Antwoorden EvR Krediet aankoop voormalig schoolgebouw.pdf
Tekst van het document
Vragen vergaderstukken gemeenteraad Ridderkerk Algemene informatie
Vragensteller: Jim Kloos / Cora van Vliet – Echt voor Ridderkerk
Onderwerp/vergaderstuk: voorstel krediet t.b.v. aankoop voormalig schoolgebouw:
Vergaderdatum: 7 april 2021
Portefeuillehouder: P. Meij
Datum indiening vraag: 5 april, 2021
Datum ontvangst antwoord:6 april 2021
Vragen en antwoorden Vraag 1 In de terugkoppeling van de B&W notulen in de weekrapportage 2021-13 staat dat wethouder Laurens Franzen de beraadslagingen over de aankoop van het voormalig schoolgebouw heeft bijgewoond. Gelet op mogelijke familiaire verstrengeling van belangen: was het niet netter geweest als hij aan deze beraadslaging niet had deelgenomen en/of zou zijn genotuleerd, dat hij zich van de stemming daarover heeft onttrokken? Antwoord 1 Op de openbare besluitenlijst van 23 maart 2021 die is toegezonden in de weekmail van 2 april jl. is bij de aanwezigen de volgende zin opgenomen: “Wethouder Franzen heeft bij agendapunt 12 niet deelgenomen aan de beraadslaging en de besluitvorming.” Agendapunt 12 betreft: “Krediet ten behoeve van aankoop voormalig schoolgebouw”. Vraag 2 In het raadsvoorstel staat, dat er een voorbereidingskrediet van € 50.000 voor de nader te bepalen toekomst van het voormalige schoolgebouw gevraagd word. Welke zaken wil het College hiermee afdekken? Antwoord 2
Na verwerving van het schoolgebouw door de gemeente willen we ons richten op de zogenaamde ‘hoe-vraag’. We richten ons dan o.a. op de toekomstige bestemming, de gebruiksmogelijkheden, de mogelijkheden voor exploitatie en de exploitatiekosten. Vraag 3 Is met de aankoop van de school ook de daarbij behorende grond en/of het oorlogsmonument inbegrepen? Antwoord 3 Ja. Vraag 4 Indien de school in eigendom van de Gemeente komt: wat wil het College daarmee gaan doen? Antwoord 4 Zie antwoord 2. Vraag 5 Indien de school in eigendom van de Gemeente komt wat zijn de verwachte jaarlijkse beheerskosten naast onderhoudskosten? Antwoord 5 Zie antwoord 2. Vraag 6 Wat verstaat u onder projectmatige aanpak en welke financiële consequenties zijn daaraan verbonden? Antwoord 6 U refereert aan beslispunt 3 en argument 3.1 in het raadsvoorstel Krediet ten behoeve van aankoop voormalig schoolgebouw. In het argument is hierover een toelichting opgenomen. Vraag 7 Bij de contraexpertise door de Gemeente stelt de taxateur een waarde vast van € 720.000. Op welke aanvullende gronden verhoogt de Gemeente de aankoopprijs met € 30.000 teneinde te komen op € 750.000? Antwoord 7
Er is geen sprake van verhoging. De taxatiewaarde is overigens € 755.000. In de akte van 4 januari 1996 staat dat de verkoopprijs wordt vastgesteld door vaststelling van de taxatiewaarde door een door eigenaar aan te wijzen onafhankelijk beëdigd taxateur. Vraag 8 Bij de tegenexpertise onder het hoofd vaste lasten staat dat er voor de school noch rioolrechten noch waterschapsbelasting wordt geheven. Op grond van welke overweging behoeft/behoefde de school geen rioolrechten te betalen? Antwoord 8 Uw vooronderstelling is niet juist. Voor zowel Rijksstraatweg 99 (woning) als ook nummer 101 (Museum) wordt rioolrecht (gebruik en eigendom) geheven. De bedragen zijn door de taxateur niet meegenomen omdat ze niet bekend waren bij de taxateur en bij de opname geen navraag naar is gedaan.
xxxxxxx xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx xxxxxxxxxxxxx xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx Vraag 10 De Gemeente is erin geslaagd een aanvullende contra-expertise te verrichten op 31 maart, 2021. Wat is de uitkomst daarvan? Antwoord 10 Voor de taxateur vormen de ter plaatse geconstateerde zaken geen dusdanige afwijking van datgene wat bij de contra-taxatie als uitgangspunt is genomen, dat een aanpassing van de waardering noodzakelijk is.