Afwegingen en advies over wijzigingen GR MRDH.pdf
Tekst van het document
Bijlage 2. Afwegingen en advies over wijzingen in de gemeenschappelijke regeling Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) Inleiding In deze bijlage leest u onze afwegingen bij de door de regeling voorgestelde wijzingen die voortvloeien uit de recente wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). Per onderwerp leest u eerst een korte toelichting op de wetswijziging. Dan wat daarover in de voorgelegde regeling is voorgesteld. Vervolgens leest u de eventuele voor- en nadelen voor de gemeente Ridderkerk en ons advies wat op te nemen in de zienswijze.
Wijzigingen in de regeling a. Zienswijze bij besluiten In de regeling moeten afspraken zijn opgenomen over welke besluiten van het bestuur van een GR vatbaar zijn voor een zienswijze van de raden.
Voorgestelde regeling en toelichting In artikel 2:1 zijn de volgende besluiten vermeld waar de raden vooraf een zienswijze over kunnen geven: a.
b. c. d. e. f. g. h.
i. j.
de strategische agenda, bedoeld in artikel 3:2, eerste lid; het overdragen van bevoegdheden door het algemeen bestuur aan het dagelijks bestuur, bedoeld in artikel 3:3, derde lid; de strategische bereikbaarheidsagenda; het regionaal verkeer- en vervoersplan, ingevolge de Planwet verkeer en vervoer; het programma van eisen voor de verlening van een vervoersconcessie; de uitgangspunten voor de dienstregeling voor het openbaar vervoer; het treffen, wijzigen of opheffen van een gemeenschappelijke regeling, alsmede het toetreden tot of uittreden uit een gemeenschappelijke regeling; het oprichten van of deelnemen in een vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij, naamloze of besloten vennootschap, stichting, vennootschap onder firma of maatschap; het liquidatieplan bij uittreding en opheffing, en het besluit bedoeld in artikel 2:8, tweede en derde lid.
Dit is in de voorliggende wijziging niet veranderd. Dit zijn de belangrijke besluiten waarover de raden een zienswijze kunnen geven. Om de raden in staat te stellen tijdig hun zienswijzen over belangrijke besluiten te geven worden de concepten daarvan aangeboden tenminste acht weken voordat over deze besluiten in het algemeen bestuur wordt beraadslaagd of besloten.
Advies aan de gemeenteraad Naar de mening van ons college heeft de raad op dit moment al ruime mogelijkheden om invloed uit te oefenen op het beleid en zijn er daarom geen andere besluiten waarop de raden eerst hun zienswijze zouden moeten geven. De termijn van tenminste acht weken om een zienswijze te geven is erg krap gelet op onze eigen vergadercyclus. Wij adviseren u te verzoeken de termijn van ten minste acht weken uit artikel 2:1, derde lid te wijzigen in 10 weken.
1
b. Afspraken over participatie In elke regeling moeten afspraken worden opgenomen of, en zo ja op welke wijze burgers de mogelijkheid krijgen tot inspraak over bepaalde onderwerpen die tot de taak van de GR horen. In de regeling kan worden opgenomen dat die participatie niet wordt geboden.
Voorgestelde regeling en toelichting In het gewijzigde artikel 2:2a, tweede lid is opgenomen dat belanghebbenden kunnen inspreken over geagendeerde onderwerpen kunnen inspreken bij de bestuurscommissies, het algemeen bestuur de adviescommissies. Dit was opgenomen in het Reglement van orde, maar is nu opgenomen in de regeling zelf. Verdere vormen van burgerparticipatie zijn in deze beleidsarme wijziging niet opgenomen. Dit onderwerp wordt meegenomen bij de evaluatie in 2024.
Advies aan de gemeenteraad In uw op 14 september jl. vastgestelde reactie over dit onderwerp aan de GR Jeugdhulp Rijnmond, heeft u aangegeven dat u de mogelijkheid van ‘inspreken’ bij een vergadering van het algemeen bestuur opgenomen wilt zien. In de voorgestelde regeling is dat opgenomen in artikel 2;2a, tweede lid en daarmee is dit voldoende geborgd.
c. Informatieplicht: actieve en passieve Deze actieve informatieplicht bestaat al. In de regeling moeten afspraken worden opgenomen over het moment waarop, de wijze van en het onderwerp van de informatievoorziening.
Voorgestelde regeling en toelichting In artikel 2:2, eerste lid is de actieve informatieplicht geregeld. In het artikel is opgenomen dat de begrotingen, de bestuursrapportages, de strategische agenda’s, de jaarrekening en de evaluaties van de gemeenschappelijke regeling in ieder geval beschouwd dienen te worden als informatie die voor een juiste beoordeling van het door het betreffende bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is. De passieve informatieplicht is geregeld in het gewijzigde artikel 2:2, tweede, derde, vierde en vijfde lid, te weten: Artikel 2:2 Informatie- en verantwoordingsplicht aan gemeenteraden 2. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken aan de
vertegenwoordigende organen alle inlichtingen die door een of meer leden van die organen worden verlangd. 3. De onder het tweede lid bedoelde verstrekking geschiedt schriftelijk door de eigen vertegenwoordiger van de gemeente in het bestuursorgaan van de MRDH op de voor deze gemeente gebruikelijke wijze. De aangeschreven vertegenwoordiger doet terstond melding aan de MRDH, van de gestelde vragen en eveneens van het daarop gegeven antwoord. Indien de vertegenwoordiger verzuimt binnen een termijn van 6 weken de gevraagde inlichtingen te verstrekken, of in het geval van het dagelijks bestuur er geen bestuurder van de betreffende gemeentezitting heeft in dit bestuursorgaan, kunnen de leden zich schriftelijk richten tot het betreffende bestuursorgaan van de Metropoolregio zelf. 4. De onder het derde lid schriftelijk gestelde vragen en de naar aanleiding daarvan gegeven schriftelijke antwoorden worden door de Metropoolregio gedeeld met de raden via een online
2
gedeelde lijst van vragen en antwoorden. 5. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de bestuurscommissies, bedoeld in artikel 2:7.
Advies aan de gemeenteraad Te verzoeken om aan het onderwerp van informatievoorziening in artikel 2:2, eerste lid de verslagen van het algemeen bestuur, de verslagen van de bestuurscommissies en de accountantsrapportage toe te voegen. De passieve informatieplicht is naar onze mening voldoende geregeld.
d. Afspraken over evaluatie Het is verplicht afspraken te maken over evaluatie van de regeling. Waar de evaluatie op gericht moet zijn, hoe vaak die moet plaatsvinden en op welke wijze die wordt uitgevoerd, is niet voorgeschreven. Dat kan worden opgenomen in de regeling. In de regeling kan ook worden opgenomen dat deze niet geëvalueerd wordt.
Voorgestelde regeling en toelichting In artikel 8:1 wordt bepaald dat het algemeen bestuur zorg draagt voor een vijfjaarlijkse evaluatie van de regeling. In de oude regeling was de vijfjaarlijkse evaluatie gekoppeld aan het oprichtingsjaar.
Advies aan de gemeenteraad Toe te voegen aan artikel 8:1 dat het algemeen bestuur vanaf 2024 zorg draagt voor een vijfjaarlijkse evaluatie.
e. Afspraken over uittreding Er kan niet langer volstaan worden met de afspraak dat het bestuur de uittredingsvoorwaarden vaststelt. In ieder geval moeten worden opgenomen afspraken over de gevolgen voor het vermogen, waarbij moet worden gedacht aan afspraken over personeel, contracten, huisvesting en investeringen.
Voorgestelde regeling en toelichting In de gewijzigde artikelen 6:2, 6:3 en 6:4 zijn de bepalingen over uittreding opgenomen. Deze zijn: Artikel 6:2 Uittreding 1. De gemeenteraad, het college en de burgemeester van een van de gemeenten kunnen uitsluitend gezamenlijk uittreden en maken gezamenlijk schriftelijk kenbaar bij het algemeen bestuur van de Metropoolregio dat zij het voornemen hebben om uit te treden uit de Gemeenschappelijke Regeling en de uittredingsdatum die zij voor ogen hebben. 2. Het algemeen bestuur stelt regels omtrent de procedure van uittreding. 3. Het algemeen bestuur doet aan de bestuursorganen van de gemeenten een voorstel voor regeling van de gevolgen van de uittreding in een ontwerp-uittredingsplan waarin de gevolgen van de mogelijke uittreding in kaart worden gebracht. Daarbij worden de belangen van de gemeenten waarvan de bestuursorganen uittreden en van de achterblijvende gemeenten op evenwichtige wijze worden afgewogen. 4. De voorbereidingen voor het opstellen van het ontwerp-uittredingsplan worden gedaan door het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur benoemt daartoe een projectgroep onder leiding van een onafhankelijke extern financieel deskundige. De portefeuillehouders middelen van de bestuurscommissies maken in ieder geval deel uit van de projectgroep.
In het geval de portefeuillehouder middelen behoort tot de deelnemer die het voornemen tot uittreding heeft kenbaar gemaakt, wordt een nieuwe portefeuillehouder benoemd. 5. De kosten voor het inschakelen van de onafhankelijke externe deskundige zijn voor rekening van de deelnemer die het voornemen tot uittreding heeft uitgesproken. 6. Het uittredingsplan bevat in ieder geval de volgende elementen: a. een beschrijving van de consequenties voor de wettelijke en overige taken van de uittredende deelnemer;
3
b. een beschrijving van de consequenties voor de financiële middelen die zijn gekoppeld aan de uittredende deelnemer (BDU); c. een beschrijving van de consequenties voor de activiteiten die zijn gekoppeld aan de inwonerbijdrage Economisch Vestigingsklimaat; d. een beschrijving van de consequenties voor de lopende openbaar vervoersconcessies voor het grondgebied van de uittredende deelnemer; e. een beschrijving van eventuele consequenties voor de verbonden partijen van de MRDH; f. een beschrijving van consequenties voor lopende subsidies, opdrachten, leningen en overige verplichtingen; g. een beschrijving van consequenties voor de structurele organisatielasten, waaronder personeels- en huisvestingslasten h. de uittreedsom, of de wijze waarop de uittreedsom wordt berekend. 7. De uittreedsom bestaat uitsluitend uit de schade die de Metropoolregio en de achterblijvende deelnemers lijden als direct gevolg van het besluit tot uittreding. a. De Metropoolregio is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. b. De berekening van de kosten van uittreding wordt gebaseerd op feiten en omstandigheden die bekend zijn tot aan het moment van werkelijke uittreding. 8. De bestuursorganen die aan deze regeling deelnemen stellen met ten minste twee derde meerderheid het uittredingsplan vast. 9.
Na toezending van het ontwerp-uittredingsplan maken de bestuursorganen van de deelnemer die het voornemen tot uittreding hebben kenbaar gemaakt, binnen 3 maanden gezamenlijk bekend of zij definitief willen uittreden. De besluiten tot uittreden worden aangetekend verzonden aan het algemeen bestuur. 10. De uittreding vindt slechts plaats op 1 januari na de datum, waarop opname in het register als bedoeld in artikel 27 van de Wet gemeenschappelijke regelingen heeft plaatsgevonden, tenzij door het algemeen bestuur een later tijdstip is bepaald. Artikel 6:3 Wijziging 1. De regeling kan worden gewijzigd bij gelijkluidende besluiten van alle bestuursorganen die aan deze regeling deelnemen. 2. De wijzigingsregeling bepaalt wanneer deze in werking treedt. Artikel 6:4 1. De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende gelijkluidende besluiten van alle bestuursorganen die aan deze regeling deelnemen. 2. De opheffing wordt van kracht op 1 januari, volgend op de datum waarop het laatste bestuursorgaan dat aan deze regeling deelneemt de in het eerste lid bedoelde besluiten heeft genomen, tenzij het algemeen bestuur een later tijdstip heeft bepaald. 3. In geval van opheffing van de regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt hij daarvoor de nodige regels. Hierbij kan van de bepalingen van de regeling worden afgeweken. 4.
Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, na raadpleging van de vertegenwoordigende organen, vastgesteld. 5. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de beëindiging van de regeling. 6. Voor zover financiële gevolgen, zowel in negatieve als positieve zin, gekoppeld zijn aan de taak economisch vestigingsklimaat zal deze verdeeld worden over de gemeenten naar rato van de inwoneraantallen zoals opgenomen in de laatste voor de opheffing vastgestelde reguliere begroting.
4
Advies aan de gemeenteraad Dit geeft geen reden tot het maken van opmerkingen.
f. Aanpassing begrotingscyclus Daar waar in de regeling hierover termijnen zijn opgenomen, moeten deze voldoen aan de wet. De wet geeft in sommige gevallen de vrijheid de termijn in de regeling te bepalen. Bijvoorbeeld kan, op grond van het bepaalde in artikel 35, zesde lid, Wgr, voor bepaalde categorieën begrotingswijzigingen een andere termijn (dan 12 weken) voor het indienen van een zienswijze worden bepaald in de regeling. De raad kan zijn zienswijze desgewenst zijn mening geven over de in de regeling opgenomen termijn.
Voorgestelde regeling en toelichting In artikel 4:1, tweede lid van de regeling is voor een specifieke wijziging van de begroting een zienswijzetermijn opgenomen van 8 weken. Evenals bij de zienswijzetermijn bij besluiten van het bestuur is deze termijn erg krap, gelet op onze eigen vergadercyclus.
Advies aan de gemeenteraad Te verzoeken de zienswijzetermijn van 8 weken van artikel 4:1, tweede lid, te wijzigen in een termijn van 10 weken.
g. De instelling van adviescommissies Een raadsadviescommissie zou gebruikt kunnen worden om de raden met elkaar te laten overleggen, bijvoorbeeld over een gezamenlijke zienswijze. Een raadsadviescommissie zou advies kunnen geven aan de raden, maar ook aan het algemeen bestuur. Ze zou een voorbereidende rol kunnen hebben in de beleidscyclus van de GR. De raadsadviescommissie is nadrukkelijk niet bedoeld om de rol van de gemeenteraden over te nemen of om tot besluitvorming te komen. De rechtsgrond voor de instelling van een adviescommissie staat in de Wet gemeenschappelijke regelingen en behoeft niet in de regeling zelf te worden opgenomen.
Voorgestelde regeling en toelichting Over het instellen van raadsadviescommissies wordt niets gevraagd.
Advies aan de gemeenteraad De MRDH kent op basis van artikel 2:8 al drie adviescommissies. Dit zijn de adviescommissie Vervoersautoriteit, de adviescommissie Economisch vestigingsklimaat en de rekeningcommissie. Logisch dat de MRDH over het verzoeken om de instelling van een raadsadviescommissie niets vraagt. In de zienswijze is hierover daarom ook niets opgenomen.
5