CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Pruimendijk 164-170.pdf

Gemeenteraad RK 14 oktober 2021, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 5: Vaststelling bestemmingsplan Pruimendijk 164 - 17023.533 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Met de voorgenomen ontwikkeling neemt de verkeersgeneratie van het plangebied af met circa 135 motorvoertuigbewegingen per etmaal (op een gemiddelde weekdag). Door deze afname ten opzichte van de huidige situatie worden er met betrekking tot de verkeersafwikkeling over de Pruimendijk dan ook geen knelpunten in de verkeersafwikkeling verwacht. Parkeren Ten aanzien van parkeren dient te worden voldaan aan het meest recente 'Verkeersplan Ridderkerk 2011-2015, module parkeren'. De gemeente volgt de meest recente parkeerkencijfers van het CROW, zijnde de kencijfers opgenomen in publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren). De gemeente hanteert voor ontwikkelingen in schilgebieden en overige gebieden de maximale parkeernorm. De totale parkeerbehoefte voor de 8 nieuwe en 2 bestaande woningen bedraagt 25 parkeerplaatsen. Voor het kantoor zijn uitgaande van 300 m2 bvo en een norm van 1,9 pp per 100 m2 5,7 parkeerplekken benodigd.

Rho adviseurs voor leefruimte

44001887.20190297

33

In de onderstaande tabel zijn de huidige en toekomstige parkeerbehoefte weergegeven. Daaruit blijkt dat er inclusief de 5 plekken op de brink 4 plekken meer beschikbaar zijn dan noodzakelijk op basis van de normen. Tabel 4. 2 Parkeren plangebied Functie (CROW 381)

Aantal

Parkeerbehoefte

Behoefte/beschik baar 5/6 5,7/4 0/28 11/38

Huidig

Koop, huis, vrijstaand 2 Kantoor zonder balie 300 Manege (paardenhouderij) Totaal afgerond

woningen m2 bvo gesloten

2,5 per woning 1,9 per 100 m2 0

Toekomstig

Koop, huis, vrijstaand Bezoekers op Brink Kantoor zonder balie Totaal afgerond

10

woningen

2,5 per woning

25/23

300

m2 bvo

1,9 per 100 m2

5,7/7 31/35

/5

In aanvulling hierop is in de algemene bouwregels een bepaling opgenomen dat moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid (artikel 14.5).

4.6

Wegverkeerslawaai

Toetsingskader Woningen zijn geluidsgevoelige functies waarvoor op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden, indien deze binnen de geluidszone van een gezoneerde weg liggen. Binnen het plangebied worden acht nieuwe woningen gerealiseerd. De woningen liggen binnen de geluidszones van de A16, A15 (inclusief op- en afritten en N915), de Achterambachtseweg en de Pruimendijk (deze laatste niet meer na de beoogde herinrichting). Akoestisch onderzoek is op grond van de Wgh dan ook noodzakelijk. Omdat de bouwvolgorde en de exacte locatie van de woningen binnen de aangegeven bouwvlakken nog onduidelijk zijn, is voor de opzet van het onderzoek voor een worst-case benadering gekozen. De geluidbelasting is steeds berekend zonder -op voorhand- rekening te houden met de eventuele toekomstige afscherming van de voor- en achtergelegen nieuw te bouwen woningen. Onderzoek Uit het akoestisch onderzoek (zie Bijlage 2) blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB door het verkeer op de A15/A16/N915 wordt overschreden op alle woningen in de drie lijnen bebouwingen. Daarnaast worden ten gevolge van de Pruimendijk (uitgaande van 60 km/uur) zowel de voorkeursgrenswaarde als de maximale ontheffingswaarde van 53 dB overschreden. Het verkeer op de Achterambachtseweg zorgt niet voor overschrijdingen.

De geluidbelasting ter plaatse van het plangebied kan worden gereduceerd door maatregelen aan de bron, in het overdrachtsgebied en/of bij de ontvanger. Maatregelen aan de bron en/of in het overdrachtsgebied worden voor de A16/A15/N915 niet mogelijk geacht op basis van verkeerskundige, vervoerskundige, stedenbouwkundige, financiële of landschappelijke aspecten. Voor de Pruimendijk tussen Rijsoord en Zuidpad zijn plannen gemaakt die uitgaan van realisering van een fietsstraat/30 km zone. Besluitvorming daarover heeft op 8 juli 2021 plaatsgevonden. Het effect van deze maatregel is berekend in het akoestisch onderzoek. Daaruit blijkt dat in dat geval de geluidbelasting aanzienlijk afneemt en maatregelen en/of hogere waarden vanwege de Pruimendijk niet meer aan de orde zijn.

Rho adviseurs voor leefruimte

44001887.20190297

34

Doordat de maximale ontheffingswaarde van 53 dB niet wordt overschreden ten gevolge van de A16/A15/N915, kan voor de woningen een hogere grenswaarde worden verleend. Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Ridderkerk dient een hogere grenswaarde vast te stellen conform tabel 4.3. Tabel 4.3 Benodigde ontheffingswaarden wegverkeerslawaai Geluidbron Benodigde ontheffingswaarde A16/A15/N915 53 dB 52 dB

Pruimendijk

51 dB 50 dB geen

Aantal woningen eerste lijn: 2 eerste lijn: 1 tweede lijn: 1 derde lijn: 1 tweede lijn: 1; derde lijn: 2 geen

Voor de binnenwaarde dient te worden voldaan aan de normen uit het Bouwbesluit. Conclusie Om te voldoen aan de wettelijke vereisten dienen er conform tabel 4.3 hogere grenswaarden te worden verleend voor de woningen. Het besluit hiertoe wordt parallel aan de besluitvorming over het bestemmingsplan genomen

4.7

Luchtkwaliteit

Beleid en Normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.4 weergegeven. Tabel 4.4 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde concentratie (NO2) Uurgemiddelde concentratie Fijn stof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijn stof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³ Max. 18 keer p.j. Meer dan 200 µg/m³ 40 µg/m³ Max. 35 keer p.j. Meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Rho adviseurs voor leefruimte

44001887.20190297

35

Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van 8 woningen. Dit valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen die is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. De ontwikkeling draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Er wordt dus voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven.

Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2018 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Pruimendijk. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2017 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen in 2017; 21,7 µg/m³ voor NO2, 18,1 µg/m³ voor PM10 en 11,1 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedraagt 6,3 dagen. Hierdoor is er ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.8

Bedrijven en milieuhinder

Beleid en Normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.

Rho adviseurs voor leefruimte

44001887.20190297

36

Onderzoek Gezien de aanwezigheid van lintbebouwing, bedrijvigheid en hoofdinfrastructuur in de directe omgeving kan het gebied getypeerd worden als gemengd gebied. De beoogde ontwikkeling bestaat uit sanering van de manege en de realisatie van 8 woningen. Direct ten noorden van het perceel zijn akker- en vollegrondstuinbouwbedrijven gelegen. Dit type bedrijven is in de VNG-publicatie ingedeeld in milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. De afstand vanaf de rand van het meest nabijgelegen agrarische bouwperceel (Pruimendijk 89) tot de beoogde woningen is circa 25 meter. Ter plaatse van het bouwvlak aan de Pruimendijk 87a is glastuinbouw toegestaan. Ook dit type bedrijven is ingedeeld in milieucategorie 2. De afstand tot dit bedrijf is circa 90 meter. Gezien de beperkte bedrijvigheid en gemengde functies in de omgeving worden geen knelpunten verwacht. Conclusie Er wordt aan de richtafstanden voldaan. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden geen bedrijven belemmerd en ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.9

Externe veiligheid

Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.

Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water.

Rho adviseurs voor leefruimte

44001887.20190297

37

Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik Besluit externe veiligheid buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. In dat besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering.

Gemeentelijk beleid De gemeente Ridderkerk beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid. Deze beleidsvisie bevat het samenhangend beleid ten aanzien van externe veiligheid. In de visie is een bijlage opgenomen met een overzicht van alle risicobronnen met bijbehorende risico's. In de bijlagen is tevens een scenario-analyse opgenomen van de meest waarschijnlijke en worst-case ongevalscenario's. De beleidsvisie is kaderstellend voor het nemen van ruimtelijke besluiten en het verlenen van vergunningen waarbij externe veiligheid in het geding is. Onderzoek Op basis van de professionele risicokaart en de Externe veiligheidsvisie Ridderkerk blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende relevante risicobronnen aanwezig zijn:  vervoer gevaarlijke stoffen over de A15 en de A16;  vervoer gevaarlijke stoffen door aardgasleiding W-507-01.

Figuur 4.5

Uitsnede professionele risicokaart met plangebied blauw omlijnd

Rho adviseurs voor leefruimte

44001887.20190297

38

Wegtransport De A15 en de A16 zijn in de Regeling basisnet aangewezen als basisnetroute voor de vervoer van gevaarlijke stoffen. De maatgevende stof voor de A15 en de A16 betreft GF3 met een invloedsgebied van 355 meter. De afstand van het plangebied tot de A15 bedraagt circa 480 meter en tot de A16 circa 790 meter. Het invloedsgebied reikt niet over het plangebied heen. Buisleidingen De ontwikkelingen aan de Pruimendijk in Ridderkerk liggen in de nabijheid van de hogedruk aardgasleiding W-507-01 van de Gasunie. Deze buisleiding heeft een diameter van 12,76 inch en een druk van 40 bar. De leiding valt hierdoor onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Volgens artikel 12, eerste lid, van het Bevb moet bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op grond waarvan de bouw van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object wordt toegelaten, het groepsrisico in het invloedsgebied van de buisleiding worden verantwoord. Woningen zijn volgens artikel 1 van het Bevb kwetsbare objecten. De buisleiding kent volgens de inventarisatie van de DCMR voor de visie EV een invloedsgebied van 140 meter. De afstand van de buisleiding tot de ontwikkeling bedraagt circa 70 meter. De beoogde ontwikkeling ligt dus binnen het invloedsgebied van deze buisleiding.

De verantwoording van het groepsrisico kan volgens artikel 12, derde lid onder a van het Bevb beperkt worden uitgevoerd wanneer een plan buiten de zone ligt van de 100% letaliteit. De 100% letaliteit van deze leiding ligt volgens de inventarisatie van de VRR voor de visie EV van de gemeente Ridderkerk op 30 meter. De beoogde ontwikkeling ligt buiten deze zone. De verantwoording van het groepsrisico van deze buisleiding kan dus beperkt worden uitgevoerd. Bij een beperkte verantwoording van het groepsrisico kan volgens artikel 12, derde lid, van het Bevb worden volstaan met de vermelding van:  de aanwezige en de toename van de dichtheid van personen;  het huidige groepsrisico en de toename daarvan; en  de mogelijkheden voor hulpverlening en zelfredzaamheid. De toename van de populatie kan herleid worden uit de toename van het aantal woningen en het kengetal voor bewoning. Voor woningen wordt in de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico een dichtheid aangehouden van 2,4 personen per woning. Uitgaande van acht nieuwe woningen binnen het invloedsgebied, neemt de populatie toe met circa 19 personen. Wel zullen de bezoekers van de manege verdwijnen en daarmee ook de piekmomenten van bezoekers tijdens wedstrijden. Voor woningen geldt echter wel dat de bewoners ook in de nacht aanwezig zijn, in tegenstelling tot bezoekers van een manege.

Het huidige groepsrisico is volgens het rapport Milieuaspecten voor de externe veiligheidsvisie Ridderkerk van de DCMR kleiner dan 0,001 keer de oriëntatiewaarde en wordt gevonden bij 14 slachtoffers en een frequentie van 1.90E-009. Door de toevoeging van 19 personen zal het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde blijven en zal de toename niet meer dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde bedragen. Het voor hogedruk aardgasleidingen voorgeschreven rekenmodel CAROLA berekent geen toename van het groepsrisico wanneer een plan buiten de 100% letaliteitafstand van een hogedruk aardgasleiding ligt. Het groepsrisico hoeft dus vanwege de voorgenomen ontwikkeling niet berekend te worden. De beoogde ontwikkeling veroorzaakt dus ook geen toename van het groepsrisico.

Rho adviseurs voor leefruimte

44001887.20190297

39

Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Pruimendijk. Deze weg sluit aan op het wegennetwerk van Hendrik-Ido-Ambacht. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie worden 8 woningen gerealiseerd. Aanwezige kinderen en ouderen worden beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de kinderen en ouderen kunnen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar.

Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het handmatig uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. Rampenvoorbereiding en zelfredzaamheid Op basis van de visie externe veiligheid van de gemeente Ridderkerk, hanteert de gemeente het kwetsbaarheidszone model van de VRR om de mate van hulpverlening en zelfredzaamheid te bepalen. Het plan maakt geen zeer kwetsbare objecten mogelijk maar wel kwetsbare objecten. Bij kwetsbare objecten wordt volgens het kwetsbaarheidszonemodel getoetst aan het meest geloofwaardige scenario (MGS) en niet aan het worst case scenario (WCS). De afstanden voor de buisleiding in het MGS zijn volgens de eerder genoemde inventarisatie van de VRR kleiner dan 20 meter. De afstanden in het MGS voor de A15 en A16 zijn kleiner dan 200 meter. Het plangebied ligt buiten deze afstanden. Er zijn dus volgens dit model geen maatregelen nodig voor hulpverlening en zelfredzaamheid.

Wel moet volgens artikel 12, tweede lid, van het Bevb, het bestuur van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de aanwezigheid van de verschillende risicobronnen geen belemmeringen oplevert voor de beoogde ontwikkeling. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.

Rho adviseurs voor leefruimte

44001887.20190297

40

4.10

Bodem

Beleid en Normstelling Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik. Onderzoek Door Econsultancy is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in het plangebied. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 3. In het opgeboorde materiaal zijn ook diverse zintuiglijke bijmengingen waargenomen in zwakke tot sterke mate (puin, baksteen, kolengruis, granulaat, aardewerk, glas, kunststofvezel, etc.). Op het maaiveld zijn enkele stukjes asbesthoudend materiaal aangetroffen (golfplaat), vermoedelijk afkomstig van de aanwezige dak- en wandbedekking van de rijhal.

Plaatselijk is op de onderzoekslocatie sprake van matige tot sterke metalenverontreinigingen in de bovengrond (max. 0,6 m -mv; onder meer ter plaatse van de gedempte sloot). Daarnaast zijn verspreid over de locatie lichte verontreinigingen met metalen, PAK en/of PCB's aangetroffen. Het grondwater is plaatselijk licht tot sterk verontreinigd met barium en licht verontreinigd met metalen. De bariumverontreiniging heeft vermoedelijk een natuurlijke oorsprong. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten van het verkennend bodemonderzoek is door Econsultancy een nader bodemonderzoek en een verkennend onderzoek asbest in bodem/puin uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 4. Zintuiglijk zijn in de bodem wederom diverse zintuiglijke bijmengingen waargenomen in zwakke tot sterke mate (baksteen, textiel, beton, aardwerk, slakken en sintels). Op het maaiveld, alsmede in de bodem, is geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen (fractie > 20 mm). De eerder aangetroffen matige tot sterke metaalverontreinigingen zijn grotendeels tot beneden de interventiewaarde afgeperkt (geschatte omvang sterke verontreiniging < 25 m3). Plaatselijk is de sterke koperverontreiniging echter nog niet volledig afgeperkt. Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met barium. Analytisch (fractie < 20 mm) is in zowel de bodem als het puin geen asbest aangetoond.

Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem/puin. In Bijlage 5 is tenslotte een nader bodemonderzoek naar de koperverontreiniging opgenomen. De nog niet volledig afgeperkte sterke verontreinigingen zijn middels aanvullende boringen alsnog afgeperkt. Zintuiglijk zijn ook hierbij zwakke tot matige puinbijmengingen waargenomen in de bodem tot circa 1,0 m -mv. In het onderzoek zijn ten hoogste matige verontreinigingen met koper aangetroffen. Hiermee zijn ook deze sterke verontreinigingen afgeperkt. In totaal zijn 3 verontreinigingscontouren op de onderzoekslocatie aanwezig (> interventiewaarde) met een totale ingeschatte omvang van < 25 m3 sterk verontreinigde grond (koper en nikkel). Daarnaast is aanvullend onderzoek verricht naar de parameters bestrijdingsmiddelen en PFAS. Een verontreiniging met bestrijdingsmiddelen is niet aangetoond. De aangetroffen gehalten aan PFAS overschrijden de toepassingsnorm voor de functieklassen 'Landbouw/Natuur'. Met dit onderzoek is de onderzoeksopgave afgerond.

Rho adviseurs voor leefruimte

44001887.20190297

41

Conclusie Op basis van de resultaten van het verkennend, nader bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem en puin kan geconcludeerd worden dat de sterke verontreinigingen met koper en nikkel volledig zijn afgeperkt (<interventiewaarde). Geadviseerd wordt om deze verontreinigde grond te saneren. Op de locatie is verder over het algemeen sprake van lichte tot matige verontreinigingen met metalen, PAK en/of PCB's. Er bestaat geen aanleiding voor nader onderzoek naar asbest in bodem en/of puin.

4.11

Archeologie en cultuurhistorie

Beleid en normstelling Sinds 1 juli 2017 regelt de Erfgoedwet de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Archeologische dubbelbestemmingen Ter bescherming van de eventuele archeologische waarden zijn voor het plangebied de volgende archeologische dubbelbestemmingen in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied' opgenomen: Waarde - Archeologie 2 Voor het zuidelijke deel van het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'.

Voor dit deel geldt dat ontwikkelingen die dieper reiken dan 0 cm beneden het maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 100 m2 beslaan, getoetst moeten worden op de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Waarde - Archeologie 3 Voor het noordelijke deel van het perceel ('Waarde - Archeologie 3') geldt dat ontwikkelingen die dieper reiken dan 50 cm beneden het maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 100 m2 beslaan, getoetst moeten worden op de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Waarde - Archeologie 4 Voor het middelste gedeelte van het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Voor dit deel geldt dat ontwikkelingen die dieper reiken dan 50 cm beneden het maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 200 m2 beslaan, getoetst moeten worden op de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Archeologisch onderzoek Ter plaatse van het plangebied is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd door Transect B.V. Dit onderzoek is te vinden in Bijlage 6. Uit dit onderzoek blijkt dat de archeologische verwachting in het plangebied op te delen is in 2 delen, waarbij het noordelijk deel van het plangebied een hoge archeologische verwachting heeft en het zuidelijk deel een lage archeologische verwachting.

Rho adviseurs voor leefruimte

44001887.20190297

42

In het noordelijk deel is sprake van een hoge archeologische verwachting op resten uit de periode Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd vanwege het voorkomen van ophooglagen als onderdeel van de dijk en bewoningsresten. Intacte resten kunnen in dit gebiedsdeel vanaf 50-70 cm -Mv worden aangetroffen. Onder de ophooglagen zijn oeverafzettingen van de Waal aanwezig. De top van deze oevers vormt het archeologisch relevante niveau uit de Romeinse tijd-Vroege Middeleeuwen. Aanwijzingen voor de aanwezigheid van een vegetatieniveau of archeologische indicatoren zijn echter niet aanwezig. Voor deze hoge archeologische verwachtingszone zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk indien graafwerkzaamheden beneden 50 cm onder maaiveld gepland zijn. Deze maatregelen kunnen bestaan uit een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Indien er geen graafwerkzaamheden dieper dan 50 cm beneden maaiveld plaatsvinden, is geen vervolgonderzoek noodzakelijk. Wanneer een fundering op heipalen wordt gebruikt, waarbij de tussenafstand kleiner is dan 3 meter wordt eveneens een proefsleuvenonderzoek geadviseerd. Indien de tussenafstand tussen de heipalen groter is dan 3 meter, wordt geen onevenredige aantasting van het bodemarchief verwacht en is geen vervolgonderzoek nodig.

Op basis van het advies zal het bevoegd gezag een selectiebesluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. Op grond van de boringen in het zuidelijke deel zijn hier alleen natte afzettingen gevonden, die wijzen op drassige omstandigheden. Hieruit valt af te leiden dat de oorspronkelijke Waal breder moet zijn geweest dan wat deze nu is. Hiermee is het niet waarschijnlijk dat in het plangebied sprake is geweest van bewoonbare omstandigheden. Voor het zuidelijke deel hoeven ten behoeve van de archeologische monumentenzorg (AMZ) geen aanvullende maatregelen genomen te worden. Wel geldt er bij archeologische vondsten tijdens de werkzaamheden een wettelijke meldingsplicht. Conclusie Voor het noordelijk deel van het plangebied geldt een hoge archeologische verwachtingswaarde. Indien graafwerkzaamheden dieper dan 50 cm beneden maaiveld plaatsvinden, zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk. Voor het zuidelijke deel geldt een lage archeologische verwachting, waarvoor geen aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. Het archeologisch onderzoek is inclusief de aanbevelingen beoordeeld en goedgekeurd door BOOR. Dit betekent dat voor dit bestemmingsplan voldoende is aangetoond dat het aspect archeologie de ontwikkeling niet in de weg staat.

Wel zal afhankelijk van de bouwwijze langs de dijk mogelijk vervolg onderzoek moeten plaatsvinden.

Rho adviseurs voor leefruimte

44001887.20190297

43

Hoofdstuk 5

Juridische plantoelichting

In dit hoofdstuk is uiteengezet welke gedachten aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen en hoe de juridische regeling is vormgegeven.

5.1

Algemeen

Dit bestemmingsplan vormt het juridische kader voor het plangebied. Op basis van dit bestemmingsplan zal de beoogde ontwikkeling zonder verdere uitwerking van de bestemmingen of andere planologisch-juridische procedures kunnen worden uitgevoerd. Daarnaast vervult het plan, na realisatie van de ontwikkeling een belangrijke beheer- en gebruiksfunctie. Iedere functie in het plangebied is voorzien van een daarop toegesneden bestemmingsregeling. De planopzet biedt enige flexibiliteit voor de beoogde herinrichting en tegelijkertijd rechtszekerheid voor de gebruikers van de aangrenzende gebieden. De in het plan vastgelegde omvang van de diverse functies is vastgelegd op de verbeelding en in de bestemmingsregeling. Door deze wijze van bestemmen zijn de functies ruimtelijk begrensd. Ingevolge de Wro, het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de daarbij behorende ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) dienen bestemmingsplannen op vergelijkbare wijze opgebouwd en gepresenteerd te worden en tevens digitaal uitwisselbaar gemaakt te worden. Er is een aantal standaarden door het Ministerie van VROM ontwikkeld, waaronder de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). In dit bestemmingsplan is van deze standaarden voor zover van toepassing gebruikgemaakt. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q.

landelijke bestemmingsplannen gediend. Het bestemmingsplan is tevens afgestemd op de terminologie en regelgeving zoals opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De regeling is tevens afgestemd op het gemeentelijk handboek voor bestemmingsplannen en het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied'.

5.2

Opbouw regels

De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat de definities van begrippen, die voor het algemene begrip, de leesbaarheid en uitleg van het plan van belang zijn en de wijze van meten. In hoofdstuk 2 wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan (zie paragraaf 5.3). Het derde hoofdstuk gaat in op de algemene bepalingen. De overgangs- en slotbepalingen maken onderdeel uit van het vierde hoofdstuk.

5.3

De bestemmingen

Groen Het westelijke gedeelte van het plangebied wordt een openbare groenstrook zodat de oever van de Waal weer zichtbaar en bereikbaar wordt. Ook wordt extensieve beweiding en dagrecreatie toegestaan en is het mogelijk om paden aan te leggen.

Rho adviseurs voor leefruimte

44001887.20190297

44

Kantoor In het bestaande pand is een kantoor gevestigd. Deze bestemming blijft gehandhaafd. Tuin Op de gronden waar erfbebouwing niet wenselijk is (aan de zijde van de Pruimendijk), is de bestemming 'Tuin' opgenomen. Erfafscheidingen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan. Grenzend aan de voorgevels van aanliggende woningen zijn tevens (delen van) erkers binnen deze bestemming toegestaan. Verkeer De nieuwe laan en brink in het midden van de woningen zijn voorzien van de bestemming 'Verkeer'. Hier mogen ook bij deze bestemming behorende voorzieningen worden gerealiseerd, zoals parkeervoorzieningen, voorzieningen voor afvalinzameling, kunstuitingen, groen en water. Water Aan de zuidkant van het plangebied worden vanaf de Waal een aantal watergangen gegraven. Deze worden voorzien van de bestemming 'Water'. Wonen De nieuwe woningen zijn voorzien van de bestemming 'Wonen'. Binnen deze bestemming zijn bouwvlakken toegekend waarbinnen de hoofdgebouwen zijn is toegestaan. De bouwvlakken zijn ruim ingetekend op de verbeelding omdat de exacte positie van de woningen nog niet duidelijk is. Voor de dijkwoningen is een specifieke bouwaanduiding opgenomen vanwege specifieke regels voor kelders en dakkapellen. Voor de oeverwoningen is een specifieke bouwaanduiding opgenomen vanwege specifieke regels voor bouwen.

Waar de bestemming 'Tuin' is aangegeven (langs de Pruimendijk) dient de voorgevel van de woningen uit stedenbouwkundig oogpunt binnen 3 meter van de naar de weg toe gekeerde bestemmingsgrens te worden gebouwd. De bestemming biedt daarnaast ruimte tot het realiseren van bijbehorende gebouwen, tuinen en erven. Daarnaast zijn er in de regels bepalingen opgenomen ten aanzien van de inhoud, de goot- en nokhoogte van de woningen. Naast de woonfunctie is beroepsuitoefening aan huis onder bepaalde voorwaarden toegestaan. Tot slot is vanwege de hoge geluidbelasting op de woningen aan de Pruimendijk een specifieke bepaling opgenomen die borgt dat binnen de wettelijke mogelijkheden wordt gebouwd. Waarde - Archeologie 2/ Waarde - Archeologie 3/ Waarde - Archeologie 4 Ter bescherming van de archeologische waarden die mogelijk in het gebied voorkomen, zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2', 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 4' opgenomen, afgestemd op het gemeentelijk archeologiebeleid. Voor deze gronden geldt dat bouwen en een aantal genoemde werken en werkzaamheden, waarbij archeologische waarden in het geding kunnen zijn, slechts mogelijk zijn na voorafgaande toetsing door het bevoegd gezag aan de archeologische waarden.

Waterstaat - Waterkering In verband met de aanwezigheid van een waterkering in het plangebied is op de bestemmingen langs de Pruimendijk de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' gelegd. Het dijklichaam wordt door middel van de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterkering’ beschermd terwijl de binnenste beschermingszone van de dijk beschermd wordt door de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - dijk’. De bescherming van de dijk en de binnenste beschermingszone is vormgegeven door een beperking van de ter plaatse geldende bouwregels. Een aanvullende bescherming wordt geboden door het Keur van het waterschap Hollandse Delta.

Rho adviseurs voor leefruimte

44001887.20190297

45

5.4

Aanduidingen

'vrijwaringszone - dijk' De binnenste beschermingszone van de dijk wordt beschermd door de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - dijk’. De bescherming van de dijk en de binnenste beschermingszone is vormgegeven door een beperking van de ter plaatse geldende bouwregels.

Rho adviseurs voor leefruimte

44001887.20190297

46

Rho adviseurs voor leefruimte

44001887.20190297

47

Hoofdstuk 6

6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

De uitvoering en kosten van het voornemen berusten volledig bij de initiatiefnemer. Met de gemeente Ridderkerk is een anterieure overeenkomst afgesloten waarin is geregeld dat de eventuele uitgekeerde (tegemoetkomingen in) planschade door de initiatiefnemer aan de gemeente worden vergoed. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid voldoende verzekerd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Inspraak De initiatiefnemer heeft het plan besproken met de direct omwonenden. De plannen voor de woningen zijn in februari 2020 besproken. De plannen voor het toekomstig openbaar gebied zijn in februari 2021 besproken. De aanwezige omwonenden op de informatieavond over het openbaar gebied waren positief over het plan en zien het openbaar gebied als een mooie toevoeging. Uitzondering zijn de directe bewoners naast het openbaar gebied. Deze bewoners zouden het liefste zien dat dit gebied enkel als weiland zou worden gebruikt. Dit hebben zij laten weten na de bewonersavond in februari. 6.2.2 Vooroverleg Op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) wordt het voorontwerpbestemmingsplan voor vooroverleg toegezonden aan de volgende overleginstanties. 1. 2. 3. 4.

Waterschap Hollands Delta Veiligheidsregio VRR Provincie Zuid-Holland Gemeente Hendrik-Ido-Ambacht

De instanties onder 1 tot en met 3 hebben gereageerd op het plan. 1. Waterschap Hollands Delta Het Waterschap geeft per e-mail (ontvangen op 26 februari 2021) aan dat de belangen van het waterschap in het voorontwerpbestemmingsplan zijn opgenomen. Het Waterschap adviseert wel de nieuw te graven oppervlaktewaterlichamen met elkaar te verbinden. Conform het beleid van het Waterschap zijn doodlopende einden van oppervlaktewaterlichamen niet toegestaan (zie beleidsregel BL-06 (ver)graven van oppervlaktewaterlichamen). Doodlopende einden kunnen namelijk van negatieve invloed zijn op de waterkwaliteit (bijvoorbeeld vuilophoping en afname van zuurstof in het water). Reactie gemeente De gemeente neemt kennis van het advies.

Rho adviseurs voor leefruimte

44001887.20190297

48

2. Veiligheidsregio VRR De VRR heeft per brief (9 maart 2021) laten weten dat zij zich kan zich vinden in de 'beknopte verantwoording' zoals beschreven staat in paragraaf 4.9 Externe veiligheid van de Toelichting op het bestemmingsplan. Reactie gemeente De gemeente neemt kennis van het advies. 3. Provincie Zuid-Holland Voor het plan is het provinciale e-formulier ingevuld op 15 februari 2021. Op grond van de gegeven informatie is gebleken dat het plan niet strijdig is met provinciale belangen. Het plan hoeft niet te worden opgestuurd naar de provincie Zuid-Holland. 6.2.3 Ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan Pruimendijk 164 - 170 heeft van 21 mei 2021 tot en met 1 juli 2021 ter inzage gelegen. Dit is gepubliceerd op 20 mei in de Staatscourant, de gemeentelijke website en de Blauwkai. Er is tijdens de terinzagelegging een digitale inloopavond georganiseerd. Deze avond is door drie mensen bezocht. De ingekomen zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in de separate Nota Zienswijzen behorend bij het raadsbesluit. Hierin zijn ook de aanpassingen van het bestemmingsplan naar aanleiding van de zienswijzen opgenomen. Het betreft het niet meer aanleggen van een watergang in het groengebiedje en het verkleinen van het bouwvak van één van de dijkwoningen. Tevens is de besluitvorming over de verkeerskundige herinrichting van de Pruimendijk in de toelichting verwerkt.

Rho adviseurs voor leefruimte

44001887.20190297

bijlagen bij de Toelichting

Bijlage 1 Quick scan flora en fauna

Rho adviseurs voor leefruimte

44001887.20190297

QuickScan Wet Natuurbescherming Herontwikkeling Pruimendijk 164-170a Ridderkerk Rapportnummer: 20210002

Datum rapport: 15-01-2020

i.o.v. Mevr. I.E.B. Schotanus-Bakker Auteur: E. S. Teijgeler

Inhoudsopgave 1

Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Wet natuurbescherming 1.2.1 Soortenbescherming 1.2.2 Gebiedsbescherming 1.3 Doel 1.4 Leeswijzer

2

Huidige en Toekomstige situatie 2.1 Beschrijving huidige situatie 2.2 Beschrijving toekomstige situatie

3

Aanwezigheid beschermde soorten 3.1 Methode onderzoek 3.2 Resultaten bureaustudie 3.3 Resultaten veldbezoek 3.3.1 Inleiding 3.3.2 Waarnemingen 3.3.3 Geschiktheid Het plangebied is geschikt als verblijfplaats voor 3.3.4 Ongeschiktheid Het plangebied is ongeschikt als groeiplaats/verblijfplaats voor

4

Beknopte effectenanalyse en maatregelen 4.1 Inleiding 4.2 Vogels 4.2.1 Inleiding 4.2.2 Algemene broedvogels 4.3 Vleermuizen

5

Gebiedsbescherming

6

Conclusies en aanbevelingen 6.1 Soortenbescherming 6.2 Gebiedsbescherming 6.3 Bestemmingsplanwijziging

1

1 Inleiding 1.1 Aanleiding De familie Schotanus-Bakker is al sinds 2003 eigenaar van een perceel grond van circa twee hectare, gelegen aan de Pruimendijk 164 – 170a in Ridderkerk. Op dit perceel bevindt zich op dit moment hun woonhuis en kantoor, maar ook een sinds 1 juli 2019 leegstaande en in verval geraakte manege met alle daarvoor benodigde voorzieningen. De familie is bekend met het gegeven dat de binnen rijbak van de manege geheel uit asbestbeplating bestaat. Zowel de wanden als het dak bestaan uit asbesthoudende golfplaten. Nu de overheid eist dat deze platen in de komende jaren gesaneerd moeten worden, is er voor gekozen de leegstaande en in verval geraakte manege te slopen en op deze locatie een herontwikkeling te starten. In de nieuwe situatie is er ruimte voor natuur, kavels met duurzame woningen. Om te bepalen of de voorgenomen plannen (mogelijk) leiden tot een overtreding van de vigerende natuurwetgeving, is een QuickScan wet natuurbescherming uitgevoerd. De resultaten in voorliggende quickscan zijn drie jaar geldig.

1.2 Wet natuurbescherming 1.2.1 Soortenbescherming Via de Wet natuurbescherming (WNB) is de bescherming van diverse planten en dieren in Nederland vastgelegd. Naast de algemeen geldende zorgplicht voor alle in het wild levende planten en dieren (artikel 1.11 van de WNB), geldt voor een aantal soorten een aanvullend beschermingsregime. Deze aanvullend beschermde soorten zijn onderverdeeld in drie groepen, namelijk: - vogels (artikel 3.1, alle soorten uit de Europese Vogelrichtlijn); - overige strikt beschermde soorten, waaronder soorten uit de Europese Habitatrichtlijn (artikel 3.5, dit betreffen o.a. vleermuizen); - nationaal beschermde soorten, waaronder soorten uit de Rode Lijst (artikel 3.10). Het is volgens de Wet natuurbescherming niet toegestaan om (het leefgebied van) beschermde soorten aan te tasten. Dit is vastgelegd middels verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten zijn verboden. Vrijstelling binnen provincie Zuid-Holland Provincies hebben de bevoegdheid om middels een provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten in het kader van bestendig beheer en onderhoud en ruimtelijke ontwikkeling.

In het geval van de provincie Zuid-Holland worden de volgende nationaal beschermde soorten vrijgesteld: Bruine kikker, Gewone pad, Kleine watersalamander, Meerkikker, Bastaard kikker, Aardmuis, Bosmuis, Bunzing, Dwergmuis, Dwergspitsmuis, Egels, Gewone bosspitsmuis, Haas, Hermelijn, Huisspitsmuis, Konijn, Ree, Rosse woelmuis, Veldmuis, Vos, Wezel en Woelrat. Deze soorten worden daarom in voorliggende rapportage buiten beschouwing gelaten. Voorzorgsmaatregelen Een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming is veelal te voorkomen door (voorafgaand aan de werkzaamheden) voorzorgsmaatregelen te treffen. Deze voorzorgsmaatregelen zijn gericht op het behoud van de functionaliteit van de groeiplaats van flora en de voortplanting- en/of vaste rust- en verblijfplaats van fauna. Daarnaast voorkomen de voorzorgsmaatregelen de negatieve gevolgen van een activiteit op individuen (bijv. doden en verwonden).

2

Ontheffingsplicht Een ontheffingsplicht (artikel 3.3, 3.8 en 3.10 uit de WNB) is van toepassing als een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming niet kan worden voorkomen door het nemen van voorzorgsmaatregelen. Het is mogelijk om met een goed onderbouwd projectplan een ontheffing aan te vragen bij de desbetreffende omgevingsdienst (in deze de Omgevingsdienst Haaglanden). De omgevingsdienst toetst de aanvraag vervolgens aan drie criteria: - Dient het planvoornemen in één van de in de wet genoemde belangen (bijv.in het belang van de instandhouding van natuurlijke habitatten)? - Is er een ‘andere bevredigende oplossing’ mogelijk? - Doet de ontheffing afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort? 1.2.2 Gebiedenbescherming Via de Wet natuurbescherming is tevens de bescherming van gebieden vastgelegd (voormalige Natuurbeschermingswet 1998). De gebiedenbescherming houdt samengevat in dat een ingreep in of nabij Natura 2000-gebieden geen dusdanig negatieve effecten op de kwalificerende habitatten en/of soorten mag hebben, dat deze zich op de lange termijn niet kunnen handhaven. Voor projecten die een (significant) negatief effect kunnen hebben op de instandhoudingsdoelen van het betreffende Natura 2000-gebied, is een vergunningaanvraag noodzakelijk.

Naast de bescherming van Natura 2000-gebieden via de Wet natuurbescherming kunnen gebieden via de ruimtelijke kaders beschermd worden middels het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen was dit de EHS).

1.3 Doel De QuickScan is een verkennende toets om na te gaan of door uitvoering van de voorgenomen plannen mogelijk overtreding van de Wet natuurbescherming optreedt. Het doel van de QuickScan is geformuleerd in onderstaande onderzoeksvragen: Onderzoeksvragen t.a.v. soortenbescherming: S1. S2. S3. S4.

Welke WNB-beschermde soorten maken (mogelijk) gebruik van de planlocatie? Wat zijn de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op deze beschermde soorten? Is aanvullend ecologisch onderzoek naar één of meerdere soorten noodzakelijk? Welke voorzorgsmaatregelen dienen te worden uitgevoerd om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen of te beperken? S5. Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen werkzaamheden een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen? Onderzoeksvragen t.a.v. gebiedenbescherming: G1. Ligt het plangebied in of nabij een Natura 2000-gebied of binnen het NNN? G2. Kunnen negatieve effecten op beschermde gebieden bij voorbaat worden uitgesloten? G3. Is een toetsing aan de gebiedenbescherming noodzakelijk? In sommige gevallen kan de aanwezigheid van beschermde soorten op basis van een QuickScan niet worden uitgesloten. Dit aangezien sommige beschermde soorten met een eenmalig veldbezoek lastig 3

zijn waar te nemen of enkel in een bepaalde periode van het jaar waarneembaar zijn. Als met de QuickScan de aanwezigheid van deze soorten niet valt uit te sluiten, kan een aanvullend ecologisch onderzoek noodzakelijk zijn.

1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is een beschrijving van het plangebied weergegeven en de uit te voeren werkzaamheden zijn hier benoemd. Hoofdstuk 3 gaat in op de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten. In hoofdstuk 4 worden globaal de effecten bepaald van het plan op de soorten die (mogelijk) gebruik maken van het plangebied. Hier worden ook beknopt maatregelen voorgesteld om zorgvuldig te handelen ten aanzien van beschermde soorten. In hoofdstuk 5 wordt kort beargumenteerd of een toetsing aan de gebiedenbescherming noodzakelijk is. In hoofdstuk 6 worden (middels beantwoording van de onderzoeksvragen uit paragraaf 1.3) de conclusies en aanbevelingen uit voorliggend rapport op een rij gezet.

4

2. Huidige en toekomstige situatie 2.1 Beschrijving huidige situatie De planlocatie is gelegen aan de Pruimendijk 164-170a te Ridderkerk, grenzend aan het riviertje de Oude Waal. De noordelijke begrenzing van de locatie betreft de Pruimendijk. Zowel de westelijke, de oostelijke grens is in beide gevallen een watergang van ongeveer 2 meter breed. (Fig. 2.1.)

Figuur 2.1 Globale ligging plangebied (rood omlijnd) (Bron ondergrond: Bing Maps) De weilanden de westzijde worden afgestaan aan de gemeente Ridderkerk.

Bebouwing Het woonhuis en kantoor stammen uit circa 1880 en zijn opgetrokken uit enkelsteens muren zonder spouw. Later is hier aan de binnenkant een geïsoleerde voorzetwand tegen geplaatst. De (zolder)verdiepingen zijn van houten vloeren. Op het dak liggen dakpannen voorzien van een vogelwering bij de dakgoot. Op de planlocatie bevinden zich nog diverse gebouwen die deel uitmaken van de voormalige manege, deze zijn afgesloten en buiten gebruik in afwachting van sloop en asbestsanering. Erf- en groenstructuren Aan de westzijde direct naast de stalling en indoor paardenrijbak bevind zich een paddock bestaande uit zand en weilanden (de bodem is kleiig). Het erf is grotendeels verhard met betonnen klinkers en stelconplaten ook is er een ingegraven mestplaat aanwezig. Aan de oostzijde direct naast de indoor paardenrijbak en grenzend aan de sloot staat een rij knotwilgen, de oever van de Oude Waal is begroeid met riet. In de tuin van de huidige woning staat een kastanjeboom, verder wat lage beplanting. De tuin is verder voorzien van grind en een koi karper vijver. Aan de voorzijde van de parkeerplaats staat een rij knotwilgen. De hoeveelheid groenvoorziening is echter beperkt.

5

A - Woonhuis vanaf straatzijde

B – Woonhuis vanaf tuinzijde

C – Paardenstallen

D – Indoor paardenrijbak aan zijkant

E – Paardenstallen

F - Stroschuur

G – Paddock grenzen aan de Waal

H – Buitenterrein Manege

Figuur 2.2 a-h. Foto-impressie plangebied.

6

2.2 Beschrijving toekomstige situatie -

De bestaande bebouwing blijft gehandhaafd. Dit is van belang i.v.m. de zwaluwnesten op de oostelijke kopgevel;

-

Alle manegegebouwen en stallen worden gesloopt;

-

Er worden haaks op de rivier 4 nieuwe sloten aangelegd;

-

Aan de gemeente wordt het westelijke gedeelte van de locatie afgestaan ter grootte van 6.750 m²;

-

In het hart van het woonerf komt een faunatil te staan die plaats bied aan diverse broedvogels en vleermuizen;

-

Aan de oude waal wordt een ijsvogelwand geplaatst die een nestplaats biedt aan de ijsvogel;

-

Het aan te planten inheemse groen versterkt het landschap en de biodiversiteit.

Figuur 2.3 Inrichtingsplan voorgenomen ontwikkeling. De figuur is ontleent aan het Beeldkwaliteitsplan.

7

3. Aanwezigheid beschermde soorten 3.1 Methode onderzoek De QuickScan is uitgevoerd door middel van een bureau- en veldonderzoek. Het bureauonderzoek heeft tot doel om een beeld te krijgen van aanwezige WNB-beschermde soorten in de omgeving van het plangebied, zodat de kans op voorkomen in het plangebied (op basis van de terreinsituatie tijdens het veldbezoek) kan worden geschat. Voor het bureauonderzoek is de omgeving van het plangebied als zoekgebied gebruikt. Voor het bureauonderzoek zijn gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. De NDFF is de meest complete databank in Nederland met verspreidingsinformatie van flora en fauna. Aangezien ook de NDFF niet volledig is, is tevens gebruik gemaakt van informatie uit overige beschikbare vakliteratuur en eigen soort- en gebiedskennis (expert judgement). Op 15-10-2020 is het veldbezoek uitgevoerd. Tijdens het veldbezoek is gekeken naar de geschiktheid van het plangebied voor (in de omgeving aanwezige) beschermde soorten. Hierbij is gekeken naar de aanwezigheid van beschermde soorten en sporen hiervan (zoals uitwerpselen, pootafdrukken en aanwezige (oude) nesten). Vanwege de locatie is extra aandacht besteed aan het zoeken naar braakballen van uilen. De QuickScan is uitgevoerd door een ervaren ecoloog van Kingfisher Natuurprojecten.

De ecoloog voldoet aan de definitie die Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) hanteert van een ter zake kundige voor het opstellen van toetsingen aan de Wet natuurbescherming.

3.2 Resultaten bureauonderzoek Raadpleging van de NDFF toont dat de volgende soort(groep)en in de omgeving van het plangebied aanwezig kunnen zijn: - jaarrond beschermde broedvogels (huismus, grote gele kwikstaart (overwinteraar), kerkuil); - vleermuizen (gewone,- en ruige dwerg vleermuis, laatvlieger); - grondgebonden zoogdieren (bever); - Amfibieën (rugstreeppad);

3.3 Resultaten veldbezoek 3.3.1 Inleiding De huidige situatie van het plangebied (zoals aangetroffen tijdens het veldbezoek) is omschreven in paragraaf 2.1. Bij het veldbezoek is het gehele plangebied bezocht (grasland, enkele bomen en de opstallen/bebouwing). Voor de resultaten is een splitsing gemaakt in soortwaarnemingen en de beoordeling van de geschiktheid van het plangebied als groeiplaats (flora) en/of leefomgeving (fauna) voor in de omgeving voorkomende beschermde soorten. 3.3.2 Waarnemingen Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen van beschermde soorten gedaan.

8

3.3.3 Geschiktheid Het plangebied is geschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor: -

Broedvogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4); grote gele kwikstaart. De locatie is geschikt door het openkarakter van de voormalige weilanden, in de nieuwe situatie blijft dit grotendeels ongewijzigd. Verdere onderbouwing zal daarom niet worden benoemd in de onderliggende rapportage;

-

Broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten (categorie 5) en algemene broedvogels; in de bomen en struiken kunnen algemene, tijdens het broedseizoen beschermde (en categorie 5) soorten broedvogels tot broeden komen. Aan de oostelijke gevel van de bestaande woning bevinden zich 14 nesten van de huiszwaluw, deze woning blijft ongemoeid (de huiszwaluw valt daarbij buiten het plangebied en zal niet verder worden benoemd in de onderliggende rapportage);

-

Vleermuizen*: Vleermuizen kunnen het terrein en de omliggende wateren gebruiken als foerageergebied;

-

Amfibieën: de weilanden zijn na hevige regenval geschikt als rust- en voortplanting en bieden plaatst voor de rugstreeppad door het ontstaan van ondiepe poelen.

3.3.4 Ongeschiktheid Het plangebied is ongeschikt als groeiplaats/verblijfplaats voor: -

Flora: Volgens de gegevens van de NDFF komt op ca. nul tot één km afstand de Tonghaarmuts voor, echter gezien de bebouwing, gebruik en verstoorde karakter van het terrein wordt deze in het plangebied niet verwacht.

-

Broedvogels met jaarrond beschermde nesten: in de wijde omgeving komen kerkuil, huismus en gierzwaluw, voor. De ingreeplocatie is ook potentieel geschikt voor deze soorten. De kerkuil is echter niet in de directe omgeving aangetroffen, tevens zijn geen sporen gevonden tijdens het veldbezoek, de bebouwing is echter niet geschikt als verblijfplaats voor de gierzwaluw en huismus. Volgens de eigenaren van de manage hebben zij deze ook niet eerder hier gezien, wel de huiszwaluw die zijn verblijfplaats aan de huidige woning heeft.

-

Vleermuizen: lijnvormige elementen ontbreken op het terrein en daarmee een vliegroute voor vleermuizen. Mogelijk wordt de Oude Waal wel gebruikt als vlieg- en foerageerroute voor vleermuizen. Uit onderzoek is gebleken dat de Meervleermuis hiervan gebruik maakt eenmaal is deze met de batdetector met een redelijke zekerheid waargenomen. De voorgenomen ingreep zal op de foerageerfunctie van de aanliggende rivierarm geen invloed hebben. Verder zijn de te slopen gebouwen ongeschikt als zomer-, paar- en (massa)winterverblijfplaats en of kraamverblijfplaats.

-

Grondgebonden zoogdieren: de buurman geeft aan overlast te ondervinden van een steenmarter die in zijn woning een mogelijke vaste rust- en verblijfplaats heeft, het terrein en de 9

omgeving van de manege zijn wel mogelijk geschikt als foerageergebied van de steenmarter. De bever is in de omgeving van de Oude Waal waargenomen, echter zijn er op het terrein geen sporen van gevonden, de voorgenomen ingreep zal voor de bever geen invloed hebben. -

Overige soorten uit de soortgroep vissen, amfibieën en ongewervelden en reptielen: Uit de NDFF is gebleken dat de rugstreeppad in de omgeving voorkomt. De sloten aan de randen van het plangebied blijven ongemoeid, het huidige weiland blijft in zijn functie behouden zodat geen sprake is van een negatief effect op deze soort. Andere beschermde vissen, amfibieën en ongewervelden en reptielen komen niet voor in de directe omgeving of geschikt leefgebied (watergangen) komen niet voor in het plangebied.

Bovenstaande soort(groep)en worden daarom verder niet behandeld in voorliggende rapportage.

* Vleermuizen maken gebruik van kraam-, zomer-, paar- en winterverblijven en wisselen regelmatig van verblijfplaats. Afhankelijk van de soort en de tijd van het jaar verblijven ze in bomen, gebouwen, bruggen, bunkers etc. Tevens maken vleermuizen gebruik van lijnvormige elementen (zoals aaneengesloten bomenrijen en watergangen) als vlieg- en/of foerageerroute.

10

4 Beknopte effectenanalyse en maatregelen 4.1 Inleiding Uit paragraaf 3.3.3 blijkt dat de volgende soortgroepen mogelijk hun leefgebied hebben in het plangebied: huiszwaluw en vleermuizen. Deze soorten worden meegenomen in de beknopte effectenanalyse in navolgende paragrafen.

4.2 Vogels 4.2.1 Inleiding Middels artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming worden alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd. Onder de Flora- en faunawet werden binnen de groep broedvogels drie categorieën onderscheiden. Deze indeling wordt door de provincies onder de WNB vooralsnog gehandhaafd. Het gaat om de volgende categorieën: -

-

-

vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4); De nesten van vogelsoorten binnen categorie 1 t/m 4 zijn jaarrond beschermd. Dit geldt ook voor de directe omgeving die nodig is om de jongen succesvol groot te brengen (rust- en foerageergebied). vogels met niet-jaarrond beschermde nesten, waarbij inventarisatie gewenst is (categorie 5); Vogels met niet-jaarrond beschermde nesten betreffen broedvogels die in principe niet jaarrond beschermd zijn, maar waarvan het ministerie van EZ wel een inventarisatie verlangt en waarvan de soorten jaarrond beschermd zijn als de ecologische omstandigheden dit rechtvaardigen. vogels met tijdens het broedseizoen beschermde nesten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/781/documents/29914