Antwoorden CU Vaststelling belastingverordeningen en -tarieven 2022.pdf
Tekst van het document
Vragen vergaderstukken gemeenteraad Ridderkerk Algemene informatie
Vragensteller: R.M. Kooijman
Onderwerp/vergaderstuk: Vaststelling belastingverordeningen en -tarieven 2022
Vergaderdatum: 02-12-2021
Portefeuillehouder: C.A. Oosterwijk
Datum indiening vraag: 01-12-2021
Datum ontvangst antwoord: 2 december 2021
Vragen en antwoorden Vooraf: de onderstaande vragen hebben betrekking op de Rioolheffing Vraag 1 De in de bijlage “Overzicht van de financiële effecten van de nieuwe tarifering rioolheffing op basis van de WOZ-waarde” opgesomde scholen, verpleeg- en verzorgingstehuizen en wijk-/buurtcentra, is dat het huidige (alle) maatschappelijk vastgoed in Ridderkerk, met bijbehorende actuele WOZwaarden? Antwoord 1 Nee, het overzicht betreft niet al het maatschappelijk vastgoed in Ridderkerk. Het overzicht heeft betrekking op maatschappelijk vastgoed dat niet in eigendom of in gebruik is bij de gemeente Ridderkerk. Vraag 2 Voor percelen die in eigendom en gebruik zijn bij de gemeente geldt een vrijstelling. Hoe zit dat voor het gebruikersdeel, wanneer de gemeente het maatschappelijk vastgoed heeft onderverhuurd? Als ook daar geen heffing wordt geïnd, hoe verhoudt zich dat dan tot het gelijkheidsbeginsel? En speelt de Wet Markt en Overheid hierin nog een rol?
Antwoord 2 Een pand dat in eigendom is bij de gemeente Ridderkerk en onderverhuurd wordt aan derden is niet vrijgesteld voor de rioolheffing. Het gelijkheidsbeginsel en de wet Markt en Overheid zijn hier niet in het geding. We hebben dit juridisch laten toetsen. Vraag 3 Een drietal basisscholen krijgen op dit moment een extra aanslagbedrag op basis van grootwaterverbruik. Op basis waarvan is dat bepaald? Leerlingenaantal? Of anders? En wordt dat ieder jaar voor alle panden opnieuw bekeken? Antwoord 3 Op basis van het jaarlijkse waterverbruik, verkregen van het waterbedrijf, wordt de hoogte van de aanslag rioolheffing berekend. Vraag 4 Het overzicht in de bijlage “uitwerking Rioolheffing” geeft een goed beeld van de consequenties voor maatschappelijk vastgoed. Niet in beeld is echter de consequentie voor de ondernemer. Wat betaalt straks een makelaar met een fraai pand in het centrum, of een kledingwinkel in de Ridderhof of een supermarkt op Dillenburgplein? Of een garagebedrijf of bakkerij op Donkersloot of een tuinder in Rijsoord? Kan hier bijvoorbeeld met voorbeelden nog wat meer inzicht in worden geboden? Antwoord 4 De hoogte van de aanslag hangt af van de WOZ-waarde. In het overzicht (bijlage bij het raadsvoorstel) zijn de volgende rekenvoorbeelden aangegeven.
Het effect is te berekenen door uit te gaan van het bovenstaand tarief afgezet tegen het huidig tarief (indien geen sprake is van groot waterverbruik) van € 89,16. De gebruiker en eigenaar van een bedrijfspand met een WOZ-waarde van minder dan € 155.000 zullen dus elk afzonderlijk € 9,16 (€ 80,-- -/- € 89,16) minder betalen. Bij een WOZ-waarde van € 300.000 betaalt zowel de eigenaar als de gebruiker € 155 - € 89,16 = € 65,84 meer, etc…
Vraag 5 De kostenstijging kan fors zijn. Bijvoorbeeld een school (3 e rij in tabel van bijlage “uitwerking Rioolheffing”) gaat van €558,95 (€89,16+€469,80) naar €10.000 (2x€5.000). Dat is een stijging van 1692%. Hoe is een dergelijke stijging van de rioolheffing voor dergelijke instanties te verdedigen? Antwoord 5 Dit is inherent aan de heffingsmethodiek op basis van de WOZ-waarde voor niet-woningen. Vraag 6 Wanneer we 16 december ’21 in de raad een definitief besluit hierover nemen, ligt de nieuwe heffing in februari ’22 bij iedereen op de mat. Waarom is er, uitgaande dat deze nieuwe methodiek uiteindelijk wel (het meest) recht doet aan ‘de vervuiler betaalt’, niet gekozen voor een gefaseerde aanpak? Waarom worden ondernemers en instanties nu direct geconfronteerd met deze soms enorme kostenstijging? Antwoord 6 De voorliggende verordening rioolheffing is een verdere uitwerking van de uitgangspunten die uw raad bij motie heeft besloten. De gewijzigde systematiek leidt tot een verlaging van de gemeentelijke lasten voor woningen en een stijging van de lasten voor een deel van de nietwoningen in onze gemeente.