Bijlage 1 - Wettelijke kaders Doelgroepenvervoer.pdf
Tekst van het document
Bijlage 1: Wettelijke kaders doelgroepenvervoer Wettelijk kader leerlingenvervoer Strekking van de wettelijke opdracht is dat iedereen in staat gesteld moet worden om onderwijs te volgen waarbij geen onderscheid gemaakt mag worden tussen openbaar of bijzonder onderwijs. Wél mag van (groepen) ouders een bijdrage in de kosten gevraagd worden. De Wet stelt hier kaders bij. Daarnaast biedt de Wet ruimte voor (enige) lokale kleuring, bijvoorbeeld ten aanzien van het bepalen van de financiële draagkracht van ouders, de “redelijk te vergen inzet van ouders”, de maximale reistijd in het aangepast vervoer e.a. Op basis van de Wet is elke gemeente verplicht een verordening vast te stellen waarin het beleid van de gemeente op het gebied van leerlingenvervoer is vastgelegd. Wanneer een aanvrager aan de regels in de verordening voldoet, heeft de aanvrager recht op de betreffende voorziening. Er is voor de gemeente geen ruimte om hier van af te wijken. Op 1 augustus 1987 is de Wet gemeentelijke regelingen leerlingenvervoer (Stb. 1986, 719) in werking getreden.
De wettelijke bepalingen betreffende leerlingenvervoer zijn opgenomen in drie onderwijswetten, te weten: - De Wet op het primair onderwijs (WPO), die van toepassing is op basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs, artikel 4; - De Wet op de expertisecentra (WEC), die van toepassing is op scholen voor speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs, artikel 4; - De Wet op het voortgezet onderwijs (WVO), die van toepassing is op scholen voor voortgezet onderwijs, artikel 4. In genoemde artikelen is het volgende aangegeven: “Ten behoeve van het schoolbezoek verstrekken burgemeester en wethouders aan ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag vergoeding van de door burgemeester en wethouders noodzakelijk te achten vervoerskosten. De gemeenteraad stelt daartoe een nadere regeling vast….” Wettelijk kader jeugdwetvervoer De jeugdhulpplicht is geregeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet. In artikel 2.3, tweede lid, is expliciet aangegeven wanneer vervoer onder de jeugdhulp valt: “Voorzieningen op het gebied van jeugdhulp omvatten voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden.” Het staat de gemeente vrij om dit naar eigen inzicht te organiseren.
1
Bijlage 1: Wettelijke kaders doelgroepenvervoer Wettelijk kader Wmo-vervoer De opdracht voor de gemeenten die volgt uit de Wmo 2015 is als volgt: 1. De gemeenteraad stelt een plan vast waarin het te voeren beleid wordt beschreven; 2. In dat plan staan de voornemens die de gemeenteraad heeft om te voorzien in de participatie en ondersteuning van mensen die niet op eigen kracht kunnen deelnemen aan de maatschappij en de handelingen die het college daarvoor moet uitvoeren; 3. De gemeenteraad stelt een verordening vast waarin de regels staan die nodig zijn voor bovengenoemd plan; 4. Het college kent maatwerkvoorzieningen toe aan mensen die daar recht op hebben; 5. Om dat recht vast te stellen voert het college binnen 6 weken na melding van de inwoner onderzoek uit; 6. Van dat onderzoek wordt verslag gedaan en inwoner kan een aanvraag indienen. 7. Het college besluit binnen 2 weken op een aanvraag; 8. Het college onderzoekt jaarlijks de klantervaring en brengt hier verslag over uit aan de gemeenteraad; 9. Het college wijst mensen aan die toezicht houden op de kwaliteit van de voorziening(en).
2