CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Advies commissie bezwaarschriften inzake De Blaak.pdf

Commissie Samen wonen RK 15 juni 2023, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 12: Ter kennisneming: raadsinformatiebrieven10.817 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of

120 van de Woningwet; b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan

de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming i gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet;

©. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de

activiteit niet n strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12; d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband

met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;

e de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm, () Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder «‚ kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en: 18

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening: 1°.met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake

afwijking, n de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of n overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

Artikel 2.20

1 Voor zover de aanvraag betrekking heeftop een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, ondera, of in artikel 2.1, eerste lid, onder e, met betrekking tot een inrichting kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning n andere gevallen dan bedoeld in artikel 2.10, onderscheidenlijk artikel 2.14 slechts

weigeren n het geval en onderde voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 3 van die wet, voor zover het deze wet betreft, onder betrokkene mede wordt verstaan degene die op grond van

feiten en omstandigheden redelijkerwijs met de aanvrager van de omgevingsvergunning gelijk kan worden gesteld. (.} Artikel3.9

1 Het bevoegd gezag beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van

ontvangst van de aanvraag. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking: 3. doet het mededeling van die beschikking op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de aanvraag, en

b. zendt het in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen

categorieën gevallen de daarbij aangewezen

bestuursorganen een afschrift van die beschikking.

Bestemmingsplan ‘Centrum Ridderkerk’ Artikel 16 Wonen

16.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 16.2.1 Hoofdgebouwen a. hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd; b. de goothoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding 'maximum goothoogte (m}'

aangegeven goothoogte; c. in afwijking van het bepaalde onder b, geldt ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke bouwaanduiding monument’ en 'cultuurhistorische waarden' de bestaande maatvoering als maximale maatvoering;

d. indien niet in de perceelsgrens wordt gebouwd, bedraagt de afstand van gebouwen tot de perceelsgrens ten minste 1,5 m;

e. indien gebouwen op een bouwperceel niet aaneen worden gebouwd, geldt een onderlinge afstand van ten minste

1,5 m.

f. de diepte van nieuwe grondgebonden hoofdgebouwen bedraagt, gemeten vanaf de voorgevel, maximaal 12 m, met dien verstande dat de diepte van meer dan twee-aan-eengebouwde woningen ten hoogste 10 m

bedraagt. 16.2.4 Bijgebouwen bij gestapelde woningen

In afwijking van het bepaalde in lid 16.2.2 zijn bij gestapelde woningen alleen bijgebouwen toegestaan, met dien verstande dat:

19

3. bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouwte worden gebouwd;

b. het oppervlak van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 15 m2 per perceel; c. de goothoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m; d. de bouwhoogte van bijgebouwen Artikel 19 Waarde

bedraagt ten hoogste 4 m.

- Cultuurhistorie

19.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

19.2.1

Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

() b.het aanleggen of verharden van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen

met een oppervlakte van meer dan 100 m2, niet zijnde kavelpaden; )

Artikel 21 Algemene bouwregels 21.1 Overschrijding goothoogte De goothoogte mag worden overschreden door: a. dakruimten, met dien verstande dat:

1. het gezamenlijk oppervlak van (nagenoeg) horizontale dakviakken niet meer bedraagt dan 50% van het gezamenlijk grondoppervlak van de af te dekken gedeelten van het bouwwerk;

2. de hoogte van de overschrijding ten opzichte van de aanwezige goothoogte niet meer dan 4,5 m bedraagt; 3. de breedte van enig deel van een gevelvlak van deze dakruimte, geen dakkapel zijnde, niet meer bedraagt dan 40% van de breedte van de onderliggende gevel dan wel in opwaartse richting geleidelijk afneemt tot deze maat;

b. dakkapellen op woningen, voor zover gelegen aan de voor- of zijgevel, waarvan de gezamenlijke breedte per dakvlak niet meer bedraagt dan 50% van de breedte van de voor- of zijgevel en waarvan de hoogte niet meer

bedraagt dan 50% van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak met een maximumhoogte van 1,5 m;

. dakkapellen op woningen, voor zover niet gelegen aan de voor- of zijgevel van een pand, waarvan de afstand

tot de zijgevel of de woningscheidende muur niet minder dan 0,5 m bedraagt met een maximumhoogte van 1,5 m;

d. (delen van) bouwwerken, waarvan de grootste horizontale doorsnede niet meer dan 1 m? bedraagten door trappenhuizen, lichtstraten, koepels en liftkokers; ( 21.2 Overschrijding bouwgrenzen De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van aanduidingen, aanduidingsgrenzen en regels worden overschreden door:

3. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, balkons, entreeportalen, veranda's, luifels en afdaken, met dien verstande dat de overschrijding ten hoogste 2,5 m bedraagt;

b. tot gebouwen behorende erkers en serres, met dien verstande dat de overschrijding ten hoogste 2 m bedraag: c. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, met dien verstande dat de overschrijding ten hoogste 1,5

m bedraagt; () Artikel 24 Overige regels 24.2 Voldoende parkeergelegenheid

20

. onverminderd het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 16 dient bij de oprichting van een nieuw bouwwerk, de vergroting van een bestaand bouwwerk en/of de verandering in functie van een bestaand bouwwerk te worden voorzien n voldoende parkeergelegenheid; b. bij een omgevingsvergunning wordt aan de hand van op dat moment van toepassing zijnde beleidsregels bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid;

c. bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, met dien verstande dat dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersitu

Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht Hoofdstuk II. Categorieën gevallen waarin voor bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten geen omgevingsvergunning is vereist Artikel 2

Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c‚ van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op: 1. gewoon onderhoud van een bouwwerk, voor zover det:

ering, profilering en vormgeving van dat

bouwwerk niet wijzigen; 2. werkzaamheden ingevolge een besluit als bedoeld in artikel 13, 13a of 13b van de Woningwet; 3. een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt

voldaan aan de volgende eisen: a. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: 1r5m,

2°.0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, en 3°.het hoofdgebouw, b. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:

1'.indien hoger dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule:

maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; 2°.functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het betreft huisvesting in verband met mantelzorg, c.op een afstand van meer dan 1 m vanaf

openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van

welstand van toepassing zijn, d.de ligging van een verblijfsgebied als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, in geval van meer dan een bouwlaag, uitsluitend op de eerste bouwlaag,

e.niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte, f.de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken n het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan:

1°.in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied, 2.in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2,

3°.in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter i dan 300 m2, tot een maximum van n totaal 150 m2, (}

21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/943/documents/35061