CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Ecologisch onderzoek.pdf

Gemeenteraad RK 23 mei 2024, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 9: Verklaring van geen bedenkingen ruimtelijke onderbouwing Quooker vestiging bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard9.463 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAPPORTAGE Quickscan natuurwaarden Bieslookweg Ridderkerk

Rapport quickscan natuurwaarden Bieslookweg, Ridderkerk Opdrachtgever

Lois Advies Keizersveld 54A 5803 AN Venray

Rapportnummer

21443.004

Versienummer

D2

Status

Definitief

Datum

23 februari 2024

Opsteller1 Kwaliteitscontrole

1

Vrijgave In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven.

KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NENEN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet en NEN normen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers, door de publicerende instantie, verwijderd dan wel zwart gelakt te worden. GELDIGHEID ONDERZOEK In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING .............................................................................................................................. 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................................ 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen .................................. 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ......................................................................................................................... 5

4

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .............................................................. 6 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7

5

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ................................................................................................ 13 5.1 5.2 5.3 5.4

6

Vogels ............................................................................................................................................. 6 Vleermuizen ................................................................................................................................... 8 Overige zoogdieren ........................................................................................................................ 9 Reptielen, amfibieën en vissen .................................................................................................... 10 Ongewervelden ............................................................................................................................ 11 Planten ......................................................................................................................................... 12 Specifieke zorgplicht .................................................................................................................... 12

Broedvogels .................................................................................................................................. 13 Vleermuizen ................................................................................................................................. 13 Algemene amfibieën .................................................................................................................... 14 Overige soort(groep)en ................................................................................................................ 14

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ............................................................................................... 15 6.1 6.2

Natura 2000 ................................................................................................................................. 15 Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................................... 16

7

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................................... 17

8

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................................................ 18

Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

Natuurwetgeving en doelen Natura 2000 Natuurwetgeving en doelen Natuurnetwerk Nederland Omgevingswet

21443.004

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Lois Advies opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan natuurwaarden aan de Bieslookweg te Ridderkerk. De quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie en naar aanleiding van de verlopen quickscan flora & fauna die Oranjewoud in 2012 heeft opgesteld (rapport 241811, revisie 02, d.d. september 2012). Tevens zijn er twee aanvullende onderzoeken naar vogels en vleermuizen uitgevoerd door, respectievelijk, Oranjewoud en Ecoresult in 2012 (Vogelonderzoek Nieuw Reijerwaard, rapport 241811, revisie 01, d.d. 26 november 2012; Vleermuisonderzoek Plangebied Nieuw Reijerwaard, rapport 20121015, versie 0.2, d.d. 5 november 2012). De quickscan natuurwaarden heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Omgevingswet zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen.

21443.004 versie D2

1 / 19

2

GEBIEDSBESCHRIJVING

2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving De onderzoekslocatie (± 9,5 ha) ligt aan de Bieslookweg te Ridderkerk. In figuur 2.1 is de onderzoekslocatie weergegeven.

Figuur 2.1 Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie betreft een braakliggend terrein in de gemeente Ridderkerk. Ten tijde van het veldbezoek werd gewerkt op het terrein. Op het noordoostelijke deel van het terrein is zand gestort. Op zuidwestelijke deel is geringe begroeiing aanwezig in de vorm van gras en dit deel van het terrein is grotendeels onderwater gelopen. Ten noordwesten van het plangebied is een brede watergang aanwezig. Deze watergang heeft aan weerzijden beschoeide oevers en er is een groot aarde depot ingestort. Het water kan voor een deel nog doorstromen. Op de onderzoekslocatie, aan de noordwestzijde, is daarnaast ook een smalle ondiepe watergang aanwezig van circa één meter breed. Ten zuidoosten van de onderzoekslocatie is een bomenrij van jonge bomen aanwezig. Ten noordwesten en ten oosten van het plangebied zijn groepen hoge bomen aanwezig.

21443.004 versie D2

2 / 19

Ten noordwesten en noordoosten van de onderzoekslocatie lopen, respectievelijk, de snelwegen A15 en A16. Het terrein rondom de onderzoekslocatie is onderdeel van het toekomstige bedrijventerrein ‘Nieuw Reijerwaard’. In figuur 2.2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. Figuur 2.3 t/m figuur 2.8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

Figuur 2.2 Luchtfoto en de directe omgeving van de onderzoekslocatie.

Figuur 2.3 Impressie van de onderzoekslocatie (kijkrichting: west).

21443.004 versie D2

Figuur 2.4 Impressie van de onderzoekslocatie (kijkrichting: noord).

Figuur 2.5 Impressie van de onderzoekslocatie (kijkrichting: noordwest).

3 / 19

Figuur 2.6 Watergang ten noordwesten van de onderzoekslocatie (kijkrichting: zuidwest).

Figuur 2.7 Smalle watergang op de onderzoekslocatie (kijkrichting: oost).

Figuur 2.8 Ondiepe poelen op de onderzoekslocatie (kijkrichting: zuidwest).

2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen De initiatiefnemer is voornemens op de onderzoekslocatie een distributiecentrum voor Quooker te realiseren. De brede watergang ten noordwesten van de onderzoekslocatie zal niet worden aangetast. De smalle watergang op de onderzoekslocatie wordt naar alle waarschijnlijkheid verwijderd.

21443.004 versie D2

4 / 19

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een bureauonderzoek en een veldbezoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 12 februari 2024. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Zuid-Holland opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan natuurwaarden is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

21443.004 versie D2

5 / 19

4

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat/verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 5 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft.

4.1 Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd) Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soorten waargenomen: huismus, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, roek, kerkuil, ooievaar, slechtvalk, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer, wespendief en zwarte wouw. De huismus broedt in los kolonieverband, veelal in of op menselijke bebouwing. Nesten worden over het algemeen onder dakpannen, in gaten en kieren van (oude) gebouwen en achter dakgoten gemaakt. Daarbij wordt vaak de ruimte onder de eerste rij dakpannen achter de dakgoot geprefereerd. Het functionele leefgebied van de huismus bestaat uit verschillende elementen die in een straal van 100 á 200 meter rondom het nest aanwezig dienen te zijn. Jaarrond groene hagen, gevelbegroeiing of grote struiken zijn essentieel om als dekking te functioneren voor uitvliegende jongen. Daarnaast voorzien zij in voedsel en functioneren als collectieve sociale- en winterverblijfplaats voor huismussen. De gierzwaluw is in Nederland voor het maken van een nest vrijwel compleet afhankelijk van menselijke bebouwing.

Nesten worden veelal in kleine ruimtes achter dakgoten en regenpijpen, onder kant- en nokpannen alsmede in gaten en kieren in muren gebouwd. De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd, waardoor het voorkomen van nestlocaties van deze twee soorten op voorhand kan worden uitgesloten. Tevens zijn er geen geschikte gebouwen in de direct omgeving aanwezig. Verder is er ook geen functioneel leefgebied van de huismus aanwezig. Nader onderzoek naar de gierzwaluw en de huismus wordt niet noodzakelijk geacht. De grote gele kwikstaart broedt en foerageert vrijwel uitsluitend aan de oevers van beken en rivieren, liefst met loofbos of loofbomen omzoomd. Bij voorkeur zijn deze beken en rivieren snelstromend. De grote gele kwikstaart nestelt graag vlak bij stromend water in een nis in een muur, onder een brug of bij boomwortels in oevers. De onderzoekslocatie vormt geen geschikt habitat voor de grote gele kwikstaart door het ontbreken van snelstromende waterlichamen en plekken om te foerageren. Deze soort broedt voornamelijk in het (zuid)oosten van Nederland. De aanwezige watergang ten noordwesten van de onderzoekslocatie worden ongeschikt geacht om te functioneren als nestlocatie voor de grote gele kwikstaart door de beschoeide oevers.

21443.004 versie D2

6 / 19

Nader onderzoek naar de grote gele kwikstaart als broedvogel op de onderzoeklocatie wordt niet nodig geacht. De roek komt voor in een habitat met vrijstaande, hoge groepen bomen langs snelwegen, treinsporen, kanalen of dorpen. In de buurt van nesten bevinden zich graslanden waar deze soort kan foerageren. De roek broedt in opvallende kolonies met grote nesten. De slordige nesten worden in de toppen van hoge bomen gebouwd. Het voorkomen van de roek op de onderzoekslocatie kan op voorhand worden uitgesloten door de afwezigheid van hoge bomen in het plangebied. In de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn ook geen groepen nesten waargenomen, wat kan duiden op de aanwezigheid van een roekenkolonie. Nader onderzoek naar de roek wordt niet noodzakelijk geacht. De kerkuil komt voornamelijk voor in (half)open cultuurlandschappen en is sterk gebonden aan gras- en bouwland afgewisseld met akkerranden of houtwallen. Deze soort broedt vooral in de hoge, donkere en tochtvrije delen van boerenschuren, kerken, kastelen en torens. De kerkuil broedt tegenwoordig in ongeveer 90 procent van de gevallen in nestkasten die in deze gebouwen zijn geplaatst. Bij uitzondering broedt de kerkuil ook nog wel eens in een holle boom. Het leefgebied van de kerkuil is van belang voor een functionele nestplaats.

Het leefgebied bestaat uit vaste rust- en winterverblijfplaatsen (veelal rondom de nestlocatie) en foerageergebied. De onderzoekslocatie en de omliggende bebouwde omgeving zijn niet geschikt als leef- en foerageergebied voor de kerkuil. Tevens is de onderzoekslocatie vrij van potentiële nestlocaties voor de kerkuil. Het voorkomen van een nest- of roestplek in het plangebied kan op voorhand worden uitgeschoten. Nader onderzoek naar de kerkuil wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. De ooievaar komt voor in extensief beheerde weilanden in veenweidegebieden en uiterwaarden met een hoge waterstand. Deze soort broedt op hoge plekken zoals telefoonpalen, bomen, schoorstenen, kerktorens, hoogspanningsmasten of door de mens gemaakte palen met houten platform. Geschikte nestlocaties zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het voorkomen van een broedgeval van de ooievaar in het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek naar de ooievaar wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. De slechtvalk broedt voornamelijk op hoge, massale stenige bebouwing, zoals kantoorgebouwen, torens en fabrieksschoorstenen. Dit habitat is niet aanwezig op de onderzoekslocatie, waardoor redelijkerwijs kan worden uitgesloten dat er een nestlocatie van de slechtvalk aanwezig is. Nader onderzoek naar deze soort wordt niet noodzakelijk geacht.

De boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer, wespendief en zwarte wouw soorten zijn soorten die broeden in bossen of half open landschappen waar zij gebruik maken van zelfgemaakte nesten of nesten hergebruiken van andere vogelsoorten in hoge boomtoppen. De onderzoekslocatie is vrij van hoge bomen waarin nesten van de bovengenoemde soorten aanwezig zouden kunnen zijn. Tevens is de onderzoekslocatie marginaal geschikt als foerageergebied voor de boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer, wespendief en zwarte wouw vanwege de lage aanwezigheid van ruigte waarin prooidieren zich kunnen bevinden. De bomenrij aan de zuidoostzijde van het plangebied zijn jonge bomen aanwezig. Deze zijn niet van voldoende grootte om als broedlocatie voor roofvogels te dienen. De bomen ten noorden en ten oosten van de onderzoekslocatie, zijn in potentie geschikt als nestlocatie voor deze roofvogels. Deze bomen bevinden zich echter langs de snelweg A15 en

21443.004 versie D2

7 / 19

A16, waardoor er veel menselijke verstoring aanwezig is. Daarnaast zijn er geen grote nesten waargenomen tijdens het veldbezoek die mogelijk in gebruik genomen kunnen worden door de boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer, wespendief en/of zwarte wouw. Nader onderzoek naar deze soorten wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. Situatie afhankelijk jaarrond beschermde nesten De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding op dit punt te voorkomen (zie hoofdstuk 5). Overige broedvogels De onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten die hun nest op kale grond maken. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningsplichtig geval zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 5).

4.2 Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens en de verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis, watervleermuis en rosse vleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie Bij verblijfplaatsen van vleermuizen is onderscheid te maken tussen een zomerverblijf, kraamverblijf, paar/baltsverblijf (die ook als individueel winterverblijfplaats gebruikt kunnen worden) en massawinterverblijf. Deze functies worden mede bepaald door specifieke kenmerken van bebouwing op de onderzoekslocatie. Deze verblijfplaatsen kunnen door diverse vleermuissoorten worden gebruikt. De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd, waardoor uitgesloten kan worden dat er verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen aanwezig zijn. Tevens bevindt zich een bomenrij van jonge bomen met een diameter van maximaal 20 centimeter aan de zuidoostzijde van het plangebied. Deze bomen zijn niet geschikt als verblijfplaats voor boombewonende soorten, vanwege de afwezigheid van loshangend schors en holtes. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van vleermuizen is niet aan de orde.

Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden.

21443.004 versie D2

8 / 19

Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft de agrarische percelen ten zuiden van de onderzoekslocatie. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van omliggende foerageergebieden behouden kunnen worden en zal schade aan overvliegende individuen worden voorkomen. Deze maatregelen betreffen het gebruik van vleermuisvriendelijke verlichting tijdens de realisatie- en gebruiksfase (zie hoofdstuk 5). Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord.

4.3 Overige zoogdieren Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bever en steenmarter. De bever komt voor in gebieden met water en aangrenzende bosgebieden. De soort heeft een voorkeur voor riviervalleien met veel uiterwaarden, begroeid met zacht hout, en houdt zich voornamelijk op langs de trager stromende delen van de rivier. Tevens komt de bever voor in en langs meren, beken, poelen, en moerassen. De soort verblijft in een aan water gebonden burcht. De onderzoekslocatie beschikt niet over geschikt habitat voor deze soort. Tevens zijn er geen sporen van de bever aangetroffen in het plangebied. Nader onderzoek naar de bever wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. De steenmarter gebruikt hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes maar ook stenenstapels of takkenhopen, als verblijfplaats. De onderzoekslocatie vormt geen geschikt habitat voor de steenmarter, vanwege de afwezigheid van geschikte verblijfplaatsen op en rondom het plangebied.

Tevens zijn er geen elementen aanwezig op de onderzoekslocatie wat deze soort dekking kan bieden tijdens het foerageren en migreren. Nader onderzoek naar deze marterachtige wordt niet noodzakelijk geacht.

21443.004 versie D2

9 / 19

Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt marginaal habitat voor een algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren. Er wordt niet verwacht dat er verblijfplaatsen van algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren voorkomen op het plangebied.

4.4 Reptielen, amfibieën en vissen Reptielen Volgens gegevens van de NDFF is er in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de streng beschermde muurhagedis waargenomen. De muurhagedis komt oorspronkelijk voor op warme, stenige plekken, zoals rotswanden. Met de bouw van stadsmuren kreeg de soort ook de gelegenheid om zich op muren te vestigen en nog recenter kwamen daar spoortrajecten bij. De muurhagedis komt in ons land uitsluitend in Maastricht voor. Het voorkomen van deze soort op de onderzoekslocatie kan op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek naar de muurhagedis wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soorten waargenomen: kamsalamander en Alpenwatersalamander. De kamsalamander komt voor in kleinschalige landschappen met bospercelen, heggen, en struwelen in de buurt van water en handhaaft zich slecht in een te gecultiveerde omgeving. De soort komt zelden in akkerbouwgebieden voor. De kamsalamander komt relatief veel voor langs de grote rivieren, in beekdalen en op landgoederen. De soort leeft in een verscheidenheid aan typen visvrije wateren. Op de zandgronden en in beekdalen leeft de soort in poelen, vijvers, matig voedselrijke (mesotrofe) vennen en in leemputten.

De onderzoekslocatie vormt geen geschikt habitat voor deze soort, vanwege de afwezigheid van grote rivieren en beekdalen. Tevens betreffen de onderzoekslocatie en de directe omgeving voornamelijk (voorheen) akkerbouwgebieden; een habitat waar deze soort maar zelden voorkomt. Nader onderzoek naar de kamsalamander wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. De Alpenwatersalamander komt vooral voor in beschaduwde wateren die vrij zijn van vissen en in helder, stilstaand tot langzaam stromend water. Deze soort overwintert op het land of in de modderlaag op de bodem van het water. De smalle watergang op de onderzoekslocatie is niet geschikt als leefgebied en voortplantingsbiotoop voor de Alpenwatersalamander. De watergang is van geringe diepte en het water betreft geen helder water. Tevens zijn er geen potentiële overwinteringslocaties, zoals boomstronken, holletjes of stenenstapels, aanwezig, waardoor het plangebied niet geschikt als overwinteringsbiotoop voor deze soort. Tot slot zijn slechts twee waarnemingen van de Alpenwatersalamander bekend in de omgeving van de onderzoekslocatie. Deze waarnemingen liggen op 2,7 kilometer afstand van het terrein. Tussen het plangebied en de waarnemingen lopen de snelweg A15 en een treinspoor.

Door de infrastructuur die tussen deze waarneming en de onderzoekslocatie ligt, in combinatie met het niet geschikt zijn van de onderzoekslocatie, is het niet aannemelijk dat deze soort op de onderzoekslocatie voorkomt. Nader onderzoek naar de Alpenwatersalamander wordt niet noodzakelijk geacht.

21443.004 versie D2

10 / 19

Voor de te verwachten algemene soorten geldt op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de Omgevingswet, waardoor een vergunning bij verstoring niet noodzakelijk is. Echter wanneer er onverhoopt toch werkzaamheden aan de watergangen plaatsvinden is het wel zaak om aandacht te schenken aan de zorgplicht (zie hoofdstuk 5). Vissen Volgens gegevens van de NDFF is binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de streng beschermde grote modderkruiper waargenomen. De grote modderkruiper komt voor in ondiepe wateren met een dikke modderlaag en een uitbundige waterplantengroei. De soort heeft een voorkeur voor verlandende wateren in laag dynamische overstromingsvlakten en moerasgebieden. In Nederland ligt een aanzienlijk deel van het leefgebied in de sloten van ingepolderde voormalige overstromingsvlakten. De smalle watergang op de onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor deze soort. In 2021 is door ecologisch adviesbureau E.C.O. Logisch een aanvullend onderzoek naar het voorkomen van de grote modderkruiper op de onderzoekslocatie uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat deze beschermde vissensoort voorkomt in het plangebied. Naar aanleiding hiervan is een ontheffing op de Wet natuurbescherming verleend door Omgevingsdienst ZuidHolland Zuid (zaaknummer Z-20-371602, d.d. 29 april 2022).

Onder ecologische begeleiding door E.C.O. Logisch in 2022 zijn 99 grote modderkruipers weggevangen en uitgezet in een compensatie gebied (rapport NREC2106, d.d. 15 april 2022). Nader onderzoek naar de grote modderkruiper aan de hand van onderhavige quickscan is derhalve niet noodzakelijk.

4.5 Ongewervelden Libellen Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar geen streng beschermde libellen waargenomen. Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Omgevingswet een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan specifieke waardplanten. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF waarnemingen bekend van de teunisbloempijlstaart, grote vos, grote weerschijnvlinder en iepenpage. De onderzoekslocatie betreft een braakliggend terrein waar voortdurend grond depots worden gedistribueerd. Waardplanten van deze beschermde vlindersoorten zijn in het plangebied niet aangetroffen. Populaties van de teunisbloempijlstaart, grote vos, grote weerschijnvlinder en iepenpage worden op de onderzoekslocatie niet verwacht. Nader onderzoek naar deze soorten wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.

Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft, vermiljoenkever en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op

21443.004 versie D2

11 / 19

de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.

4.6 Planten De onderzoekslocatie bestaat uit gras. De bodem op de onderzoekslocatie bestaat uit lichte klei en is kalkrijk. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn de volgende streng beschermde planten waargenomen: de schubvaren, knolspirea en stijve wolfsmelk. De schubvaren groeit voornamelijk op oude muren, rotsen, spleten van stenen constructies en kalkstenen muurtjes langs begraafplaatsen en wegen. Knolspirea groeit op kalkhoudende, stikstofarme grond. Stijve wolfsmelk groeit op vochtige en weinig tot niet-bemeste grond. De onderzoekslocatie beschikt niet over de juiste bodemcondities om als groeiplaats voor de schubvaren, knolspirea en stijve wolfsmelk te dienen. Tevens zijn de meeste beschermde plantensoorten en de daarbij horende specifieke groeiomstandigheden zeldzaam te noemen en worden op de onderzoekslocatie onwaarschijnlijk geacht. Nader onderzoek naar deze beschermde plantensoorten wordt niet noodzakelijk geacht.

4.7 Specifieke zorgplicht Onder de specifieke zorgplicht vallen de in Nederland in het wild levende vogelsoorten, genoemd in bijlage I van de Vogelrichtlijn, en niet in de bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van de Vogelrichtlijn. Verder vallen hieronder de soorten uit bijlagen II, IV en V van de Habitatrichtlijn en dier- en plantensoorten genoemd in de Rode Lijsten. Een Rode Lijst is een overzicht van levende soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Dit wordt bepaald op basis van zeldzaamheid en/of negatieve trend. De lijsten worden periodiek vastgesteld door de Minister van Economische Zaken. De dier- en plantensoorten zijn onderverdeeld in categorieën. Naast vogels zijn er ook lijsten voor bijen, dagvlinders, haften, kokerjuffers, sprinkhanen, krekels, korstmossen, landen zoetwaterweekdieren, libellen, mossen, paddenstoelen, platwormen, sprinkhanen en krekels, steenvliegen, vissen en zoogdieren. Volgens de actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) zijn er enkele Rode Lijst soorten in de afgelopen 3 jaar waargenomen: bruin blauwtje, oranje zandoogje, watersnip, tureluur, veldleeuwerik, kramsvogel, wintertaling en slobeend.

Door te voldoen aan de algemene zorgplicht kan worden vastgesteld dat nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dier- en plantensoorten die zijn opgenomen in de Rode Lijst.

21443.004 versie D2

12 / 19

5

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er schadelijke handelingen optreden die leiden tot een vergunningsplichtig geval. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Omgevingswet en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Omgevingswet op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.

5.1 Broedvogels Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien nestgelegenheden buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 11.37 (bal) (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Omgevingswet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien de werkzaamheden toch binnen het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om de werkzaamheden binnen het broedseizoen uit te voeren zonder daarbij broedvogels te verstoren.

5.2 Vleermuizen De onderzoekslocatie is niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Gelet op de geschiktheid als foerageergebied van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal door het treffen van maatregelen de functionaliteit van omliggende foerageergebieden behouden kunnen worden en zal schade aan overvliegende individuen worden voorkomen. Deze maatregelen betreffen het gebruik van vleermuisvriendelijke verlichting tijdens de realisatie- en gebruiksfase. Vleermuisvriendelijke verlichting is amberkleurig (1700 – 2200K) met omlaag staande armaturen. Op deze manier wordt strooilicht en hiermee verstoring van deze lichtgevoelige soortgroep voorkomen. Hierdoor zal de functionaliteit van de nabije omgeving van het plangebied behouden blijven tijdens en na de voorgenomen ingreep.

21443.004 versie D2

13 / 19

5.3 Algemene amfibieën Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 11.54 (bal). Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen.

5.4 Overige soort(groep)en Overtredingen van de Omgevingswet ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

21443.004 versie D2

14 / 19

6

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Omgevingswet aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.

6.1 Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, de Oude Maas en Boezems Kinderdijk, bevinden zich op circa 4,3 kilometer afstand ten zuiden en ten oosten van de onderzoekslocatie (zie figuur 6.1). Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, de Biesbosch, bevindt zich op circa 13,7 kilometer ten zuidoosten van de onderzoekslocatie (zie figuur 6.1).

Figuur 6.1 Ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000-gebieden.

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, trilling, licht of depositie van stikstof. Externe effecten

21443.004 versie D2

15 / 19

als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 13,7 km) tot het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied in combinatie met de aard van de plannen niet te verwachten. Vervolgonderzoek met betrekking tot Natura 2000-gebieden wordt niet noodzakelijk geacht.

6.2 Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 2,2 kilometer afstand ten noordoosten van de onderzoekslocatie. In figuur 6.2 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Figuur 6.2 Ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.

Gelet op artikel 6.24 van de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland uit 2019 worden beperkingen opgelegd vanuit het kader van het Natuurnetwerk Nederland wanneer deze gelegen zijn in het Natuurnetwerk Nederland, of deel uitmaken van de strategische reservering van natuur. Beide vereisten zijn niet van toepassing op de onderhavige onderzoekslocatie. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.

21443.004 versie D2

16 / 19

7

HOUTOPSTANDEN

In art. 11.112 zijn de oogmerken opgenomen voor de activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten. De oogmerken met betrekking tot vellen en herplanten van houtopstanden hebben betrekking op de natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland en het beschermen van landschappelijke waarden. De Omgevingswet beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Wegens het ontbreken van bomen op de onderzoekslocatie, kan het onderdeel houtopstanden als bedoeld in artikel 11.111 (Bal) buiten beschouwing worden gelaten. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.

21443.004 versie D2

17 / 19

8

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van Lois Advies een quickscan natuurwaarden uitgevoerd aan de Bieslookweg te Ridderkerk. De quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie en naar aanleiding van de verlopen quickscan flora & fauna die Oranjewoud in 2012 heeft opgesteld (rapport 241811, revisie 02, d.d. september 2012). Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens op de onderzoekslocatie een distributiecentrum voor Quooker te realiseren. De brede watergang ten noordwesten van de onderzoekslocatie zal niet worden aangetast. De smalle watergang op de onderzoekslocatie wordt naar alle waarschijnlijkheid verwijderd. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 8.1. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten.

In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Omgevingswet voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 8.1

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen.

Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Omgevingsvergunning

Bijzonderheden / opmerkingen*

algemeen

ja

ja

nee

nee

het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren

jaarrond beschermd

nee

nee

nee

nee

-

verblijfplaatsen

nee

nee

nee

nee

-

foerageergebied

ja

mogelijk

nee

nee

voldoende alternatief in de omgeving beschikbaar en gebruik vleermuisvriendelijke verlichting

vliegroutes

nee

nee

nee

nee

-

Grondgebonden zoogdieren

nee

nee

nee

nee

-

Amfibieën

minimaal

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemeen voorkomende amfibieën

Reptielen

nee

nee

nee

nee

-

Vissen

nee

nee

nee

nee

-

Broedvogels

Vleermuizen

21443.004 versie D2

18 / 19

Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Omgevingsvergunning

Bijzonderheden / opmerkingen*

Libellen en vlinders

nee

nee

nee

nee

-

Overige ongewervelden

nee

nee

nee

nee

-

Vaatplanten

nee

nee

nee

nee

-

Gebiedsbescherming

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

Natura 2000

13,7 km

nee

nee

nee

-

Natuurnetwerk Nederland

2,2 km

nee

nee

nee

-

Houtopstanden

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

-

* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.

Conclusie Voor de algemene broedvogelsoorten die in de omgeving van de onderzoekslocaties zijn te verwachten geldt dat, indien het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. In de Omgevingswet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Ten aanzien van mogelijk foeragerende en overvliegende vleermuizen op en nabij de onderzoekslocatie en mogelijk verblijvende vleermuizen in de directe omgeving, wordt geadviseerd om te werken met vleermuisvriendelijke verlichting tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie. Met name in het actieve vleermuisseizoen (1 april t/m 30 oktober) dient hier rekening mee te worden gehouden bij werkzaamheden tussen zonsondergang en zonsopkomst. Met betrekking tot algemeen voorkomende amfibieën dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht waarbij al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het beschadigen van individuen te voorkomen.

Econsultancy Rotterdam, 23 februari 2024

21443.004 versie D2

19 / 19

GERAADPLEEGDE BRONNEN Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 23 februari 2024 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied 3 km, periode 2018-2024. NDFF. Geraadpleegd op 23 februari 2024 van https://ndff-ecogrid.nl. Ravon (z.d.). Soorten. Geraadpleegd op 23 februari 2024 van https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 23 februari 2024 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 23 februari 2024 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol. Vlinderstichting (z.d.) Vlinders. Geraadpleegd op 23 februari 2024 van https://www.vlinderstichting.nl/vlinders Vogelbescherming (z.d.). Vogelgids. Geraadpleegd op 23 februari 2024 van https://www.vogelbescherming.nl/ Zoogdiervereniging (z.d.) Zoogdiersoorten. Geraadpleegd op 23 februari 2024 van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten

Provinciale bronnen Provinciale staten van Zuid-Holland (2019). Verordening (PZH-2019-677696264) houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingsverordening Zuid Holland). Geraadpleegd op 23 februari 2024 van https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR622914/2.

BIJLAGE 1 NATUURWETGEVING EN DOELEN NATURA 2000 Natuurwetgeving Natura 2000 Deze bijlage geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Deze bijlage is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende, en per 1-1-2024 geldende, wetgeving. Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten op Natura 2000. Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 162 Natura 2000gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn.

Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied (artikel 2.7, lid 2 Wnb. en per 1-1-2024 artikel 5.1, lid 1, sub e Ow, zie H 6.1 Omgevingswet). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door het bevoegd gezag. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen).

Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.

Doelen Natura 2000 Voor ieder Natura 2000-gebied geldt dat deze een specifiek internationaal belang heeft voor bepaalde soorten en/of habitattypen. Op grond van de staat van instandhouding en het relatief belang van soorten en habitattypen zijn de belangrijkste verbeteropgaven en doelen op landelijk niveau vastgesteld. Deze landelijke doelen vormen de kaders voor de formulering van instandhoudingdoelen op gebiedsniveau. Algemene doelen zijn behoud en indien van toepassing herstel van: • •

• •

De bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie; De bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; De natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; De op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

BIJLAGE 2 NATUURWETGEVING en doelen Natuurnetwerk Nederland Natuurwetgeving Natuurnetwerk Nederland Deze bijlage geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie is getoetst. Deze bijlage is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende, en per 1-1-2024 geldende, wetgeving. Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden.

Volgens de huidig geldende wetgeving, conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland gaan tot op heden via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Per 1 januari 2024 staan de bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen in de omgevingsverordening, aangewezen door de provincie Noord-Holland (artikel 2.44, lid 4 en 5 Ow en artikel 7.6, lid 1 Bkl, zie H 6.1 Omgevingswet). Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken. De omgevingscondities zullen ten opzichte van de oorspronkelijke situatie mogelijk veranderen. Dit zal middels een zogenaamde nee, tenzij-toets moeten worden onderzocht. Ingrepen die de natuur significant aantasten, mogen niet worden toegestaan in het bestemmingsplan (“nee”), tenzij ze een groot openbaar belang dienen én er geen alternatieven zijn buiten de natuur.

Als het toegestaan is, is natuurcompensatie verplicht (op een andere plek moet dan nieuwe natuur komen).

Doelen Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is gericht op de volgende algemene doelen: • Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; • Het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; • Het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

BIJLAGE 3 OMGEVINGSWET Omgevingswet AFDELING 2.6 BIJZONDERE TAKEN EN BEVOEGDHEDEN § 2.6.3 Bijzondere bevoegdheden natuur en landschap Artikel 2.44 (aanwijzing natuurgebieden en landschappen) 1. Onze Minister voor Natuur en Stikstof wijst ter uitvoering van de vogelrichtlijn of de habitatrichtlijn Natura 2000-gebieden aan en stelt daarbij instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden vast. 2. Onze Minister voor Natuur en Stikstof kan ter uitvoering van de vogelrichtlijn of de habitatrichtlijn bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen en instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden vaststellen. 3. Onze Minister voor Natuur en Stikstof kan nationale parken aanwijzen. 4. Bij omgevingsverordening worden de gebieden aangewezen die behoren tot het natuurnetwerk Nederland. 5. Bij omgevingsverordening kunnen gebieden, met uitzondering van Natura 2000- gebieden of gebieden als bedoeld in het vierde lid, worden aangewezen als bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. AFDELING 5.1 DE OMGEVINGSVERGUNNING § 5.1.1 Verbodsbepalingen Artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet) (In de Wet natuurbescherming artikel 2.7) 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een afwijkomgevingsplanactiviteit, b. een rijksmonumentenactiviteit, c. een ontgrondingsactiviteit, d.

een stortingsactiviteit op zee, e. een Natura 2000-activiteit, f. een jachtgeweeractiviteit, g. een valkeniersactiviteit, tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een bouwactiviteit, b. een milieubelastende activiteit, c. een lozingsactiviteit op: 1°. een oppervlaktewaterlichaam, 2°. een zuiveringtechnisch werk, d. een wateronttrekkingsactiviteit, e. een mijnbouwlocatieactiviteit, f. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot: 1°. een weg,

h.

2°. een waterstaatswerk, 3°. een luchthaven, 4°. een hoofdspoorweg, lokale spoorweg of bijzondere spoorweg, 5°. een installatie in een waterstaatswerk, een flora- en fauna-activiteit, voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.

§ 5.1.2 Reikwijdte aanvraag omgevingsvergunning en aanwijzing bevoegd gezag Artikel 5.7 (aanvraag los of gelijktijdig) 1. Een aanvraag om een omgevingsvergunning kan naar keuze van de aanvrager op een of meer activiteiten betrekking hebben. 2. Met het oog op een doelmatig waterbeheer wordt een omgevingsvergunning voor wateractiviteiten, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten als bedoeld in de artikelen 5.1 en 5.4. 3. Een omgevingsvergunning voor een activiteit waarbij de locatie van ondergeschikt belang is, wordt, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten. 4. Een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit, met uitzondering van een als wateractiviteit aan te merken beperkingengebiedactiviteit, worden gelijktijdig aangevraagd als: a. die activiteiten betrekking hebben op dezelfde ippc-installatie, of b. op die activiteiten de Seveso-richtlijn van toepassing is. 5. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op aanvragen om wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning.

Besluit kwaliteit leefomgeving AFDELING 7.3 INSTRUCTIEREGELS MET HET OOG OP NATUURBESCHERMING § 7.3.1 Natuurnetwerk Nederland Artikel 7.6 (aanwijzing en begrenzing natuurnetwerk Nederland) 1. Bij omgevingsverordening worden de gebieden die het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in artikel 2.44, vierde lid, van de wet, vormen, aangewezen en wordt de geometrische begrenzing daarvan vastgelegd. 2. De militaire terreinen OT De Haar, OT De Vlasakkers, OT Havelte West, OT Leusderheide, OT Marnewaard en OT Oirschotse Heide, genoemd in bijlage XIV, onder A, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd, maken geen deel uit van het natuurnetwerk Nederland. Artikel 7.8 (beschermingsregime) 1. Bij omgevingsverordening worden in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland regels gesteld over: a. regels in omgevingsplannen als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet; en

b. projectbesluiten als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, aanhef en onder a, onder 4°, van de wet. 2. De regels verzekeren in ieder geval dat de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan, dat de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk wordt behouden en dat, als binnen het natuurnetwerk activiteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het natuurnetwerk, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven. 3. Over militaire terreinen en terreinen met een militair object als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, binnen het natuurnetwerk Nederland worden bij omgevingsverordening alleen regels gesteld die verzekeren dat tijdige compensatie plaatsvindt van de nadelige gevolgen voor het natuurnetwerk door terreinverharding en bouwactiviteiten op die terreinen.

Besluit activiteiten leefomgeving AFDELING 11.1 ACTIVITEITEN MET MOGELIJKE GEVOLGEN VOOR NATURA 2000-GEBIEDEN OF BIJZONDERE NATIONALE NATUURGEBIEDEN § 11.1.1 Algemeen Artikel 11.6 (specifieke zorgplicht) 1. Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 11.1, eerste lid, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang, bedoeld in artikel 11.2, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van activiteiten in, of in de directe nabijheid van een Natura 2000gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kennis wordt genomen van de informatie in het aanwijzingsbesluit van het gebied over de leefgebieden voor vogelsoorten, natuurlijke habitats en habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen en de daarvoor geldende instandhoudingsdoelstellingen; b.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1064/documents/37731