CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Antwoorden EvR 4e wijziging APV 2020.pdf

Commissie Samen leven RK 7 maart 2024, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 4: Vierde wijziging Algemene plaatselijke verordening Ridderkerk 20201.380 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Vragen vergaderstukken gemeenteraad Ridderkerk Algemene informatie •

Vragensteller: Cora van Vliet, Echt voor Ridderkerk

•

Onderwerp/vergaderstuk: Vierde wijziging APV Ridderkerk 2020

•

Vergaderdatum: 7 maart 2024

•

Portefeuillehouder: wethouder Henk van Os

•

Datum indiening vraag: 7 maart 2024

•

Datum ontvangst antwoord: 7 maart 2024

Vragen en antwoorden Vraag 1 In de APV wordt bij artikel 2:50a in de lijst van voorgestelde wijzigingen gesproken over overlast die de openbare orde verstoren, …etc., … of anderszins hinder veroorzaken. Hinder en overlast voor wie? Als één burger al ergens hinder van ondervindt, of iets als overlast ervaart, geldt dit artikel dan al direct? Zo ja, hoe werkt dit dan in de praktijk? Zo neen, in welke gevallen geldt dit dan wel? Antwoord 1 Dat is casuïstisch van aard. Op het moment dat één burger hinder of overlast ervaart van iemand die met bijvoorbeeld een aardappelmesje zichtbaar rondloopt, kan de overlastgever hierop aangesproken worden door BOA’s of politie. Uitgangspunt is hierbij dat het moet gaan om verstoring van de openbare orde. De beoordeling daarvan ligt bij de BOA’s / politie. Vraag 2 In de APV staat bij artikel 2:58, punt 1, dat een eigenaar of houder van een hond of paard verplicht is ervoor te zorgen dat die hond of dat paard zich niet van uitwerpselen ontdoet op een openbare plaats. Als we eigenaren of houders strikt aan dit artikel dienen te houden, dan blijft er volgens onze gedachtegang alleen nog het eigen terrein over om honden uit te laten. Is dat ook de bedoeling

van het college met dit artikel en dit punt? Dit is toch feitelijk niet te handhaven? Motiveer uw antwoord. Antwoord 2 Lid 5 van artikel 2:58 bepaalt dat de strafbaarheid wegens de overtreding van het in het eerste lid gestelde verbod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder de uitwerpselen onmiddellijk verwijdert met een doeltreffend hulpmiddel en de uitwerpselen meeneemt of deponeert in een afvalbak. De hond en paard kunnen nog wel hun behoefte doen op de openbare plaats, maar de eigenaar of houder moet de uitwerpselen meteen opruimen. Zo blijven de uitwerpselen niet op de openbare plaats liggen. Uitgangspunt van dit artikel is dat de eigenaar of houder meteen de uitwerpselen opruimt. Dit lid verandert niet en is derhalve ook niet in de vierde wijziging en de was/wordt lijst opgenomen. Vraag 3 In de APV, artikel 2:58, punt 2, staat dat een eigenaar of houder verplicht is een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor het verwijderen van de uitwerpselen van een hond of paard waar zij eigenaar of houder van zijn. In onze ogen komt dit artikel vreemd over, want in het vorige punt, verplichten we de eigenaren of houders juist om te voorkomen dat er uitwerpselen op de openbare weg komen. Verder bereiken we niets met dit punt 2, want er staat alleen vermeld dat de eigenaar of houder het hulpmiddel bij zich moet hebben, niet dat het gebruikt moet worden.

Is dat wat het college wil bereiken met dit punt 2? Zou het niet beter zijn dit punt aan te passen, zodat de hulpmiddelen ook daadwerkelijk gebruikt moeten worden om de uitwerpselen op te rapen en te plaatsen in een daarvoor geschikte (vuilnis)bak in openbare ruimte of thuis? Antwoord 3 Zie antwoord bij vraag 2. Dit is geregeld in lid 5. Vraag 4 In de APV staat bij artikel 2:78, punt 1, dat er ten hoogste 72 uur een tijdelijk verbod kan worden opgelegd. Onze vragen hieromtrent zijn: a. Klopt het dat dit per persoon/per geval of situatie bekeken wordt hoeveel uren het tijdelijk verbod zal worden toegepast? b. Wat is dan het criterium dat bepaalt hoeveel uren het kan zijn voor een persoon/situatie of geval en wie bepaalt dit dan?

Antwoord 4 a. Ja. b. Het opleggen van een gebiedsontzegging door de burgemeester is maatwerk. Alle belangen moeten in dat concrete geval worden afgewogen. Het aantal uur zal afhankelijk zijn van de concrete feiten en omstandigheden in dat specifieke geval. Bijvoorbeeld: iemand die zich misdraagt in het uitgaanscentrum kan een gebiedsverbod krijgen voor het weekend (48 uur). Vraag 5 In de APV staat bij artikel 2:78, punt 3, staat dat de burgemeester op aanvraag een tijdelijke ontheffing kan verlenen van een tijdelijk verbod. Hoe werkt dit mechanisme dan wanneer de tijdelijke ontheffing niet meer van kracht is? Gelden dan weer de nog resterende uren van het tijdelijk verbod? Of worden de uren van de tijdelijke ontheffing daarop in mindering gebracht? Dus een voorbeeld: stel iemand krijgt 72 uur een tijdelijk verbod, waarvoor na bijvoorbeeld 50 uur een tijdelijke ontheffing wordt verleend. Als deze tijdelijke ontheffing weer wordt opgezegd, heeft de persoon dan de resterende 22 uur nog te gaan als tijdelijk verbod? Antwoord 5 Dit zal bij het verlenen van de ontheffing geregeld moeten worden. De praktijk leert dat dit soort ontheffingen zelden of nooit voorkomen: het gebiedsverbod geldt maar maximaal 72 uur en bij het opleggen van het gebiedsverbod moet de burgemeester al rekening houden met bijvoorbeeld de woonplaats en de locatie van werk of school van betrokkene.

Vraag 6 In de APV artikel 2:78b wordt gesproken over een redelijk doel. Wie bepaalt wat een redelijk doel is? En wat vindt het college redelijke doelen? Antwoord 6 Wat een redelijk doel is zal afhangen van de feiten en omstandigheden van het concrete geval, ter beoordeling van de op dat moment aanwezige opsporingsambtenaren. Een redelijk doel kan bijvoorbeeld zijn een wachtrij of een evenement. Vraag 7 Geldt artikel 4:11 punt 3 ook voor de gemeente zelf? Antwoord 7 Ja, dit zal geregeld moeten worden in die nadere regels.

Vraag 8 In de voorgestelde lijst staat bij artikel 5.6, punt 2, dat deze komt te vervallen. Dit betreft het verlenen van een ontheffing. Echter, in de voorgestelde lijst staat bij dit artikel, punt 3 dat een bepaalde paragraaf van de Algemene wet bestuursrecht op de aanvraag om een ontheffing van toepassing is. Maar er is toch geen mogelijkheid voor ontheffing meer door het vervallen van punt 2? Antwoord 8 Per abuis is het huidige vierde lid niet meegenomen in het raadsbesluit. Dit zal worden meegenomen bij een volgende wijziging. Vraag 9 Op dit moment mogen caravans, aanhangwagens en dergelijke slecht 3 dagen op de weg parkeren. Ontheffing hiervoor komt met het voorstel te vervallen. Sommige inwoners stallen hun caravan of camper niet op eigen terrein maar huren daartoe een plaats bij een derde partij. Deze derde partij geeft in sommige gevallen maar beperkte momenten om een caravan of camper op te halen. Daarom kan het, met het vervallen van die ontheffing, voorkomen dat inwoners hun caravan of camper op een zaterdag dienen op te halen, terwijl ze zelf pas op een woensdag op reis (kunnen) gaan. Dan mag dit feitelijk niet meer door het wegvallen van de ontheffing. Ook met het weer schoonmaken en wegbrengen na gebruik kan zo’n probleem ontstaan.

Een zelfde soort problematiek kan ontstaan wanneer mensen met groot onderhoud van hun tuin of huis bezig zijn en een aanhanger gebruiken voor vervoer of afvoer van materialen. Heeft het college hier wel rekening mee gehouden? We snappen dat bovengenoemde voertuigen parkeerplekken in beslag nemen, maar dat is op een heel jaar genomen een zeer beperkte periode en dus een beperkte aanslag op de parkeerruimte. Hoe staat het college er tegenover om die 3 dagen te verruimen naar bijvoorbeeld 5, 6 of 7 dagen? Antwoord 9 Het verruimen van 3 dagen naar bijvoorbeeld 7 dagen heeft gevolgen voor de parkeerdruk in gebieden. Hetgeen de reden is de termijn van 3 dagen niet hoger voor te stellen. Vraag 10 In de APV bij artikel 5:13 punt 3 staat dat het verbod niet geldt voor verenigingen en kerkgenootschappen. Wij missen daar de stichtingen. Bent u bereid dit eventueel toe te voegen bij dit artikel? Motiveer uw antwoord.

Antwoord 10 Lid 5 van dit artikel bepaalt dat het verbod ook niet geldt voor de inzameling of werving door instanties die zijn geplaatst op het collecterooster dat het Centraal Bureau Fondsenwerving jaarlijks vaststelt. In de praktijk zijn dat de meeste collectes in Ridderkerk. Lid 3 heeft alleen betrekking op lokale verenigingen en kerkgenootschappen die niet op het landelijke rooster voorkomen. Voorzover bekend levert het ontbreken van “stichtingen” in dat lid geen problemen op.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1076/documents/37200