Beheerplan Water 2026 - 2030.pdf
Tekst van het document
Kosten post
2026
Inspectie
€ 5.000
Dagelijks onderhoud / schoonmaken Groot onderhoud of vervanging Totale kosten - investeringen Totale kosten - planmatig onderhoud
2027
2028
2029
2030
€ 7.200 p.m
€ 7.200 p.m
€ 7.200 p.m
€ 7.200 p.m
€ 7.200 p.m
p.m
p.m
p.m
p.m
p.m
€ 12.200
€ 7.200
€ 7.200
€ 7.200
€ 7.200
5.7 Programma haven De gemeente bezit een eigen haven aan de rivier De Noord. Twee delen zijn te onderscheiden. Aan de noordzijde een industriehaven met twee watergebonden bedrijven en een passantensteiger. Aan de zuidzijde een recreatiehaven met twee jachthavens. Behalve de passantensteiger worden de overige delen verhuurd. De gemeente is verantwoordelijk voor het op diepte houden van de haven. Gemiddeld wordt er elke 5 jaar gebaggerd. Als gevolg van onder andere toename van scheepsbewegingen bij De Noord, onzekerheden over de aanwas van baggerslib en verplaatsing van baggerslib binnen de haven, is er behoefte aan monitoring door middel van dieptemetingen. Deze monitoring loopt nu al enkele jaren en geeft uiteindelijk beeld over de baggeraanwas en de baggerfrequentie. De financiële aspecten van het baggeren komen aan de orde in dit beheerplan. Het groen, de verharding, de civiele kunstwerken (zoals de kades en meerpalen) en de openbare verlichting vallen onder de beheerplannen van de betreffende disciplines.
Kengetallen begroting Om de baggerwerkzaamheden te bekostigen is een reserve ingesteld waarin jaarlijks € 32.700 wordt gestort. Uitgegaan wordt van een verwachte onttrekking van ongeveer € 450.000 over een periode van 5 jaar voor het baggeren van de haven. De stand van de reserve per 1 januari 2025 is € 928.313. Het verloop van de reserve vanaf 2026 is aangegeven in Tabel 14.
32
Tabel 14 Verloop reserve baggeren haven vanaf 2026 2026
2027
2028
2029
2030
2031
2032
2033
2034
2035
2036
2037
Stand per 1-1
961.013
993.713
576.413
609.113
641.813
674.513
707.213
289.913
322.613
355.313
388.013
420.713
Bij (storting):
32.700
32.700
32.700
32.700
32.700
32.700
32.700
32.700
32.700
32.700
32.700
Af: baggeren Stand per 31-12
-450.000 993.713
576.413
-450.000 609.113
641.813
674.513
707.213
289.913
32.700 -450.000
322.613
355.313
388.013
420.713
3.413
De verhuurovereenkomsten met de twee jachthavens worden in 2025 herzien. Eventuele financiële gevolgen zijn nog niet bekend.
5.8 Programma zwemwater Provincie Zuid-Holland stelt jaarlijks een officiële lijst van zwemwateren vast. In de gemeente Ridderkerk liggen 4 zwemwateren. De zwemplas Oosterpark, Wevershoek en Waalboezem Surfbocht zijn in het beheer van Natuur- en Recreatieschap IJsselmonde. De zwemplas Woude is geheel in het beheer van de gemeente Ridderkerk. De gemeente heeft bij zwemplas Wevershoek wel een (onlangs vernieuwde pomp) in beheer. De waterkwaliteit van zwemwaterlocaties wordt gemonitord door het waterschap en de fysieke veiligheid ervan door de omgevingsdienst. De gemeente Ridderkerk is voor zwemplas Woude verantwoordelijk voor het op de juiste diepte houden van het water (het mag niet te diep zijn), het schoon- en onderhouden van het strand en voor het instandhouden en onderhouden van de boeienlijn. De kosten hiervoor bedragen circa € 4.500 per jaar.
33
5.9 Totaaloverzicht kosten In Tabel 15 volgt een overzicht van de totaal te verwachten kosten per jaar per programma: Tabel 15: Overzicht totale kosten per programma per jaar. Programma
type
2026
2027
2028
Baggeren
Planmatig
€ 183.000
€ 158.000
€ 173.000
€ 158.000
€ 173.000
Duikers
Planmatig
€ 29.500
€ 9.500
€ 9.500
€ 9.500
€ 9.500
Oeverbeschoeiing
Vervanging *
€ 243.000
€ 243.000
€ 243.000
€ 243.000
€ 243.000
Oeverbeschoeiing Maaien, krozen, onderhoud paaizones en bladvissen Monitoring, aanplant, advies Drainage- en suppletiegemalen
Planmatig
€ 15.000
€0
€0
€0
€0
Dagelijks
€ 339.200
€ 339.200
€ 339.200
€ 339.200
€ 339.200
Planmatig
€ 16.000
€ 6.000
€ 15.000
€ 6.000
€ 6.000
Vervanging**
€0
€0
€ 8.000
€ 7.000
€ 10.000
Stuwen
Vervanging
p.m.
p.m.
p.m.
p.m.
p.m.
Stuwen
Planmatig
€ 12.200
€ 7.200
€ 7.200
€ 7.200
€ 7.200
Haven
Planmatig
€ 32.700
€ 32.700
€ 32.700
€ 32.700
€ 32.700
Zwemwater Totale kosten - dagelijks onderhoud Totale kosten - planmatig onderhoud Totale kosten investeringen
Dagelijks
€ 4.500
€ 4.500
€ 4.500
€ 4.500
€ 4.500
€ 343.700
€ 343.700
€ 343.700
€ 343.700
€ 343.700
€ 288.400
€ 213.400
€ 245.400
€ 220.400
€ 238.400
€ 243.000
€ 243.000
€ 243.000
€ 243.000
€ 243.000
€ 832.100
€ 807.100
€ 825.100
€ 875.100 € 800.100 *voor deze vervangingen worden kapitaallasten opgenomen in de begroting.
2029
2030
** Voor deze vervangingen zijn in de begroting 2025 investeringen met kapitaallasten opgenomen. Op grond van het activabeleid worden vervangingen kleiner dan € 100.000 niet als investering in de begroting verwerkt. Voor deze vervangingen worden exploitatiebudgetten opgenomen bij planmatig onderhoud.
34
6 Benodigd budget versus beschikbaar budget 6.1 Dagelijks onderhoud Uit het vorige hoofdstuk kan worden afgeleid dat de volgende onderdelen tot het dagelijks onderhoud behoren: -
Onderhoud watervegetatie (Maaien, krozen, onderhoud paaizones en bladvissen ) Zwemwater
In onderstaande tabel is het benodigde budget voor dagelijks onderhoud van deze onderdelen vergeleken met het momenteel aanwezige budget in de begroting voor ‘Waterwegen dagelijks onderhoud’. Tabel 16: Verschil beschikbaar budget – benodigd budget dagelijks onderhoud.
Dagelijks onderhoud Benodigd budget Beschikbaar budget Verschil
2026 € 343.700 € 314.100 € -29.600
2027 € 343.700 € 314.100 € -29.600
2028 € 343.700 € 314.100 € -29.600
2029 € 343.700 € 314.100 € -29.600
2030 € 343.700 € 314.100 € -29.600
6.2 Planmatig onderhoud Uit het vorige hoofdstuk kan worden afgeleid dat de volgende onderdelen tot het planmatig onderhoud behoren: -
Baggeren Duikers Stuwen Aanplant waterplanten en monitoring Inspectie oeverbescherming Drainage- en suppletiegemalen
In onderstaande tabel is het benodigde budget voor planmatig onderhoud vergeleken met het momenteel aanwezige budget in de begroting voor ‘Waterwegen planmatig onderhoud’. Tabel 17: Verschil beschikbaar budget – benodigd budget planmatig onderhoud.
Planmatig onderhoud Benodigd budget Beschikbaar budget Verschil
2026 € 288.400 € 217.800 € -70.600
2027 € 213.400 € 217.800 € 4.400
2028 € 245.400 € 217.800 € -27.600
2029 € 220.400 € 217.800 € -2.600
2030 € 238.400 € 217.800 € -20.600
35
6.3 Vervangingen Uit het vorige hoofdstuk kan worden afgeleid dat er bij beschoeiingen komende jaren sprake is van vervangingsinvesteringen. De vervanging van drainage- en suppletiegemalen is opgenomen bij planmatig onderhoud. Mogelijke vervangingen van duikers en stuwen zijn momenteel nog niet bekend. In onderstaande tabel is het benodigde budget voor vervangingen van beschoeiingen vergeleken met de beschikbare investeringsbudgetten in de begroting. In de begroting zijn budgetten opgenomen voor vervanging van beschoeiing en drainageen suppletiegemalen. Deze laatste investeringen komen dus te vervallen omdat deze vervangingen opgenomen zijn bij planmatig onderhoud. Tabel 18: Overzicht extra vervangingsinvesteringen.
Vervangingen Benodigd budget Beschikbaar budget beschoeiingen Extra benodigd voor beschoeiingen Vervallen budget drainage/suppletiegemalen Verschil Extra benodigde kapitaallasten
2026 € 243.000 € 58.600 € -184.400
2027 € 243.000 € 58.600 € -184.400
2028 € 243.000 € 58.600 € -184.400
2029 € 243.000 € 58.600 € -184.400
2030 € 243.000 € 58.600 € -184.400
€ 30.000 € -154.400 €0
€ 29.000 € -155.400 € -12.600
€0 € -184.400 € -25.200
€ 54.300 € -130.100 € -39.400
€0 € -184.400 € -50.000
6.4 Budgettair effect De extra benodigde budgetten voor dagelijks en planmatig onderhoud en de extra benodigde kapitaallasten zijn in tabel 19 in één overzicht weergegeven. Daarmee geeft de tabel het budgettair effect op de begroting voor de komende 5 jaar weer.
Tabel 19 Budgettair effect Beheerplan Water
Budgettair effect Dagelijks onderhoud Planmatig onderhoud Kapitaallasten Totaal nadeel
2026 € -29.600 € -70.600 €0 € -100.200
2027 € -29.600 €4.400 € -12.600 € -37.800
2028 € -29.600 € -27.600 € -25.200 € -82.400
2029 € -29.600 € -2.600 € -39.400 € -71.600
2030 € -29.600 € -20.600 € -50.000 € -100.200
36
7 Aanbevelingen 7.1 Waterbeelden, ambities en doelen voor uitvoering Om toekomstige visies en doelstellingen te halen is het van belang een ambitie te definiëren. In de openbare ruimte worden ambities vaak bepaald op basis van functionele eisen. Voor water is dit niet altijd haalbaar. Bijvoorbeeld omdat beheer van het water ook onder de waterlijn plaats vindt. Onderhoudswerken zijn daarom niet altijd zichtbaar. Daarom wordt aanbevolen om verschillende waterbeelden te definiëren. Het uitgangspunt voor de kaders en de begroting is een beheercyclus van vijf jaar (2026 - 2030) bij ingang van dit plan. Door ook voor de andere onderhoudstaken een gelijk interval aan te houden ontstaat samenhang in het beheerprogramma. Differentiatie in het watersysteem zorgt voor een verdeling van het watersysteem in drie categorieën: -
Water voor algemeen doel; Water voor ecologie; Water voor beleving.
In de huidige beheerstrategie is het onderscheid tussen deze categorieën niet vastgelegd. Het ontbreken van deze indeling beperkt daardoor de mogelijkheden die het watersysteem kan hebben bij het invullen van de prioriteiten van de gemeente, zoals: het bijdragen aan ecologische doelen, het optimaliseren van waterberging en het klimaat robuust inrichten van de buitenruimte. Het advies is om de gemeentelijke watergangen onder te verdelen in drie categorieën. In de eerste instantie komt de indeling tot stand op basis van een bureaustudie, vervolgens is toetsing van belang om de onderverdeling van de watergangen in verschillende categorieën te controleren. Afhankelijk van de toetsing wordt de onderverdeling aangepast of bevestigd. Bij de indeling is het van belang om het waterschap op de hoogte te brengen van de doelen en hieruit voortkomende afwijkingen op de schouw. In bijlage 4 volgt een beschrijving van de verschillende voorgestelde categorieën en de daarbij behorende doelstellingen en kwaliteitsbeelden.
7.2 Baggeren – overwegen uitvoeringsjaren combineren Gezien het geringe aantal kilometers dat er per jaar wordt gebaggerd indien er uitgegaan wordt van een baggercyclus van 10 jaar is het wellicht mogelijk om twee jaar in 1x uit te voeren. Doordat de aannemer door deze werkwijze meer moet baggeren in één winter, daalt de prijs per te baggeren kuub en is de gemeente uiteindelijk goedkoper uit. De grootste winst wordt gemaakt met het voorbereiden en 37
het houden van directie en toezicht. Dit is namelijk even duur voor een kleine scope als voor een iets grotere scope. Door twee jaren te combineren maak je hier 1 keer kosten voor in plaats van 2 keer. Geadviseerd wordt de haalbaarheid hiervan te onderzoeken op gebied van financiën, uitvoering en ecologische doelen. In de Programma Begroting wordt gewerkt met jaarbudgetten, terwijl de baggerwerkzaamheden de hele winter kunnen plaatsvinden. Door het budget van bijvoorbeeld 2026 geheel besteden in november/december en het budget van 2027 geheel besteden in januari/februari kan in één winter meer baggerwerk worden verzet en hoeft de winter daarop niet te worden gebaggerd. Dit vereist echter een zeer strakke planning, duidelijke afspraken met de aannemer en een zeer tijdige uitvoering van het inmeten en de benodigde onderzoeken. Als de te baggeren watergangen dicht bij elkaar liggen kan dit echter nadelig zijn voor de waterkwaliteit. Fasering in baggergebieden is gunstiger omdat dan niet al te grote gebieden in 1x worden gebaggerd en daarmee het ecosysteem de tijd heeft te herstellen. Maar als de te baggeren watergangen verspreid liggen over de verschillende wijken in de gemeente is dit nadelige effect er veel minder. Dit aspect wordt in ieder geval meegenomen in de afweging of uitvoeringsjaren wel of niet te gaan combineren.
7.3 Onderzoek overdragen areaal stuwen Zoals in programma 5.4. aangegeven worden de stuwen volgend jaar geïnspecteerd. Op basis daarvan wordt bepaald welk onderhoud noodzakelijk is en op welke termijn dit dient te worden uitgevoerd. Daarbij wordt de mogelijkheid tot het overdragen van de stuwen aan het waterschap onderzocht. Het waterschap is verantwoordelijk voor het peilbeheer en aangezien dit o.a. wordt gereguleerd met stuwen, is het niet onlogisch als de stuwen in beheer van het waterschap komen.
38
Bijlagen Bijlage 1 - Toelichting besluit bodemkwaliteit Bodemwetgeving valt onder de Omgevingswet in de volgende wetten en besluiten: - Omgevingswet o Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) - Aanvullingswet bodem o Aanvullingsbesluit bodem en Besluit bodemkwaliteit (Bbk) Het besluit bodemkwaliteit is in de context van het waterbeheerplan met name van toepassing op baggerwerkzaamheden. Afvoeren van baggerspecie is met oog op circulariteit en duurzaamheid ongewenst. Baggerspecie heeft veel eigenschappen, die voor agrarische percelen waardevol zijn. Zo is baggerspecie zeer vruchtbaar en voedingsrijk, niet wenselijk voor verschraling, maar wel voor voedselproductie. Om te bepalen of vrijkomende baggerspecie als grondstof of als afvalstof kan worden beschouwd moet er worden getoetst op de toepasbaarheid en de verspreidbaarheid ervan. Daarnaast zijn de PFAS-toetsing en eventuele asbestresten van belang. A. Toepasbaarheid Grond en baggerspecie kunnen ingedeeld worden in verschillende kwaliteitsklassen. Deze kwaliteitsklassen zijn er om zowel grond als baggerspecie toe te passen op de landbodem of in de waterbodem. Om de toepasbaarheid van de baggerspecie te bepalen moet deze via een standaardpakket (C2 SIKB) getoetst worden aan de kwaliteitseisen voor landbodem opgenomen in het Bbk met de onderliggende regeling bodemkwaliteit 2022 (RBK 22), voor de verschillende klassen zie figuur 5
Figuur 5 Toepassingsmogelijkheden baggerspecie op basis van kwaliteitsonderzoek
Kwaliteitsklasse landbouw/natuur; deze specie is schoon en mag overal toegepast worden. Kwaliteitsklasse wonen; deze specie is zeer licht verontreinigd en is toepasbaar in woonwijken, bedrijventerreinen, infrastructurele werken en parken. Kwaliteitsklasse Industrie; deze specie is toepasbaar op bedrijvenparken, industriegebieden en binnen infrastructurele werken.
39
Matig verontreinigde specie en sterk verontreinigde specie; deze specie is zonder reiniging niet toepasbaar en wordt veelal afgevoerd, dan wel gereinigd afhankelijk van het type verontreiniging. In kader van de zorgplicht geldt dat, alvorens de specie wordt toegepast, niet alleen gekeken wordt naar de genormeerde parameters, maar ook naar eventueel niet voorkomende genormeerde parameters. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het gehalte chloride en/of nutriënten. Baggerspecie met de klasse landbouw-natuur kan nog steeds veel zout en nutriënten bevatten, waardoor het toepassen van deze specie in een voedselarm en zoet natuurgebied hoewel mogelijk toch onwenselijk is. Verder geldt voor alle baggerspecie dat deze maar sporadisch plastic en ander bodemvreemd materiaal (anders dan steenachtig materiaal of puin) mag bevatten en dat steenachtig/houtachtig materiaal hooguit 20% van de massa van de baggerspecie uit mag maken. B. Verspreidbaarheid Een veel toegepaste baggerverwerkingsstrategie is het verspreiden van baggerspecie. Hiervoor geldt een ander reglementair kader, namelijk dat van verspreiden. Het reglementair kader voor verspreiden geldt ook voor het verwerken van baggerspecie in een weilanddepot (tot maximaal 10 kilometer afstand van de baggerlocatie).
Om te bepalen of baggerspecie te verspreiden is dient er een “meer soorten potentieel aangetaste fractie” (ms-PAF) toets te worden uitgevoerd. De ms-PAF kijkt naar een deel van de eventueel voorkomende verontreinigingen. De toets is afgestemd op het waarborgen van de voedselveiligheid en het voorkomen van ecologische risico’s. De eisen aan het uitvoeren van de toets zijn dusdanig dat het toepassen of verspreiden van specie die voldoet aan de ms-PAF-toets op landbouwgronden is te beschouwen als duurzaam. Op basis van de ms-PAF-toets zijn er vier opties (figuur 6):
Figuur 6 Schematische weergave uitkomsten ms-PAF toetsing.
Vrij verspreidbare baggerspecie is baggerspecie die voldoet aan de kwaliteitsklasse Landbouw/natuur en aan de eisen van de ms-PAF. Deze baggerspecie is overal in Nederland toe te passen. Verspreidbare bagger is binnen een straal van 10 kilometer van de watergang te verspreiden op een geschikt perceel onder de voorwaarde dat het gaat om landbouwgrond. 40
Met de invoering van Het Verzamelbesluit Omgevingswet IenW bodem en water 2025 op 01-01-2025 mag de specie uit een weilanddepot zowel op de locatie achterblijven als na rijping binnen drie jaar elders toegepast worden. Voor het laatste gelden wel de volgende randvoorwaarden: -
De baggerspecie moet binnen drie jaar na het begin van de opslag elders verspreid zijn. Bij de melding voor de opslag moet een verklaring van het dagelijks bestuur van het waterschap zijn gevoegd waarin staat dat de initiatiefnemer de baggerspecie na de opslag elders op de landbodem gaat verspreiden. Op de opslaglocatie is de afgelopen 5 jaar voor het begin van de opslag geen baggerspecie opgeslagen.
Niet verspreidbare baggerspecie mag niet verspreid worden, maar mag eventueel wel worden toegepast op de landbodem, mits de kwaliteit van de specie beter is dan of vergelijkbaar met de functieklasse en de kwaliteitsklasse van de bodem, waarop deze wordt toegepast. Nooit verspreidbare specie overschrijdt de interventiewaarde en moet altijd worden afgevoerd. De ms-PAF geeft geen volledig beeld van de chemische kwaliteit, sinds alleen gekeken wordt naar stoffen die risicovol zijn voor het ecosysteem en de voedselveiligheid. De zorgplicht zoals gedefinieerd in de Omgevingswet is bij verspreiden van baggerspecie van toepassing. De zorgplicht betekent dat iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat nadelige gevolgen kunnen optreden als gevolg van een toepassing, maatregelen moet nemen om verontreiniging te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Het is immers mogelijk dat matig verontreinigde baggerspecie ook verspreidbaar is. Dit creëert een onwenselijke situatie, die voorkomen dient te worden. In het bijzonder moet daarbij ook naar het zoutgehalte gekeken worden, sinds deze parameter niet meetelt voor de verspreidbaarheid. C. PFAS-verbindingen Per- en polyfluoralkylstoffen, ofwel PFAS zijn een groep van meer dan 6.000 chemische stoffen die in tal van producten zitten. Deze stoffen komen van nature niet in de leefomgeving voor.
PFAS wordt sinds de jaren veertig in producten gebruikt en is inmiddels dermate diffuus verspreid dat de stoffen praktisch overal te vinden zijn. Stoffen die vallen onder de PFAS-groep delen een aantal kenmerken, zijnde: PFAS breekt nauwelijks af, accumuleert in organismen en is mobiel, toxisch en carcinogeen. Een deel van de stoffen die onder de PFAS-groep vallen zijn door de Europese Unie bestempeld als ‘zeer zorgwekkende stoffen’. PFAS vormen hiermee een risico voor de gezondheid van de mens en haar leefomgeving. 41
Om te achterhalen wat de praktische mogelijkheden zijn voor het verspreiden dan wel toepassen van baggerspecie, dienen de toepasbaarheid- en de verspreidbaarheidsklasse toetsing en de PFAS-toetsing naast elkaar gelegd te worden. De slechtste kwaliteit is hierbij leidend en de uiteindelijke kwaliteit. De uitkomst van deze samenstelling, wordt ook wel de samengestelde klasse genoemd. Om te bepalen of PFAS in baggerspecie een gevaar oplevert voor de leefomgeving heeft het Ministerie van I&W in December 2021 het ‘handelingskader voor hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie’ vastgesteld. Dit handelingskader stelt dat alvorens grond en/of baggerspecie toegepast wordt, getoetst dient te worden op het voorkomen van 30 stoffen die onder de PFAS-familie vallen, waaronder PFOA. Dit is een aparte toets, naast de hierboven beschreven Bbk-toetsing. Indien de concentratie van PFOA maximaal 1,9 µg/kg en de overige PFAS-stoffen onder 1,4 µg/kg bedraagt, is de specie op het gebied van PFAS vrij verspreidbaar en heeft deze de klasse landbouw/natuur. Indien de concentratie van PFOA maximaal 7 µg/kg en de overige PFAS-stoffen onder 3 µg/kg bedraagt, is de specie op het gebied van PFAS verspreidbaar en heeft deze de klasse Wonen/Industrie. Indien de concentratie PFAS hoger is dan deze waarden is de specie niet toepasbaar en niet verspreidbaar.
Op basis van de bodemkwaliteitskaart geldt dat de gehele gemeente éénzelfde kwaliteitszone heeft voor PFAS, namelijk Wonen Industrie. Dit houdt in dat: - De maximale concentratie PFOA maximaal 7 µg/kg is; - De maximale concentratie voor overige PFAS-stoffen 3 µg/kg bedraagt. Het toepassen en verspreiden van baggerspecie uit de BAR-gemeenten in Ridderkerk is alleen mogelijk als deze voldoet aan de kwaliteitsklasse Wonen/Industrie of schoner. D. Asbest
Asbest werd tussen eind jaren veertig tot eind jaren tachtig veelvuldig toegepast. Het werd met name gebruikt in gebouwen en andere bouwwerken, maar ook is het toegepast in regenwaterafvoeren en oeververdedigingen. Hoewel het verwerken en bewerken van asbest sinds 1 juli 1993 is verboden, wordt het nog regelmatig langs watergangen aangetroffen in de vorm van oeververdediging. Ook zijn locaties met puin vaak asbestverdacht. Landelijk beleid In het Besluit bodemkwaliteit is de landelijke norm voor asbest in de bodem vastgesteld, zijnde: “De landelijke normen voor asbest in grond, bodem en puingranulaat zijn vastgesteld op 100 mg/kg gewogen gehalte (serpentijngehalte vermeerderd met tienmaal het 42
amfiboolgehalte). De hergebruikswaarden voor asbest in grond, baggerspecie en bouwstoffen zijn opgenomen in bijlagen A en B van de Regeling bodemkwaliteit.” Tijdens veldwerkzaamheden, bijvoorbeeld bij het inpeilen van watergangen of de verificatie van het vooronderzoek, dient de aanwezigheid van asbest te worden gemeld. Hierbij moet gelet worden op gebruik van asbest in beschoeiingen of de aanwezigheid van opstallen met asbesthoudende materialen. In de voorbereiding van een baggerwerk moet de aanwezigheid van asbest in en rondom de watergangen in kaart worden gebracht conform de NEN5717:2023. Wanneer een watergang hierdoor asbest-verdacht is moet de baggerspecie worden onderzocht op de aanwezigheid van losse asbestvezels. Wanneer daadwerkelijk asbest is aangetroffen (> 100 mg per kilo droge stof) moet bij uitvoering de bijbehorende veiligheidsklasse volgens CROW-publicatie 400 in acht worden genomen. Dit betreft extra veiligheidsvoorzieningen die aangebracht moeten worden op het in te zetten materieel en voor de medewerker. Lokaal beleid concentraties asbest De gemeente Ridderkerk heeft in de nota bodembeheer lagere concentraties opgenomen voor gevoelige functies:
Landbouw/Natuur - 50 mg/kg d.s. Wonen – 50 mg/kg d.s. Industrie - 100 mg/kg d.s. Wonen met tuin (kleine moestuin) - 10 mg/kg d.s. Speelplaatsen, buitenruimte bij basisscholen en kinderdagverblijven - 10 mg/kg d.s. Grote moestuin (>200m2) - 10 mg/kg d.s.
Dit vanuit gezondheid en vanuit de emotie die vaak met asbest gepaard gaat.
43
Bijlage 2 - Toelichting algemeen uitvoeringsprogramma Onderzoeksfase In de onderzoeksfase wordt alle benodigde informatie verzameld die noodzakelijk is om tot uitvoering van een werk te komen. Hiervoor worden verschillende onderzoeken uitgevoerd, te weten: inpeilen (baggeren), inspecteren (oevers en duikers), waterbodemonderzoek (baggeren) flora en fauna onderzoek, asbestonderzoek, OO/ archeologisch onderzoek, werkplan bomen t.b.v. de te beschermen bomen en onderzoek naar kabels en leidingen. Paragraaf 4.1 gaat in op de wet- en regelgeving die aan de basis ligt voor deze onderzoeken. Algemene onderzoeken Ecologisch onderzoek Watergangen zijn het leefgebied voor verschillende soorten flora- en fauna. Vanuit de Omgevingswet geldt de (specifieke) zorgplicht, die stelt dat in het wild levende dieren niet gestoord, beschadigd of gedood mogen worden, dit geldt in het bijzonder voor beschermde soorten. Om te waarborgen dat de werkzaamheden verantwoord worden uitgevoerd moet de opdrachtgever een QuickScan laten uitvoeren. Op basis van de QuickScan blijkt welke soorten voortkomen in het gebied en welke impact de werkzaamheden op deze soorten zullen hebben. Een ecoloog schrijft op basis van zijn bevindingen een advies hoe de werkzaamheden zijn uit te voeren met een minimale impact op de aanwezige (beschermde) planten en dieren.
Deze zaken noteert de ecoloog in een ecologisch werkprotocol. Voor onderhoudswerkzaamheden volstaat het vaak om te werken conform dit protocol. In uitzonderlijke gevallen kan een omgevingsvergunning echter nodig zijn. Bijvoorbeeld bij het voorkomen van een soort, waarvoor geen mitigerende maatregelen mogelijk zijn. Archeologisch onderzoek Er moet altijd dat een inschatting gemaakt worden van de kans op het aantreffen van archeologisch waardevolle voorwerpen en zo nodig dient een archeologisch (voor)onderzoek plaats te vinden Ontplofbare oorlogsresten (OO’s) Voor elk onderhoudswerk waarbij grondroering plaats vindt moet een inschatting gemaakt worden van de kans op het aantreffen van OO’s
44
Kabels en leidingen In de voorbereidingsfase van een werk wordt nabij de locaties van de te onderhouden watergangen een oriëntatiemelding gedaan bij het kadaster (Klicmelding). Deze melding geeft voldoende inzicht in de ligging van kabels en leidingen die watergangen kruisen of in de oevers aanwezig zijn, denk aan zwaar materieel dat over de oevers rijdt terwijl daar bijvoorbeeld gastransportleidingen liggen, zoals bij de Oosterparkweg. Conform de vergunningsvoorwaarden moeten de kabels en leidingen minimaal 1,00 m onder de vastgestelde leggerdiepte liggen, zodat geen conflict kan ontstaan met de uitvoering van onderhoudswerkzaamheden. In de uitvoeringsfase moet de aannemer een graafmelding doen. Dit wordt in de werkomschrijving vastgelegd en valt onder de werkzaamheden van de aannemer. Onderzoeken baggeren Kwantiteitsbepaling Het volume te baggeren baggerspecie moet worden bepaald aan de hand van inpeilingen. De inpeilingen worden doorgaans uitgevoerd volgens de richtlijn baggervolume bepalingen opgesteld door Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB). Per watergang worden dwarsprofielen gemeten. Dit gebeurt doorgaans om de 50 m1. Bij sterk wisselende breedtes worden meer profielen gemeten. In het dwarsprofiel wordt naast de bovenkant van de baggerspecie ten opzichte van het waterpeil ook de vaste bodem gemeten.
De nummering van de profielen zijn gerelateerd aan de nummering van de watergangen. Door deze unieke nummering van de profielen kan eenvoudig een database van alle peilgegevens worden opgebouwd. De ingemeten profielen worden vergeleken met het voor die watergang geldende leggerprofiel (profiel waar de watergang altijd aan moet voldoen), evenals het waterpeil. Hiermee wordt inzichtelijk gemaakt hoeveel baggerspecie verwijderd moet worden (per dwarsprofiel) om te voldoen aan de legger en onderhoudsmaat (20 centimeter dieper dan leggermaat). Tot slot wordt er om de vier dwarsprofielen ter verificatie een boring gezet. De inpeilgegevens worden als basis voor een uitvoeringscontract gebruikt. Uit de kwantiteitsbepaling kan blijken dat watergangen (ruim) voldoen aan de legger en dus niet gebaggerd hoeven worden. Hierdoor verdient het de voorkeur om de kwantiteitsbepaling uit te voeren voor de kwaliteitsbepaling. Kwaliteitsbepaling Om de kwaliteit van de waterbodem te bepalen moeten er drie onderzoeken plaatsvinden, namelijk het vooronderzoek, het veldonderzoek inclusief bemonstering
45
en het verkennend waterbodemonderzoek. Deze onderzoeken moeten uitgevoerd worden conform de NEN5717:2023 en de NEN5720:2023. Vooronderzoek Het doel van het vooronderzoek is een uitspraak te doen over: - de vormen en het type watergang (al dan niet per deelgebied) - de verwachte milieu hygiënische kwaliteit en verontreinigen in de waterbodem, - de verwachtte aanwezigheid van asbest en andere verontreinigde stoffen op basis van historisch vooronderzoek. - de stoffen waarop de specie minimaal geanalyseerd moet worden, o inclusief specifieke watergangen binnen de scope, denk hierbij aan bemonstering op Gen-X in nabijheid van Chemours - de verwachte onderzoeksinspanning, - eventueel overige relevante gegevens o bijvoorbeeld: Verwachtte aanwezigheid zout in de baggerspecie en mogelijke acceptatiecriteria van eventuele verwerkers van baggerspecie. De resultaten uit het vooronderzoek dienen altijd in het veld te worden geverifieerd. Na afronding van het vooronderzoek is te starten met het indelen van de monstervakken, inclusief het toewijzen van aanvullend te onderzoeken per monstervak. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het opnemen van aanvullende stoffen in monstervakken nabij de uitstroom van een RWZI. Of tributyltin in een jachthaven. Veldonderzoek met bemonstering Om de scope in te delen in monstervakken moet bepaald worden welke onderzoeksstrategie van toepassing is.
De strategie is afhankelijk van het watertype en de onderzoeksinspanning. De NEN5720 definieert vele soorten wateren, echter zijn ‘lintvormig water’ en ‘overig water’ veruit het meest voorkomend. In de NEN zijn 2 verschillende onderzoeksinspanningen gedefinieerd, te weten: - Normale onderzoeksinspanning voor wateren verdacht van een verontreiniging; - Lichte onderzoeksinspanning voor niet-verdachte wateren. Een van verontreiniging verdachte lintvormige watergang is in te delen in monstervakken met een lengte van maximaal 500 meter. In deze monstervakken moeten tien monsters worden genomen, welke vervolgens worden samengevoegd tot een mengmonster. In niet verdachte lintvormige watergangen mag de lengte van het monstervak 2.500 meter bedragen. In het boorplan wordt de gehele te baggeren scope conform de NEN5720 en de resultaten van het vooronderzoek ingedeeld in monstervakken. Deze monstervakken
46
worden in het veld bemonsterd. De monsters worden vervolgens naar een geaccrediteerd laboratorium verstuurd. Verkennend waterbodemonderzoek In het verkennend waterbodemonderzoek worden de analyseresultaten beschreven. In deze rapportage is eveneens beschreven of de waterbodem kwaliteit overeenkomt met de in het vooronderzoek gestelde prognose. Het verkennend waterbodemonderzoek geeft inzicht in hoeverre de monstervakindeling representatief is. Op basis van de representativiteit is te bepalen of afperkend onderzoek noodzakelijk is. Aan elkaar grenzende monstervakken met een verschillende kwaliteit dienen in sommige situaties nader afgeperkt te worden. Dit is primair afhankelijk van het kwaliteitsverschil en de voorgenomen verwerking. Uit het verkennend waterbodemonderzoek blijkt welke verwerkingsstrategie per monstervak mogelijk is en met welke bijzonderheden in het kader van de zorgplicht eventueel rekening gehouden moet worden. Verspreidings-/ verwerkingsmogelijkheden Zodra het volume en de kwaliteit van de baggerspecie bekend is kan in overleg met de gemeente bepaald worden hoe de vrijgekomen specie wordt verwerkt. Het uitgangspunt is dat schone tot licht verontreinigde baggerspecie lokaal wordt verwerkt. De gemeente hanteert het beleid dat in stedelijk gebied er nooit bagger op de kant mag worden verspreid.
Echter kan de schone en licht verontreinigde baggerspecie ook bijvoorbeeld in een weilanddepot worden verwerkt, de Omgevingswet biedt hier ook ruimte voor. Het voordeel van een weilanddepot (binnen 10 km van de baggeractiviteit) is dat dit de kosten aanzienlijk kan reduceren, tevens komt dit de duurzaamheid en circulariteit ten goede. Onderzoeken oeverbescherming Oeverinspectie - oeverbescherming De veldinspectie van de oeverdelen is een cruciale stap bij het in kaart brengen van de beheeropgave. Het biedt namelijk inzicht in de huidige staat van de oevers en welke delen mogelijk aan vervanging toe zijn. De inspectie wordt doorgaans uitgevoerd volgens de CROW-systematiek en diverse aanvullende aspecten. Zo wordt het type oever, de aanwezige schade, eventuele aanwezigheid van asbest en de omvang van de schade in kaart gebracht. De beeldkwaliteit van oevers is gebaseerd op de systematiek van beeldkwaliteit uit de “Kwaliteitscatalogus Openbare Ruimte”, publicatie 323 van het CROW. Deze publicatie geeft landelijke standaardnormen voor het beheer en onderhoud van de openbare ruimte. De normen voor de beoordeling tijdens de oeverinspectie, bestaan uit meetbare criteria voorzien van omschrijvingen en voorbeeld-foto’s. De vijf kwaliteitsniveaus variëren van zeer goed (A+) tot slecht (D) (Tabel 20). De gemeente Ridderkerk 47
streeft voor woongebied beeldkwaliteitsniveau B na en voor bedrijventerreinen minimaal beeldkwaliteitsniveau C. Tabel 20: CROW-beeldkwaliteitsscore.
Kwaliteitsniveau
Omschrijving
Indicatie kwaliteit
A+
Zeer goed
Nagenoeg ongeschonden
A
Goed
Mooi en comfortabel
B
voldoende
Functioneel
C
Matig
D
Slecht
Onrustig beeld, discomfort of enige vorm van hinder. Kapitaalvernietiging, uitlokking van vernieling, functieverlies, juridische aansprakelijkheidstelling of sociale onveiligheid
Daarnaast wordt bij elk oeverdeel ook bekeken of een transformatie tot een natuurvriendelijke oever ruimtelijk gezien mogelijk is. Met deze informatie is het mogelijk om gericht te handelen en nader onderzoek te doen naar de realisatie van natuurvriendelijke oevers in kansrijke gebieden. Onderzoeken duikers Inspectie duikers Van de ligging van de duikers worden de X, Y, Z coördinaten van de duiker uiteindes ingemeten met behulp van gps-apparatuur. Op kaart wordt de stroomrichting van de watergangen aangebracht. De uiteinden (A en B) van de duikers worden conform de stroomingsrichting (met de stroom mee) gelabeld. Tevens wordt de codering afgestemd op de coderingen en uitgangspunten in het beheersysteem van de gemeente Van de duikers wordt de binnenkant onderkant buis (BOB) ingemeten, dit is de Zcoördinaat. Uit de hoogtemeting blijkt of de duiker mogelijk verzakt is. Omdat duikers waterpas worden aangelegd moeten de hoogte van zijde A en B overeenkomen. Een kleine afwijking hierin is toelaatbaar. Indien de hoogtes van de A- en B-zijde significant verschillen kan dit duiden op verzakking van de duiker. Naast het inmeten met gps, wordt van elke duiker visueel de vullingsgraad en de constructieve staat bepaald. De geschatte vullingsgraad is uitgedrukt in percentages. Een te hoge vullingsgraad beperkt de doorstroming van de duiker. De constructieve staat is ook visueel bepaald.
De uiteindes van beide zijden worden geïnspecteerd, eventuele schades worden aangegeven. Tot slot wordt er een beoordeling gegeven van de constructieve staat van de duiker: ‘slecht’, ‘matig’ en ‘goed’. De staat van de binnenkant van de duiker wordt niet standaard bepaald. Indien noodzakelijk kan dit gedaan worden door middel van nader onderzoek met bijvoorbeeld een waterdrone. 48
Voorbereidingsfase Communicatie Onderhoudswerkzaamheden zoals baggeren en het vervangen van oeverbescherming en duikers, met name in stedelijk gebied, kan een behoorlijke impact op de omgeving hebben. Het is daarom noodzakelijk om al in de voorbereidingsfase bewoners in de omgeving van het werk te informeren over de werkzaamheden. Zo kan tijdig worden ingespeeld op vragen en kunnen in een vroeg stadium afspraken gemaakt worden. Vergunningen
Afhankelijk van het type werkzaamheden moeten vergunningen worden aangevraagd. Dit kan mogelijk een omgevingsvergunning zijn voor de aanleg van een tijdelijk baggerdepot of een melding voor het lozen van water uit het depot. Ook kan het gaan om een omgevingsvergunning m.b.t. natuurbescherming. Bestek/raamovereenkomst en tekeningen Het bestek of raamovereenkomst wordt opgesteld en bijbehorende tekeningen worden vervaardigd, nadat het volgende bekend is: -
Baggerbestek: Welke watergangen, volume, kwaliteit, verwerkingswijze baggerspecie. Maar ook locatie van de te reinigen duikers.
-
Oeverbestek: lengte, type en locatie te vervangen oevers
-
Duikerbestek: lengte, type en locatie te vervangen duikers
Nadat het bestek is goedgekeurd wordt een bestekraming gemaakt. Dit is een raming van de kosten voor het uitvoeren van de werkzaamheden zoals in het bestek is beschreven. Aan de hand van deze raming kan bij de aanbesteding worden beoordeeld of de inschrijvingen reëel zijn en het werk gegund kan worden. Aanbesteding Wanneer het bestek of raamovereenkomst en de tekeningen gereed zijn kan het werk worden aanbesteed. Dit kan op verschillende wijzen, conform het aanbestedingsbeleid van de gemeente. Gezien de omvang van de werkzaamheden kan ervan uitgegaan worden dat aanbestedingen over het algemeen meervoudig onderhands, of nationaal openbaar zullen zijn. Aard van de aanbesteding is afhankelijk van de (financiële) omvang van het werk. Gezien de geschatte kosten voortkomend uit de meerjarige planningen ligt meervoudig onderhandse aanbesteding voor de hand. Alle aanbestedingen verlopen via het aanbestedingsbeleid van de gemeente. Een van de financieel meest voordelige vormen om het werk tot uitvoering te brengen is via een raamovereenkomst. Het grootste voordeel van een 49
raamovereenkomst is dat slechts éénmalig het aanbestedingstraject doorlopen hoeft te worden. Uitvoeringsfase Na de definitieve gunning van het werk start de uitvoeringsfase. Bij de uitvoering moet rekening gehouden worden met de eisen uit het bestek. Om dit te controleren wordt toezicht gehouden, meestal door de gemeente en wordt een directievoerder aangesteld die namens de opdrachtgever gemandateerd is om tijdens de uitvoering beslissingen te nemen over de realisatie en de planning. De uitvoeringfase van onderhoud aan watergangen loopt over het algemeen van september tot half maart van het volgende jaar. Uitvoering in de maanden september tot en met december hebben de voorkeur. Vanaf maart tot eind juli is er sprake van het broedseizoen. In het kader van de Omgevingswet is het tijdens het broedeizoen verplicht om onder ecologische begeleiding te werken. Het inzetten van een deskundig ecoloog is dan verplicht. Nazorgfase Nadat de werkzaamheden zijn afgerond wordt de informatie vanuit de uitvoeringsfase verwerkt in het beheerssysteem van de gemeente. Eventuele bijzonderheden kunnen ook in de database worden verwerkt. Tevens worden in deze fase eventuele restpunten opgelost door de aannemer. Beheertaken Om het areaal watergangen in de gemeente Ridderkerk op orde te houden is het nodig het beheer hiervan op een adequate wijze uit te voeren.
Het gaat hierbij om zowel dagelijkse onderhoud als planmatig onderhoud en vervangingen. De belangrijkste dagelijkse beheertaken bestaan uit: •
Nalopen gegevens beheersysteem en actualiseren waar nodig
•
Gegevens en uitgevoerd onderhoud en data up-to-date houden in beheersysteem;
•
Behandelen vragen en klachten
•
Afstemmen werkzaamheden eigen dienst en aannemer en met het waterschap;
•
Opstellen MJP en bijsturen.
•
Zorgdragen voor begroting en jaarrekening;
•
(Intern) opdrachtgever voor onderhoudswerkzaamheden.
50
Bijlage 3 - Uitgangspunten baggeren Baggeraanwas Na het uitvoeren van baggerwerkzaamheden neemt met het verstrijken van de tijd de diepte van de watergang af. Dit wordt veroorzaakt door baggeraanwas. Dit is een natuurlijk proces dat door een aantal aspecten wordt beïnvloed: •
Grondsoort;
•
Begroeiing in en langs de watergang;
•
Slibaanvoer uit andere watergangen;
•
Breedte en vorm van de watergangen.
Ervaringen die zijn opgedaan bij baggerwerken de afgelopen jaren hebben aangetoond dat de aanwas ligt tussen 2 en 3 cm per jaar. De aanwas kan globaal worden berekend aan de hand van de breedte van de watergang gecorrigeerd met een factor op basis van grondsoort en bomen langs de watergang (zie Tabel 21). Tabel 21: Aanwascijfers per breedtecategorie.
Waterbreedte
Aanwas
Leggerdiepte
Onderhoudsdiepte
< 0,45 m
0,030
0,00
0,20
<1m
0,030
0,00
0,20
<3m
0,030
0,25
0,45
<5m
0,030
0,50
0,70
< 10 m
0,025
0,75
0,95
>= 10 m
0,020
0,75
0,95
De grondsoort is van invloed op de aanwas van baggerspecie. De samenstelling van baggerspecie lijkt vaak op de omliggende landbodem. Dit is het gevolg van processen als afspoeling, afbraak of afkalving van de oevers. Veengebieden hebben over het algemeen een grotere aanwas van slib dan watergangen in klei- of zandgebieden. In een gezond watersysteem komen waterplanten, algen, wieren en kroos voor. Aan het einde van het groeiseizoen sterven deze af. De afgestorven resten zinken naar de bodem. Hierdoor neemt de dikte van de baggerspecie toe. Afhankelijk van de omstandigheden in een watergang is soms sprake van een onbalans. Deze onbalans kan resulteren in een overmatige aanwezigheid van waterplanten, algen, wieren of kroos. In deze watergangen is de aanwas van slib vaak fors meer dan normaal. Naast de begroeiing in het water, heeft ook de begroeiing langs het water invloed op de dikte van de bagger. De bladeren van bomen en struiken langs de watergangen vallen in het water of worden door de wind van de kant in het water geblazen, sterven daar af en bezinken. Ook dit zorgt voor een flinke aanwas van de baggerspecie. 51
Baggerspecie is een dunne, vloeibare substantie, die niet stilligt op de bodem van een watergang. Als gevolg van wind en stroming kan de baggerspecie zich verplaatsen. Als de gemeente een wegsloot heeft uitgebaggerd en de sloten haaks op deze wegsloot worden niet gebaggerd, zal het daarin aanwezig baggerslib zich verspreiden in de juist gebaggerde watergang. Ook dit zorgt voor aanwas van de baggerspecie. Volume baggerspecie Het volume van de baggerspecie in de gemeente Ridderkerk wordt bepaald aan de hand van een nulmeting (2023). Van elke watergang zijn het identificatienummer en de afmetingen benoemd. Voorts is de gemiddeld gemeten waterdiepte gerelateerd aan een onderhoudsdiepte die is berekend op basis van een theoretisch profiel. Op basis van het theoretisch dwarsprofiel en de gemiddeld gemeten waterdiepte is het aanwezige baggervolume bepaald, zie figuur 6. In de berekening van het theoretisch dwarsprofiel is rekening gehouden met een overdiepte van 20 cm1. In het nader op te stellen meerjarenonderhoudsplan wordt als uitgangspunt gehanteerd dat er wordt gebaggerd wanneer de ingreepmaat van een watergang wordt bereikt. De frequentie waarop een watergang moet worden gebaggerd is bepaald op basis van berekende aanwasgegevens. (Onderhoudsdiepte – minimale gewenste diepte) / aanwas => frequentie
De baggerfrequentie wordt bepaald volgens de bovenstaande formule: het hanteren van de formule leidt tot een baggercyclus van 10 jaar. Tot slot wordt op basis van de berekende aanwas een planning gemaakt van het jaar dat de watergang gebaggerd moet worden en welke kosten daarmee gepaard gaan. Baggerspecieverwerking De onderhoudsplicht voor primaire watergangen ligt bij het waterschap. Voor secundaire watergangen ligt de onderhoudsplicht bij de gemeente en in uitzonderingsgevallen bij eigenaren van aan secundaire watergangen grenzende percelen. De ontvangstplicht voor baggerspecie en maaisel uit zowel primaire en secundaire watergangen ligt bij de eigenaren van aan deze watergangen grenzende percelen. De perceeleigenaar is ontvangstplichtige voor een ‘redelijke’ hoeveelheid baggerspecie. De plicht van de grondeigenaar om baggerspecie en maaisel te ontvangen gaat niet in alle gevallen op. Als de berm bijvoorbeeld te smal is of als er bouwwerken staan, geldt deze plicht niet. De ontvangstplicht kan ook op percelen rusten die niet direct aan het water liggen. Dit is het geval wanneer de direct aan het water gelegen gronden van te kleine omvang zijn om de specie te ontvangen. Dan
52
geldt de ontvangstplicht ook voor de daarachter gelegen gronden (bijvoorbeeld achter een voet- of fietspad). Grote hoeveelheden baggerspecie die in één keer op de kant worden gezet brengen kosten met zich mee voor de verwerking van de bagger. In het stedelijk gebied is over het algemeen weinig ruimte langs watergangen beschikbaar. Alle bagger, schoon en verontreinigd, wordt daarom vaak afgevoerd en verwerkt of opgeslagen in depots. De kwaliteit van de baggerspecie heeft een forse invloed op de kosten voor het verwerken van baggerspecie in een depot of verwerkingslocatie. Voor de meerjarenbegroting is als uitgangspunt genomen dat landelijk gelegen watergangen de kwaliteit “wonen” hebben. Van watergangen in stedelijk gebied is als uitgangspunt genomen dat deze de kwaliteit “industrie” hebben (Tabel 22). Voor de verspreidbaarheid van baggerspecie is aangenomen dat alles in stedelijk gebied afgevoerd moet worden naar een baggerdepot waar de baggerspecie wordt ingedroogd en afhankelijk van de kwaliteit na rijping later weer verspreid wordt. Voor landelijk gebied kan het zijn dat er mogelijkheden liggen de baggerspecie op kant te verwerken, als dat niet het geval is wordt aangenomen dat de betreffende baggerspecie afgevoerd moet worden naar een toepassingslocatie, dit heeft geen invloed op de kosten.
Bijkomend is het van belang om rekening te houden met de relevante wet- en regelgeving zoal beschreven in hoofdstuk 4 van het voorliggende rapport. Tabel 22: Aangenomen kwaliteit baggerspecie.
Ligging watergang Stedelijk
Kwaliteit baggerspecie Industrie
Verwerking baggerspecie
Landelijk
Wonen
Verwerken op kant of afvoeren naar toepassingslocatie
Afvoeren toepassingslocatie
53
Bijlage 4 - Toelichting waterbeelden Beelden & ambitie water voor algemeen doel De stedelijke omgeving heeft een direct effect op dit water. Dit water is strak ingericht en er is weinig ruimte aanwezig om een natuurlijke inrichting mogelijk te maken. Ter illustratie is een stadswater weergegeven in figuur 7 & 8. Zichtbaar zijn de verharde oevers (kade/beschoeiing) langs het water met weinig tot geen begroeiing van waterplanten. Het doel van stadswater is watertransport, waterbergen en peilbeheer.
Figuur 7 Voorbeeld van stadswater: Kerksingel Ridderkerk (google maps).
De mate van toegankelijkheid en de veiligheid van stadswater zijn belangrijke uitgangspunten voor de inrichting van het stadswater.
Figuur 8 Schematische weergave stadswater.
Beelden water voor ecologie De stedelijke omgeving heeft een gering effect op dit water. Dit watertype is natuurlijk ingericht, of de ruimte is aanwezig om een natuurlijke inrichting mogelijk te maken (figuur 9). Water gerelateerde flora en fauna heeft de ruimte om zich te ontwikkelen, 54
dit wordt gestimuleerd door de inzet van ecologische beheermaatregelen. De verschillende watergangen die de functie water voor natuur hebben gekregen, sluiten waar mogelijk op elkaar aan om zo hoogwaardige ecologische verbindingszones te vormen. Zichtbaar zijn de natuurlijk gevormde oevers langs de waterpartij. Het doel van dit water is watertransport, waterbergen, ecologie en peilbeheer. Water voor ecologie wordt vooral passief gebruikt. Om het gebied niet te verstoren is het van belang dat er een bufferzone tussen de gebouwde omgeving en de watergangen gerealiseerd wordt. Bestaande groenstructuren worden door middel van groenblauwe verbindingen met elkaar in contact gebracht.
Figuur 9 Schematische weergave water voor ecologie met een natuurvriendelijke oever.
Beelden water voor beleving Dit watertype kan gebruikt worden om op en langs te recreëren. Hierbij kan gedacht worden aan sportvissen, spelevaren, zwemmen, of wandelen en fietsen. Afhankelijk van het soort recreatie dat zich op of langs dit watertype afspeelt worden voorzieningen getroffen om deze functie te ondersteunen.
Figuur 10 Water voor beleving, zwemvijver Oosterpark.
Hierbij kan gedacht worden aan visvlonders of overzetplaatsen voor kano’s. Het doel van deze wateren is watertransport, waterbergen, recreatie en peilbeheer. Water voor recreatie wordt actief gebruikt. Het water moet middels vlonders en steigers toegankelijk zijn voor kanovaarders, vissers en zwemmers. Monitoring en onderzoek is vereist om het primaire recreatiedoel van het water te bepalen. Hierop moet het 55
onderhoud afgestemd worden, vissers hebben immers andere behoeften dan zwemmers.
Figuur 11 Schematische weergave water voor recreatie.
56