antwoorden SGP Nota reserves en voorzieningen Ridderkerk 2021-2024.pdf
Tekst van het document
Vragen vergaderstukken gemeenteraad Ridderkerk Algemene informatie
Vragensteller: J.D. Kardol, SGP
Onderwerp/vergaderstuk: Nota reserves en voorzieningen 2021-2024 Ridderkerk
Vergaderdatum: 28 januari 2021
Portefeuillehouder: De heer C.A. Oosterwijk
Datum indiening vraag: 26 januari 2021
Datum ontvangst antwoord: 28 januari 2021
Vragen en antwoorden Vraag 1 Voorgesteld wordt de ondergrens van de Algemene Reserve (AR) vast te stellen op 15 miljoen. De gemeente heeft momenteel een risico profiel van 14 miljoen. De voorgestelde ondergrens van de AR is daar maar net boven. Een toekomstige wijziging (in negatieve zin) in de risico’s kan derhalve maken dat het risico profiel hoger wordt dan de ondergrens van de AR. Waarom heeft u er niet voor gekozen deze ondergrens wat ruimer / veiliger te stellen? Antwoord 1 Het totaal van alle bekende risico’s is afgerond € 14 mln. als deze tegelijk en voor de maximale omvang plaatsvinden volgens de begroting 2021. De voorgestelde ondergrens is gerelateerd aan dit (theoretisch) benodigde weerstandsvermogen. Na een risicosimulatie (Monte Carlosimulatie) wordt bij een zekerheidspercentage van 90% het risicoprofiel berekend op ca. € 5,5 mln. (begroting 2021). Bij een algemene reserve van minimaal € 15 mln. blijft het ratio weerstandsvermogen >2 uitstekend. Ter informatie: het gemiddelde risicoprofiel na simulatie is de afgelopen jaren vrij stabiel. Op basis van de jaarrekeningen 2014 tot en met 2019 afgerond € 6,6 mln. De ondergrens is gerelateerd aan de weerstandscapaciteit zodat we risico’s in normale omstandigheden kunnen ondervangen.
Als we wel rekening houden met de huidige crisissituatie (zie bijlage corona-rapportage bij de 2 e tussenrapportage 2020 en vraag 1 van de CU) dan blijven we met een reserve van € 15 miljoen nog binnen de klasse “ruim voldoende”. In bijzondere situaties houden we overigens altijd het voorzichtigheidsprincipe extra in het oog.
Zouden we de ondergrens hoger stellen dan is deze gelet op onze bestaande risicoanalyse op voorhand te hoog, m.a.w. dat blokkeert dan onnodig financiële ruimte. Uiteraard is het aan de gemeenteraad om nog een ‘extra slot op de deur te doen’ en een hogere ondergrens dan € 15 mln. vast te stellen. Het gaat dan om extra zekerheid en extra financiële voorzichtigheid die wij gelet op onze risicoanalyse niet nodig achten. Vraag 2 Waarom wordt er voor gekozen de bovengrens van de Algemene reserve te koppelen aan de solvabiliteitsratio en wordt er niet gekozen – net als bij de ondergrens – voor een absoluut bedrag al dan niet gekoppeld aan de risico paragraaf? En waarom is voor de bovengrens gekozen voor een solvabiliteit van 50% en niet een willekeurig ander percentage? Antwoord 2 Er is aangesloten bij bestaande (verplichte) indicatoren. De solvabiliteit is daarvan de enige met een directe relatie met de reservepositie. Bij een solvabiliteit vanaf 50% is de kwalificatie “uitstekend”. Dit wordt ook door de provinciaal toezichthouder en de accountant zo gezien. Ter vergelijking: het gemiddelde van gemeenten met 25.000 – 50.000 inwoners lag in 2019 ongeveer op 34%. Daarmee ruim binnen de “veilige” marge (bron: BDO benchmark 2021). Bij een absoluut bedrag hebben wij echter geen referentiekader om de hoogte te kunnen beargumenteren.
Meer dan uitstekend kan uiteraard ook, dus een keuze voor een hoger percentage, maar 50% achten wij als ruim voldoende. Als het saldo van de Algemene reserve de vastgestelde bovengrens 2 jaar achter elkaar heeft overschreden is in feite sprake van een surplus aan vermogen en zal de vraag beantwoord worden op welke wijze dit ingezet kan worden in het belang van burgers en bedrijven door b.v. het intensiveren van beleid, het naar voren halen van investeringen of teruggeven aan de inwoners/ belastingbetaler(s). Het besteden van reserves is overigens geen doel op zich. Bij het bereiken van deze bovengrens is het raadzaam om kritisch naar je reservepositie te kijken in verband met een doelmatige besteding van gemeenschapsgeld. Vraag 3 De solvabiliteitratio is een weergave van het eigen vermogen versus het totale vermogen. Het eigen vermogen bestaat naast de AR ook uit andere componenten, waaronder de andere reserves. Dit betekent dat fluctuaties in de andere componenten van het eigen vermogen van invloed zijn op de solvabiliteit en daarmee op de bovengrens van de AR. Acht u dat wenselijk?
Antwoord 3
Wij achten het juist wenselijk om met de solvabiliteit inzichtelijk te maken in hoeverre ons bezit is gefinancierd met eigen vermogen. Fluctuaties in de andere reserves spelen daarbij inderdaad een rol. Bij het opstellen van een voorstel zoals bedoeld in de nota Reserves & Voorzieningen wordt de totale reservepositie beoordeeld om te zien of daadwerkelijk sprake is van een zogenaamd “surplus” aan vermogen. Vraag 4 Uit voorgaande jaarrekeningen blijkt dat het balanstotaal van de gemeente fors kan fluctueren (2018: € 151 miljoen; 2019: 128 miljoen). Bij een – min of meer – gelijkblijvend eigen vermogen heeft dit forse impact op de solvabiliteit en in dit voorstel op de gewenste hoogte van de AR. Heeft u deze consequentie meegewogen in uw voorstel en acht u dit wenselijk? Antwoord 4 Zoals ook bij antwoord 3 aangegeven willen we juist vermogensmutaties jaar op jaar kunnen wegen en achten wij de keuze voor het solvabiliteitsratio daarbij de meest bruikbare indicator. Pas na 2 jaarrekeningen kunnen we bepalen of het plafond wordt bereikt. Dit betekent automatisch dat in die periode ook 2 begrotingen zitten die meegewogen moeten worden bij het bepalen of de 50% solvabiliteitsratio structureel overschreden wordt. Daarmee worden effecten van (eenmalige) fluctuaties getemperd.
Vraag 5 Financieel gezien is een algemene reserve onder de 15 miljoen in combinatie met een solvabiliteit groter dan 50% mogelijk omdat de overige reserves ook onderdeel van het eigen vermogen zijn. Daarmee kan tegelijkertijd de ondergrens onderschreden en de bovengrens overschreden worden. Hoe zou u daar dan mee om willen gaan en is dit voorstel daarmee geen bijzondere constructie? Antwoord 5 Gemeenten worden verondersteld prudent te handelen en dat willen we in Ridderkerk zeker ook doen. Bij ons prevaleert dus het voorzichtigheidsprincipe. Bij een Algemene reserve die lager is dan de ondergrens zal geen voorstel volgen voor intensivering van beleid. Het ligt daarbij voor de hand dat er een voorstel volgt om de Algemene reserve weer op het voorgestelde minimale niveau te brengen. Daarbij zullen ook het risicoprofiel, weerstandsvermogen en de totale reservepositie worden betrokken. Vraag 6
Als mogelijkheid om het mogelijke “surplus” aan vermogen in te zetten wordt genoemd het naar voren halen van investeringen (pag. 11). Kunt u aangeven hoe investeringen leiden tot een lagere solvabiliteit? Antwoord 6 Met investeringen wordt in dit geval bedoeld investeringen in zin van extra inzet op beleid (feitelijk intensiveringen). Bijvoorbeeld (tijdelijke) extra maatregelen om ongewenste ontwikkelingen te voorkomen of bepaald gedrag van inwoners te stimuleren. Ook investeringen in bezittingen (activa) kunnen een effect hebben op de solvabiliteit. Het kan nodig blijken dat een lening (vreemd vermogen) nodig is. De afschrijving (waardevermindering van de activa) en de onttrekking uit de reserve zijn gelijk en hebben als zodanig geen effect op de solvabiliteit, maar het aantrekken van een lening zorgt wel dan voor een lagere solvabiliteitsratio (meer vreemd vermogen). Vraag 7 Wat gebeurt er met het rentedeel dat momenteel als onderdeel van de kapitaalslasten nog in een aantal kapitaalslasten reserves is opgenomen, als deze worden omgezet in een Afschrijvingsreserve? Antwoord 7 Dit heeft geen financiële gevolgen: in de betreffende reserves zitten geen restanten aan rentecomponenten. Het gaat nu puur om een naamswijziging.
Al sinds de vorige nota uit 2016 voegen we geen bespaarde rente meer toe aan reserves (zie Nota reserves en voorzieningen 2016 – 2020, Kader 3 op pagina 2 waarvan de financiële effecten vervolgens via de begroting 2017 structureel zijn verwerkt/ begroting 2017, pagina 154), dit op specifieke aanbeveling van de Commissie BBV, zodat het op die manier alleen nog maar is toegestaan om de afschrijvingslasten (en geen rentecomponent) af te dekken. De rente wordt als ‘last’ niet meer toegevoegd aan de reserve en op hetzelfde moment wordt ook geen rente meer onttrokken aan de reserve als ‘inkomst/dekking’ van de voormalige rentelast. Per saldo dus geen financieel effect voor de exploitatiebegroting en de hoogte van de reserve. Om misverstanden te voorkomen noemen we deze reserves voortaan heel specifiek alleen nog maar Afschrijvingslastenreserves. Vraag 8 Pag. 9. C voorzieningen voor verwachte verliezen grondexploitatie. Dit is in zijn aard toch geen voorziening meer als het verlies direct in mindering wordt gebracht op de boekwaarde van de gronden aan de activa kant van de balans? Antwoord 8
Formeel vallen verliesvoorzieningen (art. BBV 44 lid 1) onder het vreemd vermogen (passiva zijde van de balans), echter vanwege de directe relatie met de post voorraden aan de activa schrijft het BBV voor de voorziening in mindering te brengen op de post voorraden (activa zijde van de balans). De boekwaarde van de grondexploitaties wordt dus gesaldeerd gepresenteerd maar niet met de oorspronkelijke boekwaarde verrekend. Dat gebeurt bij het afsluiten van de grondexploitatie. Toelichting uit notitie van de Commissie BBV - notitie Grondbeleid in begroting en jaarstukken (2019) (pagina 52) Begrote verliezen op grondexploitatiecomplexen kunnen in de verslaggeving (en boekhouding) op twee manieren worden gepresenteerd, namelijk:
via een (niet-herstelbare) afboeking (verlagen boekwaarde): of via het treffen van een voorziening, die wordt afgetrokken van de waarde van het actief.
Vraag 9 Pag 12. 9. Reserve (toeristische) Overstapplaats Deltapoort. Door welke andere gebiedsontwikkelingen is dit project stilgevallen en kan de beleidsmatige beoordeling worden toegelicht? Antwoord 9 In de gebiedsvisie Deltapoort wordt gesproken over een TOP op de locatie Bolnes-Zuid. Inzet was het verbeteren van het openbaar vervoer. Ook bij de Crezéepolder was de mogelijkheid opengehouden voor een P+R (parkeren en recreëren). Deze beide gebieden waren aangemerkt als leisure zones met een hoogdynamische programmering. De locatie in Bolnes Zuid was in de gebiedsvisie aangemerkt als grote toeristische trekker (bijvoorbeeld een dependance van Blijdorp). Deze locatie is inmiddels daarvoor niet meer in beeld. Qua ontwikkeling wordt nu enkel nagedacht over een zonneweide. Dat trekt geen toeristen. De Crezéepolder was ook aangemerkt als mogelijke TOP. De Paradijshoeve vervult deze functie echter al. Op die locatie is voldoende parkeergelegenheid, en in de toekomst komt er wellicht daghoreca. Hiervoor hoeft ook geen reservering in stand te worden gehouden. De noodzaak voor een TOP vanuit het Deltapoortprogramma is dan ook niet meer actueel. De reserve kan daarom opgeheven worden. Omdat op bovenstaande projecten dus geen uitgaven meer te verwachten zijn, is binnen ons college nog wel beleidsmatig beoordeeld of deze reserve mogelijk voor andere projecten in te zetten zou zijn.
Onze conclusie was echter om voor te stellen deze reserve volledig terug te laten vloeien naar de Algemene reserve.