Afwegingen en advies over wijzingen GR GRNR.pdf
Tekst van het document
Bijlage 2. Afwegingen en advies over wijzingen in de gemeenschappelijke regeling Nieuw-Reijerwaard (GRNR) Inleiding
In deze bijlage leest u onze afwegingen bij de door de regeling voorgestelde wijzingen die voortvloeien uit de recente wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). Per onderwerp leest u eerst een korte toelichting op de wetswijziging. Dan wat daarover in de voorgelegde regeling is voorgesteld. Vervolgens leest u de eventuele voor- en nadelen voor de gemeente Ridderkerk en ons advies wat op te nemen in de zienswijze.
Wijzigingen in de regeling a. Zienswijze bij besluiten
In de regeling moeten afspraken zijn opgenomen over welke besluiten van het bestuur van een GR vatbaar zijn voor een zienswijze van de raden.
Voorgestelde regeling en toelichting
In de artikelen 6, 14, 21, 24 en 37, zesde lid, is opgenomen over welke besluiten vooraf aan de raden een zienswijze moet worden gevraagd. Artikel 6 Bevoegdheden 1. Aan het bestuur van de GR Nieuw Reijerwaard worden ter vervulling van de in artikel 5 omschreven taken alle bevoegdheden van regelingen en bestuur toegekend binnen de grenzen van artikel 30 en 31a van de wet gemeenschappelijke regelingen en met inachtneming van de beperkingen daarin gesteld. 2. Ten behoeve van de in artikel 4 genoemde doelstelling kan, indien dit bijzonder aangewezen wordt geacht, de GR Nieuw Reijerwaard een of meer stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen oprichten of daarin deelnemen. 3. Het in het tweede lid genomen besluit wordt niet genomen dan nadat de raden van de deelnemende gemeenten een ontwerpbesluit is toegezonden en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het Algemeen Bestuur van de GR Nieuw Reijerwaard te brengen. Artikelen 14, 21 en 24 Zienswijze bij voorgenomen besluiten Buiten de in deze regeling of bij of krachtens de wet bepaalde gevallen zijn er geen besluiten van de Voorzitter, waarvoor aan de raden van de deelnemende gemeenten een zienswijze, als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de wet wordt gevraagd.
Artikel 37, zesde lid Indien het Dagelijks Bestuur voornemens is een geldlening aan te trekken onder rechtstreekse garantiestelling van de deelnemers, dan gaat het Dagelijks Bestuur niet over tot het aangaan van zodanige geldlening totdat door de deelnemers schriftelijk is meegedeeld dat met de verlening van die garantiestelling wordt ingestemd. Het Dagelijks Bestuur richt ten aanzien van dit voornemen een schriftelijk verzoek tot garantiestelling aan de deelnemers.
Advies aan de gemeenteraad
Naar de mening van ons college heeft uw raad op dit moment al ruime mogelijkheden om invloed uit te oefenen op het beleid. Voor GRNR geldt dat sprake is van een openbaar lichaam waar de raden, evenals de colleges en burgemeesters deelnemen aan de regeling. Dit betekent dat de raden rechtstreeks invloed hebben op de besluitvorming in het Algemeen Bestuur. Dit geldt temeer daar ook twee raadsleden lid zijn van het Algemeen Bestuur. 1
b. Afspraken over participatie
In elke regeling moeten afspraken worden opgenomen of, en zo ja op welke wijze burgers de mogelijkheid krijgen tot inspraak over bepaalde onderwerpen die tot de taak van de GR horen. In de regeling kan worden opgenomen dat die participatie niet wordt geboden.
Voorgestelde regeling en toelichting
In artikel 15, eerste lid is bepaald dat ingezetenen betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van he beleid. In de praktijk kunnen ingezeten inspreken bij het algemeen bestuur. Dit is opgenomen in artikel 13 van het Reglement van orde.
Advies aan de gemeenteraad
Ten aanzien van participatie is de zienswijze van uw raad dat belanghebbenden bij het Algemeen Bestuur moeten kunnen inspreken over de onderwerpen die geagendeerd staan op de agenda van de betreffende vergadering, met uitzondering van de verslagen van de vergaderingen van het Algemeen Bestuur. De mogelijkheid tot inspreken is bij de GRNR nu geregeld in haar Reglement van orde. Ons advies is in de zienswijze het verzoek op te nemen dit in de gemeenschappelijke regeling zelf op te nemen, omdat het een vorm van participatie is die geregeld dient te zijn in de regeling zelf. De voorliggende ontwerpregeling geeft op dit punt geen verdere reden tot het maken van opmerkingen.
c. Informatieplicht: actieve en passieve
Deze actieve informatieplicht bestaat al. In de regeling moeten afspraken worden opgenomen over het moment waarop, de wijze van en het onderwerp van de informatievoorziening.
Voorgestelde regeling en toelichting
Artikel 26 (Externe werking, bestuursorganen) geeft aan dat de besturen aan de raden, gevraagd en ongevraagd alle inlichtingen verschaffen voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid. De besturen zorgen er voor dat alle deelnemers in een gelijke informatiepositie verkeren. Artikel 26 1.
2. 3.
Externe werking, bestuursorgaan
Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de Voorzitter geven aan de raden van de deelnemers, gevraagd of ongevraagd, alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is, indien het verstrekken daarvan niet in strijd is met het openbaar belang. Een verzoek om inlichtingen door een of meer leden van de raad van een deelnemende gemeente dient schriftelijk te worden ingediend bij het Dagelijks Bestuur. Het Dagelijks Bestuur verstrekt de gevraagde inlichtingen aan de raad van een deelnemende gemeente schriftelijk binnen één maand na ontvangst van het verzoek.
Advies aan de gemeenteraad
Ons advies is om in de zienswijze te verzoeken het derde lid te wijzigen in:
“Het Dagelijks Bestuur verstrekt de gevraagde inlichtingen aan de raad, waarvan één of meerdere leden het verzoek hebben gedaan, schriftelijk binnen één maand en stelt ook de andere raden hiervan op de hoogte.”
2
Tevens is ons advies om te verzoeken een nieuw lid 2 op te nemen dat luidt: “De verslagen van het Algemeen Bestuur, de vastgestelde begroting, de vastgestelde jaarrekening en bijbehorende accountantsrapportage dienen in ieder geval beschouwd te worden als informatie die voor een juiste beoordeling van het door het betreffende bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is.” De voorgestelde leden 2 en 3 kunnen dan vernummerd worden tot 3 en 4.
d. Afspraken over evaluatie
Het is verplicht afspraken te maken over evaluatie van de regeling. Waar de evaluatie op gericht moet zijn, hoe vaak die moet plaatsvinden en op welke wijze die wordt uitgevoerd, is niet voorgeschreven. Dat kan worden opgenomen in de regeling. In de regeling kan ook worden opgenomen dat deze niet geëvalueerd wordt.
Voorgestelde regeling en toelichting
In artikel 40 wordt bepaald dat op verzoek van één of meer deelnemers de deelnemers de toepassing van de werking van de regeling zullen evalueren. Op basis daarvan zal het algemeen bestuur een regeling vaststellen volgens welke procedure de in het eerste lid bedoelde evaluatie zal plaatsvinden. Er is in 2020 een evaluatie geweest. De GRNR heeft een looptijd tot in principe 2029. Artikel 40 van de regeling, waarin de evaluatie is geregeld, geeft reeds de mogelijkheid om tussentijds een te evalueren. Artikel 40 1. 2.
3.
Evaluatie
Op verzoek van de raad van één of meer der deelnemers zullen de deelnemers de toepassing en werking van deze regeling evalueren. De in het eerste lid bedoeld evaluatie heeft onder meer, doch niet uitsluitend, tot doel na te gaan: a. of, en zo ja in welke mate de in deze regeling geformuleerde doelstellingen zijn behaald; b. of, en zo ja in welke mate de in deze regeling vastgelegde overdracht van taken en bevoegdheden, in het licht van de doelstelling van deze regeling, aanpassing behoeft. Door het Algemeen Bestuur wordt een regeling vastgesteld, volgens welke procedure de in het eerste lid bedoelde evaluatie zal plaatsvinden.
Advies aan de gemeenteraad
Het advies is in uw zienswijze op te nemen het verzoek een vierde lid toe te voegen dat luidt: “‘4. De raden worden op de hoogte gesteld van de resultaten van de evaluatie, de conclusies en de wijzigingen die naar aanleiding van de evaluatie worden/zijn doorgevoerd.”
e. Afspraken over uittreding
Er kan niet langer volstaan worden met de afspraak dat het bestuur de uittredingsvoorwaarden vaststelt. In ieder geval moeten worden opgenomen afspraken over de gevolgen voor het vermogen, waarbij moet worden gedacht aan afspraken over personeel, contracten, huisvesting en investeringen.
Voorgestelde regeling en toelichting
In de artikelen 41 en 43 zijn de bepalingen over toetreding/uittreding en opgenomen. Uittreding is alleen mogelijk door opheffing. In artikel 43 is de opheffing geregeld. Het Algemeen Bestuur besluit dan tot liquidatie en stelt daarvoor de nodig regels. De risicoverdeling van de deelnemers bij de verdeling van een batig of nadelig saldo staat echter vast. Het saldo wordt onder elke deelnemers verdeeld op basis van de verdeling van een derde per deelnemer. Daarmee is voor elke deelnemer voldoende duidelijk wat de gevolgen zijn bij uittreding/opheffing. Het huidige artikel behoeft daarom geen wijziging. Deze betreffende artikelen zijn:
3
Artikel 41 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Toetreding tot de regeling door andere gemeenten en/of provincies is alleen mogelijk door wijziging van deze regeling. Uittreding uit de regeling is alleen mogelijk door opheffing van deze regeling. In geval van opheffing van de regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt hij daarvoor de nodige regels. Hierbij kan van de bepalingen van de regeling worden afgeweken. Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, na raadpleging van de vertegenwoordigende organen, vastgesteld. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de beëindiging van de regeling. Voor zover financiële gevolgen, zowel in negatieve als positieve zin, gekoppeld zijn aan de taak economisch vestigingsklimaat zal deze verdeeld worden over de gemeenten naar rato van de inwoneraantallen zoals opgenomen in de laatste voor de opheffing vastgestelde reguliere begroting.
Artikel 43 1. 2. 3. 4.
Toetreding en uittreding
Opheffing
De regeling wordt opgeheven wanneer de datum zoals bedoeld in artikel 45 is verstreken, of zoveel eerder wanneer de raden van de deelnemers, al dan niet op basis van een voorstel van het Algemeen Bestuur, daartoe besluiten. In 2020 vindt een evaluatie plaats. Het Algemeen Bestuur stelt uiterlijk in 2019 de procedure daarvoor vast, op basis van een voorstel van het Dagelijks Bestuur. In geval van opheffing van de regeling, besluit het Algemeen Bestuur tot liquidatie en stelt daarvoor de nodige regels. Hierbij kan van de bepalingen van de regeling – met uitzondering van het bepaalde in artikel 37, derde tot en met vijfde lid en van het bepaalde in artikel 43 – worden afgeweken. Het liquidatieplan wordt door het Algemeen Bestuur, de raden van de deelnemers gehoord, vastgesteld. Het behoeft de goedkeuring van Gedeputeerde Staten. 5 Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers alle rechten en verplichtingen van de GR Nieuw Reijerwaard over de deelnemers te verdelen op een in het liquidatieplan te bepalen wijze, waarbij de in artikel 373, lid 5 vermelde percentuele verdeling uitgangspunt is. 6 Zo nodig blijven de bestuursorganen van de GR Nieuw Reijerwaard ook na het tijdstip van de opheffing in functie, totdat de liquidatie is beëindigd.
Advies aan de gemeenteraad
De voorliggende ontwerpregeling geeft op dit punt geen verdere reden tot het maken van opmerkingen.
f. Aanpassing begrotingscyclus
Daar waar in de regeling hierover termijnen zijn opgenomen, moeten deze voldoen aan de wet. De wet geeft in sommige gevallen de vrijheid de termijn in de regeling te bepalen. Bijvoorbeeld kan, op grond van het bepaalde in artikel 35, zesde lid, Wgr, voor bepaalde categorieën begrotingswijzigingen een andere termijn (dan 12 weken) voor het indienen van een zienswijze worden bepaald in de regeling. De raad kan zijn zienswijze desgewenst zijn mening geven over de in de regeling opgenomen termijn.
Voorgestelde regeling en toelichting
In artikel 35, tweede lid van de regeling is voor het geven van een zienswijze op een ontwerpbegroting een termijn opgenomen van 12 weken. Deze termijn geldt ook als het gaat om een ontwerpbegrotingswijziging. Kortere termijnen voor een zienswijze in het kader van de begrotingscyclus zijn niet opgenomen in de regeling. De termijn van 12 weken is voldoende om een zienswijze te kunnen geven.
4
Artikel 35 Begroting 1.
Het Dagelijks Bestuur zendt jaarlijks vóór 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten 2. Het Dagelijks Bestuur zendt de ontwerpbegroting twaalf weken voordat zij aan het Algemeen Bestuur wordt aangeboden, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten. 3. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de besturen van de deelnemers voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. 4. De raden van de deelnemers kunnen binnen twaalf weken na toezending van de ontwerpbegroting het Dagelijks Bestuur van hun zienswijzen doen blijken. Het Dagelijks Bestuur stelt de raden voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijzen, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 5. Het Algemeen Bestuur stelt de begroting vast vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting moet dienen. Na vaststelling wordt de begroting toegezonden aan de raden van de deelnemers. De vastgestelde begroting wordt binnen veertien dagen na vaststelling doch uiterlijk vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, gezonden aan Gedeputeerde Staten. 6.
De raden van de deelnemers kunnen bij Gedeputeerde Staten hun zienswijzen over de vastgestelde begroting doen blijken. 7. In het geval Gedeputeerde Staten hebben bepaald dat de begroting voor het komende jaar goedkeuring behoeft, doet het Dagelijks Bestuur mededeling van de beslissing van Gedeputeerde Staten aan de raden van de deelnemers. 8. In de begroting wordt aangegeven het naar raming bepaalde batig of nadelig saldo. Het bepaalde in artikel 33 van de Wgr is van overeenkomstige toepassing. 9. Het bepaalde in het eerste tot en met zevende lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, zulks met inachtneming van het bepaalde in het tiende lid. 10. Het bepaalde in het derde en vijfde lid is niet van toepassing op begrotingswijzigingen die: a. niet leiden tot overschrijding van het totaalbedrag van de lasten en/of baten van de begroting; en b. niet leiden tot een daling van het geraamde batig saldo dan wel stijging van het geraamde nadelig saldo.
Advies aan de gemeenteraad
Dit geeft geen reden tot het maken van opmerkingen.
g. De instelling van adviescommissies
Een raadsadviescommissie zou gebruikt kunnen worden om de raden met elkaar te laten overleggen, bijvoorbeeld over een gezamenlijke zienswijze. Een raadsadviescommissie zou advies kunnen geven aan de raden, maar ook aan het algemeen bestuur. Ze zou een voorbereidende rol kunnen hebben in de beleidscyclus van de GR. De raadsadviescommissie is nadrukkelijk niet bedoeld om de rol van de gemeenteraden over te nemen of om tot besluitvorming te komen. De rechtsgrond voor de instelling van een adviescommissie staat in de Wet gemeenschappelijke regelingen en behoeft niet in de regeling zelf te worden opgenomen. In de gemeenschappelijke regeling is geen artikel opgenomen voor de instelling van een raadsadviescommissie. Op grond van artikel 7 van de gemeenschappelijke regeling worden 2 raadsleden per deelnemende gemeente benoemd in het algemeen bestuur. De gemeenteraad heeft hierdoor grip en zeggenschap over het bestuur van de gemeenschappelijke regeling.
5
Advies aan de gemeenteraad
In de aanbiedingsbrief van 4 oktober jl. is hierover geen vraag gesteld. Er is geen reden hierover nu iets op te merken in de zienswijze.
Overige wijzigen
In de voorliggende ontwerpregeling is nog een aantal technische wijzigingen aangebracht. Zo is o.a. het artikel over de archiefzorg in lijn gebracht met de actuele Archiefwetgeving en zijn de overgangsbepalingen aangepast. De overige wijzigingen geven geen reden tot het maken van opmerkingen.
6