Bijlage A - BesluitPreview vaststelling - versie 9-12-2025.pdf
Tekst van het document
Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Ridderkerk: Bodemactiviteiten De raad van de gemeente Ridderkerk, gelezen het voorstel van het college van burgermeester en wethouders op 16 december 2025, gelet op artikel 4.1 van de Omgevingswet, overwegende dat: • de wijziging van het omgevingsplan inhoudelijk is toegelicht in de bij dit raadsbesluit behorende Motivering. BESLUIT:
Artikel I Het Omgevingsplan gemeente Ridderkerk te wijzigen conform de wijzigingen zoals opgenomen in Bijlage A.
Artikel II Dit besluit aan te halen als "Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Ridderkerk: Bodemactiviteiten".
Artikel III Voor de wijziging van het omgevingsplan voor bodemactiviteiten geen milieueffectrapportage (planmer) of plan-mer-beoordeling op te stellen.
Artikel IV De Regionale Nota Bodembeheer van 7 juni 2021 in te trekken.
Artikel V De raadstoezegging met ID 3850 is afgedaan. Aldus vastgesteld door de gemeenteraad van Ridderkerk, 22 januari 2026. Burgemeester en wethouders van Ridderkerk, de secretaris, mw. M. Kitselar de burgemeester, dhr. C.A. Oosterwijk
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
1
Bijlage A Bijlage bij artikel I A Hoofdstuk 1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Hoofdstuk 1 ALGEMENE BEPALINGEN Afdeling 1.1 Begrippen en reken- en meetbepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1.
Voor dit omgevingsplan gelden de begripsbepalingen in bijlage I van dit omgevingsplan.
2.
Voor dit omgevingsplan gelden ook de begripsbepalingen uit: a. de bijlage bij de Omgevingswet; b. bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving; d. bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving; e. bijlage I van het Omgevingsbesluit; f. bijlage I en II van de Omgevingsregeling.
Artikel 1.2 Voorrangsregeling begripsbepalingen De begripsbepalingen zoals opgenomen in bijlage I van dit omgevingsplan gelden niet voor de regels van hoofdstuk 22. Voor de regels van hoofdstuk 22 gelden de begrippen in bijlage II.
Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1.
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
2.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
B Hoofdstuk 3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Hoofdstuk 3 Gebiedsaanwijzingen in de fysieke leefomgeving [Gereserveerd]
Afdeling 3.1 [Gereserveerd]
Afdeling 3.2 [Gereserveerd]
Afdeling 3.3 Gebiedstypen - thema milieu Paragraaf 3.3.1 Bodem en ondergrond Artikel 3.1 Gebiedsaanwijzingen bodem In dit omgevingsplan zijn de volgende gebieden aangewezen: a. bodembeheergebied;
2
b. c. d. e. f.
bodemfunctieklasse landbouw/natuur; bodemfunctieklasse wonen; bodemfunctieklasse industrie herkomstgebied zone Nieuw Reijerwaard; toepassingsgebied zone Nieuw Reijerwaard.
C Hoofdstuk 4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Hoofdstuk 4 Beschermen van de fysieke leefomgeving en gezondheid [Gereserveerd]
Afdeling 4.1 Algemene regels Artikel 4.1 Algemeen toepassingsbereik Dit hoofdstuk gaat over het beschermen van de fysieke leefomgeving en gezondheid.
Artikel 4.2 Oogmerken De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met als doel: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem; c. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; d. het vervullen van de maatschappelijke functies door watersystemen; e. het voorkomen en waar nodig beperken van de verspreiding van verontreinigd grondwater.
Artikel 4.3 Voor wie de regels gelden De regels in dit hoofdstuk gelden voor degene die een activiteit uitvoert. Diegene is verantwoordelijk voor het naleven van de regels over de activiteit.
Artikel 4.4 Specifieke zorgplicht
3
1.
Degene die een activiteit uitvoert en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken, bedoeld in artikel 4.2, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover het voorkomen van de gevolgen niet kan: die gevolgen zoveel mogelijk beperken of ongedaan maken; en c. als beperken of ongedaan maken van de gevolgen niet kan: de activiteit niet uitvoeren, zolang dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2.
Deze zorgplicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
3.
De zorgplicht, als bedoeld in het eerste lid, geldt ook voor: a. het voorkomen of beperken van nadelige gevolgen van het verkeer van personen en goederen van en naar de milieubelastende activiteit; b. [gereserveerd].
Afdeling 4.2 Bodem Paragraaf 4.2.1 Bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie bouwen Artikel 4.5 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.
Artikel 4.6 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem.
Artikel 4.7 Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit 1.
De waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zijn gelijk aan de interventiewaarden bodemkwaliteit, zoals bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
2.
In afwijking van het eerste lid gelden voor lood in de laag van 0 tot 0,50 meter onder maaiveld, de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zoals opgenomen in tabel 4.1. Tabel 4.1: Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit voor lood per gebruiksfunctie.
1
3.
Gebruik
Waarden lood (in mg/kg droge stof)1
Wonen met tuin
370
Buitenruimte bij basisscholen en kinderdagverblijven
370
De waarden gelden voor de gemeten concentratie niet gecorrigeerd voor standaard bodem.
In afwijking van het eerste lid gelden voor asbest de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zoals opgenomen in tabel 4.2. Daarbij moet worden voldaan aan de strengste waarden voor het in de tabel opgenomen gebied of gebruik. Tabel 4.2: Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit voor asbest per gebied of gebruiksfunctie.
4.
Gebied/ Gebruik
Waarden asbest (in mg/kg droge stof)
Gebied bodemfunctieklasse landbouw/natuur
50
Gebied bodemfunctieklasse wonen
50
Gebied bodemfunctieklasse industrie
100
Gebruik voor wonen met tuin
10
Gebruik als buitenruimte bij basisscholen en kinderdagverblijven
10
In aanvulling op het eerste lid gelden voor PFOS, PFOA en overige PFAS de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zoals opgenomen in tabel 4.3. Daarbij moet worden voldaan aan de strengste waarden voor het in de tabel opgenomen gebied of gebruik. Tabel 4.3: Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit voor PFOS, PFOA en overige PFAS per gebied of gebruiksfunctie.
4
Gebied/ Gebruik
Waarden PFOS (in μg/kg droge stof)
Waarden PFOA (in μg/kg droge stof)
Waarden overige PFAS (in μg/kg droge stof)
Gebied bodemfunctieklasse landbouw/natuur
59
60
59
Gebied bodemfunctieklasse wonen
59
60
59
Gebied bodemfunctieklasse industrie
59
60
59
Gebied/ Gebruik
Waarden PFOS (in μg/kg droge stof)
Waarden PFOA (in μg/kg droge stof)
Waarden overige PFAS (in μg/kg droge stof)
Gebruik voor wonen met tuin
29
30
29
Gebruik als buitenruimte bij basisscholen en kinderdagverblijven
59
60
59
5.
Er is sprake van overschrijding van de waarde voor de toelaatbare bodemkwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de waarden genoemd in het eerste tot en met vierde lid.
6.
Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in het vijfde lid is niet van toepassing: a. bij de aanwezigheid van asbest b. bij de aanwezigheid van lood in de laag van 0 tot 0,50 meter onder maaiveld.
Artikel 4.8 Maatregelen bij overschrijding van een waarde Bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 4.7, dienen de sanerende of andere beschermende maatregelen volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving en paragraaf 7.3.5 van dit omgevingsplan te worden getroffen.
Artikel 4.9 Informatieplicht: ingebruikname na maatregelen Bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 4.7 wordt het bodemgevoelige gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende of andere beschermende maatregelen, volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving en paragraaf 7.3.5 van dit omgevingsplan, zijn getroffen.
Artikel 4.10 Meldplicht: vergunningsvrije bouwactiviteiten 1.
Het is verboden een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie waarvoor op grond van artikel 22.27 van dit omgevingsplan geen omgevingsvergunning is vereist, te bouwen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
2.
Een melding bevat ten minste: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; c. het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht; d. de dagtekening; en e. bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld artikel 4.7: de gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
3.
De in het tweede lid genoemde onderzoeken worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
Artikel 4.11 Vergunningplicht: aanvraagvereisten omgevingsvergunning
5
1.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 4.7: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
2.
De in het eerste lid genoemde onderzoeken worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
Artikel 4.12 Vergunningplicht: beoordelingsregel omgevingsvergunning 1.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 betrekking heeft op het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 4.7, niet wordt overschreden;
2.
Bij overschrijding van de waarden van de toelaatbare bodemkwaliteit zoals bedoeld in artikel 4.7 wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving en paragraaf 7.3.5 van dit omgevingsplan.
3.
Een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd als het bevoegd gezag van oordeel is dat er een verontreiniging van de bodem is, anders dan bedoeld in het eerste en tweede lid, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw, tenzij aannemelijk is dat met een of meer maatregelen de bodem of het gebouw geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel.
Paragraaf 4.2.2 Grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie bouwen Artikel 4.13 Toepassingsbereik 1.
Deze paragraaf gaat over het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie als bedoeld in paragraaf 7.3.5.1 ‘Toelaten van een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie’ van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.
2.
Deze paragraaf gaat niet over een niet-bodemgevoelig gebouw voor zover de oppervlakte van het gebouw dat de bodem raakt kleiner is dan 50 m2.
Artikel 4.14 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel: a. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; b. het vervullen van de maatschappelijke functies door watersystemen; c. het voorkomen en waar nodig beperken van de verspreiding van verontreinigd grondwater.
Artikel 4.15 Voorafgaand grondwateronderzoek 1.
Het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie is alleen toegestaan als uit onderzoek blijkt dat er geen sprake is van een verontreiniging van het grondwater als bedoeld in artikel 4.16.
2.
Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, kan bestaan uit: a. het verrichten van voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het overleggen van een beschikking, krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die artikelen luidden voor 1 januari 2024, waarin is vastgesteld dat bij het huidig dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of bij een mogelijke verspreiding van een verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
Artikel 4.16 Verontreiniging van grondwater Er is sprake van verontreiniging van het grondwater, bedoeld in artikel 4.15, als voor tenminste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 100 m3 poriënverzadigd bodemvolume hoger is dan de waarde, bedoeld in artikel 7.30 ‘verontreiniging van grondwater’ van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.
Artikel 4.17 Risicobeoordeling grondwaterkwaliteit 1.
6
Bij een verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 4.16, is het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie alleen toegestaan als een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit is uitgevoerd als bedoeld in paragraaf 3.4.2 “Module risicobeoordeling grondwaterkwaliteit” van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als de bron van verontreiniging van het grondwater: a. zich niet langer bevindt in de vaste bodem van de grondwatergevoelige locatie, tenzij uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, of uit een beschikking als bedoeld in artikel 4.15, tweede lid, onder b, blijkt dat er sprake is van een zak- of drijflaag; b. zich in de vaste bodem van de grondwatergevoelige locatie bevindt en diffuus van aard is.
3.
Het eerste lid is ook niet van toepassing als de verontreiniging van grondwater: a. het gevolg is van natuurlijk verhoogde achtergrondconcentratie; b. een restverontreiniging na het uitvoeren van een grondwatersanering betreft en als zodanig is opgenomen in een evaluatieverslag als bedoeld in artikel 3.141e van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening of in een beschikt evaluatieverslag als bedoeld in artikel 39c van de Wet bodembescherming, zoals dit artikel luidde voor 1 januari 2024.
Artikel 4.18 Sanerende maatregelen bij significante grondwaterverontreiniging 1.
Wanneer uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit als bedoeld in artikel 4.17 blijkt dat sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, is het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie alleen toegestaan als de volgende sanerende maatregelen worden getroffen: a. een bronaanpak overeenkomstig de regels voor het saneren van de bodem als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. een grondwatersanering, overeenkomstig de regels van paragraaf 3.4.3 ‘grondwatersanering’ van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening als de significante grondwaterverontreiniging direct aandacht behoeft als bedoeld in artikel 3.131, onder c van de Zuid-Hollande Omgevingsverordening.
2.
Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing als sprake is van een diffuse grondwaterverontreiniging, waarbij geen specifieke bron van verontreiniging aanwijsbaar is.
Artikel 4.19 Informatieplicht: ingebruikname na maatregelen Bij aanwezigheid van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in paragraaf 3.4.2 'module risicobeoordeling grondwaterkwaliteit' van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening wordt een grondwatergevoelig gebouw, of een gedeelte daarvan, op een grondwatergevoelige locatie alleen in gebruik genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop: a. de sanerende maatregelen, bedoeld in artikel 4.18, zijn getroffen; of, b. als de sanerende maatregelen nog in uitvoering zijn, de wijze waarop de ingebruikname van het grondwatergevoelige gebouw de sanerende maatregel niet belemmert.
Artikel 4.20 Meldplicht: vergunningsvrije bouwactiviteiten
7
1.
Het is verboden een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie waarvoor op grond van artikel 22.27 van dit omgevingsplan geen omgevingsvergunning is vereist, te bouwen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
2.
Een melding als bedoeld in het eerste lid bevat ten minste: a. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; b. het adres waar de bouwactiviteit wordt verricht; c. de dagtekening; d. de onderzoeken, bedoeld in artikel 4.15; e. als sprake is van een verontreiniging van grondwater bedoeld in artikel 4.16, dan wordt bij de aanvraag ook een afschrift van de gegevens en bescheiden verstrekt, bedoeld in artikel 3.132 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, die ten minste vier weken daarvoor aan gedeputeerde staten verstrekt zijn; f. als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat sprake is van een significante grondwaterverontreiniging, dan wordt bij de aanvraag ook een afschrift verstrekt van de melding bedoeld in paragraaf 3.4.3. Grondwatersanering van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, die aannemelijk maakt dat een bronaanpak, bedoeld in artikel 4.18, eerste lid sub a, wordt verricht;
g.
3.
als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft, dan wordt bij de aanvraag ook een afschrift verstrekt van de aanvraag om omgevingsvergunning bedoeld in paragraaf 3.4.3. Grondwatersanering van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening die aannemelijk maakt dat een grondwatersanering wordt verricht.
De in het tweede lid genoemde onderzoeken worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
Artikel 4.21 Vergunningplicht: aanvraagvereisten omgevingsvergunning 1.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van dit omgevingsplan, die betrekking heeft op het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie, worden de onderzoeken, bedoeld in artikel 4.15, verstrekt.
2.
De in het eerste lid genoemde onderzoeken worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
3.
Als sprake is van een verontreiniging van grondwater, dan wordt bij de aanvraag ook een afschrift van de gegevens en bescheiden verstrekt, bedoeld in artikel 3.132 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, die ten minste vier weken daarvoor aan gedeputeerde staten verstrekt zijn.
4.
Als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat sprake is van een significante grondwaterverontreiniging, dan wordt bij de aanvraag ook een afschrift verstrekt van de melding bedoeld in paragraaf 3.4.3. Grondwatersanering van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, die aannemelijk maakt dat een bronaanpak, bedoeld in artikel 4.18, eerste lid sub a, wordt verricht.
5.
Als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft, dan wordt bij de aanvraag ook een afschrift verstrekt van de aanvraag om omgevingsvergunning bedoeld in paragraaf 3.4.3. Grondwatersanering van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening die aannemelijk maakt dat een grondwatersanering wordt verricht.
Artikel 4.22 Vergunningplicht: beoordelingsregel omgevingsvergunning 1.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van dit omgevingsplan betrekking heeft op het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als geen sprake is van een verontreiniging van het grondwater als bedoeld in artikel 4.16; of,
2.
Bij een verontreiniging van het grondwater als bedoeld in artikel 4.16 wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als uit een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit bedoeld in artikel 4.17 blijkt dat geen sprake is van een significante grondwaterverontreiniging.
3.
Het verrichten van een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit als bedoeld in het tweede lid is niet nodig als voldaan wordt aan de criteria bedoeld in artikel 4.17, tweede en derde lid.
4.
Bij een significante grondwaterverontreiniging wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als aannemelijk is dat een bronaanpak, als bedoeld in artikel 4.18, eerste lid sub a, als sanerende maatregel wordt getroffen; of,
5.
Bij een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als aannemelijk is dat een grondwatersanering overeenkomstig 4.18, eerste lid sub b lid wordt getroffen.
6.
Het gestelde in lid 4 geldt enkel voor zover er geen sprake is van een diffuse grondwaterverontreiniging waarbij geen specifieke bron van verontreiniging aanwijsbaar is.
Paragraaf 4.2.3 Speelplaats, moestuin of volkstuin aanleggen of in gebruik nemen
8
Artikel 4.23 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het aanleggen of in gebruik nemen van een speelplaats, moestuin of volkstuin zonder bodemgevoelig gebouw.
Artikel 4.24 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem.
Artikel 4.25 Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit 1.
De waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zijn gelijk aan de interventiewaarden bodemkwaliteit, zoals bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
2.
In afwijking van het eerste lid gelden voor asbest en lood de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zoals opgenomen in tabel 4.4. Tabel 4.4: Waarden voor toelaatbare bodemkwaliteit voor lood en asbest
1
3.
Gebruik
Waarden lood (in mg/kg droge stof)1
Waarden asbest (in mg/kg droge stof)
Speelplaats
370
10
Moestuin/volkstuin
260
10
De waarden gelden voor de gemeten concentratie niet gecorrigeerd voor standaard bodem.
In aanvulling op het eerste lid gelden voor PFOS, PFOA en overige PFAS de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zoals opgenomen in tabel 4.5. Tabel 4.5: Waarden voor toelaatbare bodemkwaliteit voor PFOS, PFOA en overige PFAS Gebruik
Waarden PFOS (in μg/kg droge stof)
Waarden PFOA (in μg/kg droge stof)
Waarden overige PFAS (in μg/kg droge stof)
Speelplaats
59
60
59
Moestuin/volkstuin
2,4
2,3
2,4
4.
Er is sprake van overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de waarden genoemd in het eerste tot en met derde lid.
5.
Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in het vierde lid is niet van toepassing: a. bij de aanwezigheid van asbest b. bij de aanwezigheid van lood in de laag van 0 tot 0,50 meter onder maaiveld
Artikel 4.26 Maatregelen bij overschrijding van een waarde Bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 4.25, dienen de sanerende of andere beschermende maatregelen volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving en paragraaf 7.3.5 van dit omgevingsplan te worden getroffen.
Artikel 4.27 Informatieplicht: ingebruikname na maatregelen Bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 4.25 wordt de speelplaats, moestuin of volkstuin, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende of andere beschermende maatregelen, volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving en paragraaf 7.3.5 van dit omgevingsplan, zijn getroffen.
Artikel 4.28 Meldplicht 1.
9
Het is verboden de activiteit bedoeld in artikel 4.23 te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
2.
Een melding bevat ten minste: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; d. de dagtekening; en e. bij overschrijding van een waarde als bedoeld deze paragraaf: de gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
3.
De in het tweede lid bedoelde onderzoeken worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
Paragraaf 4.2.4 Bodemgevoelige locatie gebruik wijzigen Artikel 4.29 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het wijzigen van het gebruik van een bodemgevoelige locatie of het wijzigen van het gebruik van een gebouw waardoor een bodemgevoelige locatie ontstaat.
Artikel 4.30 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem.
Artikel 4.31 Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit 1.
De waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zijn gelijk aan de interventiewaarden bodemkwaliteit, zoals bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
2.
In afwijking van het eerste lid gelden voor lood de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zoals opgenomen in tabel 4.6. Tabel 4.6: Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit voor lood per gebruiksfunctie.
1
3.
Gebruik
Waarden lood (in mg/kg droge stof)1
Gebruik voor wonen met tuin
370
Gebruik als buitenruimte bij basisscholen en kinderdagverblijven
370
De waarden gelden voor de gemeten concentratie niet gecorrigeerd voor standaard bodem.
In afwijking van het eerste lid gelden voor asbest de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zoals opgenomen in tabel 4.7. Daarbij moet worden voldaan aan de strengste waarden voor het in de tabel opgenomen gebied of gebruik. Tabel 4.7: Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit voor asbest per gebied of gebruiksfunctie.
4.
10
Gebied/ Gebruik
Waarden asbest (in mg/kg droge stof)
Gebied bodemfunctieklasse landbouw/natuur
50
Gebied bodemfunctieklasse wonen
50
Gebied bodemfunctieklasse industrie
100
Gebruik voor wonen met tuin
10
Gebruik als buitenruimte bij basisscholen en kinderdagverblijven
10
In aanvulling op het eerste lid gelden voor PFOS, PFOA en overige PFAS de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zoals opgenomen in tabel 4.8. Daarbij moet worden voldaan aan de strengste waarden voor het in de tabel opgenomen gebied of gebruik.
Tabel 4.8: Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit voor PFOS, PFOA en overige PFAS per gebied of gebruiksfunctie. Waarden PFOS
Waarden PFOA
Waarden overige PFAS
(in μg/kg droge stof)
(in μg/kg droge stof)
(in μg/kg droge stof)
Gebied bodemfunctieklasse landbouw/natuur
59
60
59
Gebied bodemfunctieklasse wonen
59
60
59
Gebied bodemfunctieklasse industrie
59
60
59
Gebruik voor wonen met tuin
29
30
29
Gebruik als moestuin/volkstuin
29
30
29
Gebied/ Gebruik
5.
Er is sprake van overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de waarden genoemd in het eerste tot en met vierde lid.
6.
Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in het vijfde lid is niet van toepassing: a. bij de aanwezigheid van asbest; b. bij de aanwezigheid van lood in de laag van 0 tot 0,50 meter onder maaiveld.
Artikel 4.32 Maatregelen bij overschrijding van een waarde Bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 4.31, dienen sanerende of andere beschermende maatregelen volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving en paragraaf 7.3.5 van dit omgevingsplan te worden getroffen.
Artikel 4.33 Informatieplicht: voorafgaand aan de activiteit 1.
Ten minste vier weken voor het wijzigen van het gebruik als bedoeld in artikel 4.29 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 4.31: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen; c. het oorspronkelijke gebruik en het voorgenomen gebruik van de locatie.
2.
De in het eerste lid bedoelde onderzoeken worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
Artikel 4.34 Maatwerkvoorschrift Bij maatwerkvoorschrift kunnen nadere eisen worden gesteld aan de sanerende of andere beschermende maatregelen. D Hoofdstuk 7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Hoofdstuk 7 Milieubelastende activiteiten (MBA's) [Gereserveerd]
Afdeling 7.1 Algemene regels
11
Paragraaf 7.1.1 Regels die gelden voor alle MBA's Artikel 7.1 Voorrangsbepalingen De regels in hoofdstuk 7 zijn in niet van toepassing als: a. een voor 1 januari 2024 aangevraagde omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit onherroepelijk is geworden; en b. die activiteit vergunningplichtig is op grond van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en, c. voor zover er voorschriften aan deze omgevingsvergunning zijn verbonden.
Artikel 7.2 Algemeen toepassingsbereik De regels in hoofdstuk 7 zijn van toepassing op een milieubelastende activiteit.
Artikel 7.3 Oogmerken De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met als doel: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem; c. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; d. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; e. het doelmatig beheer van afvalstoffen; f. het vervullen van de maatschappelijke functies door watersystemen; g. het beschermen van de biodiversiteit en ecosystemen; h. het voorkomen en waar nodig beperken van de verspreiding van verontreinigd grondwater.
Artikel 7.4 Voor wie de regels gelden De regels in dit hoofdstuk gelden voor degene die een milieubelastende activiteit uitvoert. Diegene is verantwoordelijk voor het naleven van de regels over de activiteit.
Artikel 7.5 Specifieke zorgplicht
12
1.
Degene die een activiteit uitvoert en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken, bedoeld in artikel 7.3, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover het voorkomen van de gevolgen niet kan: die gevolgen zoveel mogelijk beperken of ongedaan maken; en c. als beperken of ongedaan maken van de gevolgen onvoldoende kan: de activiteit niet uitvoeren, zolang dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2.
Deze zorgplicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
3.
De zorgplicht, als bedoeld in het eerste lid, houdt ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; b. gereserveerd.
4.
Op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving:
a. b.
zijn het eerste en het tweede lid niet van toepassing; is het derde lid wel van toepassing.
Artikel 7.6 Maatwerkvoorschriften 1.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 7.5 en 7.10 en afdeling 7.3.
2.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikelen 7.10 en afdeling 7.3.
3.
Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld als dat nodig is voor het waarborgen van de oogmerken, zoals beschreven in artikel 7.3.
4.
Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.7 Algemene gegevens bij het leveren van gegevens en documenten Als degene voor wie de regels van dit hoofdstuk gelden, gegevens en documenten levert, dan zijn die ondertekend en voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit uitvoert; c. het adres waarop de activiteit wordt uitgevoerd; en d. datum waarop de gegevens en documenten worden ingediend.
Artikel 7.8 Gegevens bij wijzigen naam, adres of degene die de activiteit uitvoert 1.
Bij wijziging van de gegevens of documenten, bedoeld in artikel 7.7 worden de daardoor gewijzigde gegevens geleverd aan het college van burgemeester en wethouders.
2.
Als iemand anders de activiteit gaat uitvoeren, worden de nieuwe gegevens minstens vier weken van tevoren geleverd aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 7.9 Gegevens en documenten op verzoek van het college van burgemeester en wethouders 1.
Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en documenten geleverd die nodig zijn om te beoordelen of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
2.
Gegevens en documenten worden geleverd voor zover degene die de activiteit uitvoert er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
Artikel 7.10 Informatieplicht: informeren over een ongewoon voorval
13
1.
Het college van burgemeester en wethouders wordt direct, zonder uitstel, geïnformeerd over een ongewoon voorval.
2.
Zodra de volgende gegevens en documenten bekend zijn, worden ze geleverd aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
3.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.
Paragraaf 7.1.2 [Gereserveerd]
Paragraaf 7.1.3 [Gereserveerd]
Paragraaf 7.1.4 [Gereserveerd]
Afdeling 7.2 [Gereserveerd]
Afdeling 7.3 Bodembeheer en activiteiten in en op de bodem Paragraaf 7.3.1 Algemene regels Artikel 7.11 Register met bodemlocaties 1.
Er is een register met: a. verdachte bodemlocaties; b. locaties waar in het verleden bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden; c. locaties waar in het verleden bodemonderzoek is verricht.
2.
Er is een register met: a. locaties met een historisch bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico; b. locaties nazorg bodem - afdeklaag; c. locaties nazorg bodem - tijdelijke beschermingsmaatregelen.
3.
De registers a. worden beheerd door het college van burgemeester en wethouders; b. zijn voor eenieder langs elektronische weg toegankelijk; c. worden actueel gehouden.
Paragraaf 7.3.2 Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit en een bodemvolume tot en met 25 m3 Artikel 7.12 Toepassingsbereik 1.
Deze paragraaf gaat over het graven in de bodem met een bodemvolume van ten hoogste 25 m3 op een verdachte bodemlocatie, die is opgenomen in het register, zoals bedoeld in artikel 7.11, eerste lid.
2.
Graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook: a. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; b. het tijdelijk opslaan van grond; c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de waterbodem.
4.
In deze paragraaf wordt verstaan onder een afdeklaag: een afdeklaag als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een isolatielaag die is aangebracht onder het voormalige Besluit uniforme saneringen of op grond van een saneringsplan of nazorgplan onder de voormalige Wet bodembescherming.
Artikel 7.13 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem; c. het doelmatig beheer van afvalstoffen.
14
Artikel 7.14 Tijdelijke opslag van vrijgekomen grond 1.
Grond die bij het graven is vrijgekomen wordt niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.
2.
Bij tijdelijke opslag van vrijgekomen grond worden de volgende maatregelen genomen a. maatregelen om verwaaiing van verontreinigde grond tegen te gaan, vooral als deze grond asbest bevat; b. maatregelen om te voorkomen dat onbevoegden in contact kunnen komen met vrijgekomen grond. Dit kan door de tijdelijke opslag zo veel als redelijkerwijs mogelijk is af te schermen met een hekwerk. Na het beëindigen van de dagelijkse werkzaamheden dient het hekwerk te worden afgesloten.
Artikel 7.15 Kwaliteitsborging aannemer De activiteit wordt uitgevoerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000 als: a. het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak; b. de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag.
Artikel 7.16 Milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven De activiteit wordt milieukundig begeleid volgens BRL SIKB 6000 als: a. het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak; b. de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag.
Artikel 7.17 Informatieplicht: voorafgaand aan de activiteit 1.
Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 7.12, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; c. de verwachte datum van het begin van de activiteit; d. de verwachte duur van de activiteit; e. de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding bedoeld in artikel 7.16 gaan verrichten.
2.
Het college van burgemeester en wethouders ontvangt direct, zonder uitstel, informatie bij wijziging van de begrenzing, wijziging van de verwachte datum van het begin van de activiteit of of het wijzigen van de gegevens van de natuurlijke persoon of de onderneming die de milieukundige begeleiding gaan verrichten .
3.
Het eerste lid is in de volgende gevallen niet van toepassing: a. als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond en het graven niet plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag; b. op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.
4.
De in het eerste lid genoemde onderzoeken worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
Paragraaf 7.3.3 Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarden en een bodemvolume van meer dan 25 m3 Artikel 7.18 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het graven in de bodem met een bodemvolume van meer dan 25 m3 op een locatie met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
Artikel 7.19 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel: a. het beschermen van de gezondheid;
15
b. c. d.
het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem; het doelmatig beheer van afvalstoffen; het beschermen van de biodiversiteit en ecosystemen.
Artikel 7.20 Waarden PFOS, PFOA en overige PFAS (maatwerkregel) Paragraaf 4.119 van het Besluit activiteiten leefomgeving is ook van toepassing op het graven in de bodem met een gehalte: a. PFOS van 59 μg/kg droge stof of minder; b. PFOA van 60 μg/kg droge stof of minder; c. overige PFAS van 59 μg/kg droge stof of minder.
Artikel 7.21 Informatieplicht voorafgaand aan de activiteit (maatwerkregel) 1.
In aanvulling op artikel 4.1220, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden ten minste een week voor het begin van het graven ook de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, aan het college van burgemeester en wethouders verstrekt.
2.
De in het eerste lid genoemde onderzoeken worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
Artikel 7.22 Gescheiden houden van grond (maatwerkregel) In aanvulling op artikel 4.1222 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden partijen grond gescheiden gehouden als deze: a. meer dan 20% bodemvreemd materiaal bevatten; b. bestaan uit verschillende grondsoorten; c. asbest bevatten; d. sporen bevatten van invasieve exoten die op de Unielijst staan die is vastgesteld op grond van de EU Verordening nr. 1143/2014.
Artikel 7.23 Tijdelijk uitnemen van grond (maatwerkregel) In aanvulling op artikel 4.1222a, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden partijen grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als deze: a. meer dan 20% bodemvreemd materiaal bevatten; b. visueel waarneembaar asbest bevatten; c. sporen bevatten van invasieve exoten die op de Unielijst staan die is vastgesteld op grond van de EU Verordening nr. 1143/2014.
Artikel 7.24 Tijdelijke opslag van vrijgekomen grond (maatwerkregel) In aanvulling op artikel 4.1223 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden bij tijdelijke opslag van vrijgekomen grond de volgende maatregelen genomen: a. maatregelen om verwaaiing van verontreinigde grond tegen te gaan, vooral als deze grond asbest bevat; b. maatregelen om te voorkomen dat onbevoegden in contact kunnen komen met vrijgekomen grond. Dit kan door de tijdelijke opslag, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, af te schermen met een hekwerk.
Artikel 7.25 Terugplaatsen tijdelijk uitgenomen grond (maatwerkregel) In afwijking van artikel 4.1222a van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt bij het tijdelijk uitnemen van grond dat verschillende bodemlagen niet gescheiden teruggeplaatst hoeven te worden.
Paragraaf 7.3.4 Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarden en een bodemvolume van meer dan 25 m3 Artikel 7.26 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het graven in de bodem met een bodemvolume van meer dan 25 m3 op een locatie met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit.
16
Artikel 7.27 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem; c. het doelmatig beheer van afvalstoffen; d. het beschermen van de biodiversiteit en ecosystemen.
Artikel 7.28 Waarden PFOS, PFOA en overige PFAS (maatwerkregel) Paragraaf 4.120 van het Besluit activiteiten leefomgeving is ook van toepassing op het graven in de bodem met een gehalte: a. PFOS van 59 ug/kg droge stof of meer; b. PFOA van 60 ug/kg droge stof of meer; c. overige PFAS van 59 ug/kg droge stof of meer.
Artikel 7.29 Meldplicht voorafgaand aan de activiteit (maatwerkregel) In aanvulling op artikel 4.1225, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
Artikel 7.30 Gescheiden houden van partijen grond (maatwerkregel) In aanvulling op artikel 4.1230 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden partijen grond gescheiden gehouden als deze: a. meer dan 20% bodemvreemd materiaal bevatten; b. bestaan uit verschillende grondsoorten; c. asbest bevatten; d. sporen bevatten van invasieve exoten die op de Unielijst staan die is vastgesteld op grond van de EU Verordening nr. 1143/2014; e. een mobiele verontreiniging bevatten.
Artikel 7.31 Tijdelijk uitnemen van partijen grond (maatwerkregel) In aanvulling op artikel 4.1230a, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden partijen grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als deze: a. meer dan 20% bodemvreemd materiaal bevatten; b. verontreinigd zijn met asbest; c. sporen bevatten van invasieve exoten die op de Unielijst staan die vastgesteld op grond van de EU Verordening nr. 1143/2014; d. een mobiele verontreiniging bevatten.
Artikel 7.32 Tijdelijke opslag van vrijgekomen grond (maatwerkregel) In aanvulling op artikel 4.1231 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden bij tijdelijke opslag van vrijgekomen grond de volgende maatregelen genomen: a. maatregelen om verwaaiing van verontreinigde grond tegen te gaan, vooral als deze grond asbest bevat; b. maatregelen om verspreiding van een mobiele verontreiniging naar de onderliggende bodem tegen te gaan; c. maatregelen om te voorkomen dat onbevoegden in contact kunnen komen met vrijgekomen grond. Dit kan door de tijdelijke opslag, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, af te schermen met een hekwerk.
Artikel 7.33 Informatieplicht na beëindigen van de activiteit (maatwerkregel) 1.
17
In aanvulling op artikel 4.1234 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden, indien gedurende de graafwerkzaamheden aanvullend bodemonderzoek is uitgevoerd, ten hoogste een week na het beëindigen van het graven ook de resultaten van dit aanvullend bodemonderzoek aan het college van burgemeester en wethouders verstrekt.
2.
De in het eerste lid genoemde resultaten van aanvullend bodemonderzoek worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
Paragraaf 7.3.5 Bodem saneren Artikel 7.34 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het saneren van de bodem.
Artikel 7.35 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem.
Artikel 7.36 Verwijderen van verontreiniging als saneringsaanpak (maatwerkregel) In afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt een sanering uitgevoerd volgens artikel 4.1242 van het Besluit kwaliteit leefomgeving als de waarde van een vluchtige organische stof in de bodem hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 7.37 Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit na saneren (maatwerkregel) 1.
In afwijking van artikel 4.1242, tweede lid van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt de grond op een bodemgevoelige locatie zodanig ontgraven dat de stof lood in de laag van 0 tot 0,50 meter onder maaiveld niet meer voorkomt in een concentratie hoger of gelijk aan de waarden uit tabel 7.1; Tabel 7.1: Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit voor lood na verwijdering van verontreiniging per gebruiksfunctie.
1
2.
Gebruik
Waarden lood (in mg/kg in droge stof)1
Wonen met tuin
90
Buitenruimte bij basisscholen en kinderdagverblijven
90
Speelplaats
90
Moestuin/volkstuin
60
De waarden gelden voor de gemeten concentratie niet gecorrigeerd voor standaard bodem.
In afwijking van artikel 4.1242, tweede lid van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt de grond op een bodemgevoelige locatie zodanig ontgraven dat de stof asbest niet meer voorkomt in een concentratie hoger of gelijk aan de waarden uit tabel 7.2. Daarbij moet worden voldaan aan de strengste waarden voor het in de tabel opgenomen gebied of gebruik. Tabel 7.2: Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit voor asbest na verwijdering van verontreiniging per gebruiksfunctie.
18
Gebied/ Gebruik
Waarden asbest (in mg/kg droge stof)
Gebied bodemfunctieklasse landbouw/natuur
50
Gebied bodemfunctieklasse wonen
50
Gebied bodemfunctieklasse industrie
100
Gebruik voor wonen met tuin
10
Gebruik als buitenruimte bij basisscholen en kinderdagverblijven
10
Gebruik voor speelplaats
10
3.
Gebied/ Gebruik
Waarden asbest (in mg/kg droge stof)
Gebruik voor moestuin/ volkstuin
10
In aanvulling op artikel 4.1242, tweede lid van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt de grond op een bodemgevoelige locatie zodanig ontgraven dat de stoffen PFOS, PFOA en overige PFAS niet meer voorkomen in een concentratie hoger of gelijk aan de waarden uit tabel 7.3. Tabel 7.3: Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit voor PFOS, PFOA en overige PFAS na verwijdering van verontreiniging per gebied. Gebied / Gebruik
Waarden PFOS (in μg/kg droge stof)
Waarden PFOA (in μg/kg droge stof)
Waarden overige PFAS (in μg/kg droge stof)
Gebied bodemfunctieklasse landbouw/natuur
3
7
3
Gebied bodemfunctieklasse wonen
3
7
3
Gebied bodemfunctieklasse industrie
3
7
3
Gebruik voor speelplaats
3
7
3
Gebruik voor moestuin/volkstuin
2,4
2,3
2,4
Paragraaf 7.3.6 Bodem saneren ter uitvoering van een bronaanpak bij een significante grondwaterverontreiniging Artikel 7.38 Toepassingsbereik 1.
Deze paragraaf gaat over het saneren van de bodem ter uitvoering van een bronaanpak vanwege een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 4.18, eerste lid onder a.
2.
Deze paragraaf gaat niet over het saneren van de bodem in een grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in artikel 2.2 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.
Artikel 7.39 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel: a. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; b. het vervullen van de maatschappelijke functies door watersystemen; c. het voorkomen en waar nodig beperken van de verspreiding van verontreinigd grondwater.
Artikel 7.40 Saneringsaanpak: niet afdekken tenzij
19
1.
Een sanering van de bodem in verband met een bronaanpak vanwege een significante grondwaterverontreiniging mag niet worden uitgevoerd met de saneringsaanpak afdekken, bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
2.
In afwijking van het eerste lid, is de saneringsaanpak afdekken, bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving wel toegestaan als: a. de afdeklaag bestaat uit een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag als bedoeld in artikel 4.1241, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. aannemelijk wordt gemaakt dat de saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater.
Artikel 7.41 Informatieplicht: voor het begin van de bronaanpak In aanvulling op artikel 4.1237 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden de voor het begin van de bronaanpak aan het college van burgemeester en wethouders verstrekte gegevens en bescheiden gelijktijdig verstrekt aan gedeputeerde staten.
Artikel 7.42 Informatieplicht: bij beëindiging van de bronaanpak In aanvulling op artikel 4.1246 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt het bij beëindiging van de bronaanpak aan het college van burgemeester en wethouders verstrekte evaluatieverslag, gelijktijdig verstrekt aan gedeputeerde staten.
Artikel 7.43 Maatwerkvoorschrift andere aanpak grondwaterverontreiniging Een maatwerkvoorschrift voor een andere saneringsaanpak als bedoeld in artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt alleen gesteld als deze saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater.
Paragraaf 7.3.7 Nazorg na saneren van de bodem of bij toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem Artikel 7.44 Toepassingsbereik 1.
Deze paragraaf gaat over het verrichten van nazorg als saneren van de bodem heeft plaatsgevonden op grond van: a. het Besluit activiteiten leefomgeving; b. dit omgevingsplan; c. een omgevingsvergunning; d. een maatwerkvoorschrift.
2.
Deze paragraaf gaat ook over het verrichten van nazorg als tijdelijke beschermingsmaatregelen zijn getroffen, die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de Omgevingswet.
Artikel 7.45 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem.
Artikel 7.46 Locatie nazorg bodem - afdeklaag Met het oog op het beschermen van de gezondheid treft de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een ‘locatie nazorg bodem - afdeklaag’ de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van die afdeklaag. De betreffende locaties zijn opgenomen in het register met bodemlocaties zoals bedoeld in artikel 7.11, tweede lid.
Artikel 7.47 Locatie nazorg bodem - tijdelijke beschermingsmaatregelen Met het oog op het beschermen van de gezondheid treft de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een ‘locatie nazorg bodem - tijdelijke beschermingsmaatregelen’ de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van die tijdelijke beschermingsmaatregelen. De betreffende locaties zijn opgenomen in het register met bodemlocaties zoals bedoeld in artikel 7.11, tweede lid.
Paragraaf 7.3.8 [Gereserveerd]
Paragraaf 7.3.9 Grond of baggerspecie toepassen
20
Artikel 7.48 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het op of in de landbodem toepassen van grond of baggerspecie.
Artikel 7.49 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem; c. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; d. het doelmatig beheer van afvalstoffen. e. het beschermen van de biodiversiteit en ecosystemen.
Artikel 7.50 Bodembeheergebied Er is een bodembeheergebied, waarin met maatwerkvoorschriften en maatwerkregels afgeweken mag worden van de kwaliteitseisen voor het toepassen van grond of baggerspecie op of in de landbodem op grond van de artikelen 4.1273, 4.1275 en 4.1279 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 7.51 Invasieve exoten (maatwerkregel) De toe te passen grond of baggerspecie moet vrij zijn van invasieve exoten die op de Unielijst staan die is vastgesteld op grond van de EU Verordening nr. 1143/2014.
Artikel 7.52 Bijzondere kwaliteitseisen (maatwerkregel) 1.
In afwijking van artikel 4.1272, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt op een bodemgevoelige locatie grond en baggerspecie alleen toegepast als de waarden voor lood in de laag van 0 tot 0,50 meter onder maaiveld voldoen aan de waarden uit tabel 7.4. Tabel 7.4: Waarden de toelaatbare bodemkwaliteit voor het toepassen van grond en baggerspecie op een locatie met een gevoelige gebruiksfunctie voor lood.
1
2.
Gebruik
Waarden lood (in mg/kg droge stof)1
Wonen met tuin
90
Buitenruimte bij basisscholen en kinderdagverblijven
90
Speelplaats
90
Moestuin/ volkstuin
60
De waarden gelden voor de gemeten concentratie niet gecorrigeerd voor standaard bodem.
In afwijking van artikel 4.1272, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt op een bodemgevoelige locatie grond en baggerspecie alleen toegepast als de waarden voor asbest voldoen aan de waarden uit tabel 7.5. Daarbij moet worden voldaan aan de strengste waarden voor het in de tabel opgenomen gebied of gebruik. Tabel 7.5: Waarden voor het toepassen van grond en baggerspecie op een locatie met een gevoelige gebruiksfunctie voor asbest.
21
Gebied/ Gebruik
Waarden asbest (in mg/kg droge stof)
Gebied bodemfunctieklasse landbouw/natuur
50
Gebied bodemfunctieklasse wonen
50
Gebied bodemfunctieklasse industrie
100
Gebruik voor wonen met tuin
10
Gebruik als buitenruimte bij basisscholen en kinderdagverblijven
10
Gebruik voor speelplaats
10
3.
Gebied/ Gebruik
Waarden asbest (in mg/kg droge stof)
Gebruik voor moestuin/ volkstuin
10
In aanvulling op artikel 4.1272, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt op een bodemgevoelige locatie grond en baggerspecie alleen toegepast als de waarden voor PFOS, PFOA en overige PFAS voldoen aan de waarden uit tabel 7.6. Tabel 7.6: Waarden voor het toepassen van grond en baggerspecie op een locatie met een gevoelige gebruiksfunctie voor PFOS, PFOA en overige PFAS. Gebied/ Gebruik
Waarden PFOS (in μg/kg droge stof)
Waarden PFOA (in μg/kg droge stof)
afkomstig van binnen bodembeheergebied
-af m o-k gist nav -b u i b e o n -t m e -d -e b -h e r -e g d eb i
afkomstig van binnen bodembeheergebied
Gebied bodemfunctieklasse landbouw/natuur