Advies Commisse mer nr a3560ts.pdf
Tekst van het document
Gebiedsvisie Rivieroevers Ridderkerk Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 13 oktober 2021 / projectnummer: 3560
Advies over het MER in het kort De gemeente Ridderkerk wil de rivieroevers van de Nieuwe Maas en de Noord (figuur 1) ontwikkelen tot een landschapspark. Binnen dit gebied wil zij verder drie locaties1 in het plangebied transformeren tot woon- en / of werklocaties. De gemeente stelt daarvoor een gebiedsvisie op. De visie is een uitwerking van de ‘Omgevingsvisie Ridderkerk 2035’. Voor het gebied zijn vier ambities geformuleerd: ruimtelijke kwaliteit, goede bereikbaarheid rivieroevers, gezonde omgeving en goed evenwicht tussen groen, werken en wonen 2. Voor het besluit over de gebiedsvisie is een milieueffectrapport (MER) opgesteld. De gemeente Ridderkerk heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna ‘de Commissie’) gevraagd te adviseren over het MER. In dit advies spreekt de Commissie zich uit over de juistheid en de volledigheid van het MER.
Wat blijkt uit het MER? De gemeente wil sowieso de rivieroevers verder ontwikkelen tot een landschapspark aan de rivier. Om die reden komt het zogenoemde Raamwerk Oeverpark terug in alle vier de alternatieven die in het MER worden beschreven. Het MER beschrijft ook kansen voor het versterken van natuur en biodiversiteit, en voor recreatie, met name per fiets. Daarnaast kan het Raamwerk Oeverpark bijdragen aan de landschappelijke kwaliteit en bereikbaarheid van de rivieroevers. De vier alternatieven geven een verschillende invulling aan de drie transformatielocaties binnen het gebied. In alternatief 1 wordt de werkfunctie op die locaties maximaal versterkt, en in alternatief 2 de woonfunctie. Alternatieven 3 en 4 beschrijven een combinatie van woon- en werkfuncties. Bij alternatief 3 zijn de woon- en werkfunctie verspreid, en bij alternatief 4 zijn die functies geclusterd. Alternatief 4 is verder ontwikkeld tot een voorkeursalternatief. Hoewel het voorkeursalternatief ten aanzien van vrijwel alle milieueffecten beter scoort dan de andere alternatieven, worden de effecten op het gebied van externe veiligheid, verkeersveiligheid, natuur, geluid- en luchtkwaliteit, de omvang van CO2-emissie en filevorming negatief beoordeeld.3 Hierbij zijn de effecten van het Raamwerk Oeverpark buiten beschouwing gebleven.
Wanneer het voorkeursalternatief inclusief Raamwerk Oeverpark wordt beschouwd, scoort het op veel van voornoemde punten iets beter. Hoewel alle alternatieven ten aanzien van voornoemde milieueffecten negatief worden beoordeeld, worden de vier ambities volgens het MER wel grotendeels gerealiseerd.
Wat is het advies van de Commissie? Het MER is goed leesbaar, overzichtelijk en over het algemeen goed onderbouwd. De benadering van de visie en het MER - waarbij het Raamwerk Oeverpark als uitgangpunt is genomen - biedt kansen om positieve milieueffecten te bewerkstellingen. Ten aanzien van de
1
Het gaat om het bedrijventerrein in Bolnes, de voortuin van Huys ten Donck/Schiepo, en de Schans.
2
Dit is de wijze waarop de ambities in de gebiedsvisie zijn verwoord. In het MER worden de ambities als volgt omschreven: (1) ruimtelijke kwaliteit binnen de Rivieroevers verbeteren, (2) optimale balans tussen groen, wonen en (watergebonden) bedrijvigheid, (3) toegankelijke oevers en water voor recreatief gebruik door wandelaars en fietsers, en (4) het creëren van een gezonde woon-, werk- en leefomgeving.
3
De negatieve milieueffecten hebben niet of nauwelijks betrekking op bestaande woningen, maar zullen zich voordoen op de nieuw te ontwikkelen woonlocaties.
-1-
transformatiegebieden worden in de alternatieven wezenlijk verschillende invullingen onderzocht waardoor duidelijk wordt wat de consequenties zijn van te maken keuzes. Desondanks signaleert de Commissie dat op drie punten nog belangrijke informatie ontbreekt. Zij acht het aanvullen van die informatie essentieel om het belang van de leefomgeving volwaardig mee te kunnen wegen bij het besluit over de gebiedsvisie. Het gaat om de volgende punten: •
De effectbeoordeling van (met name) het VKA is soms onnauwkeurig en onvoldoende gebiedsspecifiek. Het VKA kan daardoor niet goed beoordeeld worden. Dit kan leiden tot onderschatting van effecten en / of het missen van kansen voor verbetering. Een voorbeeld is de beoordeling van het aspect ‘groen- en waterbeleving’. Enerzijds staan de aanwezigheid en nabijheid van groen niet gelijk aan de beleving ervan, zoals blijkt bij de (on)toegankelijkheid van de huidige rivieroever (de rivier is nabij maar niet toegankelijk). Anderzijds worden kansen gemist, omdat het plan positieve effecten kan hebben voor alle Ridderkerkers en niet slechts voor de bewoners van de nieuw te realiseren woningen.
•
Voor het deelgebied Huys ten Donck zijn de effecten van het bouwen van woningen in het populieren-/essenbos, en mogelijkheden (varianten) om effecten te voorkomen, onvoldoende in beeld. Een flink deel van deelgebied Huys ten Donck valt samen met het Natuurnetwerk Nederland. Om die reden is van groot belang dat de effecten van het verdwijnen van het bos worden onderzocht en dat wordt nagegaan of de woningen met minder natuurschade kunnen worden ingepast in de omgeving.
•
Inzicht in de effecten op de waterveiligheid van het buitendijks bouwen van woningen en in de toekomst beschikbare ruimte voor eventuele dijkversterking ontbreekt. De drie transformatielocaties liggen buitendijks. Om die reden moet worden onderzocht wat de effecten zijn ten aanzien van waterveiligheid voor de nieuw te bouwen woningen. Verder komt in de effectbeoordeling niet terug of en hoe rekening is gehouden met (mogelijke) toekomstige eisen aan de waterkering en de effecten van het plan op dat vlak.
De Commissie adviseert deze informatie in een aanvulling op het MER op te nemen, en dan pas een besluit te nemen over de gebiedsvisie. In hoofdstuk 2 licht de Commissie haar oordeel toe en in hoofdstuk 3 geeft ze aandachtspunten voor het vervolgtraject.
-2-
Figuur 1 - ligging plangebied rivieroevers (bron: ontwerpgebiedsvisie Rivieroevers Ridderkerk)
Aanleiding MER De gemeente Ridderkerk wil met de gebiedsvisie voor de rivieroevers eenheid brengen in het gebied. Het is de ambitie van de gemeente om met het ‘Raamwerk Oeverpark Rivieroevers’ de rivieroevers te ontwikkelen tot één landschapspark aan de rivier. Het raamwerk moet de kwaliteiten van het gebied en daarbuiten verbinden en versterken. Het grootste deel van de rivieroevers heeft al een bestemming en in de gebiedsvisie blijft die bestemming onveranderd. De gemeente wil drie plekken, met afgezonderde bedrijventerreinen en ruimte aan het water die onvoldoende gebruikt wordt, transformeren. Het gaat om het bedrijventerrein in Bolnes, de voortuin van Huys ten Donck/Schiepo, en de Schans. In de gebiedsvisie omschrijft de gemeente haar beleid met betrekking tot de fysieke leefomgeving voor de komende 10 tot maximaal 20 jaar. Omdat de gebiedsvisie kaders stelt voor m.e.r.-(beoordelingsplichtige) activiteiten – zoals stedelijke ontwikkelingsprojecten – is het nodig om een plan-MER op te stellen. Een plan-MER is ook nodig omdat een Passende beoordeling is opgesteld met het oog op mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden zoals Boezem-Kinderdijk en de Biesbosch. Rol van de Commissie De Commissie is onafhankelijk, bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen.
Ze schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit geval de gemeente Ridderkerk - besluit over de gebiedsvisie.
-3-
De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt door nummer 3560 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.
Toelichting op het advies In dit hoofdstuk licht de Commissie haar oordeel toe en geeft zij adviezen voor de op te stellen aanvulling. Deze adviezen zijn opgenomen in een tekstkader. Naar het oordeel van de Commissie is het uitvoeren ervan essentieel om het milieubelang volwaardig mee te wegen bij het besluit over de gebiedsvisie.
Effectbeoordeling van het VKA is onvoldoende Voor de beoordeling van de effecten en het ‘doelbereik’ (de mate waarin de ambities gerealiseerd worden) is gebruik gemaakt van een beoordelingskader dat op verschillende manieren is gebruikt: voor het beschrijven van de referentiesituatie, het vergelijken van de vier alternatieven, het beoordelen van het voorkeursalternatief (VKA), en het beoordelen van het doelbereik van de ambities. In de Foto van de Leefomgeving (Hoofdstuk 4 en Bijlage I bij het MER) is de referentiesituatie (huidige situatie en autonome ontwikkeling) van het gebied vastgelegd, als basis voor de vergelijking en beoordeling van de alternatieven. Dit betreft een gedetailleerde analyse van de lokale situatie in Ridderkerk waaruit lokale kennis spreekt. De effectbeoordeling van de alternatieven is veel minder gedetailleerd en lijkt vooral gebaseerd op indicatoren die in belangrijke mate afkomstig lijken te zijn uit generieke, nationale databases. De effectbeoordeling is daardoor in een aantal gevallen erg globaal en weinig specifiek voor de lokale situatie. De effectbeoordeling van het VKA is nog een slag minder diepgaand dan die van de alternatieven, waardoor niet alleen informatie ontbreekt, maar ook kansen onbenut blijven. Daarnaast is de effectbeoordeling in sommige gevallen onnauwkeurig, en mist deze in andere gevallen scherpte.
De beschrijving van wat onder de indicatoren wordt verstaan is erg algemeen, en daardoor onduidelijk, en/of de benaming van de indicatoren sluit beperkt aan op de gebruikte databronnen. Dit maakt de effectbeoordeling moeilijk navolgbaar en soms niet adequaat (zie voorbeelden hieronder). De Commissie constateert verder een verschil in het resultaat van de beoordeling van de effecten en de beoordeling van de ambities. De effectbeoordeling van de alternatieven en het VKA is van een reeks thema’s niet heel positief, en vaak zelfs negatief.4 De alternatieven en het VKA scoren echter (zeer) positief ten aanzien van de realisatie van de vier ambities (doelbereik). De resultaten van beide beoordelingen, effecten en ambities, lijken niet op elkaar aan te sluiten terwijl dit wel mag worden verwacht. De criteria waarop de effecten van de alternatieven zijn beoordeeld (bijvoorbeeld gezondheid) komen immers terug in de ambities (bijvoorbeeld gezonde leefomgeving). De effecten en het doelbereik ervan lijken los
4
Zie de tabellen S1 en 5.5 in het MER.
-4-
van elkaar te zijn beoordeeld. Het is onduidelijk of de resultaten van beide beoordelingen onderling voldoende zijn afgestemd. Hieronder geeft de Commissie enkele voorbeelden van gevallen waarin de effectbeoordeling onnauwkeurig is5. Deze gelden voor de vergelijking van de alternatieven en (vooral) voor het VKA: •
Ten aanzien van de indicator ‘geluidhinder’ ontbreken de (geluids)effecten veroorzaakt door scheepvaart, terwijl deze in het plangebied een belangrijke rol kunnen spelen.
•
Voor het aspect ‘gezonde leefstijl en leefomgeving’ wordt onder het criterium ‘De mate van een gezonde leefstijl en de beweegvriendelijkheid van de leefomgeving’ uitsluitend ingegaan op beweegvriendelijkheid. Een gezonde leefstijl omvat veel meer dan alleen bewegen (denk bijvoorbeeld aan ontspannen, ontmoeten, voeding, niet-roken). In de effectbeoordeling van het VKA wordt beweegvriendelijkheid verder gelimiteerd tot het aantal corridors (plekken waar het publiek bij de rivier kan komen), met als redenatie dat corridors het gebruik van reeds voorziene/gerealiseerde recreatieve routes zullen bevorderen, en gescoord als zeer positief (++). Tegelijkertijd geldt echter dat de visie voorziet in het realiseren van nieuwe woonsituaties waarvan de beweegvriendelijkheid voor de bewoners geenszins vaststaat6. Kortom: de titel dekt de lading niet, en suggereert meer dan wat in kaart is gebracht. De informatie die wel in kaart is gebracht is onvoldoende voor een adequate effectbeoordeling.
•
Het aspect ‘groen- en waterbeleving’ is van belang voor de effecten van de alternatieven op alle inwoners van Ridderkerk, en niet slechts voor de bewoners van de nieuw te realiseren woningen. In de effectbeoordeling wordt voor dit aspect slechts gesteld dat wordt bijgedragen aan het verminderen van de afstand7 tussen woningen en openbaar groen en water, door de realisatie van woningen nabij de oevers en in het raamwerk. Daarnaast staan de aanwezigheid en nabijheid van groen niet gelijk aan de beleving ervan. De ontoegankelijkheid van de huidige rivieroever is daar een goed voorbeeld van (de rivier is nabij maar niet toegankelijk). Waar men wel bij het water kan komen zal de beleving niet persé heel positief zijn door andere omgevingsfactoren8.
•
Toepassing van het criterium “Mate van bodemdaling” in de beoordeling van de effecten van de gebiedsvisie heeft geen toegevoegde waarde en geeft een onjuist beeld. De meeste bodemdaling in Nederland komt door oxidatie en inklinking van veen, en dat speelt niet of nauwelijks buitendijks. In de effectbeoordeling bij het thema ‘klimaat’ valt op dat er veel belang wordt gehecht
•
aan groene daken. De meerwaarde voor de aspecten ‘Hitte en droogte’ en ‘Wateroverlast’ wordt gescoord alsof het om daken in een dichtbebouwd gebied gaat, maar dit is een strook bebouwing buiten de stedelijke kern en gelegen aan het water en in een groen raamwerk. De genoemde onnauwkeurigheden leiden er toe dat de effecten van de alternatieven en het VKA op een aantal onderdelen niet goed navolgbaar zijn. Dit is vooral van belang voor de beoordeling van het VKA, aangezien dat de basis vormt voor de verdere uitwerking van de
5
De Commissie wijst in dit verband ook op het advies van de DCMR, waarin enkele kanttekeningen worden geplaatst bij de effectbeoordeling.
6
Zo zijn de nieuwe woningen relatief ver van voorzieningen gelegen, en zijn de fiets- en looproutes beperkt gericht op dagelijks vervoer. Zie voor meer achtergrond over de voordelen van actief vervoer voor werken, school, winkels en recreatie bijvoorbeeld https://duurzameweek.nl/blog/2021/01/23/de-15-minute-city-minder-reizen-in-een-duurzame-stad/
7
Overigens staat in paragraaf 5.3 ook een keer dat de gemiddelde afstand tot openbaar water en groen toeneemt.
8
Denk hierbij aan het verharde gebied naast de woontorens, en het geasfalteerde bedrijfserf waar een semipublieke toegang tot de rivier(oever) is.
-5-
visie. Een onjuiste beoordeling kan leiden tot onderschatting van effecten en/of het missen van kansen voor verbetering of optimalisatie. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER de effectbeoordeling van het VKA nader te onderbouwen. Als de effectbeoordeling van het VKA bijvoorbeeld wordt gedaan op eenzelfde gedegen manier als de beschrijving van de referentiesituatie in de Foto van de Leefomgeving, wordt ook de potentie van het gebied beter in beeld gebracht. Daarmee is de gebiedsvisie van grote(re) waarde voor de uitwerking in het omgevingsplan voor het gebied. De Commissie adviseert om hierbij ook de afstemming met de beoordeling van het doelbereik (realisatie van de ambities) te bewaken.
Varianten Huys ten Donck en effecten op natuur Voor natuur is het deelgebied Huys ten Donck extra belangrijk omdat een flink deel ervan samenvalt met het Natuurnetwerk Nederland. Het MER merkt terecht op dat voor de aantasting van het natuurnetwerk een ‘nee tenzij’-beleid geldt. In het VKA treedt dergelijke aantasting op doordat woningen mogelijk worden gemaakt ter plaatse van het populieren/essenbos, op de overgang naar Schiepo. De effecten van het verdwijnen van dit bos zijn in het MER niet onderzocht, noch wordt nagegaan of de woningen met minder natuurschade kunnen worden ingepast in de omgeving, waaronder de naastgelegen droge graslanden. In de visie die is ingebracht door het landgoed Huys ten Donck9 zijn op die locatie ook woningen ingetekend. Deze visie zou als uitgangspunt zijn genomen bij het opstellen van de gebiedsvisie. De bijbehorende inrichting met getijdenatuur ontbreekt echter in de weergave van het VKA. Het MER beoordeelt de effecten van het VKA voor het natuurnetwerk verder als licht negatief, wat strikt genomen niet is toegestaan: bij onvermijdelijke aantasting moet er compensatie worden uitgewerkt die ervoor zorgt dat per saldo natuurwinst wordt bereikt. Gelet op de gevoeligheid van dit deelgebied is al in dit stadium van de planvorming een nadere uitwerking van het VKA noodzakelijk.
In het omgevingsplan voor de transitielocatie Huys ten Donck/Schiepo zal immers worden teruggegrepen op de gebiedsvisie en belanghebbenden zullen verwachtingen ontlenen aan de keuzes die daarin worden gemaakt. De Commissie adviseert in aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming onderzoek te doen naar de noodzaak en de effecten van het bouwen in het bos, en mogelijke varianten voor het bouwen op het voorterrein van Huys ten Donck in beeld te brengen. Neem hierbij in ogenschouw de lange ontwikkelingstijd van het bos, en de betekenis die het voor de natuur vervult in het verlengde van het nabije parkbos, en kán vervullen voor bewoners en recreanten als onderdeel van het Raamwerk Oeverpark. Dit onderzoek kan ontwerpend worden ingevuld door voor het deelgebied Huys ten Donck als geheel te bepalen waar het optimum ligt tussen de wens tot bouwen en de plicht tot het beschermen van wezenlijke waarden en benutten van ecologische potenties in het natuurnetwerk. Ga na of natuurcompensatie bij dit optimum nog nodig en mogelijk is.
9
De Commissie ontving de presentatie die is gegeven tijdens de “Raadsinformatieavond Huys ten Donck gemeente Ridderkerk” op 5 juni 2019.
-6-
Effectbeoordeling waterveiligheid ontbreekt Het plan heeft op drie aspecten een relatie met de waterveiligheid: 1.
de ontwikkelingen vinden grotendeels buitendijks plaats en kunnen daarmee de gevolgen van hoogwater - en dus het overstromingsrisico - veranderen;
2.
de ontwikkelingen vinden plaats in de nabijheid van de hoogwaterkering en zouden de ruimte voor eventuele toekomstige versterking van de waterkering niet in de weg moeten staan;
3.
de waterveiligheidssituatie kan veranderen door klimaatverandering.
In het MER komt de relatie met bovengenoemde aspecten (1) en (2) van waterveiligheid echter niet of nauwelijks aan de orde. De drie transformatielocaties liggen (grotendeels) buitendijks. Om die reden is het noodzakelijk inzichtelijk te maken wat de effecten zijn van het plan voor waterveiligheid. Bovendien moet het MER inzicht geven in mogelijke maatregelen, zodat de gemeenteraad daarover kan besluiten. In Bijlage I bij het MER (Referentiesituatie Rivieroevers) staat dat er rekening mee moet worden gehouden dat in de toekomst (mogelijk) andere eisen aan de waterkering worden gesteld, en dat daarom voldoende vrije ruimte beschikbaar moet blijven om de dijken te versterken. Deze randvoorwaarde komt echter niet terug in de effectbeoordeling. De Commissie adviseert in aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, inzichtelijk te maken wat de effecten zijn van het bouwen van woningen op de buitendijks gelegen (transformatie)locaties. Hetzelfde geldt voor de effecten van het plan op het behouden van voldoende ruimte voor het eventueel versterken van dijken in de toekomst.
Aanbevelingen voor het vervolg De Commissie hoopt met onderstaande aanbevelingen een bijdrage te leveren aan de kwaliteit van de verdere besluitvorming. De opmerkingen in dit hoofdstuk hebben geen betrekking op essentiële tekortkomingen.
Natuur en ruimtelijke kwaliteit Raamwerk Oeverpark Rivieroevers De Commissie is gecharmeerd van het feit dat het Raamwerk Oeverpark als uitgangspunt is genomen bij het opstellen van het MER en de gebiedsvisie. Uit het programma en rapport ‘Getijdepark XL’ blijkt verder dat de gemeente het belang van ecologie en de bijzondere ecologische potenties van het buitendijkse gebied goed op het netvlies heeft. Wat opvalt is echter dat in het MER niet of nauwelijks wordt ingegaan op de onderwerpen biodiversiteit en landschapsecologie. Het aspect natuur is in het MER vooral benaderd vanuit planologie en beleid. Het doel van het Raamwerk Oeverpark lijkt daardoor vooral om (groene) verbindingen te maken naar de oevers en niet om de kwaliteit van de natuur zelf te verbeteren. De recente ontwikkelingen in het gebied laten voorts zien hoe onbeperkt autogebruik tot een verarming van de openbare ruimte leidt. Aangezien de gronden die worden aangemerkt als
-7-
transitielocaties niet in handen van de gemeente zijn, is verdere versnippering en verarming van het gebied een reëel risico. De Commissie beveelt daarom aan het Raamwerk Oeverpark verder uit te werken voor de kwaliteit van de openbare ruimte, groen en natuur, en dat leidend te maken in het verdere proces. Een programmatische aanpak, waarbij investeringen en concrete plannen voor bijvoorbeeld biodiversiteit en groennormen aan het Raamwerk Oeverpark worden gekoppeld, kan daarbij behulpzaam zijn.
Stikstofdepositie De effecten van de alternatieven ten aanzien van stikstofdepositie zijn in de Passende beoordeling op het niveau van de gebiedsvisie voldoende in kaart gebracht. Hieruit blijkt dat niet is uitgesloten dat de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden wordt vergroot en dat kritische depositiewaarden verder worden overschreden. Maatregelen, waarmee een toename aan emissies per saldo voorkomen kan worden, zijn op hoofdlijnen benoemd. Stikstofdepositie blijft daarmee een aandachtspunt voor de verdere uitwerking van de visie, gegeven de grote effecten daarvan op de natuur en ontwikkelingen in wet- en regelgeving. De Commissie beveelt aan om mogelijkheden voor het beperken van stikstofproductie als een integraal onderdeel mee te nemen bij de uitwerking van de gebiedsvisie in een omgevingsplan voor het gebied. Gekozen kan bijvoorbeeld worden voor een autoluwe invulling van de plannen.
Mobiliteit Uit figuur 4-4 (Ontsluitingskwaliteit openbaar vervoer en snelweg) van de Foto van de Leefomgeving (Bijlage I bij het MER) blijkt dat het plangebied grotendeels ligt in invloedgebied van snelwegafslagen. In de tekst staat daarom dat het plangebied kan worden aangemerkt als autosnelweglocatie. Verder blijkt uit de Foto van de Leefomgeving dat belangrijke speerpunten uit het Mobiliteitsplan zijn: het verminderen van afhankelijkheid van de auto en het verbeteren van openbaar vervoer. Het had voor de hand gelegen om in het MER (in de alternatieven) te onderzoeken op welke wijze kan worden bijgedragen aan deze speerpunten. Daarnaast is de vaststelling van stringente parkeernormen belangrijk voor het behalen van het speerpunt ‘verminderen van afhankelijkheid van de auto’. In de Foto van de Leefomgeving staat (behalve twee situatietekeningen) niets vermeld over openbaar vervoer. Juist omdat wordt aangegeven dat het plangebied kan worden aangemerkt als snelweglocatie is informatie over de afstand tot, en het feitelijk gebruik van, openbaar vervoer wel zeer relevant. In de alternatieven wordt ook niet ingegaan op het aspect openbaar vervoer. Alleen ten aanzien van het Raamwerk Oeverpark vermeldt het MER dat er kans is op het verlagen van de afstand tot het openbaar vervoer door OV-hubs bij Bolnes en de Schans.
Met uitzondering van de nieuwe fietsverbindingen in het Raamwerk Oeverpark, geeft het MER geen informatie over het bevorderen van fietsgebruik. Comfort, veiligheid en snelheid 10 spelen een zeer belangrijke rol bij het bevorderen van fietsgebruik voor dagelijks vervoer.
10
Denk daarbij ook aan doorstroming bij (verkeersgeregelde) kruispunten.
-8-
Het gaat daarbij om het type fietsroute (vrijliggend of niet), de breedte, het materiaalgebruik, de ruimte die de fiets krijgt bij verkeerslichtenregelingen en dergelijke. De Commissie beveelt aan om bij nadere uitwerking van de visie de samenhang tussen alle bovengenoemde aspecten (beperking autogebruik, bevordering OV en fiets) te analyseren en verder uit te werken tot concrete uitgangspunten en maatregelen en met als doel, de beste uitkomst voor de fysieke omgeving en het milieu. Deze uitwerking van het mobiliteitsplan kan als bouwsteen dienen voor (het) omgevingsplan(nen) en zodoende ook de particuliere bouwinitiatieven in goede banen leiden. De Commissie beschouwt het ontbreken van bovenstaande informatie niet als een essentiële tekortkoming van het MER, aangezien er in het vervolgproces voldoende mogelijkheden zijn om de ambities voor mobiliteit uit te werken. Omdat het verkeer gaat toenemen als gevolg van de ontwikkelingen is zij wel van mening dat dit een cruciaal onderdeel moet zijn van de verdere planvorming.
Duurzame energie en circulariteit Hoewel uit de foto van de leefomgeving blijkt dat de gemeente duurzaamheid en circulariteit belangrijk vindt, komt concretisering hiervan in de alternatieven en het VKA niet terug. De mogelijkheden voor energieopwekking in het plangebied (bijvoorbeeld zonnepanelen op woningen, restwarmte uit bedrijven) en circulair bouwen zijn nog niet onderzocht. De Commissie beveelt aan om bij de nadere uitwerking van de visie, bijvoorbeeld in een omgevingsplan, aandacht te besteden aan kansen (randvoorwaarden en stimuleringsmogelijkheden) voor duurzame energie en circulariteit.
Gezondheid In aanvulling op paragraaf 2.1 van dit advies benadrukt de Commissie dat de gebiedsvisie – en dan met name het Oeverpark Rivieroevers – kansen biedt voor gezondheidsbevordering voor alle Ridderkerkers, vanwege het voornemen om de rivier toegankelijk te maken. Van belang daarbij is om niet alleen te zorgen voor toegankelijkheid, maar ook te letten op de kwaliteit van de omgeving. De Commissie beveelt aan de kansen verder uit te werken, bijvoorbeeld in samenhang met de uitwerking van de kwaliteit van de openbare ruimte, groen en natuur (zie paragraaf 3.1 van dit advies) en deze bijvoorbeeld inzichtelijk te maken in het omgevingsplan voor het gebied. De aandacht voor de invloed van de milieukwaliteit in het plangebied voor de gezondheid van de toekomstige bewoners van de woningbouwlocaties in dit MER is beperkt. De milieudruk in het plangebied is momenteel relevant voor de gezondheid, zo blijkt uit de Foto van de Leefomgeving. Het plan maakt dit weliswaar niet (veel) slechter, maar dat leidt nog niet tot een gezonde leefomgeving. De Commissie beveelt aan om bij de nadere uitwerking van de visie, bijvoorbeeld in een omgevingsplan, aandacht te besteden aan het thema gezondheidsbescherming.
Bijvoorbeeld door ontwerp en inrichting van de ontwikkelgebieden te optimaliseren ten opzichte van de huidige omstandigheden en gelijktijdig, waar nodig, aanvullende voorwaarden te stellen aan de gebouwen. Denk hierbij bijvoorbeeld voor woningen op geluidbelaste locaties aan het realiseren van een stille, aangename zijde in
-9-
combinatie met het voorschrijven van extra geluidsisolatie ten behoeve van een acceptabel geluidsniveau binnenshuis.
-10-
BIJLAGE 1: Projectgegevens toetsing Toetsing door de Commissie De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep beoordeelt of het MER de benodigde milieu-informatie bevat en of deze juist is. Als er informatie ontbreekt of onjuist is, beoordeelt de Commissie of zij die essentieel vindt. Dat is het geval als aanvullende informatie in haar ogen kan leiden tot andere afwegingen. Dan adviseert de Commissie de ontbrekende of gecorrigeerde informatie alsnog beschikbaar te stellen, voordat het besluit wordt genomen. Om zich goed op de hoogte te stellen van de situatie heeft de werkgroep het gebied bezocht waar milieugevolgen kunnen optreden. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website. Samenstelling van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit: Ruwan Aluvihare BA. MDip LA dr. ir. Marieke Dijkema mr. Lotte Geense (secretaris) drs. Allard van Leerdam drs. Marieke van Rhijn (voorzitter) Besluit waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld Gebiedsvisie. Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld? Voor activiteiten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan een MER vereist zijn. De bijlagen C en D bij het Besluit milieueffectrapportage geven aan om welke activiteiten het gaat. Voor deze procedure gaat het in ieder geval om de activiteit D11.2, “stedelijk ontwikkelingsproject”.
Een MER is ook nodig omdat effecten op Natura 2000-gebieden optreden die in een Passende beoordeling moeten worden beschreven. Daarom is een plan-MER opgesteld. Bevoegd gezag besluit Gemeenteraad van Ridderkerk. Initiatiefnemer besluit College van burgemeester en wethouders Ridderkerk. Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken? Het bevoegd gezag heeft de Commissie niet in de gelegenheid gesteld om zienswijzen en adviezen bij haar advies te betrekken. Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft beoordeeld? U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3560 in te vullen in het zoekvak.