CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Woning Rijksstraatweg 165-B - Toelichting.pdf

Gemeenteraad RK 16 februari 2023, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 6: Vaststelling bestemmingsplan Woning Rijksstraatweg 165-B19.202 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.1.2.1 Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben. De grootte van de bij het type weg horende geluidszone is opgenomen in onderstaande tabel. Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken

Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m

Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m

De zones uit de tabel gelden niet voor: • •

wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).

In het kader van voorgenomen ontwikkeling is er door BJZ.nu een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 1 bij de toelichting. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten. Ten behoeve van het voornemen moet een ruimtelijke procedure worden doorlopen. In het kader van deze procedure is het noodzakelijk om de geluidbelasting ter plaatse van de gewenste woningen te toetsen aan het stelsel van voorkeurswaarde en maximale ontheffingswaarden uit de Wet geluidhinder. In voorliggend geval betreft het enkel het aspect wegverkeerslawaai. De geluidsbelasting als gevolg van de Rijksstraatweg bedraagt maximaal 47 dB inclusief reductie en 52 dB exclusief reductie (noordgevel). Hiermee wordt voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. Gelet op het bovenstaande is er ter plaatse van het projectgebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect wegverkeerslawaai.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

Bestemmingsplan ‘Woning Rijksstraatweg 165-B’ Vastgesteld 4.1.2.2 Railverkeerslawaai De te realiseren woning ligt niet binnen een wettelijke geluidszone van een spoorweg. Een akoestisch onderzoek railverkeerslawaai kan achterwege blijven.

4.1.2.3 Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen de geluidszone van een gezoneerd bedrijventerrein, het aspect industrielawaai kan buiten beschouwing worden gelaten. In paragraaf 4.5 wordt nader ingegaan op de in de omgeving aanwezige (individuele) bedrijvigheid.

4.1.3

Conclusie

De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.2

Bodem

4.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht. Op de locatie is op 7 december 2021 een verkennend- en nader bodemonderzoek conform NEN5740 en NEN5707 uitgevoerd. De locatie betreft een voormalig agrarisch schuur met omliggend terrein. Gesteld wordt dat het uitgevoerde bodemonderzoek een actueel beeld schetst van de milieukundige staat van de bodem. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 2 bij deze plantoelichting, hierna wordt ingegaan op de conclusies en aanbevelingen.

4.2.2

Onderzoeksresultaten

Verkennend bodemonderzoek NEN5740 Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707. Gehele locatie In het bovengrondmengmonster BM1 zijn lichte verhogingen kobalt, nikkel, koper, zink, cadmium, kwik, lood en PAK 10 VROM aangetroffen. In het ondergrondmengmonster OM1 zijn lichte verhogingen koper, zink, cadmium, kwik, minerale olie en PAK 10 VROM aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 zijn lichte verhogingen xylenen, barium en naftaleen aangetroffen. Tevens is er een matige verhoging lood aangetroffen in het ondergrondmengmonster. Naar aanleiding van deze verhoging zijn de separate deelmonsters van OM1 geanalyseerd op lood. In de separaat geanalyseerde deelmonsters zijn verhogingen aangetoond boven de interventiewaarde in boring 1 en 2. De sterke verhogingen in de deelmonsters geven aanleiding voor het laten uitvoeren van een nader onderzoek naar de ernst en omvang van de verontreiniging. Nader bodemonderzoek NTA 5755 Naar aanleiding van de aangetroffen verontreiniging ter plaatse van de boorpunten 1 en 2 is nader onderzoek verricht in de ondergrond van het verkennend bodemonderzoek. In het nader bodemonderzoek zijn 16 boringen in een raster verdeeld om de ernst en omvang van de verontreiniging zo goed mogelijk in beeld te krijgen.

In de uitgevoerde analyses zijn enkel licht verhoogde gehalten lood gemeten. Omdat er geen concentraties zijn aangetoond boven de tussenwaarde kan gesteld worden dat er sprake is van BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Bestemmingsplan ‘Woning Rijksstraatweg 165-B’ Vastgesteld enkele puntverontreinigingen en hierdoor de 25 m3 niet overschrijdt. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Bij een niet-ernstige bodemverontreiniging geldt op grond van de Wet bodembescherming geen verplichting om over te gaan tot (spoedeisende) sanering. Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem” Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen. Gehele locatie Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. Het mengmonster MM1 is analytisch geen asbest aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt voor dit onderdeel een nader bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik.

4.2.3

Conclusie

Na het uitvoeren van een nader onderzoek naar de ernst en omvang van de geconstateerde verontreiniging blijkt dat er geen milieutechnische bezwaren zijn tegen de voorgenomen ontwikkeling. De bodem wordt geschikt geacht voor het toekomstige gebruik (wonen met tuin). Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1

Algemeen

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder andere de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor NO2 en PM10.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Bestemmingsplan ‘Woning Rijksstraatweg 165-B’ Vastgesteld 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

4.3.2

Situatie plangebied

Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 4.3.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'.

4.3.3

Conclusie

Op basis van het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.4

Externe veiligheid

4.4.1

Algemeen

Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • •

bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan.

Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Bestemmingsplan ‘Woning Rijksstraatweg 165-B’ Vastgesteld Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes.

Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik Besluit externe veiligheid buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. In dat besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Gemeentelijk beleid De gemeente Ridderkerk beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid. Deze beleidsvisie bevat het samenhangend beleid ten aanzien van externe veiligheid. In de visie is een bijlage opgenomen met een overzicht van alle risicobronnen met bijbehorende risico's. In de bijlagen is tevens een scenario-analyse opgenomen van de meest waarschijnlijke en worst-case ongevalscenario's. De beleidsvisie is kaderstellend voor het nemen van ruimtelijke besluiten en het verlenen van vergunningen waarbij externe veiligheid in het geding is.

Onderzoek Op basis van de professionele risicokaart en de Externe veiligheidsvisie Ridderkerk blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende relevante risicobronnen aanwezig zijn:

4.4.2

Situatie plangebied

4.4.2.1 Algemeen Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. De rode ster geeft het plangebied weer.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Bestemmingsplan ‘Woning Rijksstraatweg 165-B’ Vastgesteld

Afbeelding 4.1

Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)

Geconcludeerd wordt dat de locatie: • • • •

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is, vervoer gevaarlijke stoffen over de A15 en de A16; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. ligging nét buiten invloedsgebied Kijfhoek in relatie tot beheerplan Kijfhoek.

Zoals is te zien in afbeelding 4.1 is er nabij het plangebied een risicovolle functie in vorm van een buisleiding aanwezig. Hierna wordt nader ingegaan op deze leiding. Gasleiding Gasunie Transport Services B.V. Ten westen van het plangebied op een afstand van circa 225 meter is een ondergrondse aardgasleiding aanwezig. Dit betreft een buisleiding van de Gasunie, het bevoegd gezag is I&M transport en de buisleiding staat bekend als 'GHY_507_H2_Unimills'. Door deze buisleiding vindt transport van aardgas plaats. De buisleiding heeft een diameter van 7 inch en een druk van 44 bar. De afstand van het invloedsgebied (1% letaalzone) is 200 meter (bron: signaleringskaart). Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van deze transportroute gevaarlijke stoffen en vormt hiermee geen belemmering voor de ontwikkeling. Een berekening en nadere verantwoording van het groepsrisico is daarom niet noodzakelijk. Wegtransport De A15 en de A16 zijn in de Regeling basisnet aangewezen als basisnetroute voor de vervoer van gevaarlijke stoffen. De maatgevende stof voor de A15 en de A16 betreft GF3 met een invloedsgebied van 355 meter. De afstand van het plangebied tot de A15 bedraagt circa 2 kilometer en tot de A16 circa 1 kilometer. Het invloedsgebied reikt niet over het plangebied heen. Plasbrandaandachtsgebied Langs de autosnelweg A16 ligt tevens een plasbrandaandachtsgebied.

Dit is een gebied waar bij het realiseren van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten rekening dient te worden gehouden met de mogelijke gevolgen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Bestemmingsplan ‘Woning Rijksstraatweg 165-B’ Vastgesteld van een ongeval met brandbare vloeistoffen. Ingevolge artikel 16 van de Regeling basisnet is dit een zone van 30 meter aan weerszijden van een weg of spoor, die bebouwingsvrij blijft. Mocht er toch in gebouwd worden, dan geeft het Bouwbesluit een aantal eisen waar een dergelijk gebouw aan moet voldoen. Aangezien het plangebied op circa 1 kilometer van de A16 ligt vormt het plasbrandaandachtsgebied geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en gelden er geen extra eisen vanuit het Bouwbesluit. Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Rijksstraatweg. Deze weg sluit aan op het omliggende wegennetwerk van Ridderkerk en omgeving.

Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie wordt er één woning gerealiseerd. Aanwezige kinderen en eventueel een oudere worden beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de kinderen en ouderen kunnen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het handmatig uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. Rampenvoorbereiding en zelfredzaamheid Op basis van de visie externe veiligheid van de gemeente Ridderkerk, hanteert de gemeente het kwetsbaarheidszone model van de VRR om de mate van hulpverlening en zelfredzaamheid te bepalen.

Het plan maakt geen zeer kwetsbare objecten mogelijk maar wel kwetsbare objecten. Bij kwetsbare objecten wordt volgens het kwetsbaarheidszonemodel getoetst aan het meest geloofwaardige scenario (MGS) en niet aan het worst case scenario (WCS). De afstanden voor de buisleiding in het MGS zijn volgens de eerder genoemde inventarisatie van de VRR kleiner dan 20 meter. De afstanden in het MGS voor de A15 en A16 zijn kleiner dan 200 meter. Het plangebied ligt in alle gevallen ruim buiten deze afstanden. Er zijn dus volgens dit model geen maatregelen nodig voor hulpverlening en zelfredzaamheid. Wel moet volgens artikel 12, tweede lid, van het Bevb, het bestuur van de Veiligheidsregio RotterdamRijnmond in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de aanwezigheid van de verschillende risicobronnen geen belemmeringen oplevert voor de beoogde ontwikkeling. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.

4.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het voornemen in overeenstemming is met wet- en regelgeving van externe veiligheid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Bestemmingsplan ‘Woning Rijksstraatweg 165-B’ Vastgesteld

4.5

Milieuzonering

4.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.

De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

4.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNGuitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van een ‘gemengd gebied’. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is.

In de omgeving van het plangebied komen verschillende functies voor, waarbij wordt opgemerkt dat er name woningen in de directe omgeving van het plangebied zijn gesitueerd, direct aan de Rijksstraatweg. Op grotere afstand van het plangebied liggen ten noorden diverse agrarische bestemmingen, (kleinschalige) bedrijvigheid en andere functies zoals gewoonlijk in het buitengebied. Gelet hierop kan het plangebied en de directe omgeving het beste worden aangemerkt als ‘rustige woonwijk’. Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer voor de verschillende omgevingstypes. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Bestemmingsplan ‘Woning Rijksstraatweg 165-B’ Vastgesteld 5.1 5.2 5.3 6

500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

4.5.3

Situatie plangebied

300 m 500 m 700 m 1.000 m

4.5.3.1 Algemeen Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

4.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het voornamelijk om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ betreft in beginsel geen milieubelastende functie voor omwonenden. Echter kunnen installaties zoals warmtepompen die aan de buitenzijde van een woning worden gepositioneerd wel zorgen voor een (onevenredige) geluidsbelasting op omliggende milieugevoelige functies (woningen). In geval van voorgenomen ontwikkeling worden de mogelijkheden onderzocht om een bij de omvang van de woning passende luchtwaterpomp op een nader te bepalen positie toe te passen. Dit betreft wel een systeem buiten de woning, maar (gezien de omvang) waarbij van voorgenoemde geluidsbelasting naar verwachting geen sprake is. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.

4.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving. Ten westen van het plangebied is een bedrijfsbestemming aanwezig aan de Rijksstraatweg 169a, 2988 BD Ridderkerk. Aan de overzijde van de Rijkstraatweg zijn ten noordwesten, noorden en noordoosten diverse kwekerijen/kassencomplexen aanwezig (geadresseerd aan de Hoogzandweg). Bedrijfsbestemming (Rijksstraatweg 169a, 2988 BD Ridderkerk). Aan de westzijde van het plangebied is een bedrijfsbestemming, voorzien in de vigerende beheersverordening van de aanduiding ‘B(2)’, bedoeld voor bedrijven tot en met millieucategorie 2. Op basis van de VNG-uitgave ‘bedrijven en milieuzonering’ geldt voor een millieucategorie van maximaal 2 een grootste richtafstand van 30 meter in een rustige woonwijk-gebied voor het aspect ‘geluid’. De woonbestemming met het bouwvlak binnen het plangebied wordt op grotere afstand dan deze richtafstand gesitueerd, te weten circa 65 meter tot aan de bedrijfsbestemming. Aan de richtafstand wordt daarmee ruimschoots voldaan. Diverse kwekerijen/kassencomplexen, en overige functies Aan de bredere noordzijde en op grotere afstand zijn diverse kwekerijen en kassencomplexen (glastuinbouw) gesitueerd.

Op basis van de VNG-uitgave ‘bedrijven en milieuzonering’ kunnen deze functies het beste worden vergeleken met de volgende functie “Glastuinbouw, - kassen met gasverwarming”, met een milieucategorie van 2 en met een grootste richtafstand van 30 meter.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Bestemmingsplan ‘Woning Rijksstraatweg 165-B’ Vastgesteld De woonbestemming met het bouwvlak binnen het plangebied en de daadwerkelijke afstand tot aan de uiterste situering van de dichtstbijzijnde kassen bedraagt ruim 125 meter. Aan de richtafstand wordt daarmee ruimschoots voldaan. Gezien vorenstaande kan worden verwacht dat er ter plaatse van het woongebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het overige zijn in het plangebied en in de nabijheid van het plangebied geen milieubelastende functies aanwezig.

4.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.6

Ecologie

4.6.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

4.6.2

Gebiedsbescherming

4.6.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Rondom het plangebied bevinden zich verschillende Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied betreft ‘Biesbosch’ en is gelegen op circa 12,4 kilometer afstand. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitatypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd door BJZ.nu die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies van het onderzoek. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 3 bij deze toelichting. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000gebieden. De onderdelen en resultaten van de AERIUS-berekening zijn in bijlage 1 van de berekening bijgevoegd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Bestemmingsplan ‘Woning Rijksstraatweg 165-B’ Vastgesteld Het bestemmingsplan is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.

4.6.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN is gelegen op circa 2,5 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de afstand van de locatie tot het NNN en de aard en omvang van het voornemen wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

4.6.3

Soortenbescherming

In voorliggend geval heeft Natuurbank Overijssel ter plaatse van het plangebied een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten van het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 4 van deze toelichting. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rustof verblijfplaats in het plangebied en gebruiken het ook niet als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de bebouwing gesloopt wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.

Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de foeragerende diersoorten niet af.

4.6.4

Conclusie

Mits de werkzaamheden worden afgestemd op de voortplantingsperiode van vogels en geen beschermde amfibieën of zoogdieren worden gedood, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Het aspect ‘ecologie’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Bestemmingsplan ‘Woning Rijksstraatweg 165-B’ Vastgesteld

4.7

Archeologie & cultuurhistorie

4.7.1

Archeologie

4.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

4.7.1.2 Situatie plangebied Het archeologiebeleid van de gemeente Ridderkerk is opgenomen in het ‘Erfgoedbeleid Ridderkerk’. In het beleid is de archeologische waarden- en beleidsadvieskaart opgenomen. In voorliggend geval heeft de afdeling Archeologie van de gemeente Rotterdam (BOOR) een plantoets uitgevoerd inzake voorliggend bouwinitiatief, deze is opgenomen in bijlage 5 bij deze toelichting. Eveneens is de noodzaak van het uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek in het kader van het bouwplan beoordeeld. Aan de hand van de beoordeling is onderstaand advies opgesteld. Advies De afdeling Archeologie ziet naar aanleiding van de voorgelegde plannen geen reden tot archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek) op de planlocatie en adviseert de gemeente Ridderkerk dan ook om af te zien van een dergelijk onderzoek. Wel wordt benadrukt dat er altijd rekening dient te worden gehouden met zogenaamde toevalsvondsten. Hiervan dient men op basis van de Erfgoedwet 2016, art. 5.10 het bevoegd gezag, de gemeente Ridderkerk, te informeren. Onderbouwing Het plangebied maakt deel uit van een archeologisch kansrijk gebied.

Conform de beheersverordening ‘Rijsoord’ (2013) geldt voor de locatie een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor bouw- en graafwerkzaamheden (inclusief heien) die dieper reiken dan 0,3 meter beneden maaiveld en die tevens een oppervlakte beslaan van meer dan 100 vierkante meter. Deze marges zijn overgenomen van de provinciale beleidskaart en corresponderen derhalve niet met de archeologische waardenkaart Ridderkerk, waar marges van 0,5 m en 200 vierkante meter gelden. De grondroerende werkzaamheden bestaan uit de nieuwbouw van een woonhuis met prefab kelder. Op de locatie van het woonhuis staat nu een schuur uit 1947 die zal worden gesloopt. Het huis heeft een oppervlakte van 153 m², met een kelder van 17,6 m². De diepste ontgraving, voor de kelder, bedraagt 2,44 meter onder maaiveld. De werkzaamheden overschrijden de toegestane marges van het bestemmingsplan, echter gezien de bestaande verstoring en de buitendijkse ligging adviseert afdeling Archeologie Rotterdam de gemeente Ridderkerk om van onderzoek af te zien. De gemeente Ridderkerk heeft dit advies overgenomen en heeft eveneens de dubbelbestemming inzake archeologie ook in dit bestemmingsplan overgenomen. Dit omdat het voorliggende plan voldoet aan de onderzoekseis, maar dat voor toekomstige ingrepen de waardearcheologie wel wordt gehandhaafd.

4.7.2

Cultuurhistorie

4.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Bestemmingsplan ‘Woning Rijksstraatweg 165-B’ Vastgesteld In de Bro is in artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a opgenomen dat een bestemmingsplan/wijzigingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.

4.7.2.2 Situatie plangebied De bestaande schuur in het plangebied aan de Rijksstraatweg 165 B staat in de ‘CHW Buitengebied’ vermeld met een hoge cultuurhistorische waarde. De CHW-kaart is door het college vastgesteld op 15 maart 2022. In de CHW-kaart staat inzake de schuur genoemd, als: -

Hoge cultuurhistorische waarde als een van de weinige schuurvolumes aan de Rijksstraatweg. Representatief en gaaf voorbeeld van utiliteitsbouw. Bouwjaar 1930 oorspronkelijke functie ‘Vlasloods’.

Het advies bij sloop en/of aantasting van de cultuurhistorische gewaardeerde structuren of panden is daarom: -

Het pand te documenteren voor de transformatie of sloop. Cultuurhistorische waardevolle elementen te bewaren en eventueel te herplaatsen. Behoud staat voorop bij de zeer hoog en hoog gewaardeerde objecten. Hoog gewaardeerde panden worden niet aangewezen als gemeentelijk monument maar worden gezien als beeldbepalend oftewel karakteristiek.

Bij sloop c.q. nieuwbouw in het plangebied (er wordt immers een nieuwe woning gebouwd) betekent het dat vanuit cultuurhistorisch oogpunt het wenselijk is om de schuur te documenteren en vast te leggen voorafgaand aan de sloop. In de CHW-kaart worden de getoogde vensters met 6-ruits roedeverdeling genoemd als bijzonder kenmerk. Het dringende verzoek aan initiatiefnemer is daarom om deze vensters in de nieuwbouw te herplaatsen, in de woning of het bijgebouw. Uit de cultuurhistorische atlas van de provincie Zuid-Holland blijkt verder dat in de nabije omgeving van het plangebied geen overige monumentale gebouwen aanwezig zijn waar de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten op zou kunnen hebben.

4.7.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van negatieve effecten op enige cultuurhistorische waarden.

4.8

Besluit Milieueffectrapportage

4.8.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.

•

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).

•

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Bestemmingsplan ‘Woning Rijksstraatweg 165-B’ Vastgesteld gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.

4.8.2

Situatie plangebied

4.8.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Rondom het plangebied bevinden zich verschillende Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied betreft ‘Biesbosch’ en is gelegen op circa 12,4 kilometer afstand. Zoals in paragraaf 4.6.2.1 en bijlage 3 (stikstofonderzoek) van deze toelichting is beschreven is er geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000gebieden. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.

4.8.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in een directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel kan geoordeeld worden dat er sprake is van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Getoetst dient te worden of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De in dit kader relevante vraag die eerst beantwoord dient te worden is, is of met de ontwikkeling van één woning aan de Rijksstraatweg 165b in Ridderkerk sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (o.a.

ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Op de schaal van Ridderkerk is qua aard en omvang sprake van een dusdanige kleinschalige ontwikkeling, waarbij het aantal verkeersbewegingen als gevolg van deze ontwikkeling niet onevenredig toeneemt en daarbij voegt de bebouwing zich qua aard en functie in het stedenbouwkundig beeld van de omgeving. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een nieuwe functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Gelet op het vorenstaande, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Bestemmingsplan ‘Woning Rijksstraatweg 165-B’ Vastgesteld 4.8.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Bestemmingsplan ‘Woning Rijksstraatweg 165-B’ Vastgesteld

HOOFDSTUK 5

WATERASPECTEN

5.1

Vigerend beleid

5.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Voornamelijk de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

5.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009).

5.1.3

Provinciaal beleid

Het waterbeleid voor de periode 2016 tot 2021 van de provincie Zuid-Holland bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, het Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 en de relatie met andere Besluiten, Verordeningen, Agenda’s etc. Dit betreft een herziening en geen nieuw beleid, actualisatie zal in samenwerking met betrokken partijen/overheden worden opgepakt. De ambities uit bovenstaande stukken zijn onder andere: het aangrijpen van de zandige versterking van de Noordzeekust om de regio, ruimtelijk en economisch, te versterken en extra aandacht besteden aan de economische kant van water. Daarnaast gaat het om betaalbaar waterbeheer waarbij tevens aandacht wordt geschonken aan veiligheid, waterkwaliteit, waterkwantiteit en duurzaamheid. Tevens dient er aandacht te zijn voor het watersysteem als onderdeel van de ruimtelijke inrichting van Nederland. In het beleid zijn maatregelen en kosten opgenomen, waaronder tevens maatregelen uit de Europese Kaderrichtlijn Water.

5.1.4

Beleid waterschap Hollandse Delta

5.1.4.1 Waterbeheerprogramma 2016-2021 Vanaf 2016 is er een nieuw waterbeheer programma van kracht. Het programma bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren. Het plan bevat doelen en maatregelen voor de thema's Calamiteitenzorg, Water en Ruimte, Waterveiligheid, Voldoende Water, Schoon water en Waterketen. Voor het thema water en ruimte is de nadere uitwerking van de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie de belangrijkste ontwikkeling. Hierbij wordt uitgegaan van meerlaagse veiligheid: preventie (laag 1), ruimtelijke inrichting (laag 2) en crisisbeheersing (laag 3). Voor Hollandse Delta

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Bestemmingsplan ‘Woning Rijksstraatweg 165-B’ Vastgesteld ligt de nadruk op de eerste laag: een overstroming voorkomen door middel van (primaire) waterkeringen. Voor de tweede laag is als doel geformuleerd dat de ruimtelijke inrichting bijdraagt aan het beperken van de gevolgen van een overstroming.

5.1.4.2 Nota toetsingskaders en beleidsregels voor het watersysteem 2014 In deze nota zijn toetsingskaders en beleidsregels opgenomen die het uitgangspunt vormen voor plantoetsing en vergunningverlening. Relevant voor het bestemmingsplan zijn onder meer de regels over watercompensatie. Dempingen van oppervlaktewaterlichamen moeten volledig gecompenseerd worden door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening. Een toename van verhard oppervlak moet worden gecompenseerd door het aanleggen van water met een oppervlakte van 10 % van de verharding. Voor de compensatie voor demping of extra verharding is er sprake van een voorkeursvolgorde: 1. nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingstoename; 2. nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied; 3. nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief.

5.2

Waterparagraaf

5.2.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

5.2.2

Watertoetsproces

Waterschap Hollandse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde ‘normale procedure’ van de watertoets van toepassing is. Het watertoetsresultaat is als bijlage 6 bij deze toelichting gevoegd. De uitgangspuntennotitie behorende bij de ‘normale procedure’ is in de volgende subparagraaf opgenomen. De relevante randvoorwaarden voor dit plan zijn gerangschikt onder acht streefbeelden ingedeeld op basis van de drie waterthema’s Veiligheid, Voldoende Water en Schoon Water en het thema Wegen. Hierna worden de relevante randvoorwaarden toegelicht.

5.2.3

Relevante aspecten

5.2.3.1 Veiligheid Streefbeeld Hoog water vanuit zee en de rivier vormt een reële bedreiging voor de veiligheid op de Hollandse eilanden. Waterkeringen beschermen tegen deze bedreiging. Het waterstap wil de veiligheid ook in de toekomst blijven

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Bestemmingsplan ‘Woning Rijksstraatweg 165-B’ Vastgesteld waarborgen. Door te werken aan veilige, robuuste en duurzame waterkeringen anticipeert het waterschap op sociale ruimtelijke, economische en klimatologische ontwikkelingen.

5.2.3.2 Voldoende water en schoon water Wateroverlast Streefbeeld Een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. Zo n systeem kan het water, conform de daarvoor vastgestelde normen en zonder overlast te veroorzaken, verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Goed functionerend watersysteem Streefbeeld Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) Gewenste Grond- en Oppervlaktewater Regime (GGOR) mogelijk. Hollandse Delta streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties. Strategie Het waterschap beheert het watersysteem en tracht daarbij de aan- en afvoer van water soepel te laten verlopen en ervoor te zorgen dat het water fysisch-chemisch en ecologisch goed van kwaliteit is en er geen problemen ontstaan van wateroverlast of wateronderlast. Een van de taken is het beheer van het oppervlaktewaterpeil. Een goed peilbeheer is een middel om de bovenstaande situatie te faciliteren. De keuze van het oppervlaktewaterpeil en het peilregime wordt in eerste instantie ingegeven door de gebruiksfunctie van het gebied.

Daarnaast wordt er rekening gehouden met andere belangen in het betreffende gebied. Alvorens tot een peilbesluit te komen worden belanghebbende in de gelegenheid gesteld om hun wensen kenbaar te maken. Indien hieraan tegemoet kan worden gekomen zonder het algemeen belang te schaden zal het waterschap de wensen proberen te honoreren. In de afweging spelen een aantal uitgangspunten een rol: • • •

• •

In zetting gevoelige gebieden streeft het waterschap naar vertragen van de maaivelddaling door het zo hoog mogelijk instellen van het peil. Het waterschap probeert zoveel mogelijk om onnodige versnippering van peilgebieden te voorkomen. Waar mogelijk en wenselijk streeft het waterschap naar het zoveel mogelijk vasthouden van het gebiedseigen water. Waar mogelijk wordt hiertoe een zo natuurlijk mogelijk flexibel peilregime gehanteerd. Het systeem moet robuust genoeg zijn om hevige neerslag binnen het peilgebied te kunnen opvangen alvorens af te wentelen op naburig gebied. Voor de oevers langs open water wordt gestreefd naar een onderhoudsvriendelijke inrichting (inclusief bereikbaarheid).

Randvoorwaarden Met het oog op ongewenste kwel of inzijging dient de bodemgesteldheid bekeken te worden. In bepaalde situaties kan de goede kwaliteit van kwelwater benut worden. Bij het ontwikkelen van een nieuw peilbesluit voor nieuw aan te leggen stedelijk gebied gelden enkele randvoorwaarden. Dit zal nog verder worden uitgewerkt. Bij de peilstelling wordt rekening gehouden met het risico op te hoge of te lage grondwaterstanden. Het in te stellen peil mag geen reden zijn voor problemen met de grondwaterstand.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Bestemmingsplan ‘Woning Rijksstraatweg 165-B’ Vastgesteld Er vindt altijd vooraf overleg plaats tussen projectontwikkelaar en waterschap. Gebieden die al een hoge grondwaterstand hebben moeten voor de nieuwbouw worden opgehoogd en/of gedraineerd worden. In gebieden waar op langere termijn sprake kan zijn van aanzienlijke bodemdaling moeten vooraf maatregelen worden genomen om problemen in de toekomstige situatie te voorkomen. Anticiperen op watertekort Streefbeeld Het waterschap wil een robuust watersysteem dat voorbereid is op de effecten van toekomstige klimaatveranderingen. Tot nu toe ligt de nadruk bij klimaatveranderingen met name op meer extreme neerslag en stijging van de zeespiegel. Ook extreem droge periodes zullen echter vaker voor komen. Het robuuste watersysteem dat het waterschap nastreeft moet hier ook op anticiperen. Goede inrichting/structuurdiversiteit van het watersysteem Streefbeeld Het waterschap streeft naar goede leef, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied. Goede oppervlaktewaterkwaliteit Streefbeeld Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor.

Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld Menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het water doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan.

5.2.3.3 Wegen Streefbeeld Het waterschap streeft naar een afdoende bereikbaarheid van alle bestemmingen binnen het beheersgebied. Een optimale verkeersveiligheid en een goede doorstroming op de wegen die bij het waterschap in beheer en onderhoud zijn daar bij essentieel.

5.2.4

Toetsing

Veiligheid en waterkeringen Ter bescherming van de binnen het plangebied aanwezige waterkering is de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen in de regels en op de verbeelding. Daarbij bevindt de locatie zich in de zonering van een waterkering, zie de oranje en groene arcering in onderstaande afbeelding 5.1. Daarom zijn de (ver)bouwactiviteiten, slopen en bouwen, altijd vergunningplichtig. Deze benodigde vergunningen zullen separaat ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen worden aangevraagd bij het

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Bestemmingsplan ‘Woning Rijksstraatweg 165-B’ Vastgesteld waterschap. Voor de omgevingsvergunning die gecoördineerd wordt met het bestemmingsplan zal contact nodig zijn met het Waterschap. Vanuit dit perspectief wordt het belang van het waterschap geborgd.

Afbeelding 5.1

Ligging plangebied in de waterkering (Bron: Waterschap)

Waterkwantiteit Het plangebied, en met name de het gebied welke wordt voorzien van een woonbestemming, is op dit moment grotendeels verhard en/of voorzien van bebouwing. Als gevolg van voorgenomen ontwikkeling zal van een toename van de verharding met meer dan 500 m 2 geen sprake zijn. Het treffen van compenserende maatregelen wordt niet noodzakelijk geacht.

Afvalwater en riolering Conform het ‘Gemeentelijk Rioleringsplan’ en het vigerend waterschapsbeleid is het voor (grootschalige) nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • • • •

hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, nietuitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Bestemmingsplan ‘Woning Rijksstraatweg 165-B’ Vastgesteld Reactie Waterschap/waterdeskundige gemeente Ridderkerk Voor het uitvoeren van betreffend bouwplan is geen watercompensatie vereist. Er zal geen toename van het verhard oppervlak van meer als 500 m² plaats vinden. Het afvoeren van hemelwater of water van verhard terrein oppervalk dient naar het oppervlaktewater te geschieden. Omdat het Waalboezem een KRW water is mogen geen uitlogende of verontreinigende stoffen in het oppervlaktewater worden gebracht. Hiermee zal met het toepassen van bouwmaterialen rekening moeten worden gehouden. De geplande woning valt (deels) binnen de beschermingszone van de regionale waterkering (compartimenteringskering, tevens Boezemkade). Daarom zijn de (ver)bouwactiviteiten, slopen en bouwen, altijd vergunningplichtig. Deze benodigde vergunningen zullen separaat ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen worden aangevraagd bij het waterschap. Voor de omgevingsvergunning die gecoördineerd wordt met het bestemmingsplan zal contact nodig zijn met het Waterschap. Vanuit dit perspectief wordt het belang van het waterschap geborgd. Het Waterschap kan daarom instemmen met voorliggende planvoornemen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/932/documents/33848