Bijlage 5 - Omgevingseffectrapport.pdf
Tekst van het document
66 | 140 Witteveen+Bos | 141592/25-011.353 | Definitief 04
de busroutes, vooral op wegen die niet optimaal zijn ontworpen voor zwaar verkeer. Deze trillingen kunnen hinder veroorzaken voor bewoners en mogelijk schade aan oudere of kwetsbare gebouwen. Er zijn geen significante effecten op geur of licht, aangezien Ridderkerk al dermate vervuild is met licht dat de toevoeging van woningen niet significant zal zijn en er geen bijzonderheden zijn omtrent geur. Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - mitigatie van negatieve effecten: zorg voor maatregelen zoals geluidswallen, groene buffers en energiezuinige verlichting om de negatieve effecten van inbreiding en uitbreiding op de gezondheid te beperken; - strikte regulering en monitoring: voer strikte milieuregels in en monitor de lucht- en geluidskwaliteit om de effecten van industriële activiteiten en stedelijke inbreiding te minimaliseren; - duurzaam bouwen: implementeer duurzame bouwmethoden en infrastructuur om de impact op luchtvervuiling, geluid, trillingen en lichtvervuiling te minimaliseren; - balans tussen groei en gezondheid: behoud een evenwicht tussen stedelijke groei en het waarborgen van een gezonde leefomgeving voor alle inwoners; - houtrook: houtrook is een belangrijke veroorzaker van luchtverontreiniging en geurhinder. Dit komt doordat het fijnstof en schadelijke stoffen uitstoot die de luchtkwaliteit verslechteren en gezondheidsproblemen kan veroorzaken.
Actief beleid op houtrook kan de hinder ervan verminderen (bijvoorbeeld houtrookvrije wijken, of op bepaalde momenten een stookverbod); - bij functiemenging dient de gezondheidsbescherming van inwoners centraal te staan in besluitvorming over het type bedrijven dat wordt gemengd met woningen. In dit scenario is er geen potentie om de doelen met betrekking tot gezondheidsbescherming te behalen. De toename van 3.300 woningen en mengen van wonen en werken leidt tot meer verkeersbewegingen en daarmee een verslechtering van luchtkwaliteit en toename van geluidshinder. Omgevingsveiligheid De gemeente moet voldoen aan de wetgeving maar heeft onder de Omgevingswet beleidsruimte om invulling te geven aan de mogelijkheden in bijvoorbeeld aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden maken zichtbaar waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen brand- , explosie-, en gifwolkaandachtsgebieden. De Omgevingswet biedt de gemeente afwegingsruimte bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een aandachtsgebied. Voor het inpassen van een (beperkt) kwetsbaar gebouw of locatie of zeer kwetsbaar gebouw binnen een aandachtsgebied is het aan de gemeente om te onderbouwen dat zij voldoende rekening heeft gehouden met externe veiligheidsrisico’s.
Hierbij moet het plaatsgebonden risico altijd in ogenschouw worden genomen. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het PR geldt een grenswaarde van 10-6 per jaar, binnen deze PR 10-6 contour mogen zich geen (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties bevinden. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt de PR 10-6 contour als richtwaarde. Scenario 1 Scenario 1 heeft een negatief effect op externe veiligheid en een positief effect op sociale veiligheid. Externe veiligheid In dit scenario wordt werkgelegenheid in hogere milieugebruiksruimte toegestaan in combinatie met toename van personendichtheden. Dit kan de externe veiligheid in Ridderkerk onder druk zetten door een verhoogd risico op industriële ongevallen en grotere impactzones rondom deze bedrijven. Deze ontwikkeling vereist stringente veiligheidsmaatregelen, regelmatige inspecties, en nauwe samenwerking met lokale overheden om de risico's effectief te beheersen en de veiligheid van werknemers en omwonenden te waarborgen. Daarnaast brengt het toevoegen van buurtbatterijen en trafohuisjes extra risico's met zich mee, zoals brand- en explosiegevaar en de mogelijke uitstoot van giftige dampen.
Dit kan een negatief effect hebben op de externe veiligheid, vooral in woonwijken waar de buurtbatterijen en trafohuisjes geplaatst worden.
67 | 140 Witteveen+Bos | 141592/25-011.353 | Definitief 04
Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - creëer voldoende afstand tussen risicobronnen (zowel hogere milieugebruiksruimte-bedrijven als buurtbatterijen) en (zeer kwetsbare) functies om incidenten te voorkomen; - regelmatige inspecties en onderhoud: zorg voor frequente controles en onderhoud om potentiële risico's vroegtijdig te identificeren en te mitigeren; - crisismanagement en communicatie: ontwikkel robuuste noodplannen en informeer de gemeenschap over de genomen veiligheidsmaatregelen om risico's effectief te beheren en het vertrouwen van de bevolking te behouden. Sociale veiligheid In dit scenario is er sprake van een grote sociale samenhang, mede door de collectieve woonvormen, de mogelijkheid tot de bouw van collectieve wijken en de financiële participatie. Deze mate van sociale samenhang draagt bij aan de verhoging van de sociale veiligheid. Daarnaast wordt er een aantrekkelijke openbare ruimte gerealiseerd, dit kan de aanwezigheid van mensen op straat verhogen en daarmee de sociale veiligheid. Daarnaast worden de bedrijventerreinen geherstructureerd en wordt er groen toegevoegd. Dit zorgt dat de bedrijventerreinen een aantrekkelijker karakter krijgen, wat kan resulteren in een vermindering van overlast.
Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - levendigheid bedrijfsterreinen: ondanks dat er aan de randen van de bedrijventerreinen wordt ingezet op de transformatie naar gemengde gebieden, blijven de terreinen (mede door de aanwezige bedrijvigheid) hoofdzakelijk monofunctioneel. Buiten werktijden blijven de terreinen hierdoor minder levendig, dit vermindert de sociale controle en daarmee de sociale veiligheid. Er is een beperkte potentie om de doelen te behalen. De ingrepen in dit scenario zorgen voor extra risicobronnen voor externe veiligheid, maar verminderen ondermijning, overlast en verdachte situaties, waardoor er een verbeterde sociale veiligheid is. Scenario 2 Scenario 2 heeft een negatief effect op externe veiligheid en een positief effect op sociale veiligheid. Externe veiligheid In dit scenario worden een waterstoffabriek, waterstofleidingen, en een 380 kV hoogspanningsverbinding toegevoegd in Ridderkerk. Deze ingrepen kunnen de externe veiligheid negatief beïnvloeden door de introductie van risico's zoals brand, explosie, blootstelling aan elektrische en magnetische velden, en mogelijke elektrische ongevallen. Vooral in dichtbevolkte gebieden kunnen deze risico's verhoogd zijn, wat vraagt om zorgvuldige planning en strikte veiligheidsmaatregelen.
Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - strenge veiligheidsnormen door Rijk en provincie: creëer voldoende afstand tussen risicobronnen (zowel hogere milieugebruiksruimte-bedrijven als buurtbatterijen) en (zeer kwetsbare) functies om incidenten te voorkomen; - regelmatige inspecties faciliteren: faciliteer frequente inspecties en onderhoud door bijvoorbeeld DCMR Milieudienst Rijnmond om potentiële risico's vroegtijdig te identificeren en te mitigeren; - lokale communicatie: informeer en betrek de gemeenschap bij de veiligheidsmaatregelen om bewustzijn en vertrouwen te vergroten. Sociale veiligheid In dit scenario beperkt de sociale samenhang zich tot het gebouwniveau. Op gebouwniveau wordt de sociale interactie bevordert, dit kan de sociale veiligheid lokaal ten goede komen. Daarnaast wordt er geïnvesteerd in de openbare ruimte, wat de sociale controle bevordert. Bovendien wordt er in dit scenario ingezet op gemengde woon-werklocaties. Dit zorgt ervoor dat er ook buiten werktijden sociale controle in dit gebied aanwezig is, waardoor het risico op overlast wordt verminderd. Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - hogere bouwlagen: bij de locaties waar meer dan 6 woonlagen mogelijk zijn kan dit leiden tot een gevoel van anonimiteit. Ook de inrichting op plintniveau is belangrijk om ervoor te zorgen dat er ook op straatniveau ruimte blijft bestaan voor sociale controle.
Er is geen potentie om de doelen te behalen. De ingrepen in dit scenario zorgen voor veel meer extra risicobronnen voor externe veiligheid, maar verminderen ondermijning, overlast en verdachte situaties, waardoor er een verbeterde sociale veiligheid is.
68 | 140 Witteveen+Bos | 141592/25-011.353 | Definitief 04
Conclusie Onderstaande tabel geeft een samenvatting weer van de beoordeling van omgevingseffecten en doelbereik van beide scenario’s.
Tabel 6.3 Beoordeling van effecten op gezondheid en sociaal domein (zonder inzet van mitigerende maatregelen) Aspect
Referentiesituatie
Beoordeling doelbereik Scenario 1
Beoordeling omgevingseffecten Scenario 2
Scenario 1
Scenario 2
Gezonde leefstijl
redelijk
+
+
Sociaaleconomische positie
goed
+
++
Sociale cohesie
redelijk
++
-
Gezondheids bescherming
slecht
-
-
Omgevingsveiligheid
redelijk
-
-
6.2.2
Mobiliteit
Bereikbaarheid (per modaliteit) Scenario 1 Scenario 1 heeft een negatief effect op regionale OV-bereikbaarheid en autobereikbaarheid tijdens spits. In dit scenario worden diverse ingrepen gedaan om de bereikbaarheid in Ridderkerk te beïnvloeden. Het toevoegen van 1.700 woningen kan leiden tot meer verkeersdruk voor gemotoriseerd verkeer door toenemende ritproductie, wat een negatief effect heeft op de bereikbaarheid. Het behouden van het bestaande bedrijventerrein met monofunctionele inrichting en focus op hogere milieugebruiksruimte-bedrijven heeft voornamelijk een negatief effect op de bereikbaarheid door toename spitsverkeer. Ook voor OV en langzaam verkeer is het effect negatief, tenzij specifiek wordt geïnvesteerd in betere verbindingen. Deze ingreep draagt dus vooral bij aan een verhoging van de verkeersdruk. De ontwikkeling van woningbouw en vestiging van bedrijven in Ridderkerk heeft grote impact op de belasting van de aansluitingen op de A38 en ontsluiting via de Rotterdamseweg, met terugslag op het hoofdwegennet. Dit heeft een negatief effect op de bereikbaarheid. De invoering van een zero-emissie-zone in de kern heeft een gemengd effect. Voor gemotoriseerd verkeer is het negatief voor vervuilende voertuigen, maar positief voor zero-emissievoertuigen door minder congestie.
OV kan een toename in gebruik zien, terwijl langzaam verkeer aanzienlijk profiteert door meer ruimte en veiligheid voor fietsers en voetgangers Het inzetten van meer buurtbussen voor ouderen verbetert de bereikbaarheid voor deze doelgroep en verlaagt de verkeersdruk in woonwijken, met een positief effect voor gemotoriseerd verkeer. Op regionaal niveau draagt de buurtbussen niet bij aan een snelle OV-verbinding om vanaf Ridderkerk te reizen. Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - uitbreiding OV-capaciteit: het is noodzakelijk om het OV-aanbod uit te breiden om overbelasting door de extra woningen te voorkomen; - fietsinfrastructuur versterken: de groei van langzaam verkeer vereist betere fietspaden en voetgangersvoorzieningen om de veiligheid en doorstroming te waarborgen; - beheer van vrachtverkeer: het behoud van hogere milieugebruiksruimte-bedrijven vereist maatregelen om de impact van vrachtverkeer op de bereikbaarheid en verkeersveiligheid te minimaliseren;
69 | 140 Witteveen+Bos | 141592/25-011.353 | Definitief 04
-
toegankelijkheid van duurzame mobiliteit: de zero-emissie-zone moet gepaard gaan met maatregelen om alternatieve vervoermiddelen zoals fietsen en elektrische voertuigen aantrekkelijker en toegankelijker te maken.
De ingrepen in dit scenario zorgen voor een beperkte potentie om de doelen voor bereikbaarheid te halen. Er wordt niet ingezet op duurzame mobiliteit. Alleen de zero-emissie-zone in de kern en de buurtbussen voor ouderen sluiten redelijk aan bij het doel van Ridderkerk om in te zetten op duurzame mobiliteit. Scenario 2 Scenario 2 heeft een negatief effect op autobereikbaarheid in de kern en schil en een positief effect op OVbereikbaarheid en fietsbereikbaarheid. In dit scenario worden meerdere ingrepen gedaan die de bereikbaarheid in Ridderkerk op verschillende manieren beïnvloeden. Het toevoegen van stadsrandhubs aan de randen van de gemeente, uitgerust met deelauto’s en deelfietsen, heeft een overwegend neutraal effect op gemotoriseerd verkeer. De verkeersdruk in het centrum neemt af doordat mensen overstappen op deelvervoer, maar lokaal rond de hubs kan de verkeersdruk toenemen. Voor OV en langzaam verkeer verbeteren de hubs de toegankelijkheid en stimuleren ze het gebruik van deelmobiliteit. De toevoeging van logistieke hubs voor de bevoorrading van de kern zorgt voor een positief effect op de bereikbaarheid van gemotoriseerd verkeer, OV, en langzaam verkeer. Doordat vrachtverkeer uit het centrum wordt geweerd, verbetert de doorstroming voor gemotoriseerd verkeer en bussen. De invoering van een zero-emissie-zone in de kern heeft gemengde effecten.
Voor gemotoriseerd verkeer is het negatief voor vervuilende voertuigen, maar positief voor zero-emissievoertuigen door minder congestie. OV kan een toename in gebruik zien, terwijl langzaam verkeer aanzienlijk profiteert door meer ruimte en veiligheid voor fietsers en voetgangers Het toevoegen van 3.300+ woningen kan een negatief effect hebben op de bereikbaarheid voor gemotoriseerd verkeer door toenemende verkeersdruk. Het afwaarderen van de Rotterdamseweg naar 50 km/u heeft een gemengd effect. Hoewel de snelheid voor gemotoriseerd verkeer afneemt, wat een kleine vertraging kan veroorzaken, kunnen langzaam verkeer en OV profiteren van meer veiligheid. De ontwikkeling van woningbouw en vestiging van bedrijven in Ridderkerk heeft grote impact op de belasting van de aansluitingen op de A38 en ontsluiting via de Rotterdamseweg, met terugslag op het hoofdwegennet. Dit heeft een negatief effect op de bereikbaarheid. De toevoeging van een HOV-buslijn tussen Barendrecht en Ridderkerk heeft een sterk positief effect op de regionale bereikbaarheid, wat leidt tot minder verkeersdruk en betere OV-verbindingen. Daarnaast verbeteren de uitbreiding van de waterbusdiensten en introduceren van de stadsrandhub met aantrekkelijke parkeervoorwaarden de regionale OV-verbindingen en stimuleren het gebruik van fietsen en wandelen.
Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - infrastructuuruitbreiding voor OV en fietsen: de toename van woningen en de verschuiving naar OV en langzaam verkeer vereisen investeringen in fietspaden en voldoende OV-capaciteit; - effectiviteit van de stadsrandhubs: lokale maatregelen zijn nodig om verkeersdruk rondom de hubs te beheersen, zodat de voordelen van minder verkeer in de kern behouden blijven; - ondersteuning voor zero-emissie voertuigen: er moeten voldoende laadpunten en infrastructuur beschikbaar zijn om de overstap naar zero-emissievoertuigen te vergemakkelijken; - effecten van logistieke hubs beheersen: er moet aandacht zijn voor de omgevingseffecten van logistieke hubs, zodat de vermindering van vrachtverkeer in het centrum niet leidt tot nieuwe problemen aan de randen van de gemeente. De ingrepen in dit scenario sluiten goed aan bij de gemeentelijke doelen die focussen op het stimuleren van actieve en duurzame mobiliteit, het op de eerste plek zetten van fietsers en voetgangers en het behouden en versterken van bestaand openbaar vervoer. Gezamenlijk zorgen de ingrepen ervoor dat er een hoge potentie is in dit scenario om de doelen voor bereikbaarheid te behalen.
70 | 140 Witteveen+Bos | 141592/25-011.353 | Definitief 04
Toegang tot mobiliteitsdiensten en -voorzieningen Scenario 1 Scenario 1 heeft een zeer positief effect op de toegang tot mobiliteitsdiensten en -voorzieningen door verspreid locaties om van modaliteiten te wisselen in wijkhubs. In dit scenario worden verschillende ingrepen voorgesteld om de toegang tot mobiliteitsdiensten en -voorzieningen in Ridderkerk te verbeteren, met een focus op inclusiviteit. Het toevoegen van buurtbussen voor ouderen heeft een positief effect, doordat het specifiek inspeelt op de behoeften van een kwetsbare doelgroep. Daarnaast verbetert het opzetten van wijkhubs bij wijkcentra met deelfietsen en deelauto’s de toegang tot mobiliteitsdiensten aanzienlijk, vooral voor inwoners zonder eigen vervoer. Deze maatregel bevordert duurzame mobiliteit, vermindert verkeersdrukte en CO2-uitstoot, en ondersteunt de lokale economie. Verspreid parkeren kan de toegang tot mobiliteitsdiensten verbeteren door meer parkeeropties te bieden dicht bij woningen en voorzieningen. Ten slotte zou de invoering van een zero-emissie-zone in de kern van Ridderkerk de toegang tot duurzamere vervoermiddelen verbeteren en de luchtkwaliteit bevorderen.
Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - inclusiviteit: zorg ervoor dat alle bevolkingsgroepen, vooral ouderen en mensen zonder eigen vervoer, toegang hebben tot de aangeboden mobiliteitsdiensten; - balans tussen parkeren en ruimtelijke ordening: houd bij het implementeren van verspreid parkeren rekening met de behoefte aan stedelijke ruimte voor andere functies om een evenwichtige stedelijke omgeving te behouden; - stimuleren van duurzame mobiliteit: blijf inzetten op het bevorderen van fietsgebruik en openbaar vervoer om de reductiefactor bij de parkeernorm te ondersteunen en de zero-emissie-zone effectief te maken. De ingrepen in dit scenario sluiten aan bij de gemeentelijke doelen die focussen op het bevorderen van de inzet van buurtbussen en het inzetten op actieve en duurzame mobiliteit. Er is in dit scenario een hoge potentie om de doelen op het gebied van toegang tot mobiliteitsdiensten en -voorzieningen te behalen. Scenario 2 Scenario 1 heeft een positief effect op de toegang tot mobiliteitsdiensten en -voorzieningen door enkele locaties om te wisselen van modaliteiten in de stadrandhubs. In dit scenario worden verschillende ingrepen voorgesteld om de toegang tot mobiliteitsdiensten en -voorzieningen in Ridderkerk te verbeteren, met een sterke focus op duurzame mobiliteit en regionale verbindingen.
Het opzetten van een HOV-buslijn naar Station Barendrecht en frequentere waterbusdiensten, inclusief een nieuwe halte bij Bolnes Boelekade, verbeteren de regionale connectiviteit en maken Ridderkerk aantrekkelijker voor zowel inwoners als bezoekers. De aanleg van stadsrandhubs met deelauto’s en deelfietsen aan de randen van de gemeente ondersteunt duurzame mobiliteit en vermindert verkeersdrukte. Aan de andere kant kan de toepassing van een reductiefactor op de parkeernorm 2024 de toegang voor autoverkeer beperken. Echter kan deze ingreep wel zorgen dat meer mensen gaan lopen of fietsen, of het OV pakken. Verder wordt er in dit scenario gericht op geconcentreerd parkeren. Hoewel geconcentreerd parkeren efficiëntievoordelen biedt, kan het leiden tot langere loopafstanden en congestie rond centrale parkeerplekken. De invoering van een zero-emissie-zone en een autovrije kern met een autoluwe schil verbetert de duurzaamheid en leefbaarheid.
Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - balans tussen autoverkeer en duurzaamheid: zorg voor een evenwicht tussen het bevorderen van duurzame mobiliteit en het behoud van voldoende toegankelijkheid voor autoverkeer; - infrastructuurplanning: versterk de integratie van duurzame vervoersopties om de overstap naar alternatieve mobiliteit te vergemakkelijken en congestie te voorkomen; - toegankelijkheid: houd rekening met de behoeften van alle bevolkingsgroepen, inclusief ouderen en mensen met beperkte mobiliteit, bij het ontwerpen van mobiliteitsoplossingen.
71 | 140 Witteveen+Bos | 141592/25-011.353 | Definitief 04
Dit scenario heeft daardoor een hoge potentie om de doelen op het gebied van toegang tot mobiliteitsdiensten en -voorzieningen te behalen. De ingrepen in dit scenario sluiten goed aan bij de gemeentelijke doelen die focussen op het behouden en versterken van openbaar vervoer, het inzetten op actieve en duurzame mobiliteit en het op de eerste plek zetten van voetgangers en fietsers. Echter sluit het niet goed aan bij het doel om te voldoen aan de parkeerbehoefte in Ridderkerk. Verkeersveiligheid (kans op ongevallen) Scenario 1 Scenario 1 heeft een negatief effect op verkeersveiligheid ten opzichte van de referentiesituatie. In dit scenario worden verschillende ingrepen voorgesteld die een negatieve impact hebben op de verkeersveiligheid in Ridderkerk. De auto blijft dominant in zowel de schil als de kern van Ridderkerk. De toevoeging van 1.700 woningen leidt naar verwachting tot een toename van verkeersdrukte. Verkeersdrukte verhoogt het risico op verkeersongevallen, vooral voor kwetsbare weggebruikers zoals voetgangers en fietsers. Daarnaast zorgt zwaar verkeer door het behoud van hogere milieugebruiksruimte-bedrijven voor afname van verkeersveiligheid, met name in gemengde verkeerszones waar verschillende soorten weggebruikers samenkomen.
Aan de andere kant kan het invoeren van een zero-emissie zone in de kern van Ridderkerk een positief effect hebben op de verkeersveiligheid. Deze maatregel vermindert het gemotoriseerde verkeer, stimuleert langzaam verkeer zoals lopen en fietsen, en verbetert zichtbaarheid. Dit draagt bij aan een veiliger en gezonder stedelijk milieu, wat het risico op verkeersongevallen lokaal vermindert. Het verdiept aanleggen van de Rotterdamseweg zorgt voor een lokale afname van verkeersongevallen. Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - infrastructuuraanpassingen: zorg voor verbeterde infrastructuur zoals veilige fietspaden en oversteekplaatsen om de veiligheid van kwetsbare weggebruikers te waarborgen, vooral in gebieden met toenemende verkeersdrukte; - verkeersmanagement: implementatie van verkeersremmende maatregelen en strengere regulering van zwaar verkeer om ongevalsrisico’s te minimaliseren; - bewustwording en gedragsverandering: stimuleer verkeersveiligheidscampagnes om bewustwording te vergroten en het gedrag van weggebruikers positief te beïnvloeden, vooral in de zero-emissie zone. Het scenario heeft beperkte potentie om de doelen op het gebied van verkeersveiligheid te behalen. Scenario 1 leidt niet tot nul dodelijke verkeerslachtoffers omdat auto’s in Ridderkerk dominant blijven.
Scenario 2 Scenario 2 heeft een positief effect op verkeersveiligheid ten opzichte van de referentiesituatie. In dit scenario worden verschillende ingrepen voorgesteld om de verkeersveiligheid in Ridderkerk te verbeteren. Een autovrije kern en een autoluwe schil om de kern zouden de verkeersveiligheid aanzienlijk verbeteren door het verminderen van gemotoriseerd verkeer en het verlagen van snelheden. Dit draagt bij aan een rustiger en veiliger stedelijk milieu, vooral in het centrum van Ridderkerk. Het afwaarderen van de Rotterdamseweg naar 50 km/u versterkt deze verbetering door het verlagen van snelheden op een belangrijke verkeersader, wat het risico op ongevallen vermindert. Aan de andere kant kan de toevoeging van 3.300+ woningen leiden tot een toename van verkeersdrukte, wat een zeer negatief effect kan hebben op de verkeersveiligheid, vooral voor kwetsbare weggebruikers zoals voetgangers en fietsers. Echter, de functiemenging van wonen, werken en recreëren kan de verkeersveiligheid juist bevorderen door kortere reisafstanden te stimuleren, wat het gebruik van actief vervoer vergroot en de druk op gemotoriseerd verkeer vermindert. Het toevoegen van logistieke hubs voor de bevoorrading van de kern vermindert het aantal vrachtwagens in woongebieden, wat de verkeersveiligheid daar verbetert.
Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - monitoring en handhaving: voer monitoring uit om de effecten van de ingrepen op verkeersveiligheid te evalueren en zorg voor handhaving van snelheidslimieten en verkeersregels in de nieuw gecreëerde zones.
72 | 140 Witteveen+Bos | 141592/25-011.353 | Definitief 04
De ingrepen in dit scenario sluiten goed aan bij de gemeentelijke doelen die focussen op het bieden van een veilige woon-, werk-, en leefomgeving en het streven naar nul dodelijke verkeerslachtoffers. Daarom heeft dit scenario een hoge potentie om de doelen op het gebied van verkeersveiligheid te behalen. Conclusie Onderstaande tabel geeft een samenvatting weer van de beoordeling van omgevingseffecten en doelbereik van beide scenario’s.
Tabel 6.4 Beoordeling van effecten op mobiliteit (zonder inzet van mitigerende maatregelen) Aspect
Referentiesituatie
Beoordeling doelbereik Scenario 1
Beoordeling omgevingseffecten Scenario 2
Scenario 1
Scenario 2
bereikbaarheid (per modaliteit)
redelijk
-
-
toegang tot mobiliteitsdiensten en -voorzieningen
redelijk
++
+
verkeersveiligheid
redelijk
-
+
6.3
Groenblauwe oase
6.3.1
Natuur
Beschermde natuurgebieden Scenario 1 De situatie in dit scenario op vlak van beschermde natuurgebieden verbetert ten opzichte van de referentiesituatie. De afname in verstoring van natuurgebieden door recreatie heeft een positief effect op soorten die voorkomen en zich voortplanten in de NNN-gebieden. Uiterwaarden en natuurlijke rivieroevers hebben ook een positief effect op soorten die voorkomen en zich voortplanten in de NNN-gebieden. Het behoud van hogere milieugebruiksruimte-bedrijven en toename van 1.300 woningen betekent echter een toename in stikstofdepositie. Dit betekent dat de kwaliteit van beschermde (Natura 2000)-natuurgebieden verslechtert. Voor Natura 2000-gebieden geldt dat deze buiten de gemeente Ridderkerk liggen, maar tot 25 km afstand van Ridderkerk negatieve effecten van stikstofdepositie kunnen ondervinden. Aandachtspunt voor dit scenario is: - minimaliseer de stikstofdepositie door duurzame mobiliteit (beperk autogebruik), duurzame bedrijvigheid en gebruik zo veel mogelijk bestaande materialen bij inbreiding. In dit scenario is er hoge potentie om natuurdoelen van de gemeente (groenste gemeente van het eiland IJsselmonde, natuur verwelkomen in woonomgeving, investeren in groen en intact houden groene kraag, stimuleren eetbaar groen) te halen. Zo wordt de recreatiedruk in natuurgebieden verlaagd maar stikstofdepositie blijft een aandachtspunt.
Scenario 2 In dit scenario verslechtert de situatie van beschermde natuurgebieden ten opzichte van de referentiesituatie. Doordat natuurgebieden jaarrond toegankelijk zijn is er een toename in verstoring van natuur in natuurgebieden door recreatie. Dit heeft een negatief effect op soorten, met name in het broedseizoen. Het getijdenpark aan de Nieuwe Maas is ook toegankelijk voor recreanten in het broedseizoen. Dit heeft een negatief effect voor broedende vogels en andere soorten. Daarnaast veroorzaakt uitbreiding van woon-werklocaties langs rivieroevers een toename van verstoring in nabijgelegen getijdennatuur, wat onderdeel uitmaakt van het NNN.
73 | 140 Witteveen+Bos | 141592/25-011.353 | Definitief 04
Verstoring beïnvloedt met name de aanwezige broedende vogels (kluut, bergeend), en kan ook invloed hebben op foeragerende vogels, bevers en bijzondere plantensoorten, zoals orchideeën. Bouwen in het NNN kan overigens in principe niet omdat dit in strijd is met regelgeving, zeker ook omdat er alternatieven zijn. Het bouwen van woningen leidt ook tot een toename in stikstofdepositie. Een toename van stikstofdepositie kan leiden tot verslechtering van de kwaliteit van beschermde (Natura 2000)natuurgebieden. Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - minimaliseer de stikstofdepositie door duurzame mobiliteit, duurzame bedrijvigheid en natuurinclusieve landbouw en inbreiding moet voor uitbreiding; - beperk effecten op beschermde soorten: kies voor strategische uitleglocaties buiten de natuurgebieden; - minimaliseer recreatiedruk door reguleren van het aantal recreanten. In dit scenario is er geen potentie om natuurdoelen van de gemeente te behalen. Zo is er een toename in stikstofdepositie en wordt er beperkt ingezet op bescherming van soorten in NNN gebied. Soortenbescherming en biodiversiteit Scenario 1 De situatie van soortenbescherming en biodiversiteit verbetert sterk in dit scenario ten opzichte van de referentiesituatie. De overkapping van de snelwegen zorgt voor een afname van lichthinder.
Dit leidt tot beperkte verbetering van de biodiversiteit en is met name positief voor lichtgevoelige soorten zoals vleermuizen. Het doortrekken van de groene kraag heeft ook een positief effect. Geleidende elementen zoals bomenrijen hebben een positief effect op vleermuizen. Kleine bosjes en ‘hoekjes groen’ in de stad dragen bij aan soorten zoals de huismus, vogels in het algemeen, egel en kleine marterachtigen. Ruimte voor de rivier (bijvoorbeeld uiterwaarden en ecologisch ingerichte oevers), natuurinclusief bouwen (bijvoorbeeld door middel van behoud van bestaande bomen, ecologisch maaibeheer, ruimte voor wilde begroeiing, groene gevels en daken), en natuurinclusieve landbouw, leidt ook tot een toename in biodiversiteit en kans op bescherming van soorten en overige niet-beschermde soorten. Het gaat hierbij om planten en insecten, en afhankelijk van de inrichting voor (weide)vogels, kleine zoogdieren, vissen, amfibieën en reptielen. Natuurontwikkeling door vernatting van agrarische percelen, waaronder het gebied Bolnes-Zuid, heeft ook een positief effect op de biodiversiteit en bescherming van soorten waaronder weidevogels. Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - biodiversiteit neemt sterk toe als grote leefgebieden aan elkaar worden verbonden. De overkappingen grenzen op de weergegeven locaties niet aan weerszijden aan ecologisch waardevolle gebieden.
In dat geval is de vraag ‘van waar naar waar’ je soorten dan geleidt; - toename van biodiversiteit is sterk afhankelijk van inrichting die voldoet aan de behoeften van (beschermde) soorten: · voor de landbouw zou vernatting en beheer gericht op weidevogels bijvoorbeeld wenselijk zijn; · verbindingszones zijn het effectiefst als ze zowel hoge elementen (bomen) als lage elementen/ondergroei bevatten. Hoge elementen worden door vleermuizen gebruikt als vliegroute. Lage elementen zijn van toegevoegde waarde voor kleine marterachtigen. In dit scenario is er een hoge potentie om het leefgebied voor beschermde soorten te verbeteren en uit te breiden. Biodiversiteit wordt vergroot met ruimtelijke ontwikkelingen. Er zijn echter geen concrete ingrepen om variatie aan te brengen tussen en in groengebieden waardoor biodiversiteit verder zou toenemen. Scenario 2 De situatie van soortenbescherming en biodiversiteit verslechtert in dit scenario ten opzichte van de referentiesituatie. Natuurinclusief bouwen en vergroenen van grote wegen hebben een positief effect op biodiversiteit en soortenbescherming. Toevoegen hoge en lagere groenelementen draagt bij aan verbindingszones en leefgebied voor onder andere vleermuizen en kleine marterachtigen. Het getijdengebied aan de Nieuwe Maas wordt echter toegankelijk voor recreanten in het broedseizoen.
Dit heeft een negatief effect voor broedende vogels en andere soorten. Uitbreiding van werk- en woonlocatie bij rivieroevers en de reservering van een 380 kV tracé hebben ook een negatief effect door de afname van groen- oppervlak en elementen.
74 | 140 Witteveen+Bos | 141592/25-011.353 | Definitief 04
Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - biodiversiteit neemt sterk toe als grote leefgebieden aan elkaar worden verbonden. Bijvoorbeeld door middel van een ecoduct; - toename van biodiversiteit is sterk afhankelijk van inrichting die voldoet aan de behoeften van (beschermde) soorten: · voor de landbouw zou vernatting en beheer gericht op weidevogels bijvoorbeeld wenselijk zijn; · verbindingszones zijn het effectiefst als ze zowel hoge elementen (bomen) als lage elementen/ondergroei bevatten. Hoge elementen worden door vleermuizen gebruikt als vliegroute. Lage elementen zijn van toegevoegde waarde voor kleine marterachtigen; - beperk versnippering van landschap door nieuwe uitleglocaties en klimaatparken op strategische locaties te ontwikkelen; - beperk verstoring door recreatiedruk te reguleren. In dit scenario is er geen potentie om het leefgebied van beschermde soorten te verbeteren of uit te breiden. Biodiversiteit wordt met sommige ruimtelijke ontwikkelingen verbeterd maar met andere ontwikkelingen verslechterd. Er zijn geen concrete ingrepen om variatie aan te brengen tussen en in groengebieden waardoor biodiversiteit verder zou toenemen. Conclusie Onderstaande tabel geeft een samenvatting weer van de beoordeling van omgevingseffecten en doelbereik van beide scenario’s.
Tabel 6.1 Beoordeling van effecten op natuur Aspect
Referentiesituatie
Beoordeling doelbereik Scenario 1
Beoordeling omgevingseffecten Scenario 2
Scenario 1
Scenario 2
beschermde natuurgebieden
redelijk
+
-
soortenbescherming en biodiversiteit
redelijk
++
--
6.3.2
Landschap en cultuurhistorie
Landschap (landschappelijke structuren/elementen en landschappelijk gebruik (historische geografie)) Scenario 1 Het landschap verbetert in het eerste scenario ten opzichte van de referentiesituatie. Het eerste scenario maakt landschappelijke structureren weer herkenbaar en beleefbaar. Zo zijn de fysieke barrières van rijkswegen geslecht door de overkappingen waardoor (groene) netwerken zijn gemaakt. Daarnaast zijn de water gerelateerde landschappelijke elementen weer terug in het landschap. Van oudsher natte polders zijn weer vernat zoals in Bolnes Zuid en de verbreding van de uiterwaarden versterkt de natuurlijke werking van de rivier (nature based solutions). De oude dijken in Ridderkerk hebben weer een waterbergende functie. De rode lijnen van bebouwing veranderen niet ten opzichte van de referentiesituatie. Het eerste scenario bevat geen nieuwe uitleglocaties en draagt bij aan het woonaanbod door middel van inbreiding. Woningen hebben maximaal 6 bouwlagen. De energieopwekking is gekoppeld aan gebouwen (zon op dak) waardoor het groene buitengebied niet verstoord wordt door zonnevelden of windparken. De nationale reservering van de waterstoftransportleiding kan wel gevolgen hebben op de mogelijke ruimtelijke invulling rondom de leiding (veiligheidsafstanden).
Uitgangspunt voor deze effectbeschrijving is dat de waterstoftransportleiding geen ruimtelijke gevolgen heeft bovengronds. Aandachtspunt voor dit scenario is: - de gevolgen van de energietransitie is onzeker. Ridderkerk is in scenario 1 sterk afhankelijk van de regio waardoor de energie infrastructuur een extra ruimteclaim kan vragen.
75 | 140 Witteveen+Bos | 141592/25-011.353 | Definitief 04
In dit scenario is er een hoge potentie om het doel over landschap: het behouden en verbeteren van het open polderlandschap, eigen identiteit, kwaliteit leefomgeving, te behalen. Het polderlandschap is versterkt door vernatting van gebieden en behoud van de rode contouren. De kwaliteit van leefomgeving en identiteit van Ridderkerk is ook versterkt door de overkapping van de rijkswegen en het beleefbaar maken van onder andere dijken en rivieroevers. Scenario 2 Het landschap verslechtert in het tweede scenario ten opzichte van de referentiesituatie. Door nieuwe uitleglocaties voor wonen en energie infrastructuur (waterstoffabriek, reservering tracé 380 kV) raakt het landschap verder versnipperd. De groene kraag wordt behouden maar wordt niet doorgetrokken waardoor er geen verbetering plaatsvindt. De extra halte in Bolnes voor de waterbus leidt tot een hogere beleefbaarheid van de rivier. Het koppelen van duurzame energieopwekking aan bestaande infrastructuur (knooppunten en geluidsscherm langs de A16/A38) voorkomt aantasting van landschappelijke waarden. De oude dijk zichtbaar en beleefbaar maken voor multifunctioneel gebruik en de realisatie van het getijdenpark aan de Nieuwe Maas versterken bestaande landschappelijke structuren.
Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - de landschappelijke inpassing van de energie-infrastructuur is cruciaal voor de beleving van de landschappelijke waarden in Ridderkerk; - verdere versnippering van het landschap door nieuwe uitleglocaties voor wonen, waterstoffabriek en reservering tracé 380 kV; - sluit aan bij bestaande hoogteaccenten voor woningbouwlocaties met >6 bouwlagen. In dit scenario is er geen potentie om landschapsdoelen (open polderlandschap, eigen identiteit, kwaliteit leefomgeving behouden en verbeteren) te behalen. De groene kraag wordt in dit scenario niet doorgetrokken waardoor huidige versnippering blijft. Uitbreiding veroorzaakt verdere versnippering van het landschap. Het toestaan van meer dan 6 bouwlagen kan het open polderlandschap opbreken en de kwaliteit van de leefomgeving verslechteren. Cultuurhistorie en erfgoed (historische bouwkunde) Scenario 1 In scenario 1 verslechtert erfgoed sterk ten opzichte van de referentiesituatie. Door ruimte voor de rivier is er risico dat het industrieel erfgoed die van grote cultuurhistorische waarde is op locatie S2 Voormalige werf Gusto (nu Schiepo) en S3 Boele wordt aangetast of zelfs verdwijnt. De cultuurhistorische waardevolle gebieden in de kern kunnen worden aangetast door inbreiding. Aandachtspunt voor dit scenario is: - zorg voor synergie tussen ruimte voor de rivier en industrieel erfgoed.
In dit scenario is er geen potentie om cultuurhistorie en erfgoed doelen te behalen. Er is risico dat cultuurhistorische waardevolle gebieden worden aangetast waaronder industrieel erfgoed. Verder zijn er geen ingrepen die betrekking hebben tot het zichtbaar en beleefbaar maken van de geschiedenis van de Waal. Scenario 2 In scenario 2 verslechtert erfgoed ten opzichte van de referentiesituatie. De cultuurhistorische waardevolle gebieden kunnen worden aangetast door inbreiding en uitbreiding, met name langs rivieroevers. Aandachtspunt voor dit scenario is: - vermijd zo veel mogelijk cultuurhistorische waardevolle gebieden voor nieuwe woningbouwlocaties. In dit scenario is er beperkte potentie om cultuurhistorie en erfgoed doelen te behalen. Industrieel erfgoed blijft zichtbaar en beleefbaar gemaakt. Echter zijn er geen ingrepen die betrekking hebben tot het zichtbaar en beleefbaar maken van de geschiedenis van de Waal.
76 | 140 Witteveen+Bos | 141592/25-011.353 | Definitief 04
Archeologie Scenario 1 De situatie in het eerste scenario blijft gelijk aan de referentiesituatie. Er zijn geen ingrepen die archeologische waarden aantasten. Aandachtspunt voor dit scenario is: - vermijd zo veel mogelijk archeologische waardevolle gebieden voor nieuwe woningbouwlocaties bij inbreiding. In dit scenario is er potentie om de doelen van de gemeente te behalen. Vanuit de Erfgoedwet moet archeologische sporen en vondsten zo veel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Als dat niet mogelijk is moeten de sporen en vondsten worden opgegraven en gedocumenteerd. Scenario 2 De situatie in het tweede scenario blijft gelijk aan de referentiesituatie. Er zijn geen ingrepen die archeologische waarden aantasten. Aandachtspunt voor dit scenario is: - vermijd zo veel mogelijk archeologische waardevolle gebieden voor nieuwe woningbouwlocaties bij inbreiding en uitbreiding. In dit scenario is er potentie om de doelen van de gemeente te behalen. Vanuit de Erfgoedwet moet archeologische sporen en vondsten zo veel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Als dat niet mogelijk is moeten de sporen en vondsten worden opgegraven en gedocumenteerd. Conclusie Onderstaande tabel geeft een samenvatting weer van de beoordeling van omgevingseffecten en doelbereik van beide scenario’s.
Tabel 6.2 Beoordeling van effecten op het landschap en cultuurhistorie (zonder inzet van mitigerende maatregelen) Aspect
Referentiesituatie
Beoordeling doelbereik Scenario 1
Beoordeling omgevingseffecten Scenario 2
Scenario 1
Scenario 2
landschap
redelijk
+
-
cultuurhistorie en erfgoed
redelijk
--
-
archeologie
goed
0
0
6.3.3
Water, bodem en klimaat(adaptatie)
Bodem Scenario 1 De situatie van de bodemkwaliteit en bodemdaling verbetert ten opzichte van de referentiesituatie. Natuurinclusieve landbouw heeft een positief effect op de bodemkwaliteit. Natuurinclusieve landbouw is namelijk gebaseerd op het werken met natuurlijke processen en gebruikt zo min mogelijk bestrijdingsmiddelen of kunstmest. Hierdoor worden er minder verontreinigende stoffen aangevoerd naar de bodem, komt stikstofvervuiling minder snel voor en zorgt de toename van biodiversiteit voor een betere bodemstructuur en natuurlijke plaagbestrijding. Seizoensgebonden toegankelijkheid van natuurgebieden leidt tevens tot een verbetering van de bodemkwaliteit, doordat recreatie gerelateerde bodemvervuiling (van bijvoorbeeld plastic) en bodemverstoring (verdichting) afneemt. Ten slotte wordt in dit scenario de voornaamste bron van verontreinigingen, de industrie, veelal omgevormd tot industrie gebaseerd op biobased-materialen en circulaire economie.
77 | 140 Witteveen+Bos | 141592/25-011.353 | Definitief 04
Door deze ontwikkeling worden materialen en stoffen meer gewaardeerd waardoor ze minder snel als afval in de bodem terechtkomen. Echter is er nog wel ruimte voor industrie met een hogere milieucategorie, deze kunnen nog steeds voor bodemverontreiniging zorgen. Het risico op bodemdaling blijft gelijk of neemt lokaal toe. Afhankelijk van de toevoeging van extra bebouwing en het gewicht daarvan op de reeds bebouwde slappe grond, neemt de belasting op de bodem toe. Als er extra belasting ontstaat op de bodem kan dit zorgen voor een lokaal toegenomen kans op bodemdaling. Deze bodemdaling kan niet worden voorkomen, maar worden gecompenseerd tijdens het bouwrijp maken van de grond door ophoging. Tegelijkertijd kunnen andere maatregelen, zoals het doortrekken van de groene kraag, de aanleg van waterbergingsgebieden in de stedelijke omgeving, het creëren van ruimte voor de rivier, vernatting, en het sturen van water- en bodembeheer, bijdragen aan een potentiële vermindering van bodemdaling. Deze maatregelen verbeteren de infiltratiemogelijkheden, wat resulteert in hogere grondwaterstanden en een afname van bodemdaling als gevolg van inklinking. In dit scenario verandert het ruimtebeslag op de ondergrond beperkt. Zo is er sprake van alleen inbreiding en geen uitbreiding voor woningbouw.
Kanttekening is hierbij wel dat er bij inbreiding ook beslag wordt gedaan op de ondergrond als er niet kan worden aangesloten op het bestaande netwerk van leidingen/kabels en riolering. Daarnaast komt er in dit scenario weinig ondergrondse infrastructuur voor hernieuwbare energiebronnen. Wel zijn er meer ondergrondse elektrakabels nodig door electrificering van bijvoorbeeld verwarming en mobiliteit. Voor waterberging is ook ruimte nodig in de ondergrond voor bijvoorbeeld drainage buizen. Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - voor een verbetering van de bodemkwaliteit moet vooral gekeken worden naar de industrie: welke milieucategorie wordt toegestaan en hoe gaan de bedrijven om met hun afvalstoffen? Als de afvalstoffen eenmaal in de grond terechtkomen is het moeilijk om deze op een later moment weer te verwijderen; - bodemdaling heeft verschillende oorzaken. Als bodemdaling als gevolg van een hogere belasting toeneemt, kan dit op het oppervlak worden gecompenseerd tijdens het bouwrijp maken van de grond. Bij inbreiding kan dit wel leiden tot problemen ondergronds: leidingen en kabels kunnen ongelijk komen te liggen. Daarnaast kan bodemdaling door inklinking beperkt worden door maatregelen in te stellen om grondwaterstanden te verhogen.
Eventuele maatregelen die je toe zou kunnen passen zijn innovatieve manieren van ophoging en fundering plaatsing door bijvoorbeeld lichter materiaal te gebruiken dat minder effect heeft op de bodem.; - bij hergebruik van afvalstoffen in de bodem afkomstig uit de industrie (zoals staalslakken of hoogovenslakken) is er nog steeds noodzaak om aandacht te houden voor de kwaliteit van de bodem. Ook in een circulaire economie blijven reststoffen bestaan en hier moet op een verantwoordelijke manier mee worden omgegaan. Het eerste scenario heeft een hoge potentie om bodemkwaliteit en bodemdaling doelen te behalen doordat vervuiling van de bodem vermindert en er water en bodem sturend wordt gewerkt. Scenario 2 De situatie van de bodemkwaliteit en bodemdaling verslechtert ten opzichte van de referentiesituatie. Het toegankelijk maken van natuurgebieden en behoud van gangbare agrarische praktijken heeft een negatief effect op de bodemkwaliteit. Recreatiedruk kan bijvoorbeeld de grond lichtelijk verdichten en de gezonde ontwikkeling van planten, insecten, paddenstoelen, en anderen organisme verhinderen wat de bodemkwaliteit niet ten goede komt. Positief voor de bodemkwaliteit is dat de industrie voornamelijk bestaat uit industrie met een lage milieucategorie, dit betekent dat er een minder grote kans is op chemische verontreiniging.
Verder is er in dit scenario sprake van bodemdaling als gevolg van verdichting door uitbreiding van woningbouw, waaronder hoogbouw van meer dan 6 bouwlagen, en verticale landbouw. Tijdens het bouwrijp maken van de grond wordt er voor deze bodemdaling gecompenseerd door ophoging. Waterberging in de gebouwde omgeving heeft daarentegen een positief effect op het verminderen van bodemdaling, omdat het helpt om het grondwaterstanden op peil te houden, wat inklinking voorkomt en in mindere mate ook verdichting tegengaat.
78 | 140 Witteveen+Bos | 141592/25-011.353 | Definitief 04
Er is een kans op toename van bodemdaling als waterveiligheid vooral met technologische oplossingen wordt gerealiseerd omdat dit bij kan dragen aan grotere fluctuaties in de lokale grondwaterstanden. Deze fluctuaties vergroten de kans op inklinking, vooral wanneer de grondwaterstanden afnemen. In dit scenario wordt er meer ruimtebeslag op de ondergrond gedaan dan in het eerste scenario. Zo is er sprake van uitbreiding voor woningbouw langs de rivieroever waarvoor nieuwe leidingen/kabels en riolering moet worden aangelegd. Daarnaast komt er in dit scenario veel ondergrondse infrastructuur voor hernieuwbare energiebronnen zoals leidingen voor waterstof, aquathermie en geothermie. Ook zijn er meer ondergrondse elektrakabels nodig door electrificering. Voor waterberging is ook ruimte nodig in de ondergrond. Er zijn meerdere risico’s van een verhoogd ruimtebeslag op de ondergrond. Een voorbeeld is een toenemende kans op overstromingen doordat de waterinfiltratie capaciteit verslechtert wanneer er meer ondergrondse verharding is. Een ander risico is bijvoorbeeld verzakkingen bij diepere graafwerkzaamheden. Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - wanneer hogere bouwlagen worden gerealiseerd geeft dit meer druk op de bodem. De kosten om de resulterende bodemdaling te compenseren door ophoging zijn daardoor hoger.
Eventuele maatregelen die je toe zou kunnen passen zijn innovatieve manieren van ophoging en fundering plaatsing door bijvoorbeeld lichter materiaal te gebruiken dat minder effect heeft op de bodem; - het aanpakken van waterveiligheid met technologische oplossingen kan leiden tot verdere bodemdaling vanwege kunstmatig lage grondwaterstanden. Het tweede scenario heeft geen potentie om bodemkwaliteit en bodemdaling doelen te behalen omdat er niet voldoende wordt ingezet op maatregelen om risico op bodemdaling en vervuiling van de bodem te beperken. Waterkwaliteit en duurzame watervoorziening Scenario 1 De situatie in dit scenario verbetert ten opzichte van de referentiesituatie omdat de kwaliteit van het gronden oppervlaktewater verbetert. Echter is er een kans op leveringstekorten voor drinkwater. Dit komt omdat er een toename is in de vraag naar drinkwater, terwijl de leveringszekerheid autonoom gezien afneemt. De kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater verbetert. Dit komt voornamelijk vanwege veranderingen in de mobiliteit, een toename aan groen oppervlak, en een natuurinclusieve manier van landbouw bedrijven. Door de 30 km/u wegencategorisering wordt er langzamer worden gereden waardoor vervuiling vanaf het wegdek naar het grond- en oppervlaktewater zeer licht wordt beperkt.
Deze beperking is significant groter als de snelheidsvertraging resulteert in een vermindering van het aantal autobewegingen. Het aantrekkelijker maken van fietsen en wandelen, en een zero emissie zone in het centrum, resulteren op eenzelfde manier in minder vervuilde afspoeling. Verder belandt het regenwater wat normaal op de snelweg zou vallen nu op de groene overkapping. Dit heeft als effect dat het water minder in contact komt met de vervuiling afkomstig van de snelweg, en in plaats daarvan opgenomen wordt door de vegetatie of op andere wijze wordt afgevoerd. Op dezelfde wijze zorgt het doortrekken van de groene kraag en de toevoeging van groen door natuurinclusief bouwen voor een positief effect op de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit omdat er minder afspoeling vanaf verharding is en vegetatie een zuiverende werking heeft. In dit scenario passen boeren natuurinclusieve landbouw methoden toe waardoor er minder nutriënten en bestrijdingsmiddelen het water in spoelen. Het is niet duidelijk wat het effect is van de toevoeging van werkgelegenheid in bijvoorbeeld de hogere milieucategorie en circulaire hub, omdat er geen informatie is over lozing op oppervlaktewater.
Verder komt er meer ruimte voor de rivier met natuurlijke uiterwaarden en oevers, en zijn natuurgebieden seizoensgebonden niet toegankelijk voor recreanten waardoor het oppervlakte van groen is vergroot en de kwaliteit van natuur verbetert. Hierdoor kan oppervlaktewater beter gefilterd worden door vegetatie. Het is onduidelijk wat het effect is van vernatten van vrijkomende agrarische gebieden op de kwaliteit van oppervlaktewater. Dit is afhankelijk van de kwaliteit van het vrijkomende agrarische gebied. Als het gebied vervuild en nutriëntrijk is wanneer vernatting plaats vindt, dan is er risico dat er vervuiling en nutriënten in het oppervlaktewater spoelen.
79 | 140 Witteveen+Bos | 141592/25-011.353 | Definitief 04
Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - om grond- en oppervlaktewatervervuiling te voorkomen is het zaak om zoveel mogelijk de toevoer van nutriënten, chemische en fysische vervuiling te voorkomen. Dit betekent het autogebruik beperken en lozingen vanuit de industrie op het water of bodem voorkomen; - nature based solutions ruimte voor de rivier, natuurlijke oevers, groene daken en wadi’s kunnen bijdragen aan een verbetering van de waterkwaliteit, wateroverlast en biodiversiteit; - bij waterkwaliteit is een robuuste watergang noodzakelijk, zodat er meer ruimte komt voor verschillende soorten vegetatie in de watergangen (flauw talud, oever, emers, drijfblad, submerse vegetatie). Waterplanten vormen de basis voor een goede waterkwaliteit. In dit scenario is er beperkte potentie om het doel van de gemeente te bereiken om meer aandacht te vragen voor de kwaliteit van het drink- en oppervlakte water. Er zijn geen concrete ingrepen om dit doel te bereiken. Scenario 2 Door een toename aan verharding verslechtert in dit scenario de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater. Ook is er een toename in de vraag naar drinkwater en tegelijkertijd neemt de leveringszekerheid autonoom gezien af. Dit kan leiden tot een leveringstekorten voor drinkwater.
Door uitbreiding en aanleg van nieuwe woningen en infrastructuren voor energieopwekking is er een toename van verharding en daarmee een toename van afspoelend hemelwater. Dit heeft een negatief effect op de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater. In dit scenario is er een hoger risico op verslechtering van de grondwaterkwaliteit dan in het eerste scenario door het toevoegen van meer kabels en leidingen, meer heipalen, en meer hoogbouw met eventueel kelders wat een risico vormt voor het gebruik van drinkwater, gezien de ligging in het drinkwatergebied. In dit scenario wordt de groene kraag behouden maar niet uitgebreid en komt er geen overkapping van snelwegen, waardoor de situatie hetzelfde blijft als in de referentiesituatie. Wel wordt in dit scenario OV, fietsen en wandelen aantrekkelijker gemaakt, met name door een autovrij centrum en schil om het centrum. Hierdoor is het afspoelend water van wegen minder vervuild. Natuurinclusief bouwen door middel van bijvoorbeeld het behouden en integreren van groene elementen en oplossingen zoals bomen en wadi’s heeft een positief effect op waterkwaliteit. Het is niet duidelijk wat het effect is van de toevoeging van werkgelegenheid in de zakelijke dienstverlening en agrarische verwerking, omdat er geen informatie is over lozing op oppervlaktewater.
Ook wordt er in dit scenario langs de oevers gebouwd, wat de mogelijkheden voor natuurvriendelijke oevers die ten goede komen aan de oppervlaktewaterkwaliteit beperkt. Landbouw areaal blijft behouden maar als men geen natuurinclusieve methode toepast, blijft de kwaliteit van het oppervlaktewater slecht doordat nutriënten in het oppervlaktewater spoelen. Ten slotte zijn de natuurgebieden te allen tijde toegankelijk voor recreanten waardoor de kwaliteit van natuur en daarmee grond- en oppervlaktewater verslechterd. Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - door uitbreiding en toevoeging van infrastructuur is meervoudig ruimtegebruik is noodzakelijk waar nodig; - het bouwen langs oevers kan gevaren opleveren voor zowel de waterkwaliteit als de waterveiligheid; - natte natuurgebieden kunnen waardevol zijn voor het verbeteren van de waterkwaliteit en biodiversiteit. In dit scenario is er geen potentie om het doel van de gemeente te bereiken om meer aandacht te vragen voor de kwaliteit van het grond- en oppervlakte water. Er zijn geen concrete ingrepen om dit doel te bereiken. Microklimaat Scenario 1 De situatie in dit eerste scenario verbetert ten opzichte van de referentiesituatie. Er komen nieuwe woningen, maar alleen door middel van inbreiding. Dit heeft een gunstig effect op hittestress omdat er hierbij geen extra verhard oppervlak wordt gerealiseerd.
Ook zijn er in dit scenario vooral eengezinswoningen, wat een positief effect heeft op hittestress omdat dit typisch lagere gebouwen zijn dan meergezinswoningen en er zo minder warmte blijft hangen tussen gebouwen.
80 | 140 Witteveen+Bos | 141592/25-011.353 | Definitief 04
Het creëren van schaduwplekken, het doortrekken van de groene kraag en natuurinclusieve landbouw en (woning)bouw leidt tot een afname van hittestress door het behoud en integreren van groene elementen. Ook vernatting van agrarische gronden en ruimte voor de rivier zorgt voor een afname van hittestress. De groene overkapping van snelwegen leidt daarnaast mogelijk tot afname van lokale hittestress. Op het vlak van windhinder blijft de situatie grotendeels hetzelfde ten opzichte van de referentiesituatie, omdat er sprake is van inbreiding en maximaal 6 bouwlagen. Ook blijft de woningvoorraad vooral uit eengezinswoningen bestaan. Wat betreft schaduwhinder treedt er geen verandering op in dit scenario omdat er niet meer dan 6 bouwlagen worden gebouwd. Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - het gebruiken van bestaande verharde oppervlaktes om woningbouw te realiseren beperkt de relatieve toename aan verharding en daarmee hittestress. Wel kunnen de structuren voor meer wind- en schaduwhinder zorgen wanneer deze hoger zijn dan de eerdere verharding. Soms kan het schaduweffect van gebouwen ook een verkoelende werking hebben. De locatie en positionering van gebouwen heeft invloed op wind- en schaduwhinder; - het toevoegen van een netwerk aan groen in de bebouwde gebieden verkoelt zowel fysiek als gevoelsmatig.
Het toevoegen van groen is daarmee een van de meest waardevolle manieren van het beperken van hittestress. Dit scenario heeft een hoge potentie om de microklimaat doelen van de gemeente te behalen omdat de ingrepen bijdragen aan een leefbare en gezonde leefomgeving. Scenario 2 De situatie in dit tweede scenario verslechtert ten opzichte van de referentiesituatie. Er komen nieuwe woningen, door middel van inbreiding maar ook uitbreiding. Uitbreiding leidt tot een toename van hittestress door de toevoeging van nieuwe verharding. In dit scenario zijn er veel meergezinswoningen en is het mogelijk om meer dan 6 bouwlagen te realiseren. Afhankelijk van het ontwerp en spreiding van deze bebouwing leidt dit mogelijk tot een toename van hittestress in de buitenruimte omdat warmte langer wordt vastgehouden tussen hoge bebouwing. Ook komt er een getijdenpark waarbij de Nieuwe Maas ruimte krijgt om vrijuit te stromen over de verharde oppervlaktes van de kade. Binnen dit getijdenpark is geen ruimte voor het toepassen van extra groen, hierdoor is het effect op hittestress relatief klein. De groene kraag wordt in dit scenario behouden maar niet uitgebreid waardoor er geen afname plaatsvindt van hittestress. Het creëren van schaduwplekken en natuurinclusieve bouw leidt wel tot afname van hittestress door het behoud en de integratie van groene elementen.
Op het vlak van windhinder gaat de situatie achteruit. Bij een ongunstig ontwerp en positionering van de nieuwe bebouwing leidt de uitbreiding en de verticale landbouw mogelijk tot toename van windhinder. De schaduwhinder verergerd in dit scenario door een toename van verdichting en stapeling van woningen (meer dan 6 bouwlagen). Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - hittestress uit zich zowel in de binnenruimtes als in de buitenruimtes. Wanneer gewerkt wordt met hoogbouw van meer dan 6 bouwlagen wordt het klimaatadaptief ontwerp van de gebouwen relevanter. Als de bebouwing wit van kleur is, en de ramen voornamelijk zijn geplaatst aan de kant van het gebouw waar de zon het minst inschijnt, is het binnenklimaat meer aangenaam; - hoogbouw kan zorgen voor meer schaduwplekken in de buitenruimte wanneer er voldoende ruimte is tussen de gebouwen. Aan de andere kant wordt dit verkoelende effect van schaduwen gereduceerd door de aanwezigheid van verharding. Daarnaast kan de schaduwwerking ook schaduwhinder tot gevolg hebben wat als negatief kan worden ervaren. Dit scenario heeft beperkte potentie om microklimaat doelen te behalen. Afhankelijk van situering van gebouwen zal uitbreiding (in de hoogte) hittestress, wind- en schaduwhinder doen toenemen.
81 | 140 Witteveen+Bos | 141592/25-011.353 | Definitief 04
Wateroverlast en droogte Scenario 1 In dit scenario verbetert de situatie ten opzichte van de referentiesituatie. In dit scenario investeert de gemeente in water en bodem sturend werken. Er worden gevolgenbeperkende maatregelen in de openbare ruimte genomen tegen mogelijk wateroverlast en droogte. Dit betekent bijvoorbeeld dat de waterkringloop natuurlijker gemaakt wordt. Ook investeert de gemeente in groen, natuur, en natuurinclusieve landbouw en bouw waardoor er minder risico op wateroverlast en droogte is doordat er meer waterbergingscapaciteit is. Ook wordt er meer waterbergingscapaciteit gerealiseerd in de gebouwde omgeving. Deze waterberging compenseert voor de beperkte hoeveelheid toegenomen verharding als gevolg van inbreiding. Ter bescherming van de waterveiligheid wordt er in dit scenario niet gebouwd op plekken met overstromingsrisico (door doorbraak van dijken of overslag vanuit de rivieren). Ook komt de maatregel om meer ruimte aan de rivier te geven de waterveiligheid ten goede omdat het water zo de uiterwaarden in kan stromen tijdens hoogwater. Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - het realiseren van waterberging in de gebouwde omgeving draagt direct bij aan het beperken van wateroverlast; - door niet te bouwen op locaties met een hoog overstromingsrisico is de waterveiligheid gewaarborgd.
Dit scenario heeft hoge potentie om wateroverlast, droogte en waterveiligheid aan te pakken door klimaatadaptatiedoelen te behalen. Er wordt geïnvesteerd in een grotere waterbergingscapaciteit en een natuurlijke waterkringloop waardoor waterpeilen kunnen fluctueren zonder overlast te veroorzaken. Scenario 2 In dit scenario verslechtert de situatie ten opzichte van de referentiesituatie. Er wordt geïnvesteerd in technologische oplossingen om waterveiligheid te borgen maar er wordt niet water en bodem sturend gewerkt. Zo komt er uitbreiding van woon- en werklocaties bij rivieroevers, waardoor de waterveiligheid in gevaar wordt gebracht wanneer bebouwing plaatsvindt op de rivieroevers die zich buitendijks bevinden. Er is hiermee geringe ruimte voor de rivier. Daarnaast komt er een getijdenpark aan de Nieuwe Maas, maar deze ingreep is minder effectief in het vergroten van de waterveiligheid in vergelijking met de ‘ruimte voor de rivier’ maatregel in scenario 1. Wel wordt er ingezet op waterberging in de gebouwde omgeving en natuurinclusief bouwen wat kan bijdragen aan het verminderen van wateroverlast en droogte. Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - in dit scenario zal het moeilijker zijn om te voldoen aan de eisen van het waterschap.