Bijlage 10 Duidingsrapportage dashboard minima Ridderkerk 2023.pdf
Tekst van het document
Duidingsrapportage Dashboard Minima 2023 Gemeente Ridderkerk
Opdrachtgever Gemeente Ridderkerk Datum Oktober 2024 Versie 0.2 Auteurs Jitske Kooistra – van der Wijk Marijke Bos KWIZ Stavangerweg 23 - 5 9723 JC Groningen 050 - 5252473 contact@kwiz.nl Uitgave Deze publicatie is een uitgave van KWIZ. Het overnemen van cijfers en/ of teksten is toegestaan, mits de bron duidelijk wordt vermeld. Niets uit deze publicatie mag worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt worden in welke vorm dan ook zonder voorafgaande toestemming van KWIZ.
Inhoudsopgave Inleiding ......................................................................................................................................... 1 1. Minimahuishoudens .................................................................................................................. 3 1.2. Langdurige minima ............................................................................................................. 4 1.3. Instroom en uitstroom op persoonsniveau ......................................................................... 5 2. Minimakinderen ......................................................................................................................... 6 3. Minimaregelingen ...................................................................................................................... 8 4. Energietoeslag ........................................................................................................................ 10 5. Overige voorzieningen ............................................................................................................ 12 5.1. Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ................................................................... 12 5.2. Jeugdwet........................................................................................................................... 12 5.3.
Schuldhulpverlening ......................................................................................................... 13 6. Betalingsachterstanden bij zorgverzekeraars ......................................................................... 14 Bijlage 1. Overzicht inkomensbronnen ........................................................................................ 16
Inleiding De gemeente Ridderkerk voert een actief beleid ter bestrijding van armoede en schulden. Sinds 2014 maakt KWIZ jaarlijks een Armoedemonitor voor de gemeente Ridderkerk. De monitor biedt de gemeente een overzicht van de ontwikkelingen in de omvang en samenstelling van de minimapopulatie en het bereik van de minimaregelingen. Weergave van de minimahuishoudens Vanaf de meting over 2020 worden de cijfers in een online dashboard gepresenteerd waarin de gemeente zelf diverse analyses kan maken. In deze begeleidende duidingsrapportage worden de belangrijkste bevindingen benoemd. Inmiddels bevat het dashboard vier meetmomenten: • • • •
Peildatum 01-01-2021, gebruik van regelingen over geheel 2020; Peildatum 01-01-2022, gebruik van regelingen over geheel 2021; Peildatum 01-01-2023, gebruik van regelingen over geheel 2022; Peildatum 31-12-2023, gebruik van regelingen over geheel 2023.
De gegevens over de omvang en samenstelling van de doelgroep geven de situatie weer op de betreffende peildatum van het onderzoek, op basis van het inkomen op het Wettelijk sociaal minimum (Wsm). Meer specifiek gaat het om de minimahuishoudens met een inkomen tot 110 procent1 van het Wettelijk sociaal minimum (Wsm). Het gebruik van de diverse regelingen is gemeten over het gehele jaar voorafgaand aan de peildatum: dus van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023. Methodiek Armoedemonitor De gemeente heeft geen rechtstreekse toegang tot inkomensgegevens van haar inwoners. Door zoveel mogelijk informatiebronnen van gemeentelijke regelingen voor minimahuishoudens aan elkaar te koppelen, kunnen we het aantal minimahuishoudens weergeven dat de gemeente op het peilmoment in beeld heeft. Daarvoor heeft de gemeente registraties van de volgende voorzieningen aangeleverd: de Participatiewet, AIO en gemeentelijke minimaregelingen 2. Met behulp van de Basisregistratie Personen (BRP) zijn de gebruikersgegevens vervolgens op huishoudniveau gegroepeerd. Op deze manier ontstaat een samenhangend beeld van de omvang en samenstelling van de minimapopulatie en het gebruik van voorzieningen.
Daarnaast zijn bestanden gekoppeld van de schuldhulpverlening, Wmo, Jeugdwet, energietoeslag en betalingsachterstanden bij zorgverzekeraars om inzicht te geven in het gebruik van deze voorzieningen (onder de minimapopulatie). De kenmerken van het huishouden zijn gebaseerd op die van de oudste persoon in het huishouden. De verdeling naar inkomensbronnen is dus ook op huishoudniveau en daarbij kijken we naar de hoofd inkomensbron van het huishouden. De gebruikers van regelingen betreffen diegenen die gekoppeld konden worden aan de BRP en als minima zijn geclassificeerd. Schatting totale doelgroep Aangezien zowel KWIZ als de gemeente niet over inkomensgegevens van alle inwoners beschikken, is er een groep minimahuishoudens die, doordat ze geen gebruikmaakt van de minimaregelingen, niet in de registratiebestanden voorkomt. Dit betekent dat het feitelijk aantal minima hoger ligt dan het aantal dat de gemeente op basis van de genoemde bestanden in beeld heeft. Wanneer we het in deze rapportage hebben over minimahuishoudens zijn dit de huishoudens die we in beeld hebben gekregen via de beschreven onderzoeksmethode (zie hierboven).
1 In de gemeente heeft alleen de collectieve zorgverzekering een inkomensgrens van 130 procent Wsm.
Om een representatief beeld te geven van de doelgroep wordt daarom gerapporteerd op een inkomen van 110 procent Wsm. 2 Het gaat hierbij om de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen, bijzondere bijstand, individuele inkomenstoeslag, Meedoenpakketten voor kinderen en volwassenen en de collectieve zorgverzekering.
Daarnaast maken we, op basis van de door KWIZ ontwikkelde Armoede Index, een schatting van het aantal minimahuishoudens dat niet bij de gemeente in beeld is, maar wél een laag inkomen en laag vermogen heeft. Zodoende kunnen we een inschatting maken van de totale doelgroep van het minimabeleid. Het is op basis van de onderzoeksmethodiek niet mogelijk om gedetailleerde kenmerken van deze ‘ontbrekende’ doelgroep in beeld te krijgen. Opzet rapportage en dashboard Het eerste hoofdstuk geeft inzicht in de omvang en kenmerken van de groep minimahuishoudens. In het tweede hoofdstuk volgen de belangrijkste bevindingen over de minimakinderen. Daarna volgen hoofdstukken over de minimaregelingen en de energietoeslag. Tot slot wordt de overlap met overige voorzieningen – Wmo, Jeugdwet, schuldhulpverlening en betalingsachterstanden bij zorgverzekeraars – in beeld gebracht. In het dashboard en duidingsrapport worden de kenmerken weergegeven van de doelgroep die in beeld is, tenzij anders aangegeven. Bij het bereik van de minimaregelingen gaat het om de totale geschatte doelgroep (dus inclusief de minima die niet in beeld zijn). Vergelijkingen met landelijke cijfers zijn gebaseerd op ervaringscijfers van KWIZ en/of openbare cijfers van het CBS. Waar mogelijk worden de cijfers tevens vergeleken met de voorgaande metingen over 2021 en 2022.
1. Minimahuishoudens • • •
Het aandeel minimahuishoudens met een inkomen tot 110 procent Wsm is in de periode van 2021 tot 2023 stabiel gebleven; Het aandeel minimahuishoudens met een inkomen vanuit de Participatiewet is afgenomen tussen 2021 en 2023; Bijna 80 procent van de minimahuishoudens is langdurig minima.
Verloop minimahuishoudens 2021 - 2023 Waar tussen 2021 en 2022 een lichte stijging van het aantal minimahuishoudens te zien was (2021: 1.476 huishoudens; 2022: 1.526 huishoudens), is het aantal en aandeel minimahuishoudens met een inkomen tot 110 procent Wsm tussen 2022 en 2023 stabiel gebleven. Op 31 december 2023 hadden 1.520 huishoudens een inkomen tot 110 procent Wsm (dit is 7,0 procent van alle huishoudens in de gemeente). Deze stabiele trend is ook te zien bij de huishoudens met een inkomen tot 100 procent Wsm: hierbij is het aantal en het aandeel minimahuishoudens vrijwel gelijk gebleven ten opzichte van de vorige meting in 2022. Tabel 1.1.1 Aantal (minima)huishoudens (cumulatief) over de periode 2021 - 2023 Inkomen t.o.v. In beeld in 2021 In beeld in 2022 In beeld in 2023 Schatting totale Wsm doelgroep 2023 Tot 100% Wsm 1.364 6,4% 1.402 6,5% 1.418 6,5% 1.450 6,8% Tot 110% Wsm 1.476 6,9% 1.526 7,1% 1.520 7,0% 1.605 7,5% Tot 130% Wsm 1.971 9,2% 1.959 9,0% 2.300 10,8% Schatting totale doelgroep huishoudens 2023 Niet alle huishoudens die in aanmerking komen voor gemeentelijke ondersteuning maken hier ook daadwerkelijk gebruik van. Daarom zijn niet alle huishoudens met een minimuminkomen in beeld bij de gemeente.
Op basis van de Armoede Index schatten wij de totale doelgroep met een inkomen tot 100 procent Wsm op 1.450 huishoudens (6,8 procent van alle huishoudens in de gemeente). Het aantal minimahuishoudens met een inkomen tot 110 procent Wsm schatten wij op 1.605 huishoudens (7,5 procent van alle huishoudens). Dit aandeel ligt iets boven het gemiddelde dat in vergelijkbare gemeenten gangbaar is: 6 à 7 procent. Hieronder gaan we verder in op de 1.520 huishoudens met een inkomen tot 110 procent Wsm die de gemeente in beeld heeft. Kenmerken 1.520 minimahuishoudens tot 110 procent in beeld Inkomensbron. De gemeente Ridderkerk heeft 1.520 huishoudens met een inkomen tot 110 procent Wsm in beeld. Van deze 1.520 huishoudens heeft meer dan de helft een inkomen vanuit de Participatiewet (53 procent). Verder heeft een derde van de minimahuishoudens een overig inkomen (zoals inkomen uit werk of een WW-uitkering) en ontvangt 15 procent van de huishoudens een AOW-uitkering. In de periode 2021 tot 2023 is de verhouding in inkomensbronnen van de huishoudens veranderd. Het aandeel huishoudens dat een uitkering vanuit de Participatiewet ontvangt is afgenomen, terwijl het aandeel huishoudens met een overig inkomen is toegenomen.
Het aandeel minimahuishoudens met een AOW-uitkering is in de periode 2021 tot 2023 stabiel gebleven, maar ligt lager dan gemiddeld in vergelijkbare gemeenten (20 à 25 procent is gangbaar). Tabel 1.1.2 Inkomensbron minima, inkomen tot 110% Wsm Inkomensbron 2021 2022 821 56% 795 Participatiewet 233 15% 240 AOW 432 29% 491 Ander inkomen 1.476 100% 1.526 Totaal
52% 16% 32% 100%
2023 806 223 491 1.520
53% 15% 32% 100%
Huishoudtype. Het aandeel alleenstaande huishoudens is over de periode van 2021 en 2023 licht gestegen (2021: 45 procent; 2023: 47 procent). Het aandeel tweeoudergezinnen is licht toegenomen ten opzichte van de vorige metingen; in 2021 lag dit aandeel op 15 procent en in 2023 is dit gestegen naar 16 procent3. Het aandeel paren zonder kinderen en eenoudergezinnen is stabiel gebleven. Achtergrond. De helft (52 procent) van de minimahuishoudens in beeld heeft een niet-westerse migratieachtergrond. Verder heeft 38 procent een Nederlandse achtergrond en de overige 10 procent heeft een westerse migratieachtergrond. Deze verhoudingen zijn vrijwel gelijk aan de voorgaande metingen van 2021 en 2022; de verschuivingen die hebben plaatsgevonden zijn klein. Wijken. Het grootste aandeel minimahuishoudens woont in de wijk Bolnes (24 procent). Dit aandeel is vrijwel gelijk gebleven ten opzichte van de vorige metingen (2021: 23 procent; 2022: 24 procent). Daarnaast woont 19 procent van de minimahuishoudens in Drievliet. Doelgroepen Sommige doelgroepen moeten in verhouding vaker rondkomen van een minimuminkomen dan anderen. • Eenoudergezinnen hebben in verhouding vaker een minimuminkomen dan andere huishoudtypen. Van alle eenoudergezinnen met minderjarige kinderen (872 huishoudens) heeft een derde een inkomen tot 110 procent Wsm.
Dit aandeel ligt een stuk lager bij de meerpersoonshuishoudens met minderjarige kinderen, namelijk op 5 procent. • Daarnaast hebben huishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond vaker een minimuminkomen dan huishoudens met een westerse migratieachtergrond of een Nederlandse achtergrond. Van alle huishoudens met een dergelijke achtergrond heeft 28 procent (745 huishoudens) een inkomen tot 110 procent Wsm. • Ook hebben huishoudens uit de wijken Centrum, Bolnes en Oost in verhouding vaker een minimuminkomen (9-11 procent).
1.2. Langdurige minima In totaal heeft 81 procent van de huishoudens met een inkomen tot 100 procent Wsm al drie jaar of langer een inkomen op bijstandsniveau (1.145 huishoudens). Onder huishoudens met een inkomen tussen 100 en 110 procent Wsm ligt dit aandeel lager, namelijk op 50 procent (51 huishoudens). Als we de groep minimahuishoudens tot 110 procent als geheel bekijken heeft 79 procent al drie jaar of langer een inkomen tot 110 procent Wsm (1.196 huishoudens). Het aandeel langdurige minima is over de periode 2021 tot 2023 toegenomen. In 2021 was dit nog 69 procent (1.023 huishoudens), in 2023 was dit 79 procent (1.196 huishoudens). Gemiddeld zien we dat dit aandeel rond de 70 tot 75 procent ligt, het aandeel in Ridderkerk zit hier dus boven. Het aandeel nieuwe minima is ten opzichte van de afgelopen metingen gedaald: in 2021 lag dit aandeel op 15 procent en in 2023 is dit gedaald naar 8 procent. Tabel 1.2.1 Langdurige minima op 110% Wsm Langdurigheid 2021 222 15% 0 tot 1 jaar 231 16% 1 tot en 3 jaar 1.023 69% 3 jaar en langer 1.476 100% Totaal
2022 187 265 1.074 1.526
12% 17% 71% 100%
2023 121 203 1.196 1.520
8% 13% 79% 100%
3 Het hier om het aandeel tweeoudergezinnen met minderjarige (en eventueel meerderjarige) kinderen én
om tweeoudergezinnen met alleen meerderjarige kinderen.
1.3. Instroom en uitstroom op persoonsniveau Instromers in de minimapopulatie. In 2023 zijn er 534 personen ingestroomd in de minimapopulatie van de gemeente Ridderkerk. Dit is een aanzienlijke afname ten opzichte van de vorige metingen in 2021 (705 instromers) en 2022 (732 instromers). Instromers in de minimapopulatie (‘nieuwe minima’) vormen een groep die mogelijk gestimuleerd kan worden om de arbeidsmarkt (weer) te betreden. Vier op de tien instromers zijn in 2024 naar de gemeente Ridderkerk verhuisd en de helft heeft te maken gehad met een inkomensdaling. De groep instromers bestaat voor 38 procent uit meerpersoonshuishoudens met minderjarige kinderen. Het merendeel heeft daarnaast een niet-westerse migratieachtergrond (53 procent). Bijna de helft heeft een inkomen vanuit de Participatiewet en het grootste aandeel woont in Drievliet en Oost (beiden 21 procent). Uitstromers uit de minimapopulatie. In het jaar 2023 zijn er 490 inwoners uitgestroomd uit de minimapopulatie. Ruim zestig procent van deze groep heeft een inkomensstijging gehad, de overige 38 procent is verhuisd of is overleden. Ruim de helft van de uitstromers bestaat uit paren met of zonder kinderen. Daarnaast heeft het merendeel (58 procent) een niet-westerse migratieachtergrond en heeft het grootste aandeel (65 procent) als voornaamste inkomensbron een overig inkomen.
Tot slot wonen de meesten in de wijk Slikkerveer (21 procent).
2. Minimakinderen • • •
Het aantal en aandeel minimakinderen uit een gezin met een inkomen tot 110 procent Wsm is gestegen tussen 2021 en 2023; Het aandeel minimakinderen in de gemeente Ridderkerk ligt hoger dan landelijk gemiddeld; Het aandeel minimakinderen uit een eenoudergezin is afgenomen ten opzichte van de vorige metingen.
Verloop minimakinderen tot 18 jaar 2021 - 2023 Het aantal minimakinderen dat opgroeit in een huishouden met een inkomen tot 110 procent Wsm – en bij de gemeente Ridderkerk in beeld is - is gestegen over de periode van 2021 tot 2023 (2021: 1.047 kinderen; 2022: 1.082 kinderen; 2023: 1.129 kinderen). Het aandeel minimakinderen is eveneens licht gestegen van 12,0 procent in 2020 en 2021 naar 12,3 procent in 2023. Tabel 2.1.1 Aantal kinderen in (minima)huishoudens (cumulatief) over de periode 2021 - 2023 Inkomen t.o.v. In beeld in 2021 In beeld in 2022 In beeld in 2023 Schatting totale Wsm doelgroep 2023 Tot 100% Wsm 934 10,5% 981 10,9% 1.048 11,5% 1.080 12,2% Tot 110% Wsm 1.047 12,0% 1.082 12,0% 1.129 12,4% 1.180 13,3% Tot 130% Wsm 1.212 13,4% 1.252 13,8% 1.527 17,2% Totaal aantal 8.882 100% 9.041 100% 9.089 100% 9.089 100% kinderen Schatting totale doelgroep minimakinderen Net als bij het aantal minimahuishoudens geldt dat de gemeente Ridderkerk niet alle minimakinderen in beeld heeft. Op basis van de Armoede Index schatten we het totale aantal minimakinderen dat woont in een huishouden met een inkomen tot 100 procent Wsm op 1.080 kinderen (12,2 procent van alle kinderen). Het totaal aantal minimakinderen op 110 procent Wsm schatten we op 1.180 kinderen (13,3 procent). Dat ligt hoger dan het gangbare aandeel van 7 tot 9 procent in vergelijkbare gemeenten.
Kenmerken 1.129 minimakinderen tot 110 procent in beeld Inkomensbron. In de periode tussen 2021 en 2023 is het aandeel minimakinderen dat opgroeit in een huishouden met een uitkering vanuit de Participatiewet licht gedaald (2021: 62 procent en 2023: 58 procent). Het aandeel minimakinderen in een gezin met een andersoortig inkomen is logischerwijs gestegen van 38 naar 42 procent tussen 2021 en 2023 4. Tabel 2.1.2 Inkomensbron kinderen in minimahuishoudens, inkomen tot 110% Wsm Inkomensbron 2021 2022 2023 650 62% 637 59% 651 Participatiewet 397 38% 445 41% 478 Ander inkomen 1.047 100% 1.082 100% 1.129 Totaal
58% 42% 100%
Overige kenmerken. Het aandeel minimakinderen dat opgroeit in een eenoudergezin is ten opzichte van de vorige metingen afgenomen. In 2021 groeide 60 procent (625 kinderen) op in een eenoudergezin met een inkomen tot 110 procent Wsm en in 2023 is dit gedaald naar 56 procent (633 kinderen). Daarnaast valt op dat het aandeel minimakinderen uit de wijk Bolnes is gedaald van 25 procent in 2022 naar 24 procent in 2023. Ook het aandeel minimakinderen met een niet-westerse migratieachtergrond is over de periode van 2021 tot 2023 afgenomen (2021: 63 procent; 2023: 62 procent). 4 Bij ‘ander inkomen’ gaat het hier in 41 procent van de kinderen om een inkomen uit werk of bijvoorbeeld
een WW-uitkering (of een andersoortige uitkering). Slechts 1 procent van de kinderen groeit op in een huishouden met een AOW-uitkering. Wegens de kleine aantallen zijn deze kinderen in dezelfde categorie weergegeven als ‘ander inkomen’.
Tabel 2.1.3 Inkomensbron kinderen in minimahuishoudens, inkomen tot 110% Wsm Inkomensbron 2021 2022 2023 625 60% 630 58% 633 Eenoudergezin 422 40% 452 42% 496 Tweeoudergezin 1.047 100% 1.082 100% 1.129 Totaal
56% 44% 100%
Minimakinderen ten opzichte van alle kinderen: wat valt op? Kinderen in een eenoudergezin groeien in verhouding vaker op in armoede dan kinderen uit tweeoudergezinnen: 35 procent van alle minderjarige kinderen uit een eenoudergezin groeit op in een minimahuishouden met een inkomen tot 110 procent Wsm. Dit aandeel ligt voor minderjarige kinderen uit meerpersoonshuishoudens op 7 procent. Daarnaast groeien kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond vaker op in een minimahuishouden dan kinderen met een Nederlandse achtergrond of een westerse migratieachtergrond. Figuur 2.1.1. Aandeel minimakinderen t.o.v. alle kinderen 2023; huishoudtype
Kinderen in tweeoudergezinnen
Kinderen in eenoudergezinnen
488 van alle 7.219 kinderen uit een tweeoudergezin
7%
633 van alle 1.818 minderjarige kinderen uit een eenoudergezin
35%
Figuur 2.1.2. Aandeel minimakinderen t.o.v. alle kinderen 2023; achtergrond
Kinderen met een Nederlandse achtergrond 6%
Kinderen met een westerse migratieachtergrond
Kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond
362 van alle 6.382 kinderen met een Nederlandse achtergrond
64 van alle 624 kinderen met een westerse migratieachtergrond
10%
34%
703 van alle 2.053 kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond
3. Minimaregelingen • •
Het bereik van de kwijtschelding is in de periode van 2021 tot 2023 gestegen; De Meedoenregelingen voor zowel volwassenen als kinderen hebben een hoger bereik dan in vergelijkbare gemeenten.
Gebruik van de minimaregelingen Het gebruik is gemeten over de gehele kalenderjaren 2021, 2022 en 2023 5. Tabel 3.1.1 Gebruik en bereik regelingen Regeling Kwijtschelding Bijzondere bijstand Individuele inkomenstoeslag Collectieve zorgverzekering Meedoen volwassenen Meedoen Kindpakket
Gebruik in 2021 1.042 huishoudens 438 huishoudens 406 huishoudens
Gebruik in 2022 1.127 huishoudens 490 huishoudens 447 huishoudens
Gebruik in 2023 1.215 huishoudens 445 huishoudens 494 huishoudens
1.164 huishoudens
1.167 huishoudens
1.188 huishoudens
903 huishoudens 384 huishoudens
872 huishoudens 352 huishoudens
852 huishoudens 345 huishoudens
Bereik van de minimaregelingen Het bereik van de verschillende minimaregelingen is berekend door het gebruik van de regeling af te zetten tegen de totale doelgroep (dus inclusief de minima die de gemeente niet in beeld heeft). Daarnaast wordt het bereik van de regeling vergeleken met het gemiddelde bereik in andere vergelijkbare gemeenten (met een inwonertal tot 50.000). • Het bereik van de kwijtschelding gemeentelijke belastingen is 84 procent, dit is hoger dan het gangbare bereik van 70 tot 75 procent. Het ligt tevens hoger dan voorgaande jaren (2021: 73 procent; 2022: 79 procent) omdat het aantal gebruikers is gestegen; • Het bereik van de bijzondere bijstand is 28 procent. Dit aandeel ligt in lijn met het gemiddelde dat we bij andere (vergelijkbare) gemeenten zien (tussen de 20 en 30 procent); • De helft van de langdurige minima maakt gebruik van de individuele inkomenstoeslag (50 procent), dit ligt boven het gangbare bereik van 40 tot 45 procent. Het aantal gebruikers en het bereik van de regeling is gestegen tussen 2021 en 2023; • Meer dan de helft van de minima tot 130 procent Wsm maakt gebruik van de collectieve zorgverzekering (52 procent). Hiermee is het bereik van de collectieve zorgverzekering hoger dan in vergelijkbare gemeenten (30 tot 40 procent); • De helft van de huishoudens maakt gebruik van de Meedoenregeling voor volwassenen (53 procent).
Huishoudens met een bijstandsuitkering krijgen de Meedoenregeling automatisch toegekend. Het bereik van de regeling is licht gedaald tussen 2021 en 2023 door een afnemend gebruikersaantal; • Het Kindpakket wordt door 61 procent van de huishoudens met kinderen gebruikt. Huishoudens met een bijstandsuitkering krijgen het Kindpakket automatisch toegekend. Het aantal gebruikers is in de periode 2021 tot 2023 gedaald.
5 De cijfers over het gebruik van de regelingen betreffen het aantal gebruikers dat gekoppeld kon worden
aan de BRP die voor dit onderzoek is aangeleverd.
Figuur 3.1.1. Bereik gemeentelijke regelingen
Bereik gemeentelijke regelingen Landelijk bereik
Bereik 2021
Bereik 2022
Bereik 2023 70% 73% 79% 84%
Kwijtschelding
Bijzondere bijstand
28% 27% 31% 28% 53% 48% 45% 50%
Individuele inkomenstoeslag
38% 47% 51% 52%
Collectieve zorgverzekering
34% Meedoen volwassenen
55% 55% 53% 51%
Meedoen kindpakket
65% 71% 61%
Gebruikmaken van meerdere minimaregelingen In de gemeente Ridderkerk maken de meeste minimahuishoudens gebruik van één minimaregeling (476 huishoudens) of twee minimaregelingen (453 huishoudens). In totaal maken 83 minimahuishoudens van geen enkele minimaregeling gebruik.
4. Energietoeslag • •
4 procent van alle huishoudens in de gemeente Ridderkerk maakt gebruik van de energietoeslag; Twee derde van de gebruikers van de energietoeslag was al bij de gemeente in beeld als minimahuishouden met een inkomen tot 110 procent Wsm.
Om inwoners tegemoet te komen in de stijgende kosten voor energie konden gemeenten hun inwoners de energietoeslag uitkeren vanaf het jaar 2022. In de gemeente Ridderkerk konden huishoudens in 2023 aanspraak maken op de energietoeslag als hun inkomen niet hoger was dan 120 procent Wsm6. Daarbij is geen vermogenstoets uitgevoerd. In totaal hebben 1.904 huishoudens gebruikgemaakt van de energietoeslag; dat is 4 procent van alle huishoudens in de gemeente Ridderkerk7. De meerderheid (67 procent) van deze 1.904 huishoudens is bij de gemeente in beeld als minimahuishouden tot 110 procent Wsm. Hoewel de energietoeslag wordt toegekend tot een inkomensgrens van 120 procent Wsm, worden de meeste regelingen toegekend tot 100 of 110 procent Wsm. Het gros van de gebruikers van de energietoeslag heeft dan ook een inkomen tot 100 procent Wsm. De overige 631 gebruikers (33 procent van alle gebruikers) vallen binnen de doelgroep van de energietoeslag (inkomen tot 120 procent Wsm). In het dashboard is te zien dat 134 huishoudens hiervan ook al in beeld zijn bij de gemeente omdat ze gebruikmaken van de collectieve zorgverzekering (inkomensgrens op 130 procent Wsm). Zij hebben feitelijk een inkomen tot 120 procent Wsm maar komen in beeld op 130 procent Wsm omdat dat de maximale grens is voor de collectieve zorgverzekering. maar waren nog niet bij de gemeente Ridderkerk in beeld.
De overige 497 huishoudens zijn niet in beeld bij de gemeente: zij maakten (nog) geen gebruik van een uitkering of één van de minimaregelingen. Het vermogen van deze gebruikers kan boven de grenzen van de Participatiewet liggen (er is immers geen vermogenstoets uitgevoerd). Tabel 4.1.1 Gebruik energietoeslag, ten opzichte van alle gebruikers van de energietoeslag Inkomensniveau 2023 Gebruikers energietoeslag t.o.v. betreffende doelgroep 1.213 64% 84% Minimahuishoudens tot 100% Wsm 60 3% 79% Minimahuishoudens tot 110% Wsm 8 631 33% 79% Overige huishoudens 1.904 100% 4% Totaal Leeswijzer: 64 procent van alle gebruikers van de energietoeslag is in beeld als minimahuishoudens met een inkomen tot 100 procent Wsm. In totaal maakt 84 procent van de gehele doelgroep op 100 procent Wsm gebruik van de energietoeslag in 2023.
De laatste kolom van tabel 4.1.1. laat zien hoe de gebruikers van de energietoeslag zich verhouden tot alle huishoudens in die inkomenscategorie die gebruik konden maken van de energietoeslag. Bijvoorbeeld: de gemeente Ridderkerk heeft 1.418 huishoudens in beeld met een inkomen tot 100 procent Wsm. De totale doelgroep op 100 procent Wsm wordt op basis van de Armoede Index echter geschat op 1.450 huishoudens. 6 Het aanvragen van de energietoeslag was nog mogelijk tot en met 30 juni 2024. Het aantal gebruikers kan
nog toenemen. 7 We kijken hier naar de huishoudens die in 2023 gebruik hebben gemaakt van de energietoeslag. In 2023 zijn ook nabetalingen gedaan van de energietoeslag over 2022; die aantallen zijn hier niet meegerekend. 8 Binnen de categorie ‘overige huishoudens’ vallen huishoudens met een inkomen tot 120 procent Wsm. Deze groep kan een vermogen binnen óf boven de grenzen van de Participatiewet hebben; daar is niet op getoetst.
In totaal hebben 1.213 huishoudens hiervan aanspraak gemaakt op de energietoeslag: 84 procent van de gehele doelgroep op 100 procent Wsm. De totale doelgroep voor de energietoeslag (tot 120 procent Wsm, zonder vermogenstoets) wordt geschat op 2.412 huishoudens. In totaal heeft 79 procent gebruik gemaakt van de energietoeslag. Dit bereik ligt in lijn met het gemiddelde bereik van de energietoeslag (80 tot 90 procent). Kenmerken gebruikers energietoeslag Van de huishoudens die gebruik hebben gemaakt van de energietoeslag is het grootste aandeel alleenstaand (52 procent). Daarnaast heeft de helft een Nederlandse migratieachtergrond en ontvangt 40 procent een uitkering vanuit de Participatiewet. De meerderheid (61 procent) is langdurig minima; zij moeten al drie jaar of langer rondkomen van een inkomen tot 110 procent Wsm. Minimahuishoudens tot 110 procent Wsm met energietoeslag De meeste minimahuishoudens die gebruikmaken van de energietoeslag (1.273 huishoudens) ontvangen een uitkering vanuit de Participatiewet (60 procent). De helft heeft een niet-westerse migratieachtergrond (52 procent). 82 procent van deze huishoudens heeft al langdurig een minimuminkomen.
5. Overige voorzieningen In dit hoofdstuk wordt het gebruik van voorzieningen uit de Wmo, Jeugdwet en Schuldhulpverlening in beeld gebracht onder de (minima)populatie 9.
5.1. Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) In totaal maken 3.481 huishoudens binnen de gemeente Ridderkerk gebruik van een voorziening op grond van de Wmo. Dit aantal is redelijk stabiel gebleven over de periode van 2021 tot 2023 (2021: 3.434 huishoudens; 2022: 3.502 huishoudens). Minimahuishoudens met een Wmo-voorziening Op de peildatum van 31-12-2023 zijn 435 huishoudens met een Wmo-voorziening ook in beeld als minimahuishouden tot 110 procent Wsm; dit is 29 procent van alle minimahuishoudens. Gemiddeld zien we bij andere gemeenten dat het aandeel minimahuishoudens met een Wmovoorziening tussen de 25 en 35 procent ligt. Het aandeel in de gemeente Ridderkerk komt hier dus mee overeen. Dit aandeel is licht gestegen ten opzichte van de meting in 2022: toen lag dit aandeel op 28 procent. Tabel 5.1.1 Gebruik Wmo over de periode 2021 - 2023 Inkomensniveau 2021 394 9% Minimahuishouden met Wmo 3.040 91% Niet-minimahuishouden met Wmo 3.434 100% Totaal
2022 421 8% 3.081 92% 3.502 100%
2023 435 12% 3.046 88% 3.481 100%
5.2. Jeugdwet De Jeugdwetindicaties worden getoond op twee niveaus: huishoudniveau en kindniveau. Op huishoudniveau gaat het om het aantal huishoudens met kinderen die een Jeugdwetindicatie hebben. Op kindniveau gaat het om het aantal kinderen met een Jeugdwetindicatie. Jeugdwet op huishoudniveau In 2023 hebben 873 huishoudens een vorm van ondersteuning gekregen op basis van de Jeugdwet. Dit is 12 procent van alle huishoudens met kinderen in de gemeente Ridderkerk. Dit aantal is stabiel ten opzichte van de vorige metingen in 2021 en 2022 (2021: 859 huishoudens; 2022: 899 huishoudens). Gemiddeld ligt dit percentage bij andere gemeenten tussen de 10 en 15 procent, gemeente Ridderkerk ligt dus in lijn met dit gemiddelde. Minimahuishoudens met Jeugdwet Van de 873 huishoudens met een Jeugdwet indicatie zijn 121 in beeld als minimahuishouden met een inkomen tot 110 procent Wsm (15 procent van alle huishoudens met een Jeugdwet indicatie). Dit is in lijn met het gemiddelde bij andere gemeenten zien (rond de 15 procent). Dit aandeel is over de periode van 2021 en 2023 stabiel gebleven. Tabel 5.2.1 Gebruik Jeugdwet over de periode 2021 – 2023 (huishoudniveau) Inkomensniveau 2021 2022 Minimahuishouden met Jeugdwet 131 15% 124 14% Niet-minimahuishouden met 728 85% 775 86% Jeugdwet Totaal 859 100% 899 100%
2023 121 15% 752
85%
873
100%
9 De cijfers over het gebruik van de voorzieningen betreffen het aantal gebruikers dat gekoppeld kon
worden aan de BRP die voor dit onderzoek is aangeleverd.
Jeugdwet op kindniveau In 2023 hebben 935 kinderen een Jeugdwet-indicatie. In totaal wonen 139 van de 935 kinderen met een Jeugdwet-indicatie in een huishouden met een minimuminkomen tot 110 procent Wsm. Het aantal en het aandeel minimakinderen met een Jeugdwet-indicatie is over de periode van 2021 en 2023 stabiel gebleven. Tabel 5.2.2 Gebruik Jeugdwet over de periode 2021 – 2023 (kindniveau) Inkomensniveau 2021 2022 Kinderen met Jeugdwet in 141 15% 140 16% minimahuishouden Kinderen met Jeugdwet in 803 85% 834 84% niet-minimahuishouden 944 100% 989 100% Totaal
2023 139
15%
796
85%
935
100%
5.3. Schuldhulpverlening In totaal maken 161 huishoudens binnen de gemeente Ridderkerk gebruik van een vorm van schuldhulpverlening via PLANgroep/Verder in 202310. De meerderheid van de huishoudens die een vorm van schuldhulpverlening ontvangen zijn minimahuishoudens (75 procent). De overige 25 procent zijn niet-minimahuishoudens die een vorm van schuldhulpverlening ontvangen. Minimahuishoudens met schuldhulpverlening Op de peildatum van 31-12-2023 zijn 120 huishoudens met een vorm van schuldhulpverlening ook in beeld als minimahuishouden; dit is 8 procent van alle minimahuishoudens in de gemeente Ridderkerk. Gemiddeld zien we bij andere gemeenten dat het aandeel minimahuishoudens met schuldhulpverlening tussen de 5 en 10 procent ligt. Het aandeel in de gemeente Ridderkerk ligt dus in lijn met het gemiddelde. Tabel 5.3.1 Gebruik SHV over de periode 2021 - 2023 Inkomensniveau 2021 176 58% Minimahuishouden met SHV 130 42% Niet-minimahuishouden met SHV 306 100% Totaal
2022 145 79% 40 21% 195 100%
2023 120 75% 41 25% 161 100%
10 De gemeente Ridderkerk is overgestapt van de PLANgroep (nieuwe naam: Verder) naar de Kredietbank.
Lopende cases van de PLANgroep worden door hen afgemaakt. Nieuwe cases worden door de Kredietbank opgepakt; in 2023 gaat het nog om een klein aantal cases. Data van de Kredietbank is niet meegenomen in dit onderzoek.
6. Betalingsachterstanden bij zorgverzekeraars In totaal staan 619 personen geregistreerd bij het CAK in de gemeente Ridderkerk omdat er sprake is van een betalingsachterstand bij de zorgverzekeraar 11. Dat houdt in dat personen minimaal 6 maanden achterlopen met de betaling van hun zorgpremie. Daarvan zijn 114 registraties bij het CAK gestart in het jaar 2023. Dit is het eerste jaar dat deze groep is meegenomen in het onderzoek, dus een vergelijking met voorgaande jaren is niet mogelijk. Kenmerken personen met betalingsachterstanden Zorgverzekeraar. De betalingsachterstanden bestaan bij verschillende zorgverzekeraars. In dit onderzoek hebben we een onderverdeling gemaakt naar vijf zorgverzekeraars: OMW CZ Groep, Zilveren Kruis, VGZ, Menzis en DSW. Daarnaast is een groep ‘overige zorgverzekeraars’ zichtbaar in het dashboard; deze categorie is samengevoegd omdat het aantal personen met een betalingsachterstand per verzekeraar te klein 12 was om individueel weer te geven in verband met de privacy. De meeste wanbetalers zijn aangemeld door de aanbieder OMW CZ Groep (34 procent, 211 personen). Status. Binnen een betalingsachterstand bestaan meerdere statussen die worden toegekend 13. • Regulier krijgt een persoon met een betalingsachterstand bij het CAK de status “BOE”. Dit betekent dat de bestuursrechtelijke premie inclusief de opslag van 25 procent opgelegd wordt.
In Ridderkerk gaat dit om twee derde van de geregistreerde personen met een betalingsachterstand (66 procent). • Het is echter mogelijk om een betalingsregeling te treffen met de betreffende zorgverzekeraar. In dat geval wordt de status “GBT” toegekend (28 procent). De inning van de bestuursrechtelijke premie wordt dan opgeschort. • Tot slot is het mogelijk dat er sprake is van een actieve stabilisatieovereenkomst (SOVK). Dit leidt tot de status “GBR” (3 procent). Ook in deze situatie is de inning van de bestuursrechtelijke premie opgeschort. Overige kenmerken. Een derde van de personen met een betalingsachterstand bij de zorgverzekeraar bestaat uit een meerpersoonshuishouden met minderjarige kinderen (32 procent). Een vijfde is alleenstaand (20 procent). De meeste personen met een betalingsachterstand zijn in de leeftijd van 27 tot 45 jaar (49 procent). Personen met een betalingsachterstand wonen veelal in de wijken Bolnes (21 procent), Centrum (18 procent) en Oost (17 procent). Minimahuishoudens De 619 personen die geregistreerd staan bij het CAK wonen in 531 huishoudens. De meerderheid van de huishoudens die in beeld zijn als CAK wanbetaler is geen minimahuishouden (70 procent). De overige 30 procent zijn minimahuishoudens die in beeld zijn als CAK wanbetaler.
De minimahuishoudens die ook in beeld zijn bij het CAK betreffen met name huishoudens met een inkomen tot 110 procent Wsm (91 procent van alle minimahuishoudens die in beeld zijn bij het CAK).
11 Het gaat hier om huishoudens die een begindatum op of voor 31 december 2023 (peildatum onderzoek)
hebben én een einddatum op of na 1 januari 2023. De einddatum kan hierbij ook leeg zijn. Volgens de registratiewijze zijn dit lopende cases bij het CAK. 12 Zorgverzekeraars met minder dan 20 betalingsachterstanden worden niet apart weergegeven, maar in de categorie ‘overig’. 13 In het registratiebestand wordt alleen de status van de huidige actieve periode getoond. Betalingsregelingen of stabilisatieovereenkomsten uit het verleden staan niet in het overzicht.
Tabel 6.1.1 CAK wanbetalers 2023 Inkomensbron Minimahuishoudens tot 110% Wsm met CAK registratie Minimahuishoudens tot 130% Wsm met CAK registratie Niet-minimapersonen met CAK registratie Totaal
2023 145 28% 15 2% 371 70% 531 100%
Overlap met collectieve zorgverzekering en schuldhulpverlening14 • Van alle 531 huishoudens die geregistreerd staan bij het CAK, maken 34 huishoudens (6,4 procent) gebruik van de collectieve zorgverzekering die de gemeente aanbiedt. • De overlap tussen schuldhulpverlening en de 531 CAK wanbetalers is 5,8 procent (31 huishoudens). Tabel 6.1.2 Overlap CAK wanbetalers (percentage van het totaal CAK wanbetalers) Inkomensbron CAK betalingsachterstand 2023 (totaal 531 huishoudens) 34 huishoudens 6,4% Collectieve zorgverzekering 31 huishoudens 5,8% Schuldhulpverlening 531 huishoudens 100% Totaal CAK betalingsachterstand
14 Aangezien de informatie van het CAK over betalingsachterstanden pas sinds kort (eind 2023) beschikbaar
is voor onderzoek en analyse, beschikt KWIZ nog niet over referentiecijfers in andere gemeenten.
Bijlage 1. Overzicht inkomensbronnen In deze bijlage brengen we de verdeling naar inkomensbron in beeld onder huishoudens die in beeld zijn. Daarnaast geven we de verdeling naar inkomensbron weer voor de geschatte minimadoelgroep op 110 procent Wsm. Tabel 6.1.3 Verdeling naar inkomensbron minimahuishoudens in beeld 100, 110 en 130% Wsm Inkomensbron Participatiewet AOW Ander inkomen Totaal
100% Wsm 806 57% 205 14% 407 29% 1.418 100%
110% Wsm 806 53% 223 15% 491 32% 1.520 100%
130% Wsm 806 41% 444 23% 709 36% 1.959 100%
Hieronder volgt de verdeling naar inkomensbronnen van de totale geschatte doelgroep van het minimabeleid die in deze rapportage in beeld wordt gebracht: huishoudens met een inkomen tot 110 procent Wsm. Tabel 6.1.4 Schatting inkomensbronnen totale doelgroep 110% Wsm Inkomensbron 110% Wsm 806 50% Participatiewet 300 19% AOW 499 31% Ander inkomen 180 11% Inkomen uit arbeid Inkomen uit eigen 125 8% onderneming 75 5% WW 119 7% Arbeidsongeschiktheid 1.605 100% Totaal