevingsplan. Het gaat om een zogenaamde dynamische verwijzing. Dat betekent dat latere wijzigingen van de begrippen in de Omgevingswet, algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regeling invloed hebben op de betekenis van de begrippen.

Artikel 1.2 Voorrangsregeling begripsbepalingen Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat de begripsbepalingen die voor hoofdstuk 22 nog nodig zijn in aanvulling op de begrippen van de Omgevingswet, algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regeling.

Artikel 3.1 Gebiedsaanwijzingen bodem Onder a Het bodembeheergebied is aangewezen overeenkomstig artikel 5.89o Besluit kwaliteit leefomgeving. Binnen dit gebied zijn maatwerkregels mogelijk ter versoepeling van de kwaliteitseisen als de grond of baggerspecie afkomstig is uit, en ook weer binnen dat gebied wordt toegepast. De regels hiervoor staan in paragraaf 7.3.9. Binnen dit bodembeheergebied wordt het gebiedsspecifieke beleid uit de voormalige Nota Bodembeheer (7 juni 2021) uitgewerkt. Voor grond en baggerspecie van buiten het bodembeheergebied gelden de gelden de regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving in combinatie met bodemkwaliteitskaarten en toepassingskaarten. Deze kaarten zijn te raadplegen op: https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR714140.

46

Een bodemkwaliteitskaart geeft de feitelijk bodemkwaliteit van een gebied weer. Het gaat dan om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem die te verwachten is op gebiedsniveau. Een bodemkwaliteitskaart kan gebruikt worden als basis voor een milieuverklaring zoals bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving. Zo'n milieuverklaring is nodig voor: • ontgraven grond of baggerspecie (vaak aangeduid als ontgravingskaart); of • de bodem waarop grond of baggerspecie wordt toegepast (vaak aangeduid als een kaart voor de kwaliteit van de ontvangende bodem). De toepassingskaart geeft aan welke kwaliteit grond en baggerspecie mag worden toegepast. Onder b, c en d Via de instructieregel van artikel 5.89p Besluit kwaliteit leefomgeving is de gemeente verplicht om in het omgevingsplan een bodemfunctieklassenkaart op te nemen. Op deze kaart is de landbodem is ingedeeld in één van de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen of industrie. Een bodemfunctieklasse is een indeling van de bodem op basis van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. De bodemfunctieklasse wordt gebruikt in regels voor het toepassen van grond of baggerspecie (paragraaf 7.3.9) en voor terugsaneerwaarden (paragraaf 7.3.5). Onder e en f De gemeente wijst binnen het bodembeheergebied een herkomstgebied en een toepassingsgebied voor Nieuw Reijerwaard aan. De grenzen van deze twee gebieden zijn gelijk.

Binnen dit herkomstgebied en toepassingsgebied gelden regels voor drins (bestrijdingsmiddelen) op basis van het gebiedsspecifieke beleid uit de voormalige Nota Bodembeheer (7 juni 2021).

Artikel 4.1 Algemeen toepassingsbereik In dit artikel staat het algemeen toepassingsbereik dat geldt voor hoofdstuk 4. Ook alle paragrafen in dit hoofdstuk zijn voorzien van een toepassingsbereik. Voor beantwoording van de vraag of een regel uit dit hoofdstuk geldt, wordt eerst getoetst aan dit algemene toepassingsbereik. Past de activiteit daar niet binnen? Dan is het gehele hoofdstuk niet van toepassing.

Artikel 4.2 Oogmerken Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels in dit hoofdstuk moeten bijdragen.

Artikel 4.3 Voor wie de regels gelden Dit artikel bepaalt voor wie de regels in dit hoofdstuk gelden. Dit wordt ook wel ‘normadressaat’ genoemd.

Artikel 4.4 Specifieke zorgplicht Dit artikel bevat een specifieke zorgplicht waaraan degene die een activiteit verricht moet voldoen. Deze specifieke zorgplicht geldt naast de algemene regels van dit hoofdstuk, eventuele maatwerkvoorschriften en de vergunningplichten die in dit hoofdstuk zijn opgenomen. Tegen een overtreding van de specifieke zorgplicht kan handhavend worden opgetreden. Handhavend optreden ligt voor de hand bij evidente overtredingen van de specifieke zorgplicht. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht, onmiskenbaar in strijd is met de specifieke zorgplicht. Er kunnen ook situaties aan de orde zijn waarin niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is. Het bevoegd gezag zal dan een keuze moeten maken tussen een handhavingstraject of het eerst verduidelijken wat de specifieke zorgplicht inhoudt. Die verduidelijking kan in de vorm van het stellen van een maatwerkvoorschrift (zie het navolgende artikel) maar dat hoeft niet. Ook wanneer het bevoegd gezag degene die de activiteit verricht mondeling of schriftelijk informeert over wat er in een concreet geval onder de specifieke zorgplicht moet worden verstaan, is het voor diegene na ontvangst van die informatie duidelijk wat er verwacht

47

wordt. Als daar geen gevolg aan wordt gegeven, is er sprake van onmiskenbare strijd met de specifieke zorgplicht.

Artikel 4.4 lid 3 Onder a Nadelige gevolgen van het verkeer van en naar de activiteit zijn bijvoorbeeld hinder door bezoekersverkeer en indirecte geluidhinder. Onder indirecte geluidhinder wordt geluidhinder verstaan die niet wordt veroorzaakt door activiteiten of installaties binnen de begrenzing van de locatie waarop de activiteit plaatsvindt, maar die wel aan de activiteit zijn toe te rekenen. Bezoekersverkeer is het bezoek van klanten of bezoekers aan een activiteit.

Afdeling 4.2 Bodem Deze afdeling regelt de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit in relatie tot functies. Paragraaf 4.2.1 gaat over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Hiermee wordt invulling gegeven aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteiten leefomgeving. Paragraaf 4.2.2 gaat over het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie. Hiermee wordt invulling gegeven aan de instructieregels uit de Zuid-Hollandse omgevingsverordening. Paragraaf 4.2.3 gaat over het aanleggen en gebruiken van een speelplaats, moestuin of volkstuin. Ook voor deze locaties, waarop geen bodemgevoelig gebouw staat of wordt gebouwd is het gewenst waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit in relatie tot het gebruik vast te stellen. Deze regels zijn een aanvulling op paragraaf 4.2.1. Paragraaf 4.2.4 gaat over zowel het wijzigen van gebruik van een bodemgevoelige locatie als het wijzigen van het gebruik waardoor een bodemgevoelige locatie ontstaat. In beide gevallen is geen sprake van 'bouwen'. Deze regels zijn een aanvulling op paragraaf 4.2.1.

Artikel 4.5 Toepassingsbereik Voor dit toepassingsbereik wordt aangesloten bij de instructieregel in artikel 5.89h Bkl, waarin de begrippen 'bodemgevoelige locatie' en 'bodemgevoelig gebouw' gedefinieerd zijn. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Bij een bodemgevoelige locatie hoort ook het aaneengesloten terrein (bijv. de tuin of erf) direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. De term 'gebouw' is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) als volgt gedefinieerd: 'bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een bijbehorend bouwwerk tot 50 m2 valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.'

Artikel 4.6 Oogmerken Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

Artikel 4.7 Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit Dit artikel geeft invulling aan de instructieregel in artikel 5.89i van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

48

Artikel 4.7 lid 1 Artikel 5.89i van het Besluit kwaliteit leefomgeving verplicht gemeenten om de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit vast te stellen. Met de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit worden de waarden en de omvang bedoeld waarbij, bij overschrijding, maatregelen nodig zijn om de gezondheid van de gebruikers van het gebouw en de bijbehorende grond te beschermen. De gemeente mag zelf waarden vaststellen in haar omgevingsplan. Dit kan per stof en per gebruiksfunctie. In dit omgevingsplan wordt als lokale waarde de interventiewaarde bodemkwaliteit gehanteerd, zoals opgenomen in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor inwerkingtreding van de Omgevingswet was dit ook de waarde waaraan de bodemkwaliteit getoetst werd. Van deze waarde wordt in het tweede lid van dit artikel afgeweken om strengere waarden te stellen voor lood en in het derde lid voor asbest. Het vierde lid bevat een aanvulling met waarden voor PFOS, PFOA en overige PFAS.

Artikel 4.7 lid 2 De wettelijke normen voor lood die zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit en bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn niet in lijn met de inzichten van het RIVM en de GGD over de risico’s van lood voor de gezondheid. Gebleken is dat blootstelling aan lood nog schadelijker is voor de gezondheid dan eerst werd gedacht, met name voor jonge kinderen. De gemeente Ridderkerk volgt het rapport van RIVM en advies van de GGD voor locaties waar verwacht wordt dat kinderen vaak in aanraking kunnen komen met de bodem, zoals een tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school. Voor deze locaties hanteert de gemeente een afwijkende waarde voor lood. • RIVM Rapport 2015-0204. Diffuse loodverontreiniging in de bodem. Advies voor een gemeen schappelijk beleidskader. Otte P, Bakker MI, Lijzen JPA, Versluijs CW, Zeilmaker MJ; en • GGD-advies Lood in bodem en gezondheid. Aanvullend advies met informatie voor GGD-ad viseurs gezondheid en milieu. GGD GHOR Nederland/GGD-projectgroep bodem - geactuali seerde versie: 2 november 2020.

Artikel 4.7 lid 3 De in dit lid opgenomen waarden voor asbest zijn strenger dan de waarden die zijn opgenomen in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving. Deze strengere waarden voor asbest komen voort uit de voormalige Nota Bodembeheer (7 juni 2021) en sluiten aan bij het regionale bodembeleid van de Rijnmondgemeenten.

Artikel 4.7 lid 4 In Nederland is de bodem op verschillende plekken verontreinigd met PFAS. Het Rijk heeft echter voor PFAS vooralsnog geen wettelijke interventiewaarden vastgesteld. Daarom heeft het RIVM Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV) voor PFOS, PFOA en overige PFAS afgeleid. Een INEV is vergelijkbaar met de interventiewaarden in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving. Bij concentraties onder de INEV's zijn geen ontoelaatbare negatieve gezondheidseffecten te verwachten. De gemeente Ridderkerk kiest er voor om, net als andere gemeenten en vooruitlopend op landelijke wettelijke normen, de INEV's als ‘lokale’ normen voor PFAS vast te stellen. Hiermee kunnen ernstige gezondheidsrisico’s worden voorkomen en is de bodem beter beschermd. Het opnemen van normen voor het gebruik van buitenruimte bij basisscholen en kinderdagverblijven sluit aan bij het regionale bodembeleid van de Rijnmondgemeenten. • RIVM, Toelichting op Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV) PFAS voor grond en grondwater, publicatiedatum 5 maart 2020, Versie: 20200302v10

49

Artikel 4.7 lid 5 Het bodemvolume van 25 m3 is bedoeld om te voorkomen dat de beoordelingsregel elke emmer verontreiniging vangt. Het beleid is niet gericht op het opsporen en aanpakken van hele kleine verontreinigingen. Daarom zijn meestal alleen maatregelen vereist als het om meer dan 25 m3 verontreiniging binnen een perceel gaat.

Artikel 4.7 lid 6 Onder a De omvang van 25 m3 uit het vijfde lid geldt niet voor asbest. Asbest kan namelijk ook in kleine hoeveelheden gevaar voor de gezondheid opleveren. Daarom moeten ook bij een te hoge concentratie asbest in een bodemvolume van minder dan 25 m3, de in het omgevingsplan omschreven maatregelen worden getroffen. Onder b Ook voor de aanwezigheid van lood in de laag van 0 tot 0,50 meter onder maaiveld geldt de in het vijfde lid opgenomen omvang van 25 m3 niet. De aanwezigheid van kleine hoeveelheden lood in die bodemlaag kunnen namelijk een gevaar voor de gezondheid kan opleveren. Vooral als jonge kinderen ermee in contact kunnen komen. Daarom moeten in die gevallen, ook bij een kleinere hoeveelheid dan 25 m3, de in het omgevingsplan omschreven maatregelen worden getroffen.

Artikel 4.8 Maatregelen bij overschrijding van een waarde Dit artikel geeft invulling aan de instructieregel uit artikel 5.89k van het Besluit kwaliteit leefomgeving over maatregelen bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit.

Artikel 4.9 Informatieplicht: ingebruikname na maatregelen Dit artikel geeft invulling aan de instructieregel uit artikel 5.89m Besluit kwaliteit leefomgeving en bevat een informatieplicht. Het bodemgevoelige gebouw of een gedeelte daarvan mag pas in gebruik worden genomen nadat aan de informatieplicht is voldaan.

Artikel 4.10 Meldplicht: vergunningsvrije bouwactiviteiten Dit artikel geeft invulling aan de instructieregel uit artikel 5.89l van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 4.10 lid 1 De meldplicht geldt voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw, waarvoor op grond van artikel 22.27 van het omgevingsplan geen omgevingsvergunning nodig is. De meldplicht is niet van toepassing als er een vergunningplicht geldt.

Artikel 4.10 lid 2 De indieningsvereisten voor de melding volgen uit het tweede lid van artikel 5.89l van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Er zijn in dit omgevingsplan geen locaties aangewezen waar een overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 4.7 van dit omgevingsplan redelijkerwijs is uit te sluiten. Het derde lid van artikel 5.89l Besluit kwaliteit leefomgeving werkt daarom niet door in dit omgevingsplan.

50

Artikel 4.10 lid 3 Dit lid regelt dat de in het tweede lid bedoelde onderzoeken ook in het bestandsformaat XML ingeleverd moeten worden. De gemeente kan deze dan direct in haar Bodeminformatiesysteem verwerken. Naar verwachting zal deze plicht op termijn in regels van het Rijk worden opgenomen. De regeling in dit omgevingsplan wordt dan overbodig.

Artikel 4.11 Vergunningplicht: aanvraagvereisten omgevingsvergunning Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op de bodemgevoelige locatie. De aanvraagvereisten zijn nodig bij het beoordelen, opstellen en afgeven van een omgevingsvergunning. De gegevens zijn ook nodig voor het uitvoeren van toezicht- en handhavingstaken door het bevoegd gezag.

Artikel 4.11 lid 1 Het vereiste bodemonderzoek is noodzakelijk om te kunnen bepalen of de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit wordt overschreden. In dat geval zijn sanerende of andere beschermende maatregelen een voorwaarde voor het bouwen, zoals bedoeld in artikel 4.8. De regel is een voortzetting van de werkwijze op grond van artikel 8 van de Woningwet in samenhang met de lokale bouwverordening.

Artikel 4.11 lid 2 Dit lid regelt dat de in het eerste lid bedoelde onderzoeken ook in het bestandsformaat XML ingeleverd moeten worden. De gemeente kan deze dan direct in haar Bodeminformatiesysteem verwerken. Naar verwachting zal deze plicht op termijn in regels van het Rijk worden opgenomen. De regeling in dit omgevingsplan wordt dan overbodig.

Artikel 4.12 Vergunningplicht: beoordelingsregel omgevingsvergunning Dit artikel bevat een aanvullende beoordelingsregel waar een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen aan wordt getoetst.

Artikel 4.12 lid 1 Wanneer er sprake is van een overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit, maar er geen maatregelen worden getroffen geldt een verbod om te bouwen. Dit volgt uit het samenstel van dit artikel met de vergunningplicht voor bouwen die is geregeld in Hoofdstuk 22 'Voormalige Rijksregels' van dit omgevingsplan.

Artikel 4.12 lid 2 Wanneer de waarde voor de toelaatbare bodemkwaliteit wordt overschreden, is bouwen alleen mogelijk na het uitvoeren van sanerende of andere beschermende maatregelen. Het antwoord op de vraag of het aannemelijk is dat sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen moet niet afhangen van de goede wil van de initiatiefnemer. Het gaat er enkel om of de maatregelen objectief, technisch of milieuhygiënisch bezien mogelijk zijn. Saneringsmaatregelen worden uitgevoerd in overeenstemming met de milieubelastende activiteit 'Saneren van de bodem', zoals opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving en paragraaf 7.3.5. en 7.3.6 van dit omgevingsplan. Hierin staan twee standaardaanpakken beschreven. Indien deze

51

aanpakken niet voldoen, kan degene die saneert een maatwerkvoorschrift aanvragen bij het bevoegd gezag.

Artikel 4.12 lid 3 Lid 3 werkt als een vangnet voor niet-genormeerde stoffen of situaties waarin weliswaar de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit niet wordt overschreden, maar er toch onacceptabele gezondheidsrisico’s zijn, bijvoorbeeld wanneer sprake is van voortschrijdende inzichten over de schadelijkheid van een stof.

Paragraaf 4.2.2 Grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie bouwen In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn instructieregels opgenomen voor de gemeente. Deze instructieregels moeten in acht worden genomen bij het wijzigen van het omgevingsplan. Paragraaf 7.3.5.1 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening bevat instructieregels die ervoor zorgen dat bij het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie bij verontreiniging van het grondwater, de risico’s voor het grondwater worden beoordeeld en, indien nodig, sanerende maatregelen worden getroffen. De Zuid-Hollandse Omgevingsverordening bevat ook een artikelsgewijze toelichting op deze regels.

Artikel 4.13 lid 1 In dit lid wordt de verbinding gelegd met de definitie van een grondwatergevoelig gebouw en een grondwatergevoelige locatie zoals die in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) zijn opgenomen. Artikel 7.27 ZHOV regelt wat onder een grondwatergevoelig gebouw moet worden verstaan, namelijk: a. een bodemgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of b. elk ander gebouw of gedeelte van een gebouw dat geheel of gedeeltelijk de bodem raakt, voor zover de oppervlakte van het gedeelte van het gebouw dat de bodem raakt ten minste 50 m2 bedraagt. Op grond van artikel 7.28 ZHOV worden de volgende locaties in ieder geval als grondwatergevoelige locaties beschouwd: a. een bodemgevoelige locatie als bedoeld in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. de locatie waarop een gebouw als bedoeld in artikel 7.27, aanhef en onder b, is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of c. een onmiddellijk aan een gebouw als bedoeld in artikel 7.27, onder b, grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein, voor zover de tuin of het terrein daarmee samenhang heeft. Het toepassingsbereik van grondwatergevoelige gebouwen omvat naast bodemgevoelige gebouwen ook niet-bodemgevoelige gebouwen.

Of een mobiele verontreiniging in de vaste bodem een risico vormt voor het grondwater staat immers los van of er blootstelling plaatsvindt.

Artikel 4.13 lid 2 Het is niet proportioneel de regels in deze paragraaf te koppelen aan zeer kleine gebouwen. Daarom zijn niet-bodemgevoelige gebouwen die kleiner zijn dan 50 m2 uitgesloten van het toepassingsbereik. Het gaat hier om het oppervlak van het deel van het gebouw dat de bodem raakt. Dit is conform de instructieregel in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Artikel 4.14 Oogmerken Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

52

Deze oogmerken zijn ontleend aan de oogmerken in artikel 3.119, Afdeling 3.4 'Activiteiten in verband met verontreiniging van het grondwater', van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Artikel 4.15 Voorafgaand grondwateronderzoek Dit artikel geeft invulling aan de instructieregel uit artikel 7.29 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Artikel 4.15 lid 1 Het onderzoek heeft tot doel om vast te stellen of er sprake is van verontreiniging van het grondwater.

Artikel 4.15 lid 2 Onder a Vaak biedt een vooronderzoek bodem, als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, voldoende informatie om de verontreiniging al dan niet vast te stellen. Zo niet, dan is zal een verkennend bodemonderzoek, bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving, vaak wel voldoende informatie opleveren. Onder b In gevallen waar in het verleden de locatie al beschikt is onder de Wet bodembescherming, bevat de beschikking vaak voldoende informatie om vast te stellen of er al dan niet sprake is van verontreiniging van het grondwater.

Artikel 4.16 Verontreiniging van grondwater Artikel 7.30 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening geeft aan wanneer sprake is van verontreiniging van grondwater.

Artikel 4.17 Risicobeoordeling grondwaterkwaliteit Dit artikel geeft invulling aan de instructieregel uit artikel 7.31 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Artikel 4.17 lid 1 Als voor een activiteit een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit is vereist op grond van dit omgevingsplan gelden de regels van paragraaf 3.4.2 “Module risicobeoordeling grondwaterkwaliteit” van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Artikel 4.17 lid 2 In dit lid worden een aantal situaties beschreven waarbij sprake is van verontreiniging van het grondwater, maar waarvoor een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit niet verplicht is.

Artikel 4.17 lid 3 Een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit is niet vereist als de verontreiniging van het grondwater het gevolg is van natuurlijk verhoogde achtergrondconcentraties. Verder is een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit ook niet nodig als de aanwezige verontreiniging het resultaat is van een eerder uitgevoerde grondwatersanering. De grondwatersanering kan hebben plaatsgevonden op grond van regels in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening of op grond van de Wet bodembescherming.

53

Artikel 4.18 Sanerende maatregelen bij significante grondwaterverontreiniging Dit artikel geeft invulling aan de instructieregel uit artikel 7.32 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Artikel 4.18 lid 1 De risicobeoordeling heeft drie mogelijke uitkomsten met betrekking tot de aanwezigheid van risico’s voor het grondwater als gevolg van een verontreiniging van het grondwater, namelijk: a. Er is geen sprake van een significante verontreiniging. b. Er is sprake van een significante verontreiniging met bronaanpak op natuurlijk moment. c. Er is sprake significante verontreiniging die direct aandacht behoeft. Bij de uitkomsten b en c zijn sanerende maatregelen noodzakelijk.

Artikel 4.18 lid 2 Dit tweede lid regelt dat sanerende maatregelen niet nodig zijn als de verontreiniging diffuus, ofwel verspreid is, en niet duidelijk is welke bron deze verontreiniging veroorzaakt.

Artikel 4.19 Informatieplicht: ingebruikname na maatregelen Dit artikel geeft invulling aan de instructieregel uit artikel 7.35 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Het beschrijft de voorwaarden voor het in gebruik mogen nemen van een (deel van een) grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie bij aanwezigheid van een significante grondwaterverontreiniging.

Artikel 4.20 lid 1 Dit lid geeft invulling aan de instructieregel uit artikel 7.34 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. De meldplicht geldt voor vergunningsvrije bouwactiviteiten en is niet van toepassing als er een vergunningplicht geldt voor het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie.

Artikel 4.20 lid 2 In dit lid staan de indieningsvereisten voor de melding. Sub a t/m d gelden in alle gevallen. Sub e is van toepassing als de uitkomst van de risicobeoordeling aangeeft dat er geen significante verontreiniging aanwezig is. De melding kan ingediend worden bij het college van burgemeester en wethouders, vier weken nadat de melder voldaan heeft aan de informatieplicht bij gedeputeerde staten. Sub f is van toepassing als de uitkomst van de risicobeoordeling aangeeft dat er sprake is van een significante verontreiniging met bronaanpak op natuurlijk moment. De melder dient bij het college van burgemeester en wethouders een afschrift in van zijn melding bij gedeputeerde staten. Sub g is van toepassing als de uitkomst van de risicobeoordeling aangeeft dat er sprake is van een significante verontreiniging die direct aandacht behoeft. De melder dient bij het college van burgemeester en wethouders een afschrift in van zijn aanvraag omgevingsvergunning bij gedeputeerde staten.

54

Artikel 4.20 lid 3 Dit lid regelt dat de in het tweede lid bedoelde onderzoeken ook in het bestandsformaat XML ingeleverd moeten worden. De gemeente kan deze dan direct in haar Bodeminformatiesysteem verwerken. Naar verwachting zal deze plicht op termijn in regels van het Rijk worden opgenomen. De regeling in dit omgevingsplan wordt dan overbodig.

Artikel 4.21 Vergunningplicht: aanvraagvereisten omgevingsvergunning Dit artikel geeft invulling aan de instructieregel uit artikel 7.33 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Het bevat de aanvraagvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie. De aanvraagvereisten zijn nodig bij het beoordelen, opstellen en afgeven van een omgevingsvergunning. De gegevens zijn ook nodig voor het uitvoeren van toezicht- en handhavingstaken door het bevoegd gezag.

Artikel 4.21 lid 1 De onderzoeken hebben tot doel om vast te stellen of er sprake is van verontreiniging van het grondwater.

Artikel 4.21 lid 2 Dit lid regelt dat de in het eerste lid bedoelde onderzoeken ook in het bestandsformaat XML ingeleverd moeten worden. De gemeente kan deze dan direct in haar Bodeminformatiesysteem verwerken. Naar verwachting zal deze plicht op termijn in regels van het Rijk worden opgenomen. De regeling in dit omgevingsplan wordt dan overbodig.

Artikel 4.21 lid 3 Dit lid is van toepassing als de uitkomst van de risicobeoordeling aangeeft dat er geen significante verontreiniging aanwezig is. De aanvraag kan ingediend worden bij het college van burgemeester en wethouders, vier weken nadat de aanvrager voldaan heeft aan de informatieplicht bij gedeputeerde staten.

Artikel 4.21 lid 4 Dit lid is van toepassing als de uitkomst van de risicobeoordeling aangeeft dat er sprake is van een significante verontreiniging met bronaanpak op natuurlijk moment. De aanvrager dient bij het college van burgemeester en wethouders een afschrift in van zijn melding bij gedeputeerde staten.

Artikel 4.21 lid 5 Dit lid is van toepassing als de uitkomst van de risicobeoordeling aangeeft dat er sprake is van een significante verontreiniging die direct aandacht behoeft. De aanvrager dient bij het college van burgemeester en wethouders een afschrift in van zijn aanvraag omgevingsvergunning bij gedeputeerde staten.

Artikel 4.22 Vergunningplicht: beoordelingsregel omgevingsvergunning Op grond van artikel 22.26 van dit omgevingsplan is het verboden om zonder vergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Dit artikel bevat de aanvullende beoordelingsregels waar een aanvraag om een omgevingsplanactiviteit aan wordt getoetst.

55

Artikel 4.23 Toepassingsbereik Artikel 5.89h Besluit kwaliteit leefomgeving regelt dat een bodemgevoelige locatie in ieder geval is een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit en het aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals de tuin of het erf. De regels voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie staan in paragraaf 4.2.1. De gemeente kan in het omgevingsplan ook andere locaties aanwijzen als bodemgevoelige locatie. Van deze mogelijkheid is in deze paragraaf van dit omgevingsplan gebruik gemaakt. Bij het aanleggen of in gebruik nemen van een speelplaats, moestuin of volkstuin is sprake is van een verhoogde kans op blootstelling aan de grond.

Artikel 4.24 Oogmerken Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

Artikel 4.25 lid 1 Met de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit worden de waarden en de omvang bedoeld waarbij bij overschrijding maatregelen nodig zijn om de gezondheid van de gebruikers van de locatie te beschermen. De gemeente mag zelf waarden vaststellen in haar omgevingsplan. Dit kan per stof en per gebruiksfunctie. In dit omgevingsplan wordt als lokale waarde de interventiewaarde bodemkwaliteit gehanteerd, zoals opgenomen in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor inwerkingtreding van de Omgevingswet was dit ook de waarde waaraan de bodemkwaliteit getoetst werd. Van deze waarden wordt in het tweede lid van dit artikel afgeweken om strengere waarden te stellen voor lood en asbest. Het derde lid bevat een aanvulling met waarden voor PFOS, PFOA en overige PFAS.

Artikel 4.25 lid 2 De wettelijke normen voor lood die zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit en bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet in lijn met de inzichten van het RIVM en de GGD over de risico’s van lood voor de gezondheid. Gebleken is dat blootstelling aan lood nog schadelijker is voor de gezondheid dan eerst werd gedacht, met name voor jonge kinderen. De gemeente Ridderkerk volgt het rapport van RIVM en advies van de GGD voor locaties waar verwacht wordt dat kinderen vaak in aanraking kunnen komen met de bodem, zoals een tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school. Voor deze locaties hanteert de gemeente een afwijkende waarde voor lood. • RIVM Rapport 2015-0204. Diffuse loodverontreiniging in de bodem. Advies voor een gemeen schappelijk beleidskader. Otte P, Bakker MI, Lijzen JPA, Versluijs CW, Zeilmaker MJ; en • GGD-advies Lood in bodem en gezondheid. Aanvullend advies met informatie voor GGD-ad viseurs gezondheid en milieu. GGD GHOR Nederland/GGD-projectgroep bodem - geactuali seerde versie: 2 november 2020. De in dit lid opgenomen waarden voor asbest zijn strenger dan de waarden die zijn opgenomen in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Deze strengere waarden voor asbest komen voort uit de voormalige Nota Bodembeheer (7 juni 2021) en sluiten ook aan bij het basisdocument voor eenheid in het regionale bodembeleid van de Rijnmondgemeenten.

Artikel 4.25 lid 3 In Nederland is de bodem op verschillende plekken verontreinigd met PFAS. Het Rijk heeft echter voor PFAS vooralsnog geen wettelijke interventiewaarden vastgesteld. Daarom heeft het RIVM Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV) voor PFOS, PFOA en overige PFAS afgeleid. Een INEV is vergelijkbaar met de interventiewaarden in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leef-

56

omgeving. Bij concentraties onder de INEV's zijn geen ontoelaatbare negatieve gezondheidseffecten te verwachten. De gemeente Ridderkerk kiest er voor om, net als andere gemeenten en vooruitlopend op landelijke wettelijke normen, de INEV's als ‘lokale’ normen voor PFAS vast te stellen. Hiermee kunnen ernstige gezondheidsrisico’s worden voorkomen en is de bodem beter beschermd. • RIVM, Toelichting op Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV) PFAS voor grond en grondwater, publicatiedatum 5 maart 2020, Versie: 20200302v10

Artikel 4.25 lid 4 Het bodemvolume van 25 m3 is bedoeld om te voorkomen dat de beoordelingsregel elke emmer verontreiniging vangt. Het beleid is niet gericht op het opsporen en aanpakken van hele kleine verontreinigingen. Daarom zijn meestal alleen maatregelen vereist als het om meer dan 25 m3 verontreiniging binnen een perceel gaat.

Artikel 4.25 lid 5 Onder a De omvang van 25 m3 uit het vierde lid geldt niet voor asbest. Asbest kan namelijk ook in kleine hoeveelheden gevaar voor de gezondheid opleveren. Daarom moeten ook bij een te hoge concentratie asbest in een bodemvolume van minder dan 25 m3, de in het omgevingsplan omschreven maatregelen worden getroffen. Onder b Ook voor de aanwezigheid van lood in de laag van 0 tot 0,50 meter onder maaiveld geldt de in het vierde lid opgenomen omvang van 25 m3 niet. De aanwezigheid van kleine hoeveelheden lood in die bodemlaag kunne namelijk een gevaar voor de gezondheid kan opleveren. Vooral als jonge kinderen ermee in contact kunnen komen. Daarom moeten in die gevallen, ook bij een kleinere hoeveelheid dan 25 m3, de in het omgevingsplan omschreven maatregelen worden getroffen.

Artikel 4.26 Maatregelen bij overschrijding van een waarde Het aanleggen of in gebruik nemen van een speelplaats, moestuin of volkstuin is bij overschrijding van een waarde alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Dit artikel is opgenomen naar analogie van artikel 4.8 waarin een vergelijkbare regel staat voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.

Artikel 4.27 Informatieplicht: ingebruikname na maatregelen Bij overschrijding van een waarde moet het college van burgemeester en wethouders worden geïnformeerd over de wijze waarop sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen. De bodemgevoelige locatie, of een gedeelte daarvan, mag pas in gebruik worden genomen nadat aan de informatieplicht is voldaan. Dit artikel is opgenomen naar analogie van artikel 4.9 waarin een vergelijkbare regel staat voor een bodemgevoelige gebouw op een bodemgevoelige locatie..

Artikel 4.28 lid 1 Voordat een speelplaats, moestuin of volkstuin wordt aangelegd of in gebruik wordt genomen moet een melding worden gedaan. Dit artikel is opgenomen naar analogie van artikel 4.10 waarin een vergelijkbare regel staat voor een bodemgevoelige gebouw op een bodemgevoelige locatie.

57

Artikel 4.28 lid 2 Dit lid bevat de indieningsvereisten van een melding.

Artikel 4.28 lid 3 Dit lid regelt dat de in het tweede lid bedoelde onderzoeken ook in het bestandsformaat XML ingeleverd moeten worden. De gemeente kan deze dan direct in haar Bodeminformatiesysteem verwerken. Naar verwachting zal deze plicht op termijn in regels van het Rijk worden opgenomen. De regeling in dit omgevingsplan wordt dan overbodig.

Artikel 4.29 Toepassingsbereik In deze paragraaf worden de kwaliteitseisen die gelden voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie ook van toepassing verklaard wanneer het gebruik van een bodemgevoelige locatie wijzigt. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer een kantoorgebouw wordt getransformeerd naar een gebouw met een woonfunctie met tuinen. De kwaliteit van de grond moet dan passend zijn bij de functie, ook voor de stoffen lood, asbest, PFOS, PFOA en overige PFAS. De kwaliteitseisen gaan ook gelden als er een bodemgevoelige locatie ontstaat zonder dat er gebouwd wordt. Bijvoorbeeld een opslagloods waar mensen minder dan 2 uur per dag verblijven. Als deze wordt getransformeerd naar een woonruimte gaan de kwaliteitseisen gelden omdat er nu sprake is van een nieuwe bodemgevoelige locatie.

Artikel 4.30 Oogmerken Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

Artikel 4.31 lid 1 Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zijn nodig om de gezondheid van de gebruikers van de locatie te beschermen. De gemeente mag deze zelf vaststellen in haar omgevingsplan. Dit kan per stof en per gebruiksfunctie. In dit omgevingsplan wordt als lokale waarde de interventiewaarde bodemkwaliteit gehanteerd, zoals opgenomen in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor inwerkingtreding van de Omgevingswet was dit ook de waarde waaraan de bodemkwaliteit getoetst werd. Van deze waarden wordt in het tweede lid van dit artikel afgeweken om strengere waarden te stellen voor lood en in het derde lid voor asbest. Het vierde lid bevat een aanvulling met waarden voor PFOS, PFOA en overige PFAS.

Artikel 4.31 lid 2 De wettelijke normen voor lood die zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit en bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet in lijn met de inzichten van het RIVM en de GGD over de risico’s van lood voor de gezondheid. Gebleken is dat blootstelling aan lood nog schadelijker is voor de gezondheid dan eerst werd gedacht, met name voor jonge kinderen. De gemeente Ridderkerk volgt het rapport van RIVM en advies van de GGD voor locaties waar verwacht wordt dat kinderen vaak in aanraking kunnen komen met de bodem, zoals een tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school. Voor deze locaties hanteert de gemeente een afwijkende waarde voor lood. • RIVM Rapport 2015-0204. Diffuse loodverontreiniging in de bodem. Advies voor een gemeen schappelijk beleidskader. Otte P, Bakker MI, Lijzen JPA, Versluijs CW, Zeilmaker MJ; en

58

•

GGD-advies Lood in bodem en gezondheid. Aanvullend advies met informatie voor GGD-ad viseurs gezondheid en milieu. GGD GHOR Nederland/GGD-projectgroep bodem - geactuali seerde versie: 2 november 2020.

Artikel 4.31 lid 3 De in dit lid opgenomen waarden voor asbest zijn strenger dan de waarden die zijn opgenomen in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving. Deze strengere waarden voor asbest komen voort uit de voormalige Nota Bodembeheer (7 juni 2021) en sluiten ook aan bij het basisdocument voor eenheid in het regionale bodembeleid van de Rijnmondgemeenten.

Artikel 4.31 lid 4 In Nederland is de bodem op verschillende plekken verontreinigd met PFAS. Het Rijk heeft echter voor PFAS vooralsnog geen wettelijke interventiewaarden vastgesteld. Daarom heeft het RIVM Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV) voor PFOS, PFOA en overige PFAS afgeleid. Een INEV is vergelijkbaar met de interventiewaarden in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving. Bij concentraties onder de INEV's zijn geen ontoelaatbare negatieve gezondheidseffecten te verwachten. De gemeente Ridderkerk kiest er voor om, net als andere gemeenten en vooruitlopend op landelijke wettelijke normen, de INEV's als ‘lokale’ normen voor PFAS vast te stellen. Hiermee kunnen ernstige gezondheidsrisico’s worden voorkomen en is de bodem beter beschermd. • RIVM, Toelichting op Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV) PFAS voor grond en grondwater, publicatiedatum 5 maart 2020, Versie: 20200302v10

Artikel 4.31 lid 5 Het bodemvolume van 25 m3 is bedoeld om te voorkomen dat de beoordelingsregel elke emmer verontreiniging vangt. Het beleid is niet gericht op het opsporen en aanpakken van hele kleine verontreinigingen. Daarom zijn meestal alleen maatregelen vereist als het om meer dan 25 m3 verontreiniging binnen een perceel gaat.

Artikel 4.31 lid 6 De omvang van 25 m3 uit het vijfde lid geldt niet voor asbest. Asbest kan namelijk ook in kleine hoeveelheden gevaar voor de gezondheid opleveren. Daarom moeten ook bij een te hoge concentratie asbest in een bodemvolume van minder dan 25 m3, de in het omgevingsplan omschreven maatregelen worden getroffen. Ook voor de aanwezigheid van lood in de laag van 0 tot 0,50 meter onder maaiveld geldt de in het vijfde lid opgenomen omvang van 25 m3 niet. De aanwezigheid van kleine hoeveelheden lood in die bodemlaag kunnen namelijk een gevaar voor de gezondheid kan opleveren. Vooral als jonge kinderen ermee in contact kunnen komen. Daarom moeten in die gevallen, ook bij een kleinere hoeveelheid dan 25 m3, de in het omgevingsplan omschreven maatregelen worden getroffen.

Artikel 4.32 Maatregelen bij overschrijding van een waarde Het wijzigen van het gebruik van van een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde is alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Dit artikel is opgenomen naar analogie van artikel 4.8 waarin een vergelijkbare regel staat voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.

59

Artikel 4.33 lid 1 Voordat het gebruik van een bodemgevoelige locatie wordt gewijzigd moet bodemonderzoek worden gedaan. Als hier uit blijkt dat de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit worden overschreden moet ook aannemelijk worden gemaakt dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.

Artikel 4.33 lid 2 Dit lid regelt dat de in het eerste lid bedoelde onderzoeken ook in het bestandsformaat XML ingeleverd moeten worden. De gemeente kan deze dan direct in haar Bodeminformatiesysteem verwerken. Naar verwachting zal deze plicht op termijn in regels van het Rijk worden opgenomen. De regeling in dit omgevingsplan wordt dan overbodig.

Artikel 4.34 Maatwerkvoorschrift Door middel van een maatwerkvoorschrift kunnen de sanerende of andere beschermende maatregelen worden afgestemd op de concrete situatie.

Artikel 7.1 Voorrangsbepalingen Dit artikel bevat een voorrangsbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De regels in hoofdstuk 7 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo’n vergunningvoorschrift geldt. Dit betekent dat alleen die regels van hoofdstuk 7 van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld.

Artikel 7.2 Algemeen toepassingsbereik In dit artikel staat het algemeen toepassingsbereik dat geldt voor hoofdstuk 7. Ook alle paragrafen in dit hoofdstuk zijn voorzien van een toepassingsbereik. Voor beantwoording van de vraag of een regel uit dit hoofdstuk geldt, wordt eerst getoetst aan dit algemene toepassingsbereik. Past de activiteit daar niet binnen? Dan is het gehele hoofdstuk niet van toepassing. Het hoofdstuk is van toepassing op milieubelastende activiteiten als bedoeld in de Omgevingswet. Dit zijn alle activiteiten die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, anders dan lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam, lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk en wateronttrekkingsactiviteiten.

Artikel 7.3 Oogmerken Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels in dit hoofdstuk moeten bijdragen.

Artikel 7.4 Voor wie de regels gelden Dit artikel bepaalt voor wie de regels in dit hoofdstuk gelden. Dit wordt ook wel ‘normadressaat’ genoemd.

60

Artikel 7.5 Specifieke zorgplicht Dit artikel bevat een specifieke zorgplicht waaraan degene die een activiteit verricht moet voldoen. Deze specifieke zorgplicht geldt naast de algemene regels van dit hoofdstuk, eventuele maatwerkvoorschriften en de vergunningplichten die in dit hoofdstuk zijn opgenomen. Deze specifieke zorgplichtbepaling komt grotendeels overeen met de specifieke zorgplichtbepaling in het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit artikel geldt daarom niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit is bepaald in het vierde lid. Voor meer informatie over de inhoud en werking van de specifieke zorgplicht wordt verwezen naar paragraaf 3.1 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Tegen een overtreding van de specifieke zorgplicht kan handhavend worden opgetreden. Handhavend optreden ligt voor de hand bij evidente overtredingen van de specifieke zorgplicht. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht, onmiskenbaar in strijd is met de specifieke zorgplicht. Er kunnen ook situaties aan de orde zijn waarin niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is.

Het bevoegd gezag zal dan een keuze moeten maken tussen een handhavingstraject of het eerst verduidelijken wat de specifieke zorgplicht inhoudt. Die verduidelijking kan in de vorm van het stellen van een maatwerkvoorschrift (zie het navolgende artikel) maar dat hoeft niet. Ook wanneer het bevoegd gezag degene die de activiteit verricht mondeling of schriftelijk informeert over wat er in een concreet geval onder de specifieke zorgplicht moet worden verstaan, is het voor diegene na ontvangst van die informatie duidelijk wat er verwacht wordt. Als daar geen gevolg aan wordt gegeven, is er sprake van onmiskenbare strijd met de specifieke zorgplicht. Een uitgebreidere uiteenzetting van de mogelijkheden om handhavend op te treden tegen overtredingen van de specifieke zorgplicht is opgenomen in de nota van toelichting bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 7.5 lid 3 Onder a Nadelige gevolgen van het verkeer van en naar de activiteit zijn bijvoorbeeld hinder door bezoekersverkeer en indirecte geluidhinder. Onder indirecte geluidhinder wordt geluidhinder verstaan die niet wordt veroorzaakt door activiteiten of installaties binnen de begrenzing van de locatie waarop de activiteit plaatsvindt, maar die wel aan de activiteit zijn toe te rekenen. Bezoekersverkeer is het bezoek van klanten of bezoekers aan een activiteit.

Artikel 7.5 lid 4 Voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt de specifieke zorgplicht uit artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Daarom is in dit lid bepaald dat het eerste en tweede lid van dit artikel niet gelden voor dergelijke milieubelastende activiteiten. Het derde lid geldt wel omdat de in dat lid genoemde aspecten niet behoren tot het oogmerken van hoofdstuk 2 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 7.6 lid 1 In dit artikel is de bevoegdheid opgenomen om maatwerkvoorschriften te stellen.

Artikel 7.6 lid 2 Met een maatwerkvoorschrift mag niet worden afgeweken van de specifieke zorgplicht van dit hoofdstuk, zoals opgenomen in artikel 7.5. Wel mag een maatwerkvoorschriften er een nadere invulling aan geven.

61

Artikel 7.6 lid 3 Maatwerkvoorschriften houden altijd rekening met de oogmerken uit artikel 7.3 en mogen daar niet mee in strijd zijn.

Artikel 7.6 lid 4 Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift volgt het bevoegd gezag de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 7.7 Algemene gegevens bij het leveren van gegevens en documenten Als op grond van een artikel in dit hoofdstuk, gegevens en documenten aan het bevoegd gezag worden verstrekt, dan worden die gegevens voorzien van de in dit artikel genoemde algemene gegevens.

Artikel 7.8 lid 1 Dit lid regelt dat een naamswijziging of adreswijziging wordt doorgegeven aan het bevoegd gezag vóórdat de wijziging een feit is. Dat is vooral voor de initiatiefnemer zelf van belang. Diegene wil immers dat correspondentie van het bevoegd gezag op het juiste adres aankomt.

Artikel 7.8 lid 2 Dit lid regelt dat bij overdracht van de activiteit naar iemand anders, de daardoor gewijzigde gegevens aan het bevoegd gezag worden verstrekt. Bijvoorbeeld omdat een bedrijf onder dezelfde bedrijfsnaam en op hetzelfde adres wordt voorgezet, maar wisselt van eigenaar. Dit sluit aan op artikel 5.37 van de Omgevingswet, waar hetzelfde over vergunninghouders is geregeld.

Artikel 7.9 lid 1 Dit artikel regelt dat gegevens en documenten moeten worden verstrekt aan het bevoegd gezag, als het bevoegd gezag deze nodig heeft om voor een specifieke activiteit of een specifieke locatie te beoordelen of de algemene regels en eventuele maatwerkvoorschriften die voor die activiteit of die locatie gelden, nog volstaan. Het gaat om gegevens en documenten waar het bevoegd gezag om vraagt. Degene die de activiteit verricht hoeft dus niet uit eigen beweging gegevens of documenten op te sturen; al staat dat natuurlijk vrij. Bij ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu kan gedacht worden aan het beschikbaar komen van nieuwe passende preventieve maatregelen of de actualisatie van de beste beschikbare technieken. De ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu kunnen bijvoorbeeld aan de orde zijn als er door cumulatie van activiteiten een verslechtering van de kwaliteit van lucht, veiligheid, geluid, oppervlaktewater of grondwater optreedt. Met deze formulering is aangesloten op dezelfde regeling voor vergunningplichtige gevallen, zoals opgenomen in artikel 16.56 in combinatie met artikel 5.38 van de Omgevingswet.

Artikel 7.9 lid 2 Gegevens en documenten waarover degene die de activiteit uitvoert niet redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, hoeven uiteraard niet te worden verstrekt.

Artikel 7.10 lid 1 Zodra vastgesteld is dat er sprake is van een ongewoon voorval moet het bevoegd gezag direct worden geïnformeerd. Vertraging is gezien de gevolgen voor de gezondheid en het milieu niet wenselijk. Het gaat hier om voorvallen met een duidelijk negatief gevolg voor het milieu. Voor deze ongewone voorvallen bevat de Omgevingswet in hoofdstuk 19 regels gericht tot bestuursorganen.

62

De definitie in de Omgevingswet beperkt ongewone voorvallen tot afwijkende gebeurtenissen die significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen hebben. Zie voor verdere uitleg over ongewone voorvallen afdeling 3.6 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 7.10 lid 2 In dit lid is omschreven welke gegevens en documenten over het ongewoon voorval aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt. Dit moet gebeuren zodra de informatie beschikbaar is. Dat hoeft dus niet met dezelfde spoed als het informeren over het ongewone voorval zelf.

Artikel 7.10 lid 3 Dit lid bepaalt dat de informatieplicht niet geldt bij milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving en bij ongewone voorvallen bij wonen. Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat zelf een informatieplicht voor ongewone voorvallen. Ongewone voorvallen bij de activiteit wonen komen zelden voor, en ook in het oude recht gold daarvoor geen informatieplicht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1237/documents/42513