CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Definitieve versie Integraal Beleid Sociaal Domein Ridderkerk 2021.pdf

Gemeenteraad RK 18 maart 2021, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 5: Nota Integraal Beleid Sociaal Domein29.675 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Inwoners kunnen voor zichzelf en elkaar zorgen

5.1.1 Vrijwilligers en mantelzorgers worden ondersteund Veel inwoners bieden anderen in hun omgeving al ondersteuning of hulp; als vrijwilliger of als mantelzorger. De gemeente stimuleert, faciliteert en waardeert deze informele inzet; deze informele inzet vormt het cement van de samenleving. Vrijwilligers en mantelzorgers krijgen de ondersteuning die nodig is om hun (zorg)taken goed te kunnen blijven uitoefenen. Mantelzorgers mogen niet te zwaar belast worden. Om deze reden biedt de gemeente respijtzorg aan in de vorm van dagbesteding, dagverzorging voor ouderen en logeeropvang. Daarnaast stimuleert de gemeente mantelzorgers om gebruik te maken van landelijke aangeboden ondersteuning zoals de Mantelzorglijn of de app van MantelzorgNL. Binnen het mantelzorgbeleid is extra aandacht voor de draaglast van minderjarige mantelzorgers. Bezien wordt of bijvoorbeeld een maatjesaanpak de draagkracht onder deze groep kan vergroten. Door de dubbele vergrijzing zal in de toekomst meer inzet van vrijwilligers en mantelzorgers nodig zijn. We willen samen met onze maatschappelijke partners, zoals Stichting Facet Ridderkerk, kerken, ouderenbonden, tijdig voorsorteren op deze stijgende behoefte.

Enerzijds door het potentieel aan vrijwilligers gericht aan te boren (een groep inwoners geeft namelijk aan zich door onbekendheid met (de weg naar) vrijwilligerswerk niet in te zetten, maar wel bereid te zijn vrijwilligerswerk te verrichten). Anderzijds door het aanboren van de zogenaamde ‘zilveren kracht’ waar elders in deze nota nader op is ingegaan. De mantelzorgers van senioren (veelal een partner) worden steeds ouder. Van belang is goed oog te hebben voor de draagkracht van deze groep. Om beter zicht te krijgen op de behoeften en mogelijkheden van deze groep wordt een onderzoek verricht.

5.1.2 Ruimte voor laagdrempelig ontmoeten en initiatief Ook maakt de gemeente het mogelijk om in de wijken elkaar laagdrempelig te kunnen ontmoeten in de wijkvoorzieningencentra en stimuleert de gemeente initiatieven die het omzien naar elkaar en de onderlinge solidariteit bevorderen. De gemeente staat positief tegenover initiatieven uit de samenleving waarbij (groepen) inwoners aangeven publieke diensten of vraagstukken zelf (onderling) op te pakken en/of menen de uitvoering zelf effectiever of efficiënter te kunnen realiseren (Right to Challenge, City Challenge).

5.1.3 We bevorderen ‘nabuurschap’, onderlinge solidariteit en eigen initiatief in de wijken De gemeente wil, op advies van inwoners tijdens de inspraakavond, de betekenis en waarde van 25

‘nabuurschap’ (nieuw) leven in blazen. Vanouds was nabuurschap een heel ruime en intensieve vorm van burenhulp. Burenhulp is dan wel geen compensatiemiddel voor zorgplicht van de gemeente, zorgverzekeraar of rijksoverheid; investeren in de kracht van de wijk en burenhulp is wel de kans om in de nabije omgeving eenzaamheid tegen te gaan of op een laagdrempelige manier een vorm van vrijwilligerswerk of mantelzorg te verlenen. Hierbij gaat de gemeente uit van de eigen kracht van de inwoners, van de wijk, het eigen netwerk en de talenten van de inwoners. In de gemeente staat een aantal wijkvoorzieningencentra. Het beheer van een aantal van deze centra ligt in handen van verschillende wijkverenigingen. De verenigingen zorgen ervoor dat de centra een maatschappelijke functie in de wijk vervullen en zij zorgen ervoor dat er activiteiten georganiseerd worden die o.a. bijdragen aan participatie, het vergroten van de zelfredzaamheid en sociale cohesie. De sociaal makelaars werken in de wijk, halen informatie op ten aanzien van de behoeften van de wijk en zorgen er op wijkniveau voor dat er verbindingen tussen inwoners ontstaan met als doel dat nabuurschap kan ontstaan. Tevens zetten zij in op bemiddeling bij overlast, waarbij het doel is dat inwoners met elkaar in gesprek gaan en er wederzijds begrip ontstaat. Zo creëren zij de randvoorwaarden voor een zorgzame samenleving

5.1.4 Ook vanuit ruimtelijk beleid aandacht voor krachtige wijken De afwezigheid van sociale overlast, het aanbod van openbaar vervoer, het aanbod van sport- en gezondheidsvoorzieningen, de afwezigheid van verloedering, de beschikbaarheid van voorzieningen als winkels voor dagelijkse boodschappen en de aanwezigheid van groen leiden ertoe dat inwoners meer tevreden zijn met hun buurt en bereid zijn zich actiever in te zetten voor de buurt. Die wetenschap leidt ertoe dat de gemeente ook in het ruimtelijk beleid en de omgevingsvisie aandacht zal hebben voor deze aspecten.

26

Linda heeft het soms best zwaar met de zorg voor haar gezin en voor oma Corrie en de onzekerheid over haar baan. Het is belangrijk dat Linda haar mantelzorgtaken kan blijven doen. Daarom krijgen ze ondersteuning vanuit de Wmo. Eén keer in de week wordt Linda ontlast door begeleiding aan huis voor Job en de buurvrouw helpt op dat moment Yasmin bij haar huiswerk voor wiskunde. Op deze manier houden Ahmed en Linda het goed vol.

Corrie merkt dat ze al enorm anders aankijkt tegen haar leven als vlak na het overlijden van haar man. Door de laagdrempelige inloop voor activiteiten vanuit de welzijnsstichting en het contact met andere leeftijdsgenoten, doet Corrie weer mee aan de samenleving. Corrie wil wat terug doen voor andere ouderen, waardoor ze zich aangemeld heeft als vrijwilliger bij vervoersservice AutoMaatje. Corrie brengt ouderen die minder mobiel zijn naar de kapper of de huisarts of naar specialisten in het ziekenhuis. Het mes snijdt zo aan twee kanten.

27

5.2 Relevante ontwikkelingen Verandering relatie tussen burger en overheid Burgers nemen geleidelijk vaker het initiatief en de overheid neemt dan een meer faciliterende rol aan. Het beroep op eigen kracht en sociale kracht neemt toe. Individualisering Als gevolg van de voortschrijdende individualisering neemt het aantal eenpersoonshuishoudens toe. Deze trend heeft onder meer invloed op de mate van eenzaamheid onder alle leeftijdsgroepen. Van zorg naar preventie Er is een toenemende aandacht voor vroegtijdige signalering van risicovolle situaties en tijdige interventie ter voorkoming van het beroep op (zwaardere) zorg. Mantelzorg Het aantal mantelzorgers tussen de 19-65 jaar oud lag in Ridderkerk in 2012 met 14,4% boven het Nederlandse gemiddelde van 11,9%. Dit aantal nam tot 2016 af tot 12,5%. 6,9% van de inwoners van Ridderkerk van 19 jaar en ouder ontving mantelzorg in 2016. Nagenoeg 100% van de bij Karaat Mantelzorg geregistreerde mantelzorgontvangers is 65 jaar of ouder. Van de respondenten van de burgerpeiling Ridderkerk 2019 verleende 23% intensief mantelzorg. 28% verrichtte incidenteel mantelzorg. Vrijwilligerswerk Het percentage inwoners dat vrijwilligerswerk heeft verricht in de afgelopen 12 maanden was in 2019 44%. Ongeveer de helft verricht incidenteel en de helft intensief vrijwilligerswerk.

Tussen 2016 en 2019 is het aantal vrijwilligers in de gemeente met 10% toegenomen. 34% van de inwoners is bereid vrijwilligerswerk te doen in de nabije toekomst. 37% heeft deze bereidheid niet en 29% van de Ridderkerkers misschien. Het merendeel (65%) van de inwoners dat in 2019 geen vrijwilligerswerk verrichtte gaf tijdgebrek aan als reden hiervoor. Bij 11% is onbekendheid met vrijwilligerswerk de oorzaak; zij weten niet wat voor vrijwilligerswerk zij zouden kunnen doen of weten niet hoe zij aan vrijwilligerswerk kunnen komen. 69% van de inwoners van Ridderkerk geeft aan in 2019 burenhulp te hebben verleend. Burenhulp 29% van de inwoners die deelnamen aan de burgerpeiling in Ridderkerk in 2019 gaf aan terug te kunnen vallen op mensen in de buurt. Dit percentage lag 10% onder het landelijk gemiddelde. 48% van de respondenten gaf aan dat dit waarschijnlijk het geval zou zijn indien dit nodig is.

5.3 Waar zetten we op in? Deze paragraaf geeft weer waar de gemeente in samenwerking met partners de komende jaren op wil inzetten. Het betreft aanvullende of aangescherpte inzet. Op sommige aandachtsgebieden vindt al inzet plaats; deze is dan opgenomen in bijlage 1, waar een uitgebreider overzicht is te vinden van deze inspanningen.   

We zetten in op versterking van de samenwerking tussen formele en informele zorg. De wijkvoorzieningencentra krijgen een prominente rol bij de versterking van de sociale infrastructuur. Wijkverenigingen zetten zich samen met de sociaal makelaars en de leefbaarheidsteams in op de opgave en de vraag van de wijk. Voor jongeren organiseren we in de verschillende wijken vaste ontmoetingsplekken door 28

     

middel van de jongerensozen. Tijdens de schoolvakanties worden diverse vakantieactiviteiten georganiseerd. We onderzoeken onder inwoners wat hen stimuleert of belemmert om actief te zijn in de eigen buurt en zich in te zetten voor anderen. Tevens zetten we in op deskundigheidsbevordering en het begeleiden van vrijwilligers. We onderzoeken de behoefte van mantelzorgers (tevens in relatie tot respijtzorg) en passen daar de ondersteuning op aan. Er is extra aandacht voor minderjarige mantelzorgers. Voor deze doelgroep worden specifieke activiteiten georganiseerd. Opzetten van een vrijwilligersacademie: een platform waar Ridderkerkse organisaties cursussen, workshops en lezingen kunnen plaatsen die interessant zijn voor vrijwilligers en die de deskundigheid bevorderen. Ter ondersteuning van senioren blijven we service- en gemaksdiensten aanbieden. Senioren worden mede hierdoor in staat gesteld zo lang en comfortabel mogelijk zelfstandig thuis te wonen. Maatschappelijke organisaties weten elkaar steeds beter te vinden, onder meer door inzet van de digitale sociale kaart. We werken toe naar een platform waar vraag en aanbod bij elkaar komen. We zetten in op de bevordering van participatie door de jeugd. We continueren bijvoorbeeld de inzet van de jongerenraad, de kinderburgemeester en het jeugdlintje.

19

Bij extramuralisering wordt de zorg buiten de muren van een intramurale instelling (waar iemand wordt opgenomen) geboden. Bijvoorbeeld in de eigen woning.

29

6. Ridderkerkers zijn langer vitaal en gezond In dit hoofdstuk wordt het vierde maatschappelijke effect beschreven dat we met voorliggend beleid willen bereiken. Aangegeven wordt wat de gemeente ambieert. Vervolgens wordt in paragraaf 6.2 een aantal trends en kwantitatieve gegevens die dit maatschappelijke effect raken beschreven, waarna in alinea 6.3 is weergegeven waar we de komende periode op inzetten. Dit is mede gebaseerd op de geschetste trends en kwantitatieve gegevens.

6.1 Wat willen we bereiken? De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners zich optimaal kunnen ontwikkelen, zelfredzaam zijn, (naar vermogen) mee kunnen doen in de samenleving, zich verbonden voelen met elkaar en omkijken naar elkaar. Een belangrijke voorwaarde daarvoor is dat zij vitaal en gezond zijn. Ook voor het tot op hogere leeftijd zelfstandig kunnen blijven wonen zijn vitaliteit en een goede gezondheid essentieel. De gemeente hanteert dan ook het volgende maatschappelijk effect als doelstelling van het beleid: 

Ridderkerkers zijn langer vitaal en gezond

6.1.1 Vitaliteit en gezondheid als randvoorwaarden voor ‘meedoen en ‘naar elkaar omkijken’ Om te kunnen ‘meedoen’ en ‘naar elkaar om te kijken’ is het belangrijk dat inwoners vitaal blijven. Dit draagt bij aan het welbevinden van inwoners, een daling in het beroep op hulp en daarmee de kosten voor zorg, hulp en welzijn. De gemeente zet daarom binnen alle leeftijdsgroepen in op het verbeteren van de leefstijl, het terugdringen van overgewicht, het ontmoedigen van middelengebruik en het terugdringen van (ervaren) eenzaamheid. De doelgroep senioren groeit, ook in Ridderkerk. Een groot deel van deze inwoners zal bereid zijn hun (levens)ervaring en kennis te delen met anderen en zich in te zetten voor anderen. De gemeente wil meer aandacht hebben voor de inzet van deze ‘zilveren kracht’. Het mes snijdt in dit geval veelal aan twee kanten; senioren ondersteunen anderen en tegelijk blijven zij door hun inzet actief participeren in de samenleving wat zo nodig ook de kans op sociaal isolement en/of eenzaamheid verkleint. Bovendien kan deze groep ouderen een rol hebben in de verlichting van de druk die onder invloed van de (dubbele) vergrijzing ontstaat op de beroepsbevolking. Bijvoorbeeld in het kader van het combineren van werk met informele zorg.

6.1.2 Eenzaamheid Teveel inwoners van onze gemeente voelen zich sociaal en/of emotioneel eenzaam. Emotionele eenzaamheid komt vooral voor onder jonge inwoners, sociale eenzaamheid met name onder volwassenen. We willen eenzaamheid via een gedifferentieerde aanpak samen met onze partners (coalitie tegen eenzaamheid) met kracht bestrijden. Dit maatschappelijke vraagstuk vormt een belangrijke opgave voor de komende jaren.

6.1.3 Positieve gezondheid als uitgangspunt De gemeente investeert in preventie en vroegtijdige inzet van passende hulp. Voorop staat het principe van ‘voorkomen is beter dan genezen’. In alle gevallen, dus ook zeker als een inwoner het zelf niet meer redt, staat het welzijn en de gezondheid van inwoners voorop. De gemeente gaat daarbij uit van (positieve) gezondheid: niet de ziekte of hulpvraag staat centraal maar een betekenisvol leven. De nadruk ligt op de veerkracht, eigen regie en het aanpassingsvermogen van de mens en niet op de beperkingen, ziekte of hulpvraag zelf. Gemeente en partners signaleren steeds eerder waar het fout dreigt te gaan. In die gevallen is vroegtijdig lichte ondersteuning of begeleiding beschikbaar. Risico’s en risicogroepen komen steeds beter in beeld en daarvoor zijn passende preventieve programma’s en trajecten beschikbaar. Bij de uitvoering van beleid staat de verkenning naar de mate van zelfredzaamheid en de mate waarin het sociaal netwerk kan bijspringen voorop. Bovendien wil de gemeente dat, voordat hulpverlening wordt ingezet, er een verkenning heeft plaatsgevonden of ook welzijnsarrangementen of -producten 30

kunnen bijdragen aan het herstel. De gemeente biedt zo vroeg en licht mogelijke ondersteuning gericht op herstel zodat inwoners in staat zijn om zo snel mogelijk weer volwaardig (naar vermogen) mee te kunnen doen in de samenleving. Een goede lichamelijke gezondheid beïnvloedt de mentale gezondheid en andersom is dit ook het geval. Het gebruik van geestelijke gezondheidszorg (ggz-zorg) is de afgelopen jaren gestegen in Ridderkerk. Wij vinden het van belang dat psychische problemen zo vroeg mogelijk gesignaleerd worden en willen de inzet van lichte ggz-zorg bevorderen om escalatie van problemen en een beroep op zware ggz-zorg te voorkomen. Veel verwijzingen binnen de jeugdhulp worden verricht door huisartsen. Bij deze directe doorverwijzingen vindt geen integrale toetsing van de bredere context plaats bij deze hulpvragen; wij vinden dat een gemiste kans. We experimenteren hierom met de inzet van praktijkondersteuners jeugd-ggz bij huisartsen. Daarnaast willen we experimenteren met de inzet van laagdrempelige en lichte ggz-zorg in wijkvoorzieningencentra via spreekuren. Gestart wordt -gezien de kwantitatieve gegevens- met een pilot in Bolnes.

6.1.4 Ook vanuit ruimtelijk beleid aandacht voor gezondheid Ook draagt de gemeente via het ruimtelijk beleid bij aan het verbeteren van lucht- en geluidkwaliteit en heeft de gemeente oog voor het belang van voldoende groen en mogelijkheden tot bewegen in de openbare ruimte. Voor senioren is het bij het ouder worden van belang dat er aandacht is voor looproutes in de wijk van de woning naar voorzieningen.

6.1.5 Mogelijkheden zoeken voor cofinanciering De (financiële) vruchten van investeringen in vitaliteit een lichte ggz-zorg worden niet alleen door gemeenten geplukt, maar ook door andere overheden en zorgverzekeraars. Om de expertise en financiële inzet te bundelen zoekt de gemeente nadrukkelijker partnerschap met potentiële medeontwikkelaars en co-financiers. Geregeld komen vrijwilligers uit de kerk waar Dirkje vroeger naartoe ging langs voor een kopje koffie en een wandeling in de rolstoel. Hier hecht Dirkje erg aan. Op deze manier kan ze nog steeds genieten van de buitenlucht en is er ruimte voor een goed gesprek.

Via een van haar kennissen hoorde Corrie dat vanuit de welzijnsorganisatie ook wordt ingezet op vitaliteit. In het wijkvoorzieningencentrum geeft een gepensioneerde sportleraar eens per week een sportles ‘Bewegen voor senioren’.

31

6.2 Relevante ontwikkelingen Van zorg naar preventie Toenemende aandacht voor vroegtijdige signalering van risicovolle situaties en tijdige interventie ter voorkoming van het beroep op (zwaardere) zorg. Overgewicht In 2015 heeft 55,8% van de inwoners van Ridderkerk met overgewicht te kampen. Dit ligt boven het percentage van het landelijk gemiddelde (48,9%)20. Gezondheid 65+  64,8% van de inwoners van 65 jaar en ouder ervaart (in 2016) zijn of haar gezondheid als goed/zeer goed.  65+’ers in Ridderkerk zijn gemiddeld minder lichamelijk actief dan landelijk.  65+’ers in Ridderkerk hebben vaker overgewicht dan landelijk.  65+’ers in Ridderkerk hebben minder beperkingen in gezondheid, horen, zien en bewegen dan landelijk. Eenzaamheid De beschikbare cijfers over eenzaamheid in Ridderkerk lopen uiteen. Volgens gegevens verkregen uit de burgerpeiling in 2019 voelt 15% van de inwoners zich wel eens eenzaam. Volgens gegevens uit de gezondheidsmonitor van 2016 is het percentage beduidend hoger; 42% van de inwoners van Ridderkerk van 19 jaar en ouder voelt zich matige tot ernstig eenzaam. Dit percentage was in 2012 39%.

Uit de in bijlage 2 opgenomen tabellen blijkt onder meer dat:  eenzaamheid in nagenoeg alle leeftijdscategorieën in vrijwel dezelfde mate voor komt;  emotionele eenzaamheid vooral voor komt onder jongeren tussen de 17 en 23 jaar en sociale eenzaamheid onder de leeftijdsgroepgroep 19 – 65+. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de emotionele eenzaamheid onder de groep 17-19 jaar erg hoog is. Het percentage inwoners dat zich eenzaam voelt verschilt per wijk. Eenzaamheid komt het meest voor in de wijken Centrum, West, Oost en Bolnes. Gebruik geestelijke gezondheidszorg In Ridderkerk maakten inwoners in 2014 minder gebruik van de basis-ggz (2,8%) dan het Nederlands gemiddelde (3,7%). In 2016 was dit andersom en lag het gebruik van basis-ggz in Ridderkerk (4,3%) boven het landelijk gemiddelde (4%). Het hoogste beroep op basis-ggz ligt procentueel in de wijken Centrum, Het Zand, Bolnes en Oostendam. Mensen met depressie Depressie komt in alle postcodegebieden ongeveer evenveel voor (gemiddeld 26 van de 1.000 inwoners in Ridderkerk had in 2019 te maken met depressieve klachten). In de wijken West en Bolnes ligt het aantal iets boven het gemiddelde.

6.3 Waar zetten we op in? Deze paragraaf geeft weer waar de gemeente in samenwerking met partners de komende jaren op wil inzetten. Het betreft aanvullende of aangescherpte inzet. Op sommige aandachtsgebieden vindt al inzet plaats; deze is dan opgenomen in bijlage 1, waar een uitgebreider overzicht is te vinden van deze inspanningen. 32

      

 

 20

(blijven) investeren in een dekkend sport- en beweegaanbod; ook in de buitenruimte. Extra aandacht zal worden gegeven aan de doelgroep van 65 jaar en ouder met als doel dat de lichamelijke activiteit onder deze groep toeneemt en overgewicht wordt tegengegaan. Versterking van de koppeling tussen ontmoeting en beweging via de wijkvoorzieningencentra De inzet van aanbod op het gebied van kunst en cultuur bestendigen en inzetten in het kader van ‘meedoen’ in de samenleving. Gedacht wordt aan aanbod in het kader van dagbesteding en/of ter bestrijding van eenzaamheid en bevordering van ontmoeting. Er wordt een meerjarenbeleidsplan gezondheidsbeleid 2021-2024 ontwikkeld waarin de vervolgaanpak ter voorkoming en bestrijding van alcohol- en drugsgebruik meegenomen wordt. Bestrijding van eenzaamheid onder verschillende leeftijdsgroepen in lijn met de aanpak van de werkgroep ‘aanpak eenzaamheid Ridderkerk’. Versterking partnerschap met co-financiers van preventieve activiteiten zoals zorgverzekeraars. Intensivering lokale samenwerking onderwijs, leerplicht, jeugdgezondheidszorg en de wijkteams om eventuele onderliggende problemen zo snel mogelijk te signaleren, bespreekbaar te maken en aan te pakken om o.a. frequent of langdurig schoolverzuim en de kans op voortijdig schoolverlaten te verkleinen.

Continuering van de samenwerking tussen wijkteams, Facet, huisartsen en de jeugdgezondheidszorg, onder meer gericht op een integrale benadering bij doorverwijzingen door de medische sector naar (jeugdhulp)voorzieningen en de inzet van welzijnsvoorzieningen om een beroep op zwaardere zorg voor te zijn (o.a. door welzijn op recept). Opstellen van een ontwikkelagenda met huisartsen en jeugdartsen om de verbinding tussen het sociaal domein en het medisch domein te versterken om de vaak complexe vraagstukken op het raakvlak van het medische en sociale domein aan te pakken. Bevorderen van de geestelijke gezondheid door te experimenteren met inzet van laagdrempelige, lichte ggz-zorg om het beroep op zwaardere ggz-zorg te voorkomen (bijvoorbeeld inzet praktijkondersteuners jeugd-ggz en/of spreekuren in de wijkvoorzieningencentra). Meer inzet van de ‘zilveren kracht’ van senioren.

Bron: waarstaatjegemeente.nl

33

7. Inwoners kunnen zo lang mogelijk veilig thuis wonen In dit hoofdstuk wordt het vijfde en tevens laatste maatschappelijk effect dat we met het integraal beleid sociaal domein beogen behandeld. Ingegaan wordt op hetgeen de gemeente ambieert. In paragraaf 7.2 wordt vervolgens een aantal trends en kwantitatieve gegevens beschreven die met dit maatschappelijk effect te maken hebben. In de laatste paragraaf wordt aangegeven waar we de komende beleidsperiode op inzetten.

7.1 Wat willen we bereiken? De gemeente vindt het belangrijk dat alle inwoners in een veilige thuissituatie kunnen leven. Thuis is de situatie waar inwoners zich prettig en veilig horen te voelen. Een (veilig) thuis zorgt voor een stabiele basis, bijvoorbeeld bij het opgroeien of het ouder worden. Voor jeugdigen geldt dat een veilig thuis bijdraagt aan gezond opgroeien en ontplooiing. Voor ouderen geldt dat een (veilig) thuis bijdraagt aan het prettig oud worden in de omgeving die zij verkiezen; de omgeving waar zij vertrouwd mee zijn en waar zich veelal ook hun sociale netwerk bevindt. Voor inwoners met een beperking streeft de gemeente ernaar om hen zolang en zoveel mogelijk deel uit te laten maken van de gezinssituatie. Als voor jeugdige inwoners, oudere inwoners, inwoners met een beperking geldt dat blijven wonen in de oorspronkelijke thuissituatie (gedeeltelijk) niet houdbaar is, stelt de gemeente daarvoor (bij voorkeur tijdelijk) passende voorzieningen beschikbaar. De gemeente heeft in het licht hiervan het volgende maatschappelijk effect geformuleerd: 

Inwoners kunnen zo lang mogelijk veilig thuis wonen

7.1.1 Vergrijzing; een belangrijke motor van extramuralisering en innovatie Het aantal senioren stijgt in Ridderkerk de komende decennia aanzienlijk; senioren blijven langer thuis wonen, worden ouder en blijven langer vitaal. De behoefte aan zorg en ondersteuning voor deze doelgroep zal hierdoor (blijven) toenemen en meer inzet van mantelzorgers en vrijwilligers zal nodig zijn. In hoofdstuk 5 is al beschreven wat de inzet is op het gebied van ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers. In dit hoofdstuk gaan we nader in op ‘vrijwillige zorg’. Deze vorm van informele zorg wordt vanuit een georganiseerd verband geboden en de hulp wordt veelal één op één geboden. De vrijwilligers hebben werkervaring in de zorg of hulpverlening. Zij bieden ondersteuning aan bijvoorbeeld mensen met dementie of personen die zich eenzaam voelen. Deze extra inzet op informele zorg is met oog op het langer zelfstandig blijven wonen van senioren nodig. Samen met onze maatschappelijke partners wordt een netwerk ‘vrijwillige zorg’ opgezet. Een groeiende groep senioren wenst met andere leeftijdsgenoten bij elkaar te wonen; de behoefte aan collectieve woonvoorzieningen waar senioren voor elkaar zorgen en gezamenlijk activiteiten ontplooien, samen eten et cetera groeit. De gemeente wil deze ontwikkeling in samenwerking met de woningcorporatie en andere partners stimuleren.

Daarnaast wil de gemeente de behoefte aan zogenaamde kangoeroewoningen21 in Ridderkerk onderzoeken. In de woonvisie van de gemeente zal hier nader op worden ingegaan. ‘It takes a village to raise a child’ is een bekende uitspraak. De essentie van deze uitspraak is dat de hele samenleving nodig is om een kind groot te brengen; dat dus iedereen een bijdrage zou moeten hebben in het zorgen voor kinderen. En wat voor de kinderen geldt, geldt eigenlijk ook voor de doelgroep thuiswonende senioren met een zorgbehoefte. Om -zo nodig in samenhang met professionele zorg- aan deze behoefte tegemoet te komen en ter ontlasting van mantelzorgers is een wijkgericht hulp- en welzijnsaanbod van belang. De haalbaarheid wordt onderzocht van aanvulling van de huidige digitale sociale kaart met een matchingsfunctie van vraag en aanbod op dit gebied op wijkniveau. 34

De verschuiving van (intramurale) woonvoorzieningen naar ambulante zorg in de thuissetting is ook een gewenste ontwikkeling om de druk op de (gezondheids-)zorg terug te dringen. Dit betreft zowel de doelgroep senioren als inwoners met een psychiatrische aandoening. De gemeente wil dan ook ruimte bieden aan initiatieven voor het opzetten van woonvormen voor inwoners met een andere hulpvraag, zoals mensen met psychiatrische -, psychosociale en/of psychogeriatrische problematiek of mensen met een verstandelijke of lichamelijke beperking. Door de wensen, behoeften en ideeën van inwoners te combineren met het netwerk, organisatiekracht en financiële middelen van de gemeente en de woningcorporatie, kan zorg binnen deze woonvormen doelmatiger en efficiënter worden ingezet. Door deze co-creatie ontstaan oplossingen waarin sprake is van gedeeld eigenaarschap en draagvlak vanuit de samenleving. Sommige kwetsbare groepen mijden, al dan niet bewust, zorg. Doordat hulpdiensten achter de voordeur komen, komen zij in contact met moeilijk bereikbare groepen zoals personen met verward gedrag, betrokkenen bij huiselijk geweld of eenzame ouderen. We willen de signalerende functie van hulpdiensten en de samenwerking met de wijkteams versterken.

Een risico van het langer thuis wonen van senioren is dat een deel van hen wel ondersteuning of zorg nodig hebben, maar dit niet aangeeft of de weg daar naartoe niet weet te vinden. Voor het signaleren van dergelijke situaties blijft het vijfjaarlijks afleggen van huisbezoeken aan 75+ers belangrijk. Voor de groep mensen met dementie die langer thuis woont is extra aandacht nodig. Tot 2040 verdubbelt het aantal personen met dementie in Nederland. 70% van hen woont thuis en worden met name verzorgd door hun mantelzorger(s) die hier zo’n 20 uur per week aan besteden. 50% van deze mantelzorgers is overbelast of dreigt dat te raken. De Ketenzorg Dementie van de BAR-regio is dan ook onmisbaar. Het meerjarenplan Dementie 2018-2021 wordt onverkort uitgevoerd. Blijvend investeren in vitaliteit moet mede leiden tot een afname van het aandeel ouderen met dementie.

7.1.2 Borging veiligheid in thuissituatie De gemeente vindt het van groot belang dat de veiligheid in de thuissituatie voor alle inwoners geborgd is. Als er sprake is van dreiging of escalatie in een thuissituatie heeft de gemeente meerdere instrumenten tot de beschikking om in te grijpen voor jeugdigen en volwassenen. Het doel is deescalatie van problematiek en de rust herstellen. Sinds 2019 moeten professionals signalen van kindermishandeling en huiselijk geweld melden bij Veilig Thuis. De uitgangspunten zijn vastgelegd in de regiovisie huiselijk geweld en kindermishandeling 2020-2023. Deze uitgangspunten worden lokaal geïmplementeerd. Ook ouderenmishandeling verdient meer aandacht. Deze vorm van mishandeling komt in verschillende gedaanten voor: lichamelijke of psychische mishandeling, maar ook verwaarlozing, financiële uitbuiting of seksueel misbruik. De mishandeling kan worden gepleegd door partners, familieleden of bijvoorbeeld huisvrienden. Ouderenmishandeling wordt nog onvoldoende gesignaleerd en gemeld.

7.1.3 Versterken van verbinding tussen zorg en veilig via het Zorg- en Veiligheidshuis De gemeente wil de verbinding tussen de domeinen zorg en veilig verbeteren. Een belangrijk samenwerkingsverband in dit kader is het Zorg – en Veiligheidshuis Rotterdam Rijnmond (ZVHRR) waarin de gemeente participeert. Vanuit dit samenwerkingsverband wordt maatwerk geleverd om complexe problematiek aan te pakken. Het betreft een domeinoverstijgende samenwerking tussen het zorg -, jusititieel en sociaal domein. Sommige problemen van mensen zijn zo complex dat geen oplossing wordt bereikt in de reguliere processen van zorg en veiligheid. Er is dan regie en coördinatie nodig om tot een doorbraak te komen. De procesregisseurs van het ZVHRR brengen 35

professionals uit de domeinen zorg, veiligheid en gemeente bij elkaar. Zonder de verantwoordelijkheden over te nemen, dragen zij oplossingen aan voor gecoördineerde acties. Het ZVHRR bewaakt de uitvoering van de afspraken en kan vooruitgang forceren als het proces stagneert. Dankzij de netwerksamenwerking worden complexe problemen integraal aangepakt en beter beheersbaar. Het ZVHRR richt zich op personen met complexe problematiek waaronder de EPA-top (personen met verward gedrag en Ernstig Psychiatrische Aandoeningen), HIT’ers (veroordeelde woninginbrekers, straatrovers en overvallers), radicalisering, excessief geweld/wapens en drugsrunners, Huiselijk Geweld (inclusief stalking), hoog risico personen (bedreiging/geweld) en criminele gezinnen. Grootmoeder Dirkje woont naar haar zin in haar flat. Omdat het bijhouden van het huishouden door de ouderdom en longemfyseem moeilijk voor haar is, komt één keer per week de huishoudelijke hulp langs. De wijkverpleging helpt haar elke morgen en avond bij het aan en uittrekken van haar steunkousen. Voor het douchen en de toilet heeft ze twee jaar geleden zelf handgrepen gekocht die Ahmed voor haar heeft geïnstalleerd.

Corrie maakt zich zorgen om haar moeder. Dirkje wordt steeds vergeetachtiger. Daarom heeft Corrie contact opgenomen met het Wmo loket van de gemeente. Zij hebben haar doorverwezen naar de Case Manager Dementie van het zorgkantoor. De casemanager biedt samen met de ouderenadviseur emotionele ondersteuning en geeft tips aan Corrie en Dirkje over hoe om te gaan met vergeetachtigheid. Ook houdt de coördinator samen met de ouderenadviseur vinger aan de pols om te kijken of de situatie van Dirkje niet verslechterd. Als dit het geval is dan zal een indicatie voor ondersteuning vanuit de Wet langdurige zorg aangevraagd worden.

36

7.2 Relevante ontwikkelingen Vergrijzing De gemiddelde leeftijd in Nederland neemt toe. In Ridderkerk is hier eveneens sprake van door een stijging van het aantal ouderen en een daling van het aantal jongeren. Het aantal personen met dementie neemt als gevolg van de vergrijzing toe. Van zorg naar preventie Er is een toenemende aandacht voor vroegtijdige signalering van risicovolle situaties en tijdige interventie ter voorkoming van het beroep op (zwaardere) zorg. Toename complexiteit van de samenleving Door de toenemende complexiteit van de samenleving kan een groeiende groep mensen niet meedoen in de samenleving. Dit heeft onder meer eenzaamheid en/of GGZ-problematiek tot gevolg.

Toenemend beroep op zorg en ondersteuning Doordat de gemiddelde leeftijd van de bevolking stijgt en door veranderingen in de zorg, blijven steeds meer mensen met een zorgvraag langer thuis wonen. De behoefte aan zwaardere zorg aan huis neemt als gevolg hiervan toe. De extramuralisering22 in de zorg versterkt dit, ook voor wat betreft andere doelgroepen. ‘Smart living’ Door de technologische ontwikkelingen kunnen ouderen en hulpbehoevenden ondersteund worden in het langer zelfstandig thuis wonen en kan de veiligheid hierbij bevorderd worden. Zorgprofessionals en mantelzorgers kunnen op afstand contact houden. Totaal aantal mensen met dementie/alzheimer in Ridderkerk 2019 Het totaal aantal mensen waarvan bekend is dat zij dementerend zijn is in 2019: 316. In de grafiek in de bijlage is te zien dat het aantal mensen met dementie/alzheimer in de postcodegebieden West, Bolnes en Drievliet/Crezeepolder het grootst is. Dit hangt samen met het aantal 75+’ers in deze wijken. De stijging van het aantal inwoners met dementie/alzheimer hangt samen met de stijging van het aantal inwoners van 75 jaar en ouder. Het aantal 75+’ers met dementie/alzheimer blijft tot 2040 rond de 7% in alle postcodegebieden. Het aantal senioren neemt tot 2040 echter toe, waardoor het aantal mensen met dementie eveneens zal toenemen.

7.3 Waar zetten we op in? Deze paragraaf geeft weer waar de gemeente in samenwerking met partners de komende jaren op wil inzetten. Het betreft aanvullende of aangescherpte inzet. Op sommige aandachtsgebieden vindt al inzet plaats; deze is dan opgenomen in bijlage 1, waar een uitgebreider overzicht is te vinden van deze inspanningen. 

  

We zetten ons in voor een toekomstbestendig wijkgericht hulp- en welzijnsaanbod. De samenwerking met partners is erop gericht dat inwoners actief mee kunnen (blijven) doen, naar elkaar omzien en elkaar helpen en zo lang mogelijk zelfstandig in de vertrouwde omgeving kunnen blijven wonen. De gemeente stimuleert/initieert de ontwikkeling van innovatieve, collectieve woonvormen. In samenwerking met onze partners wordt gezocht naar nieuwe zorgarrangementen voor senioren waarbij bijvoorbeeld bezien wordt op welke wijze huishoudelijke hulp en begeleiding slim gecombineerd kunnen worden. Voorzieningen van Beschermd Wonen worden, conform het landelijk beleid, verder 37

       

afgebouwd. Samen met maatschappelijke partners ontwikkelt de gemeente passend aanbod op het gebied van begeleid wonen, zo nodig in combinatie met ambulante zorg in de thuisomgeving. De verbinding tussen de Wmo, GGZ, welzijn en wonen wordt versterkt. We houden er rekening mee dat onder invloed van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (ingevoerd per 1 januari 2020) vaker verplichte zorg in de thuissituatie worden opgelegd. We volgen de ontwikkelingen op de voet en hebben oog voor issues die kunnen ontstaan op het gebied van leefbaarheid en veiligheid. De verwachting is dat de wet nog zal worden geëvalueerd. Er wordt een netwerk vrijwillige zorg opgezet, samen met onze maatschappelijke partners. Haalbaarheidsonderzoek doorontwikkeling matchingsfunctie digitale sociale kaart. De signaleringsfunctie van hulpdiensten en hun samenwerking met de wijkteams wordt versterkt. Bewustwording en signalering van ouderenmishandeling krijgt extra aandacht De uitgangspunten van de regiovisie huiselijk geweld en kindermishandeling 2020-2023 worden lokaal uitgewerkt De samenwerking in het Zorg en Veiligheidshuis wordt gecontinueerd en binnen dat samenwerkingsverband verlenen we medewerking aan doorontwikkeling van de aanpak op het gebied van zorg en veilig. We continueren de vijfjaarlijkse huisbezoeken aan 75 plussers. We zetten in op bewustwording en kennis over dementie.

We maken de samenleving dementievriendelijker.

21

Gekoppelde woningen, bijvoorbeeld voor een gezin en een zorgbehoevende ouder. Extramuralisering is het streven om buiten de muren van een intramurale instelling gelijkwaardige zorg te bieden, bijvoorbeeld in de eigen woning 22

38

8. Implementatie & financiën In dit hoofdstuk wordt ingegaan op een aantal relevante voorwaarden voor succesvolle implementatie van het beleid. Het hoofdstuk sluit af met een financiële paragraaf. De ambities uit deze nota kan de gemeente alleen samen met de maatschappelijke partners realiseren.

8.1 Pijlers voor succesvolle implementatie De transformatiebeweging die de gemeente wil intensiveren en de bijbehorende maatschappelijke effecten vragen om een integrale aanpak en focus via een voortdurende leercyclus en het (voortdurend) doorvoeren van verbeteringen en vernieuwingen. Om dat te kunnen bewerkstelligen implementeert de gemeente het ‘Integraal Beleid Sociaal Domein’ rondom een drietal pijlers: 1. Partnerschap & ruimte voor initiatief 2. Ruimte voor ‘leren en experimenteren’ (innovatie) 3. Integrale en wijkgerichte samenwerking De mate waarin de gemeente en partners in staat zijn om deze pijlers goed te organiseren zullen er toe leiden dat de doelen van het ingezette beleid steeds beter bereikt worden. Zij kunnen dus ook worden omschreven als kritische succesfactoren. Hieronder gaan we in op deze succesfactoren. 1. Partnerschap en ruimte voor initiatief Daar waar de overheid voorheen met name gericht was op rechtmatigheid en prestaties, wordt de rol van de overheid steeds meer samenwerkingsgericht en responsief; met name op het gebied van complexe sociale vraagstukken. Hier hoort een andere manier van sturing en beheersing bij; meer gericht op samenwerking, op gezamenlijk eigenaarschap binnen een samenhangende, integrale aanpak. Deze ontwikkeling is in onderstaand figuur weergegeven:

Figuur 3 - vier rollen van de overheid (Berenschot, 2019)

Om de vraagstukken in het sociaal domein aan te pakken en de gewenste transformatie te bewerkstelligen focust de gemeente zich meer op haar rol als samenwerkende en responsieve overheid. Vanuit de responsieve benadering biedt de gemeente, daar waar het bijdraagt aan het bereiken van de maatschappelijke effecten, ruimte aan (buurt)initiatieven van inwoners. De rol van de gemeente blijft enerzijds sturend, bijvoorbeeld op het gebied van de inkoop & bekostiging van diensten/aanbod of met oog op de uitvoering van wetten of in het kader van fraudebestrijding. Daarnaast zal de gemeente zich meer verbindend, faciliterend, stimulerend en soms initiërend opstellen. De gemeente is vanuit deze benadering meer de procesregisseur die samenwerkingsverbanden ‘smeedt’, ketens aan elkaar verbindt en samen met de betrokken partners innovatievermogen opbouwt. 39

Opgavetafels In bijlage 1 is in tabellen per maatschappelijk effect weergegeven welke inspanningen ten tijde van de aanvang van deze beleidsperiode verricht worden die bijdragen aan het beoogde effect. Rondom ieder maatschappelijk effect zal een lokale ‘opgavetafel’23 worden gevormd. In samenspraak met onze partners aan iedere ‘opgavetafel’ wordt besproken welke inzet gepleegd moet worden om de beoogde effecten zo effectief en efficiënt als mogelijk te bereiken. De bedoeling is hiermee de integraliteit van de aanpak te verbeteren, overlap in het aanbod te voorkomen/weg te nemen en met de partners aan tafel te bezien waar innovatieve aanpakken gerealiseerd kunnen worden. Ook de resultaten van het gevoerde beleid worden aan deze tafels besproken. De inzichten van de opgavetafel kan voor de gemeente aanleiding zijn wijzigingen aan te brengen in de (bekostiging van) diensten in het sociaal domein. Data-gedreven werken De gemeente wil stapsgewijs een meer data- en informatiegedreven vorm van werken ontwikkelen die ondersteunend is aan de outcomegerichte sturing. Deze ontwikkeling vraagt om een gestructureerde lange termijnaanpak met aandacht voor leren, monitoren, analyseren en meten. Outcomegericht werken vraagt zowel om kwantitatief als kwalitatief onderzoek.

Om gegevens uit onder meer rapportages, data-analyses, cliëntervaringsonderzoeken en interviews met de doelgroep goed te kunnen interpreteren, moet het gesprek (vanuit meerdere perspectieven) gevoerd worden. Het is van belang dat bij deze gesprekken een diversiteit van betrokken partijen aanwezig is; ook de doelgroep(en) van ons beleid zullen bij de ‘opgavetafels’ betrokken worden. Waar mogelijk worden data op wijkniveau ontsloten ten behoeve van de wijkgerichte hulp en ondersteuning en samenwerking. Dit draagt bij aan onze wens om de aanpak steeds meer wijkgericht, op maat, vorm te geven. Aan de 'opgavetafels' is aandacht voor het complete verhaal achter de cijfers en (klant)ervaringscijfers. Samen met de maatschappelijke partners zal de gemeente steeds beter kunnen duiden wat de effecten van de gezamenlijke inspanningen zijn. Soms zal dat gebeuren aan de hand van 'tellen' (kwantitatieve gegevens), vaker zal dat gebeuren aan de hand van 'vertellen' (kwalitatieve gegevens) of een combinatie hiervan. 2. Ruimte voor ‘leren en experimenten’ (innovatie) In samenspraak met partners worden de huidige inspanningen tegen het licht gehouden. Mogelijk verdienen deze bijsturing of kunnen ze ingewisseld worden voor nieuwe aanpakken.

De vernieuwing moet enerzijds ontstaan vanuit de integrale samenwerking door te kijken naar mogelijkheden om ‘oude inspanningen’ te verruilen voor ‘nieuwe inspanningen’ of door een project/pilot in het kader van het Sociaal Innovatiefonds. Aan de ‘opgavetafels’ zal onderzocht worden of een aantal projecten gericht op innovatie uitgevoerd kan worden en wordt kennis en ervaring die elders in het land is opgedaan benut. We onderzoeken in samenwerking met onze partners nieuwe vormen van hulp en ondersteuning en bieden mogelijkheden om te investeren in innovatie. De gewenste transformatie vraagt immers om een andere houding en werkwijze van de gemeente: gelijkwaardig samenwerken met burgers, professionals, organisaties en bedrijven en uitzoeken wat werkt, of niet, en daarvan leren. Structureel leren en ontwikkelen staan dus centraal met als doel de kwaliteit van de inzet steeds meer te verbeteren en flexibel in te kunnen spelen op ontwikkelingen en/of veranderende omstandigheden. Het proces is in onderstaande afbeelding weergegeven.

40

Figuur 4 (bron: Movisie)

De resultaten van het beleid worden ook beïnvloed door andere ontwikkelingen zoals economische ontwikkelingen of een crisis zoals de coronacrisis. Dit worden omgevingsfactoren genoemd. Ook deze omgevingsfactoren moeten betrokken worden bij de bespreking van behaalde resultaten. Het kan namelijk zijn dat het beleid met succes is uitgevoerd maar dat een andere maatschappelijke ontwikkeling of actualiteit de resultaten beïnvloedt, zoals een recessie. 3. Integrale en wijkgerichte samenwerking 3a. integraliteit in de samenwerking De gemeente investeert in de optimalisatie van de eigen dienstverlening door werkwijzen en – processen in de uitvoering op elkaar af te stemmen. De vraagverheldering vindt waar nodig integraal en zo vroeg mogelijk in het proces plaats. De gemeente zet in op een integrale dienstverlening en een duurzaam resultaat voor de inwoner; is de zelfredzaamheid versterkt en hoeft men minder snel opnieuw een beroep op hulp te doen? De integrale aanpak heeft betrekking op de uitvoering van de Participatiewet, de Wet op de gemeentelijke schuldhulpverlening, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Jeugdwet w.o. de hulp vanuit de wijkteams en ingekochte (specialistische) hulpvoorzieningen. Sommige onderdelen van de dienstverlening voert de gemeente niet zelf uit maar heeft de gemeente via een vorm van opdrachtgeverschap bij partners belegd.

Dit geldt onder andere voor de hulpverlening die vanuit de wijkteams wordt geboden (de zogenaamde ‘basishulp’) en de ingekochte (specialistische) hulp die door specialistische aanbieders wordt aangeboden. 3b. wijkteams & wijkgerichte samenwerking Wijkteams De gemeente werkt de komende periode aan de aanscherping van rollen en taken voor de wijkteams in relatie tot de rol van de gemeente en partners in de wijk. De afspraken vormen samen met dit Integraal Beleid Sociaal Domein een belangrijke basis voor de doorontwikkeling van de wijkteams. Uitgangspunt van het wijkteam is de eigen kracht van de individuele inwoner en zijn of haar netwerk, de kracht van de wijk en de kracht van de wijkteamprofessional vergroten. Samen zorgen zij voor een sterke basisstructuur in de wijk, waar ieder zoveel mogelijk zelf doet, maar waar inwoners ook de hulp en ondersteuning krijgen die nodig is. De kracht van een wijkteam zit in het integraal en wijkgericht werken dichtbij de inwoners. Hierdoor kunnen vragen van inwoners snel en adequaat worden opgepakt. 41

De taken van het wijkteam zijn:     

het organiseren van de ondersteuningsvragen die binnenkomen en voeren van casusregie; uitvoeren van (kortdurende ) ondersteuningstrajecten; een adviesfunctie en samenwerkingspartner voor het lokale veld op het gebied van preventie, gezondheid en welzijn; vroegtijdig signaleren en inzetten op preventie; diagnostiek/vraagverheldering zodat passende hulp en ondersteuning ingezet kan worden.

De komende jaren verschuift het accent van het wijkteam naar netwerksamenwerking, hulpverlening en casusregie. De gemeente neemt een meer prominente rol in bij de toegang en toeleiding naar specialistische hulpverlening. De ontwikkelpunten voor de wijkteams zijn voornamelijk gelegen in:    

intensiveren van preventief werken en vroegsignalering; meer outreachend werken; (meedenken over het) doorontwikkelen van collectieve voorzieningen; de verbinding met de zogenaamde nuldelijnszorg24.

Wijkgerichte samenwerking Inwoners die vragen hebben op het gebied van hulp en ondersteuning kunnen hiervoor bij de gemeente terecht. Op basis van de hulpvraag leveren we individueel maatwerk en bieden we een passend hulpaanbod aan. Naast het individuele hulpaanbod wil de gemeente de samenwerking in de wijk met andere verwijzers naar hulpverlening, zoals huisartsen en de jeugdbescherming, of partners in de wijk zoals de thuiszorg en wijkverpleging, de (jeugd)gezondheidszorg en het welzijnswerk intensiveren en verder ontwikkelen Daarbij wordt niet de klacht en het individu centraal gesteld, maar de behoefte(n) van de groep(en) binnen de wijk. De grootste knelpunten en behoefte(n) in een bepaalde wijk vormen het uitgangspunt voor het vinden van oplossingen voor vraagstukken in het sociaal domein. Daarbij wordt (ook) de verbinding gelegd met de reeds bestaande wijkoverleggen en de inzet van de wijkregisseurs. De gemeente wil een goed werkend wijknetwerk door ontwikkelen op het gebied van welzijn, informele zorg, gezondheid, hulp en ondersteuning. Sinds het ontstaan van de wijkteams heeft de gemeente met de partners die hulp leveren via de wijkteams stappen gezet in wijkgerichte hulp en het bouwen aan een wijknetwerk. Dat opgebouwde wijknetwerk wil de gemeente behouden en uitbouwen. Ingezet wordt op:       

een (stevige) regierol vanuit de gemeente; gedeeld eigenaarschap; goede informatiepositie door middel van bijvoorbeeld ‘wijkscans’ als input voor ‘opgavetafels en (doorontwikkeling van) wijkteams; een transparante werkwijze met een heldere rol- en taakverdeling tussen partners in de wijk, verwijzers en contractanten; Het verbeteren van de (ervaren) kwaliteit van hulp en ondersteuning; Het verbeteren van de gezondheid van de wijkbewoners; Het verlagen van de kosten per hoofd van de bevolking.

8.2 Andere factoren Gegevensuitwisseling Een factor waar in de integrale aanpak op casusniveau rekening mee moet worden gehouden, is de 42

privacy en als gevolg daarvan de (on)mogelijkheden in het delen van informatie. De huidige wetgeving (AVG) zorgt ervoor dat de gemeente en partners beperkt zijn in de uitwisseling van gegevens tussen de uitvoering van de verschillende wettelijke kaders. Op het punt van gegevensuitwisseling volgt de gemeente de landelijke ontwikkelingen op de voet. De Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein (Wams) zal de uitwisseling van persoonsgegevens binnen het sociaal domein regelen en faciliteert de integrale aanpak. Deze wet voorziet in een uitgebreide aanpassing van de Wmo 2015, en een korte verwijzing daarnaar in de Jeugdwet, de Participatiewet en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Deze wet treedt naar verwachting 2021 in werking. Ervaringsdeskundigheid De inbreng van ervaringsdeskundigheid van de doelgroepen van het beleid, vrijwilligers en mantelzorgers is eveneens een belangrijke succesfactor voor de beoogde aanpak. Dit vraagt om erkenning van deze vorm van deskundigheid; zowel binnen de gemeente als de bij dit beleid betrokken maatschappelijke organisaties. Specialistisch aanbod Op het gebied van jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning zoekt de gemeente naar mogelijkheden om synergie te behalen tussen de (inkoop van) diverse typen hulp en ondersteuning in het spectrum van licht tot zwaar.

Daarbij valt te denken aan de overgang van 18- naar 18+ of de vormgeving van een betere aansluiting tussen zware en lichte ondersteuning waardoor makkelijker op- of afgeschaald kan worden. Strategische samenwerking Op een aantal terreinen werkt de gemeente strategisch samen. Bijvoorbeeld als het beschikbaar stellen van (schaarse) voorzieningen beter te organiseren is via het benutten van schaalvoordelen in een groter samenwerkingsverband. Denk hierbij aan de samenwerking in de jeugdhulpregio Rijnmond met oog op de beschikbaarheid van specialistische voorzieningen zoals jeugdbescherming en -reclassering. In dit samenwerkingsverband ontwikkelen gemeenten een gezamenlijke regiovisie op jeugdhulp. Ook op het gebied van de jeugdgezondheidszorg (JGZ) en preventie wordt op regionaal niveau samenwerk gewerkt via de Raad voor het Publiek Belang. Ook kan de gemeente kiezen voor een vorm van strategische samenwerking als er sprake is van een grote mate van afhankelijkheid met de beschikbaarheid van voorzieningen waarvoor de gemeente niet zelf bestuurlijk of financieel verantwoordelijk is. Denk hierbij aan samenwerking rondom (de doordecentralisatie) van Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang of aan afstemming omtrent de overgang naar de Wet langdurige zorg.

De samenwerking kan daarnaast gericht zijn op het behalen van maatschappelijk resultaat waar zowel gemeente als andere overheden of zorgverzekeraars baat bij kunnen hebben, zoals het investeren in welzijn waardoor het beroep op geestelijke gezondheidszorg bij volwassenen afneemt.

8.3 Financiën Net als in veel andere gemeenten in Nederland lopen de inkomsten en uitgaven van het sociaal domein helaas ook in Ridderkerk steeds meer uiteen. Dit stelt onze gemeente voor een ingewikkelde opgave: steeds meer grip op de uitgaven krijgen en de inkomsten & uitgaven van het sociaal domein meer in evenwicht brengen met elkaar. Een feit is echter dat zowel aan de inkomsten- als de uitgavenkant grote mate van onzekerheid en/of een negatieve ontwikkeling te zien is.

8.3.1 De inkomsten Sinds de decentralisatie van de zorgtaken in het kader van de Wmo en de Jeugdwet begin 2015 heeft de destijds al jaren bestaande trend van toenemend zorggebruik en stijgende zorgkosten zich onverminderd voortgezet. Ten tijde van de overheveling heeft de rijksoverheid een korting toegepast 43

onder de aanname dat gemeenten de hulpverlening effectiever en goedkoper zouden kunnen uitvoeren. Op de budgetten die gemeenten overgeheveld kregen werden direct kortingen doorgevoerd. Bovenop deze korting heeft de gemeente Ridderkerk in de afgelopen jaren met extra kortingen op het rijksbudget te maken gehad. De Nederlandse gemeenten staan nu opnieuw aan de vooravond van een herziening van de verdeelmodellen in het sociaal domein met ingang van 2022. Deze herziening wordt meegenomen in de totale herziening van het gemeentefonds. Via de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) zijn de afgelopen jaren meerdere signalen afgegeven dat het macrobudget van het sociaal domein te laag is. De rijksoverheid doet op dit moment onderzoek hiernaar en heeft aangegeven dat het resultaat van dit onderzoek meegewogen wordt in de herziening. De consequenties van de herziening zijn op dit moment nog ongewis, maar de verwachting is dat het een negatief effect zal hebben op de budgetten die Ridderkerk van het Rijk ontvangt.

8.3.2 De uitgaven De uitgaven in het sociaal domein nemen jaarlijks toe. Dit wordt enerzijds veroorzaakt door de autonome ontwikkelingen binnen Ridderkerk zoals de toename van de vraag naar ondersteuning en zorg door onder meer de vergrijzing en een toename van de complexiteit van die zorgvragen. Een andere oorzaak is het inperken van de gemeentelijke beleidsvrijheid. Het Rijk schrijft gemeenten bijvoorbeeld voor een reële kostprijs te hanteren bij de inkoop van diensten en heeft het abonnementstarief voor Wmo-voorzieningen ingevoerd waardoor gemeenten geen inkomensafhankelijke bijdragen meer kunnen vragen voor de diensten. Als gevolg hiervan zijn de opbrengsten uit de eigen bijdragen gedaald.

8.3.3 Grip op kosten deels beïnvloedbaar Als gemeente hebben we slechts ten dele grip op deze uitgaven. Allereerst omdat we een wettelijke zorgplicht hebben; wanneer een inwoner zorg of ondersteuning nodig heeft, moeten we dit (onder voorwaarden) bieden en bekostigen. In tegenstelling tot bij de WMO, zijn er voor de jeugdhulp meerdere verwijzers zoals de gecertificeerde instellingen, huisartsen en medisch specialisten. Hierdoor heeft de gemeente minder grip op deze verwijzingen en op de integrale benadering van een vraag. Om de ‘transformatiebeweging’ te bewerkstelligen is een lange adem nodig. De transformatiebeweging vraagt om investeringen in welzijn, preventie en vroegsignalering. Hoe we daarop willen gaan sturen is uitgewerkt in deze nota.

8.3.4 Inzet financiële middelen Uitgangspunt bij de inzet die in deze nota is opgenomen is dat een en ander zoveel mogelijk binnen bestaande budgetten wordt uitgevoerd25. De gemeentelijke ambities zijn hoog, maar de huidige financiële positie van de gemeente noopt tegelijk tot terughoudendheid. Voor nieuwe inspanningen of intensivering van activiteiten geldt dat het principe ‘nieuw voor oud’ wordt gehanteerd. Daar waar zal blijken dat dit niet mogelijk is, zal de afweging via de gebruikelijke planning- en controlcyclus plaats vinden. De gemeente zal samen met haar partners via innovatieve en projectmatige aanpakken de komende jaren op zoek gaan naar de meest effectieve en efficiënte wijzen waarop de maatschappelijke effecten uit deze beleidsnota bereikt kunnen worden. Hiertoe is ruimte nodig om te kunnen leren en experimenteren. Indien de gemeenteraad besluit tot instelling van een Sociaal Innovatiefonds, dan kan in voorkomende gevallen een aanvraag voor een beroep op dit fonds worden gedaan door onze samenwerkingspartners. 23

De term ‘opgavetafel’ wordt gehanteerd om duidelijk te maken dat aan de betreffende overlegtafel gefocust wordt op het bereiken van het betreffende maatschappelijke effect. Er komen derhalve vijf opgavetafels. De bij het betreffende maatschappelijke effect betrokken partijen zijn partner in het overleg, inclusief een vertegenwoordiging van de doelgroep en/of inwoners van de gemeente.

44

24

Nuldelijnszorg is de zorg die gegeven wordt door mantelzorgers, vrijwilligers en familie. Behoudens financiële gevolgen van autonome ontwikkelingen aangaande het beroep op voorzieningen in het kader van de Wmo, de Jeugdwet en de Participatiewet 25

45

9 Sturing en monitoring Een essentieel onderdeel van de implementatie is de vormgeving van outcomegerichte sturing en de versterking van de informatiepositie van de gemeente. Versterking van het partnerschap vormt ook een belangrijk aandachtspunt. De vraagstukken in het sociaal domein zijn complex en de aanpak ervan is meerledig. De gemeente gaat de maatschappelijke uitdagingen graag samen met haar partners aan. Partners in de brede zin van het woord. Om de zorg betaalbaar te houden is het van groot belang dat de inspanningen die verricht en veelal bekostigd worden zo effectief en efficiënt als mogelijk zijn. De gemeente wil in samenwerking met de maatschappelijke partners op de geformuleerde maatschappelijke effecten gaan sturen. Sturing op maatschappelijk effect of resultaat wordt ook wel ‘outcome-gerichte’ sturing genoemd. Van de maatschappelijke partners zal betrokkenheid en commitment worden gevraagd. Het vermogen en de bereidheid het organisatiebelang te overstijgen wanneer het collectieve belang hierom vraagt is van groot belang. Het met elkaar de focus krijgen en behouden op het zo effectief en efficiënt mogelijk werken aan de maatschappelijke opgaven, vraagt een wendbare houding van alle betrokkenen.

9.1 Sturing op maatschappelijk resultaat Lange tijd was de veronderstelling in ‘gemeenteland’ dat grip op maatschappelijk effect verkregen kon worden wanneer het duidelijk was welke inspanningen werden geleverd; de zogenaamde output. Inmiddels is bekend dat de relatie tussen de diensten die geleverd worden en de beoogde effecten complexer is. Dat wil overigens niet zeggen dat de gemeente de inspanningen niet in beeld moet hebben. Integendeel, het is belangrijk om ook dat overzicht te hebben. Echter zal de gemeente in steeds mindere mate sturen op de zogenaamde ‘output’, dat wil zeggen op bijvoorbeeld het aantal bezoeken dat aan 75+ers is afgelegd, of het aantal inwoners dat een bijeenkomst heeft bijgewoond ter bestrijding van eenzaamheid. Dergelijke indicatoren zijn niet onbelangrijk, want op die wijze kan het bereik van de gewenste doelgroepen en de omvang van de ingezette inspanningen vast worden gesteld. Maar de gemeente wil het maatschappelijk resultaat meer centraal stellen. Dat wil zeggen dat in het voorbeeld van de 75+ers niet primair de vraag zal zijn of iedereen bezocht is, maar hoe het (ervaren) maatschappelijk resultaat van de afgelegde bezoeken is.

Alleen langs die weg komen we tot de kernvragen: doen we de juiste dingen? Is bijsturing nodig? Is het nodig om met een andere vorm van inzet te experimenteren? Zijn er succesvolle praktijken elders in Nederland die we ook in Ridderkerk kunnen toepassen? Outcome gaat dus niet over het aantal diensten dat wordt geleverd maar juist over de effecten daarvan: wat brengen de inspanningen teweeg? Daarom vinden wij het meten van outcome een betere manier om vast te stellen of de beoogde effecten behaald worden.

9.2 Beleidsmonitor Om goed te kunnen sturen op de maatschappelijke effecten die we willen bereiken en de resultaten die behaald worden te monitoren, is een monitor per maatschappelijk effect opgesteld. Deze monitor is hieronder weergegeven. De effectiviteit van het beleid zullen gemeente en partners samen tegen het licht houden en zal mede onderdeel uitmaken van het gesprek aan de opgavetafels. In deze beleidsmonitor zijn per maatschappelijk effect de (sub)doelstellingen, onderliggende ambities en een eerste inventarisatie van mogelijke indicatoren geformuleerd die aansluiten bij de richting en gewenste ‘outcome’ van dit ‘Integraal Beleid Sociaal Domein’. De monitor vormt voor de komende jaren de basis voor het volgen van de resultaten van dit beleid. De monitor is geen statisch geheel maar zal door de gemeente samen met partners door worden ontwikkeld op basis van o.a. voortschrijdend inzicht, (snelheid van) beschikbaarheid van data en de inbreng van gemeente en partners aan de opgavetafels. In de monitor zijn geen streefcijfers opgenomen. Het is de wens van de gemeente om eventuele streefwaarden steeds meer onderdeel uit te laten maken van de jaarlijkse 46

planning & control-cyclus. De eventuele streefwaarden sluiten op die manier het beste aan op de actuele situatie in de gemeente. De opbouw van elke monitor is weergegeven zoals hieronder in de tabel afgebeeld. = maatschappelijk effect = doelen = ambities = indicator

In de monitor zijn diverse afkortingen gebruikt. Hieronder is de lijst van afkortingen weergegeven. LIJST VAN AFKORTINGEN SSD SHV PW WSJG GI IVH CEO Poh j-ggz CJG GGD BP

Suite Sociaal Domein Schuld Hulp Verlening Participatiewet Waar staat je gemeente Gecertificeerde Instelling Intensief Vrijwillige Hulpverlening Cliënt Ervarings Onderzoek Praktijkondersteuner jeugd ggz Stichting Centrum voor Jeugd en Gezin Rijnmond Gemeentelijke Gezondheidsdienst Rotterdam-Rijnmond Burgerpeiling26

26

In deze beleidsmonitor zijn indicatoren opgenomen waarbij als bron de burgerpeiling is opgenomen. Tijdens de implementatiefase van deze nota wordt bezien of en op welke wijze de burgerpeiling hiertoe uitgebreid kan worden.

47

1. Ridderkerkers ontwikkelen zich optimaal

a. Minder inwoners hebben taal- of ontwikkelachterstanden

Een doorgaande leer- en ontwikkellijn

% risico op onderwijs achterstanden Bron: WSJG

Relatief en absoluut verzuim per 1.000 leerlingen Bron: WSJG

Meer inwoners met een startkwalificatie

Voortijdig schoolverlaters zonder start kwalificatie Bron: WSJG

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/746/documents/28001