Antwoorden D66 Integraal Beleid Sociaal Domein.pdf
Tekst van het document
Vragen vergaderstukken gemeenteraad Ridderkerk Algemene informatie
Vragensteller: Farahnaz Fräser, D66
Onderwerp/vergaderstuk: Nota Integraal Beleid Sociaal Domein
Vergaderdatum: 4 maart 2021
Portefeuillehouder: dhr. L.J. Franzen
Datum indiening vraag: 4 maart 2021
Datum ontvangst antwoord: 4 maart 2021
Vragen en antwoorden Vraag 1 Onderscheid doelen en subdoelen Het voorstel maakt geen duidelijk onderscheid tussen (sub)doelen en organisaties of projecten. Het preventief jeugdbeleid wordt bijvoorbeeld op hetzelfde niveau genoemd als de bibliotheek. Waarom is ervoor gekozen geen duidelijk onderscheid te maken tussen (sub) en de (beoogde) uitvoeringsorganisaties en/ of projecten? Antwoord 1 De focus in de nota ligt op de richting en beleidsvoornemens van uw raad overeenkomstig de Wet maatschappelijke ondersteuning artikel 2.1.2 en artikel 2.2 van de Jeugdwet. Hierin staat namelijk dat de gemeenteraad periodiek een richtinggevend plan met beleidsvoornemens vaststelt. We hebben er in bijlage 1 van de nota voor gekozen om op hoofdlijnen de diverse inspanningen binnen de vijf maatschappelijke effecten in beeld te brengen. Vraag 2 Voorlichting cybercrime en babbeltrucs Op pagina 17 geeft u aan in te zetten op voorlichting over cybercrimes en babbeltrucs voor senioren. Is het niet beter ook jeugdigen en volwassenen/ opvoeders hierover voor te lichten? Antwoord 2 Vanuit de input die we hebben opgehaald kwam naar voren dat cybercrimes en babbeltrucs met name een issue zijn bij senioren.
Om jongeren meer bewust te maken over relevante onderwerpen, zoals bijvoorbeeld het gebruik van sociale media, wordt voorlichting aangeboden op het basisonderwijs (groep 7 en 8), het voortgezet onderwijs en bijvoorbeeld tijdens de jongerensozen. Tevens worden weerbaarheidstrainingen, zoals Rots- en Water trainingen op de scholen gegeven. Indien er behoefte aan is wordt er voorlichting gegeven aan ouders over onderwerpen die jongeren bezig houden. Hiermee krijgen ouders inzicht over de leefwereld van jongeren. Vraag 3 Bolnes Uit de analyse van de bevolkingssamenstelling in relatie tot sociale factoren (pagina 22) blijkt dat de wijk Bolnes op alle gemeten sociale factoren relatief zwak scoort. Is het college voornemens een op maatgemaakte aanpak/ programma voor de wijk Bolnes te starten? Zo nee, is het college bereid onderzoek hiernaar te doen? Antwoord 3 In de nota hebben we op pagina 42 geschreven dat we de samenwerking in de wijk met andere verwijzers naar hulpverlening, zoals huisartsen en de jeugdbescherming, of partners in de wijk zoals de thuiszorg en wijkverpleging, de (jeugd)gezondheidszorg en het welzijnswerk willen intensiveren en verder ontwikkelen. Daarbij wordt (ook) de verbinding gelegd met de reeds bestaande wijkoverleggen en de inzet van de wijkregisseurs.
In deze wijkgerichte aanpak en – samenwerking zullen we op termijn een wijkgerichte aanpak willen vormgeven waarbij niet de klacht en het individu centraal gesteld staan, maar de behoefte(n) van de groep(en) binnen de wijk. De grootste knelpunten en behoefte(n) in een bepaalde wijk vormen het uitgangspunt voor het vinden van oplossingen voor vraagstukken in het sociaal domein. De wijk Bolnes krijgt daarmee geen status aparte. Vraag 4 Hulpvraag In uw inleiding geeft u bijvoorbeeld aan dat u de dienstverlening verder wilt verbeteren en om die reden onder meer vraaggericht wilt werken. De ervaring leert dat juist de mensen in risicovolle en/ of kwetsbare posities lang niet altijd in staat zijn om hun hulpvraag te articuleren of bijvoorbeeld vol te houden als ze tijdens een aanvraagprocedure allerlei drempels ervaren. Hoe maakt u mogelijk dat hulpvragers geholpen worden al bij het stellen van hun hulpvraag en bij het volhouden door de procedure? Antwoord 4 Op pagina 19 van de nota hebben we daarover het volgende gezegd: “Voor mensen die extra ondersteuning nodig hebben om toegang tot de juiste zorg en ondersteuning te krijgen, wordt
onafhankelijke cliëntondersteuning ingezet. Lang niet iedereen is op de hoogte van deze mogelijkheid; daarom zal de bekendheid hiervan vergroot worden.” Vraag 5 Definiëring begrippen Kunt u nadrukkelijker aangeven wat de gemeente verstaat onder begrippen als gebruikelijke zorg, zelfredzaamheid en eigen kracht? Wanneer is er sprake van voldoende zelfredzaamheid en eigenkracht? Antwoord 5
Gebruikelijke zorg is normale zorg die men als partner, ouder of huisgenoot aan iemand geeft.
Zelfredzaamheid betreft het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken.
Eigen kracht verwijst naar talenten en mogelijkheden van mensen om zelf oplossingen te vinden voor problemen. Vaak wordt benadrukt dat ook mensen met beperkingen talenten en mogelijkheden hebben en dat daar onvoldoende aandacht voor is.
Om de zelfredzaamheid te meten maken we gebruik van de Zelfredzaamheid-Matrix (ZRM). Aan de hand daarvan bepalen of er voldoende sprake is van zelfredzaamheid en eigen kracht. Vraag 6 Vrijwilligers en mantelzorg Om het plan financieel haalbaar te maken, merken wij dat er steeds meer een verschuiving van de verantwoordelijkheden van de gemeente naar de burger plaatsvindt, vooral naar de vrijwilligers en mantelzorgers. Dit vinden wij een zorgelijke ontwikkeling, nu zij al aangeven overbelast te raken. Een derde deel van de Ridderkerkers doet geen vrijwilligerswerk. Daarnaast vergrijst Ridderkerk waardoor er een groter beroep gedaan gaat worden op vrijwilligers en ook vrijwilligers vanwege hun leeftijd stoppen. Hoe kijkt u aan tegen dit spanningsveld? Antwoord 6 Op pagina 25 in paragraaf 5.1.1 van de nota hebben we aan dit spanningsveld aandacht geschonken: “Door de dubbele vergrijzing zal in de toekomst meer inzet van vrijwilligers en mantelzorgers nodig zijn. We willen samen met onze maatschappelijke partners, zoals Stichting Facet Ridderkerk, kerken, ouderenbonden, tijdig voorsorteren op deze stijgende behoefte. Enerzijds door het potentieel aan vrijwilligers gericht aan te boren (een groep inwoners geeft namelijk aan zich door onbekendheid met (de weg naar) vrijwilligerswerk niet in te zetten, maar wel bereid te zijn vrijwilligerswerk te verrichten).
Anderzijds door het aanboren van de zogenaamde ‘zilveren kracht’ waar elders in deze nota nader op is ingegaan.
De mantelzorgers van senioren (veelal een partner) worden steeds ouder. Van belang is goed oog te hebben voor de draagkracht van deze groep. Om beter zicht te krijgen op de behoeften en mogelijkheden van deze groep wordt een onderzoek verricht.” Vraag 7 Gebruik van ambulante jeugdhulp Uit de kamerbrief van 18 december kenmerk 1801927-216254-J blijkt dat relatief meer gezinnen met hogere inkomens gebruik maken van Jeugdhulp, met name ambulante jeugdhulp. Hoe kijkt u aan tegen deze ontwikkeling? Is dit ook in Ridderkerk het geval? Waarom denkt u dat de lagere inkomens minder gebruik maken van deze hulp? Antwoord 7 We hebben hier kennis van genomen maar hier nog geen interpretatie aan kunnen geven, ook niet op lokaal niveau. Een inkomensafhankelijke eigen bijdrage maakt geen deel uit van de jeugdhulp waardoor we dit ook niet monitoren. Vraag 8 Sociaal innovatiefonds Er wordt op pagina 44 gesproken over het instellen van een Sociaal Innovatiefonds. Wanneer komt dat voorstel naar de raad? Er zijn al verschillende innovatieve projecten gestart vanuit de regeling (rijkssubsidie?) Innovatie Sociaal Domein. Welke projecten zijn dat en wat zijn de resultaten? Antwoord 8 Hier had ‘bestendiging van’ in plaats van ‘instelling van’ de formulering moeten zijn. Bij de begroting 2020 is de reserve innovatiefonds sociaal domein ingericht.
Uit dit fonds is bijvoorbeeld de pilot POH-GGZ bekostigd. Uit de lokale ‘nadere subsidie regeling Innovatie, Preventie en Maatschappelijke Initiatieven Ridderkerk’ zijn projecten als buurtman/buurtvrouw, geheugenpaleis en de buurtcirkel bekostigd. De subsidieontvangers zullen nog rapporteren over de behaalde resultaten. Vraag 9 Gebruik van algoritmen link naar artikel Binnenlands Bestuur Stopknop nodig om burger uit systeem te halen ‘Overheden vinden het belangrijk dat het belang van de burger vooropstaat, maar als het gaat om het gebruik van data en algoritmen gebeurt dit in de praktijk onvoldoende’ Stelt de Nationale Ombudsman. a. Herkent het college zich in deze uitspraak? Waarom wel of niet? b. Ridderkerk maakt gebruik van regionale risicoprofielen. Welke gemeenten zitten in de regio?
c. Welke parameters worden meegenomen bij het opstellen van deze profielen? Wanneer Rotterdam in de regioprofielen wordt meegenomen zou de Rotterdamse data een sterk stempel kunnen drukken op het totale profiel. Worden de parameters ook gewogen afhankelijk van de lokale situatie? Antwoord 9 In onze uitvoering staat het belang van de inwoner inderdaad voorop. Systemen zijn niet leidend, maar volgend. Nee. Los van de uitspraak dat het belang van de burger voorop staat herkent het college zich niet in deze uitspraak. Binnen de gemeente Ridderkerk wordt geen gebruik gemaakt van specifieke programma’s of systemen waarmee op basis van data risicoprofielen worden geselecteerd. Vraag 10 Lokaal beleid Kunt u drie wezenlijke verschillen benoemen tussen de nota’s Integraal Sociaal Domein van Ridderkerk, Barendrecht en Albrandswaard die leiden tot een andere aanpak en mogelijk andere resultaten? Antwoord 10 De wezenlijke verschillen zitten in:
de opbouw van de nota. Per hoofdstuk is aangegeven wat willen bereiken, welke relevante ontwikkelingen/trends er zijn en waar we op in willen zetten.
inspanningen die betrekking hebben op de Ridderkerkse context, waarbij welzijn en preventie meer aan bod komen, voorbeelden hiervan zijn het bieden van huiswerkbegeleiding aan jeugdigen die door hun eigen problematiek of dat van hun ouders vastlopen, de Vrijwilligersacademie, Vet Gezond.
de inzet van wijkteamprofessionals (schoolcontactpersonen) op alle scholen in Ridderkerk en de inspanningen die we verrichten om de inzet ook toegankelijk te maken voor kinderen onder de 4 jaar.
de samenwerking tussen wijkteams en huisartsen middels de inzet van een POH GGz-Jeugd
de ontwikkeling van de klant bij re-integratie staat in de praktijk centraal. We stellen een ontwikkelplan per klant, we bieden perspectief door het gebruik van leerlijnen en indien mogelijk geven we hier vorm aan middels een groepsgerichte aanpak. Snel bemiddelbare klanten worden meteen doorgeleid naar het WSP.