2026-10-01 verslag commissie Samen Leven Ridderkerk
Tekst van het document
Pagina 1 van 15 Woordelijk verslag vergadering commissie Samen leven Ridderkerk [01-10-2026] 1. Opening en vaststellen agenda De voorzitter: Goedenavond, hierbij open ik de vergadering van de commissie Samen Leven op donderdag 1 oktober 2026. Ik heet de raadsleden, commissieleden, het college, de ambtelijke ondersteuning, de aanwezigen op de publieke tribune, de inspreker en de luisteraars thuis van harte welkom. In het bijzonder wil ik enkele gasten van de griffie van Bonaire welkom heten. Zij zijn een aantal dagen in Nederland om kennis en inspiratie op te doen en ze zijn vanavond te gast bij ons, van harte welkom. Wat zeg je? Had ik ook al tegen Maarten gezegd dat ik een keer daarheen mag. Ik constateer dat alle fracties vertegenwoordigd zijn. Dan kom ik bij de vaststelling van de agenda. Kan de commissie zich vinden in de agenda die voorligt? Dat is het geval, dan is het vastgesteld. 2. Spreekrecht De voorzitter: Agendapunt 2 is spreekrecht. Voor het spreekrecht heeft mevrouw Noot zich aangemeld. Die spreekt namens Wijkoverleg West over agendapunt 4, Participatieverordening. Mevrouw Noot, u mag daar plaatsnemen. U heeft vijf minuten voor uw bijdrage en of dat u via de microfoon wil praten? Dan moet u hem even aanzetten met het rechterknopje. Gaat uw gang. Mevrouw Noot: Dank u wel. Geachte voorzitter, college, commissie- en raadsleden, ik ben Gerry Noot.
U kent mij vast wel van Wijkoverleg West en onze strijd om de wijkoverleggen te behouden. Het zal u dan ook niet verbazen dat ik inspreek, omdat in de Participatieverordening de wijkoverleggen niet eens benoemd zijn. De gemeente heeft de wijkoverleggen in 2006 in het leven geroepen en sinds 2014 hebben wij een convenant met de gemeente. Momenteel werken we met de proeftuin zelfstandige wijkoverleggen. Dat maakt dat wij meer zijn dan een buurtcomité. We vinden dan ook dat de wijkoverleggen in de verordening opgenomen moeten worden. Ik wil u graag meenemen in het functioneren van ons Wijkoverleg West. Wij bestaan ongeveer 20 jaar en tegenwoordig momenteel hebben we 37 leden. Wij overleggen 6 keer per jaar in het WVC West, gefaciliteerd door de gemeente. En ook de notulist wordt door de gemeente betaald. Daarnaast krijgen wij jaarlijks budget om het wijkoverleg te promoten. We hebben contact met de wijkregisseur, Facet, de Buurtpreventie, het WijkIdeeTeam, Wooncompas en de politie. Facet schuift altijd aan bij het wijkoverleg om ideeën op te halen, om te kijken wat er speelt in de wijk. Ook om hun activiteiten te promoten. De Buurtpreventie is altijd aanwezig om ons bij te praten. Het WijkIdeeTeam schuift ook altijd aan. Wooncompas en politie sturen een verslag over wat er speelt in de wijk. Met de wijkregisseur hebben we vooraf overleg.
Allemaal zaken waarin wij Pagina 2 van 15 ons onderscheiden van een buurtcomité. Wat staat in de verordening? Hoofdstuk 2, kaders en uitgangspunten, artikel 2, doelstelling. Het doel van de verordening is A, duidelijkheid geven over het proces van participatie en voorwaarden. B, de samenwerking tussen bestuursorgaan en inwoners, maatschappelijke instellingen en ondernemers versterken. C, de kwaliteit van beleid of plannen vergroten. D, de samenleving binnen de gemeente versterken en de betrokkenheid van inwoners vergroten. Wij passen in deze verordening. Met al onze leden, die allemaal verschillende deskundigheid hebben, zijn wij de ogen en de oren van een wijk. Ook hebben we onder andere werkgroepen, zoals Groen en Natuur, Lucht en Geluid en Zwerfafval. Daarmee willen wij meewerken om West leefbaarder, veiliger en socialer te maken, al jaren en jaren. Het wijkoverleg trekt hierin graag samen op met de gemeente. Wij passen uitstekend in de doelstelling van de verordening en waarom worden wij dan niet benoemd? Wij zijn allemaal vrijwilligers en denken heel graag mee over onze wijk. Dat is toch breed bekend in de gemeenteraad? Allemaal zaken waarin wij ons onderscheiden van een buurtcomité. Het zou fijn zijn als de verordening hierop aangepast wordt. Menig gemeente is er jaloers op dat Ridderkerk actieve wijkoverleggen heeft. Dank u wel.
De voorzitter: Ik wil u bedanken namens de hele commissie voor uw bijdrage. Zijn er nog vragen vanuit de commissie? Zou u uw microfoon uit kunnen zetten, mevrouw? Mevrouw Van Nieuwenhuizen. Mevrouw Van Nieuwenhuizen: Dank u wel, voorzitter. Ik wil eerst mevrouw Noot bedanken voor haar heldere betoog. Hoe worden de wijkoverleggen bezocht? Is daar veel animo uit vanuit de wijk? Mevrouw Noot: Jawel. Dat ligt ook natuurlijk aan de punten die op de agenda staan. Neem bijvoorbeeld de aanleg, de vernieuwing van de Populierenlaan. Dan is het altijd ontzettend druk bezocht natuurlijk. Het is altijd verschillend, het is nooit gelijk. Ik kan niet zeggen, ik verwacht iedere keer, ik noem maar een zijstraat, vijftig personen. Want voor hetzelfde geld zijn het er zestig of zijn het er veertig. Daar kan je niets van zeggen. De voorzitter: Ik zag mevrouw Van Vliet ook met een vraag. Mevrouw Van Vliet: Dank u wel, voorzitter. Helder betoog. Dank daarvoor. De vraag is eigenlijk ook in soortgelijke bewoording gesteld door Burger op 1. Het college heeft daar antwoord op gegeven, namelijk dat een werkoverleg geschaard kan worden onder andere organisaties. Ze zeggen, Buurtpreventie en het WijkIdeeTeam worden ook niet in de definities genoemd.
Als u dat zou zien, kunt u zich daar dan toch nog in vinden? Of zegt u, nee, wij moeten echt nog apart benoemd worden? Pagina 3 van 15 De voorzitter: Mevrouw Noot. Mevrouw Noot: Worden we dan geschaald onder het WijkIdeeTeam en de Buurtpreventie? Dat is niet de bedoeling. En wat bedoelt u met andere organisaties? De voorzitter: Mevrouw Van Vliet. Mevrouw Van Vliet: Die woorden zijn niet mijn woorden. We hebben dat als beantwoording vanuit het college, dat jullie als wijkoverleg wel geschaard worden onder andere organisaties. Zij noemen daarbij, niet alleen jullie, maar ook een Buurtpreventie, een WijkIdeeTeam. Die worden ook niet apart genoemd. Daarom mijn vraag van, kunnen jullie daar dan helemaal niet mee leven? Want hiermee geeft het college wel aan dat jullie hier ook onder vallen, onder organisaties. Mevrouw Noot: Nee, daar kan ik niet mee leven, want dan worden we niet gehoord. We willen graag inspraak. De voorzitter: Mevrouw Van Vliet. Mevrouw Van Vliet: Waar baseert u dat op dat u niet wordt gehoord? Want ik begreep dat die Participatieverordening er juist was, dat mensen zelfstandig kunnen benaderen, organisaties kunnen het college zelfstandig benaderen. Er staat nergens dat andere organisaties dat juist niet mogen doen. Ik ga er in deze verordening wel van uit dat het wel kan en u denkt blijkbaar van niet.
Wil ik graag weten waarom u dat denkt? Mevrouw Noot: We zijn een poosje stilgelegd. Het was denk ik 5 uur voor de kerst werden we opgeschort op een dag ’22. Na een jaar hebben we een doorstart gemaakt, maar we kregen niemand meer aangeschoven. Facet komt altijd wel, dat vond ik heel trouw, heel supertof. De Buurtpreventie ook, WijkIdeeTeam ook. Maar er kwam geen wijkregisseur meer bij, de politie schuift niet meer aan, Wooncompas schuift niet meer aan. We hebben heel veel moeite om iedereen aangeschoven te krijgen en het is niet meer zoals het was. De voorzitter: Zijn er nog meer vragen vanuit de commissie? Dat is niet het geval. Dan wil ik u nogmaals bedanken voor uw bijdrage. 3. Toezeggingen en actiepunten commissie Samen leven De voorzitter: Dan gaan wij naar het volgende agendapunt. Agendapunt 3, daar wil ik mevrouw, wethouder Stip naar voren vragen, want die gaat de beantwoording doen. De vergadering op 10 september was een gezamenlijke vergadering. De juistheid van de besluitenlijst wordt vastgesteld in de commissie Samen Wonen. In de commissie lopen we Pagina 4 van 15 alleen de actiepunten na en op dit moment één actiepunt waarbij nog geen datum vermeld staat. Wethouder Van Os is in de andere commissie, dus wethouder Stip geeft antwoord op de planning voor een bijeenkomst over cyberveiligheid en frauderisicoanalyse. Wethouder Stip. Mevrouw Stip: Dank u wel, voorzitter.
Even de boel installeren. Ik kan namens wethouder Van Os aangeven dat hij met De BedrijfsvoeringsPartner zal onderzoeken of er mogelijkheid is om een bijeenkomst te organiseren in het eerste kwartaal van 2027. De voorzitter: Dank u wel. 4. Participatieverordening gemeente Ridderkerk De voorzitter: Dan gaan we naar agendapunt 4, Participatieverordening gemeente Ridderkerk. Dat is ook wethouder Stip. De nieuwe Wet versterking participatie op decentraal niveau heeft als doel om inwoners meer te betrekken bij totstandkoming en uitvoering van beleid. De nieuwe wet vraagt aandacht voor verschillende vormen van participatie, ook de participatie in de vorm van het uitdaagrecht. Het college heeft een concept Participatieverordening opgesteld met als uitgangspunt de door de raad vastgestelde nota betrokken samenleving. Met dank aan de oplettendheid van mevrouw Van Vliet is er ook nog een enkele spelfout gevonden. De griffie zal deze aanpassen en bij de stukken van de raadsvergadering wijzigen. Vooraf zijn vragen gesteld en beantwoord. De inzet voor behandeling in de raad is ter debat. Is de commissie het daarmee eens? Mijnheer Mathlener van Partij18PLUS. De heer Mathlener: Dank u wel, voorzitter. Namens 18PLUS zeggen wij ter vaststelling. De voorzitter: Mevrouw Horváth van GroenLinks. Dan houden we hem even op debat en daarna vraag ik het nog een keer.
Wethouder, wilt u nog een toelichting geven? Mevrouw Stip: Voorzitter, u heeft het al goed samengevat. Inderdaad, de Participatieverordening ligt voor vanavond naar aanleiding van de nieuwe wetgeving, maar ook naar aanleiding van een verouderde Inspraakverordening van 2009. Ik benieuwd welke vragen er nog leven. De voorzitter: Zijn er nog vragen vanuit de commissie? Dat is mevrouw Van Vliet, EvR, met negen vragen, dat zijn er tien en mevrouw Segers van het CDA is één vraag. Sorry, en mevrouw Vergunst ook één vraag. Dan mag mevrouw Segers-Overheid van het CDA beginnen. Pagina 5 van 15 Mevrouw Segers-Overheid: Hartelijk bedankt. We hebben één vraag, dat gaat namelijk over artikel 3.c. Daar staat namelijk het woord spoedeisendheid benoemd, maar verder niet uitgelegd. Kunnen daar voorbeelden in gegeven worden? Dit vraag ik om te voorkomen dat participatie wegens tijdgebrek niet gedaan wordt en wellicht achteraf gemeld wordt als zijnde, dit was spoedeisend. Het moet niet als uitvlucht gebruikt worden. Dat is mijn vraag. De voorzitter: Wethouder Stip. Mevrouw Stip: Dank u wel, voorzitter. Het is inderdaad lastig met zo’n verordening, ik merkte het al een beetje aan de vragen die vooraf zijn gesteld, wat zijn nu voorbeelden waar dit bij kan gebeuren, bij zal gebeuren? Dat zal gebeuren, dat is vooral de vraag. Maar waar het bij kan gebeuren, is ook nog soms een beetje de vraag.
De verordening is gebaseerd op het VNG-model ook, vanuit andere gemeenten die daar ook gebruik van maken. We zullen ook een beetje moeten ervaren van, wat gebeurt er? Een spoedeisend karakter, dat zal dan ook wel zelden voorkomen, verwacht ik. Om ook een voorbeeld te bedenken zou ik echt moeten graven wat een spoedeisend karakter is. Dat kan bijvoorbeeld om veiligheid gaan. Daarbij denk ik echt aan een spoedeisend karakter. Of dat er een urgente beslissing genomen moet worden, maar daar wordt ook vaak de raad in meegenomen. Dat is ook een enkele keer gebeurd. De voorzitter: Is uw vraag daarmee beantwoord? Mevrouw Segers-Overheid: Zeker. Dank je wel. De voorzitter: Dat is mooi. Dan gaan we nu naar de ChristenUnie, mevrouw Vergunst. Mevrouw Vergunst: Dat is naar aanleiding van onze eerste vraag over de zorgplicht om kwetsbare inwoners erbij te betrekken. Ik zal een klein stukje voorlezen uit het antwoord. Er staat hier namelijk, een laagdrempelige benadering nodig zou kunnen zijn. Ik denk dat we allemaal wel aanvoelen dat dat gewoon nodig is. Mijn vraag is dan ook, er komt een participatieplan begrijp ik hieruit, kan de wethouder toezeggen dat daar ook echt aandacht voor komt in dat participatieplan? De voorzitter: Wethouder Stip. Mevrouw Stip: Dank u wel, voorzitter. Dit vinden we natuurlijk al belangrijk, ook vanuit de nota betrokken samenleving.
Hier hebben we ook al voorbeelden van dat we dit hebben toegepast, onder andere bij de vorming van de nota betrokken samenleving. Dat we bijvoorbeeld ook juist naar locaties toe gingen om te participeren in plaats van wachten totdat ze naar ons toe komen. Dat kan ook naar een bibliotheek toe zijn voor een bepaalde Pagina 6 van 15 doelgroep, de wijk ingaan, wijkcentra, wijkwinkelcentra. Maar het kan ook weer zijn verschillende middelen kiezen van participatie. Ook een enquête wat voor de een fijner is dan naar een bijeenkomst gaan of juist ook die bijeenkomst of die buurtent in de wijk. Zo proberen we ook te variëren in middelen, maar ook vooral onze maatschappelijke organisaties in te zetten waar dat fijn bij is. Dat kan een Stichting Bram zijn, dat kan Facet zijn, dat ligt aan de doelgroep, maar dat kunnen ook jongeren zijn. Sommige vraagstukken is het lastiger om de juiste jongeren daarvoor te vinden. Dan vragen we bijvoorbeeld ook Facet. Dat zal per vraagstuk goed gekeken moeten worden wie de doelgroep is en welk middel en organisatie ons daarbij kan helpen. De voorzitter: Mevrouw Vergunst, is uw vraag daarmee beantwoord? Mevrouw Vergunst: Nog niet helemaal. Kan ik dit als een toezegging opvatten dat hier aandacht voor aangegeven wordt in het participatieplan? De voorzitter: Wethouder Stip.
Mevrouw Stip: Ik denk dat er geen toezegging nodig is, omdat dit al in de nota betrokken samenleving genoteerd staat en die is al vastgesteld. In de nota betrokken samenleving, die geldt samen met deze verordening en daar is ook de kwetsbare doelgroep al genoemd. In die zin is het denk ik alleen maar positief dat we dit al belangrijk vinden en daarmee hoef ik niet toe te zeggen boven de geldende nota. Mevrouw Vergunst: Excuus, nog één vraag. Want u zegt nu van, het gebeurt al. Maar er staat in het laatste zinnetje van het antwoord, hier is aandacht voor bij het opstellen van het participatieplan. Wat voegt een participatieplan dan nog toe hierbij? De voorzitter: Wethouder Stip. Mevrouw Stip: Dank u wel, voorzitter. Dat doelt op het participatieplan wat dan opgesteld moet worden vanuit de verordening. Daarvoor worden de richtlijnen van de nota betrokken samenleving gemaakt. Als er een participatie plaatsvindt volgens deze verordening, wij starten een participatietraject, stellen daar een participatieplan voor op, gebruiken wij de middelen en de visie ook van de nota. Op die manier komt het daarin terecht. De voorzitter: Zijn uw vragen dan nu beantwoord, mevrouw Vergunst? Mevrouw Vergunst: Allerlaatste vraag.
Ik begrijp het nu goed dat een participatieplan opstellen per keer een apart participatieplan is en niet, wat ik eigenlijk had begrepen uit het antwoord, dat er nog één apart participatieplan als uitwerking hiervan kwam? Pagina 7 van 15 De voorzitter: Wethouder Stip. Mevrouw Stip: Dank u wel, voorzitter. Dat doelt inderdaad op het plan wat per participatie gemaakt moet worden. De verordening en de nota achten wij verder nu al voldoende om hiermee aan de slag te kunnen gaan en verder mee te kunnen gaan. De voorzitter: Zijn uw vragen daarmee ... Mevrouw Vergunst: Bedankt. De voorzitter: Dan gaan we naar mevrouw Van Vliet van Echt voor Ridderkerk. Ik denk per twee stellen. Mevrouw Van Vliet: Dank u wel, voorzitter. Ik heb per artikel vaak wel twee vragen. Ik stel voor dat ik ze per artikel stel, als u het daarmee eens bent. De voorzitter: Dat is goed. Mevrouw Van Vliet: Voordat ik begin, wil ik even excuus aanbieden. EvR had gisteravond pas fractievergadering en ik kon vanochtend om 06.30 uur in de auto stappen. Ik heb de hele dag geen tijd gehad. Ik heb de vragen op het laatste moment nog even naar de wethouder gestuurd en u allen aan tafel daar hebben een kopie van mij en een geprint kopie gekregen. U hoeft niet heel snel aantekeningen te maken. Ik begin bij artikel 3, dat is onderdeel van hoofdstuk 2, de kaders en uitgangspunten.
Daar staat in de reikwijdte de eerste zin, elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen beleid, taak en bevoegdheden of participatie wordt toegepast. Mijn vraag is, kan het niet andersom worden gesteld? Dat betekent voor mij, er is gewoon altijd participatie, tenzij het niet nodig is of het niet kan. Het is net andersom. Bij de toelichting op ook artikel 3 staat, dat staat helemaal achterin, als participatie bij de voorbereiding geen toegevoegde waarde heeft, enzovoort. Mijn vraag is, wie bepaalt of iets toegevoegde waarde heeft of niet? De voorzitter: Dank u wel. Wethouder Stip. Mevrouw Stip: Dank u wel, voorzitter. Ik blader even mee met de verordening. Vraag één bij artikel 3, reikwijdte. Deze zinsnede is gebaseerd ook op het VNG-model, wij hebben er bewust voor gekozen om deze zo over te nemen. Ik snap de achtergrond van de vraag van Echt voor Ridderkerk. Ik denk ook dat we met de nota betrokken samenleving als college ook al hebben aangegeven van, participatie vinden we ontzettend belangrijk in Ridderkerk. We kijken ook zeker om dat zoveel mogelijk toe te passen. Maar deze zinsnede is wel echt uit het VNG-model ook overgenomen stromend uit de wetgeving. Maar wij zijn enthousiast over participatie en zullen dat ook bij beleidvorming meenemen.
Dan vraag twee, wie Pagina 8 van 15 bepaalt of iets toegevoegde waarde heeft? Dat gaf ik in het begin van de commissie ook al eventjes aan, die woorden, dat moet je altijd ook in de praktijk uiteindelijk gaan ervaren. Wie dat bepaalt, dat is het betreffende bestuursorgaan. Het betreffende bestuursorgaan kan het college zijn, kan de gemeenteraad zijn of kan de burgemeester zijn. Dat hangt af waarover de participatie plaats zou vinden. Dan is het subjectief wat toegevoegde waarde heeft en dan moet je dat op meerdere manieren afwegen. Ik zou dat ook niet nu zo concreet kunnen maken, dat zullen we echt moeten ervaren, als dat überhaupt gaat voorkomen. De voorzitter: Vervolg. Mevrouw Van Vliet: Naar aanleiding van uw antwoorden. U zegt, we gebruiken daarbij het VNG-model. Mijn vraag eigenlijk daarop, is dat altijd verplicht om dat te volgen of mag je een deel van het model gebruiken en dan toch zelf nog wel dingen aanpassen? Als dat zo is, waarom doen we het dan niet zoals ik voorstel? Het tweede is, we moeten het gaan ervaren. Betekent dit dat we op een later moment dit dan nog een soort van evalueren en kunnen aanpassen? De voorzitter: Wethouder Stip. Mevrouw Stip: Dank u wel, voorzitter. Die zinsnede kan je aanpassen. Een VNG-model is een richtlijn die je kan volgen. Gemeenten volgen die vaak wel zo veel mogelijk, maar ook wij zetten er verduidelijkheden in en dergelijke.
Dat is zeker mogelijk. Maar het college kiest wel voor deze zinsnede. Het stukje van het ervaren, dat zal in die zin inderdaad echt het ervaren zijn. Dan is er in de toekomst iets anders nodig. Dit staat in de toelichting van het artikel, de toegevoegde waarde staat niet in het artikel zelf van de verordening. Daarmee staat die minder zwart-wit in die zin, maar het zal wel altijd ervaren zijn. In het land starten we nu allemaal met zo’n verordening. De voorzitter: ChristenUnie, mevrouw Vergunst. Mevrouw Vergunst: Ook nog over die VNG-verordening. We hebben met wethouder Piena afgesproken bij het sociaal domein dat als een verordening het uitgangspunt is geweest, een VNG-verordening, dat hij die gaat toevoegen aan de stukken. Zodat het voor ons ook inzichtelijk is waar jullie voor gekozen hebben. Zou dat bij dit domein ook het geval kunnen zijn? De voorzitter: Wethouder Stip. Pagina 9 van 15 Mevrouw Stip: Dank u wel, voorzitter. Een VNG-model delen kan altijd, zijn ook online te vinden. Dat zijn openbare stukken. De voorzitter: Mevrouw Vergunst, ChristenUnie. Mevrouw Vergunst: Ik snap dat het openbare stukken zijn, alleen het is voor ons niet te achterhalen wanneer jullie het wel en niet gebruiken als leidraad. Daarom zou het fijn zijn als jullie dat in ieder geval weergeven bij de stukken. De voorzitter: Wethouder Stip. Mevrouw Stip: Dank u wel, voorzitter.
Ik zal dit signaal in ieder geval meenemen. De voorzitter: Dan komen we bij mevrouw Van Vliet voor de volgende vragen. Mevrouw Van Vliet: Vraag drie en vier gaan over artikel 4, ook de zorgplicht van het bestuursorgaan. Bij punt a staat, inwoners, ondernemers en maatschappelijke instellingen tijdig worden betrokken. Mijn vraag is, wat verstaat u onder tijdig? Bij 4c wordt gezegd, de voor het proces van participatie benodigde stukken openbaar zijn voor zover wettelijke voorschriften zich niet tegen openbaarmaking verzet, en dan komt die, en de planning beschikbaar is. Mijn vraag is, waarom moeten we wachten tot die planning er is? Is het niet mogelijk dat je al in de eerste fase de benodigde stukken krijgt? De voorzitter: Wethouder Stip. Mevrouw Stip: Dank u wel, voorzitter. Ik ga bijna in herhaling vallen. Eerste vraag, het stukje tijdig, ook iets subjectief. Ik kan hier een voorbeeld bij noemen. Want voor het ene participatietraject kan de tijdlijn breder gewend zijn en dan bij de andere juist een stuk smaller. Zo hebben wij niet zo lang geleden een buurttent vanuit een signaal vanuit veiligheid georganiseerd. Maar daarbij was juist heel belangrijk dat die snel plaatsvond. Dan kan je ook niet meer zo tijdig informeren waar je normaal wenst misschien drie weken van tevoren te informeren. Maar nu wilde je die buurttent drie dagen daarna plaatsen.
In die zin is tijdig ook weer de vraag. Kijk, ga je participeren voor De Fakkel, dan ga je dat niet drie dagen van tevoren vragen. Ook dit is weer subjectief en afhankelijk van het onderwerp. De planning beschikbaar is. Ik pak heel even het artikel erbij, artikel 4c, de voor het proces van participatie benodigde stukken openbaar zijn. Ik moet hem even goed lezen hoor. Het bestuursorgaan zorgt ervoor dat er voor het proces van participatie benodigde stukken openbaar zijn voor zover wettelijke voorschriften zich niet tegen openbaarmaking verzetten en de planning beschikbaar is. Ik denk dat dit terugvalt op de planning die sowieso geïnformeerd moet worden van de participatie. Die planning moet er sowieso zijn als dit Pagina 10 van 15 plaatsvindt. Dat staat ook elders. In die zin, als er benodigde stukken zijn voor de participatie, moet er ook een planning beschikbaar zijn. Als jij een participatietraject doorloopt en je maakt wel stukken openbaar ervoor, moet je ook weten wanneer er wat mee gebeurt. In die zin wordt die samengenomen. De voorzitter: Mevrouw Van Vliet voor de volgende vragen. Mevrouw Van Vliet: Dank u wel, ook voor de beantwoording van de vragen tot nu toe. Vraag 4a gaf voor mij een verduidelijking. Dank daarvoor. Artikel 7, eindverslag inwonersparticipatie.
Kunnen inwoners of bedrijven nog vooraf op het eindverslag reageren, voordat het gepubliceerd of vrijgegeven wordt? Zodat zij ook eventueel inhoudelijk kunnen reageren. Is dat mogelijk? Een tweede vraag op dat artikel is, waarom zou ervoor gekozen worden om geen eindverslag op te stellen? Dan de derde vraag over dit artikel, maar dat is naar aanleiding van de toelichting op het artikel. Er staat, aangeraden is om afspraken over het eindverslag schriftelijk vast te leggen. Mijn vraag is, komen die dan niet gewoon standaard in de overeenkomst te staan, want die wordt toch al vooraf opgesteld? De voorzitter: Wethouder Stip. Mevrouw Stip: Dank u wel, voorzitter. Vraag één zal ook weer afhankelijk zijn. Want als het een enquête is voor De Fakkel, dan zullen wij niet aan de inwoners vragen om op de infographic per se te reageren. Maar ik kan me wel weer voorstellen als het een participatietraject is waar een ondernemer een grotere rol heeft, dat je dat wel bespreekt. Ook dit is een stukje afweging per onderwerp. Waarom zou ervoor gekozen worden om geen eindverslag op te stellen? Ik denk dat dat overheidsparticipatie betreft in plaats van inwonerparticipatie, die vraag. Zou dat kunnen? Want het eindverslag inwonerparticipatie wordt sowieso vastgesteld, maar overheidsparticipatie hebben wij de mogelijkheid erin gezet. In het VNG-model stond deze mogelijkheid er überhaupt niet.
Maar als college achten we het denk ik wel wenselijk in sommige gevallen, ook bijvoorbeeld als het uitdaagrecht plaatsvindt, om daar ook een eindverslag van te hebben. Maar je kan je ook weer voorstellen, als het een vrij eenvoudige vorm van participatie is of een buurtent organiseren of iets dergelijks, dat je ook niet per se de inwoner belast met een heel eindverslag maken. Op die manier niet gelijk het woord moeten erin, omdat er dan nog een stukje vrijheid is en je de inwoner niet gelijk een verplichting oplegt. Maar wel de mogelijkheid om het te kunnen krijgen. Dan de vraag daarna, naar aanleiding van de toelichting. Aangeraden is om afspraken over het eindverslag schriftelijk vast te leggen. Ik vraag me dan ook eventjes af of dat de toelichting van artikel 7 of wellicht eentje verder is? Ik pak hem er eventjes bij. Dan pak ik de toelichting van artikel 11 er even bij. Dit kan het Pagina 11 van 15 stukje zijn, en dat is ook om de inwoner niet gelijk de verplichting op te leggen, faciliteren wij een stukje in het eindverslag maken of niet. En dat je daarmee ook dat duidelijk met elkaar afspreekt. Dan is de vraag, komen deze dan niet in de overeenkomst te staan die al wordt opgesteld? Dan zoek ik heel eventjes op welke overeenkomst Echt voor Ridderkerk doelt? De voorzitter: Mevrouw Van Vliet, kunt u een toelichting geven? Mevrouw Van Vliet: Dank u wel voorzitter.
Ik dacht ergens gelezen te hebben, ik weet ook niet uit mijn hoofd meer waar, maar dat er bij de participatie, als er over en weer vanuit de inwoners iets voorgesteld werd, dat zij met een initiatief komen. En dat er dan een overeenkomst werd opgesteld tussen de gemeente of het bestuursorgaan en degene die met het initiatief kwam. Ik neem aan dat als je zo'n overeenkomst opstelt, dat je daar dan ook die afspraken schriftelijk vastlegt. Maar misschien bedoelen jullie in dit stuk weer dat het daar niet in komt, maar dat je dat op een heel ander moment doet? Dat was mijn vraag. De voorzitter: Wethouder Stip. Mevrouw Stip: Dank u wel, voorzitter. Ik ben nog even aan het scannen op het woord overeenkomst. Ik kan me voorstellen dat dit over twee lijnen gaat, want ik denk dat dit stukje meer over het stukje uitdaagrecht gaat. Dan komen er echt wel meer documenten bij kijken, omdat dan de inwoner echt een taak van de gemeente over zou nemen. Dan leg je meer vast, in die zin wordt het dan wel iets formeler. Dan wordt er ook meer vastgelegd in een eindverslag, maar dan zal dat ook waarschijnlijk iets meer liggen bij de inwoner die verantwoordelijkheid. Dan bij de lijn van, ik noem het maar even het reguliere initiatief. De voorzitter: Dan mevrouw Van Vliet, Echt voor Ridderkerk, voor de volgende vragen Mevrouw Van Vliet: Artikel 13, nadere regels.
Er staat, het kan, het college kan die regels vaststellen. Worden die in sommige gevallen nog kenbaar gemaakt vooraf aan de raad? De voorzitter: Wethouder Stip. Mevrouw Stip: Dank u wel, voorzitter. De mogelijkheid is er inderdaad in aangegeven dat we nadere regels zouden op kunnen stellen. Momenteel achten we het niet noodzakelijk, omdat we de verordening en de nota's voldoende achten. Maar wanneer het college dit doet, zal dat op de gebruikelijke manier zijn. Waarbij het een collegebevoegdheid is om de nadere regels vast te stellen en die dan vervolgens na vaststelling naar de raad komen. De voorzitter: Mevrouw Van Vliet voor uw laatste vraag, als ik het goed heb. Pagina 12 van 15 Mevrouw Van Vliet: Laatste twee. De een gaat over de hardheidsclausule, artikel 14. Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening. Mijn vraag is eigenlijk dezelfde, wordt dit ook vooraf kenbaar gemaakt? Zal ik dan mijn laatste vraag ook maar gelijk stellen? Dat betreft de vraag naar aanleiding van de beantwoording van het CDA, vraag nummer twee. Dan gaat het over een representatieve groep en mijn vraag is, wanneer is een geraadpleegde groep representatief voor de betrokken omgeving? Is dat ook weer subjectief? De voorzitter: Wethouder Stip. Mevrouw Stip: Het woord een eentonig verhaal, voorzitter.
Ik zal eerst eventjes bij de hardheidsclausule beginnen. Ik kan daar nu niet in voorzien dat we dat altijd van tevoren aan de raad, voordat we het college … Kijk, het ligt aan het bestuursorgaan ook natuurlijk, want het bestuursorgaan is niet alleen het college. Maar stel het college zou afwijken, kan ik hier niet in toezeggen dat we daar altijd van tevoren de raad zullen informeren. Ik kan ook nog niet overzien bij welke onderwerpen dit gebeurt. Ook een stukje ervaringen opdoen in die zin. Het stukje, wat is nu representatief voor een betrokken doelgroep en dergelijke? Ook om daar een voorbeeld dan te noemen, wat is nu representatief? Kijk, bij De Fakkel hadden we een enquête, om even in die voorbeelden te blijven, van drieduizend inwoners. Daar hadden we met honderd antwoorden denk ik gedacht van, dat is niet echt representatief voor Ridderkerk. Maar tegelijkertijd, als we een participatietraject voor een speeltuin uitvoeren en daar reageren dertig huishoudens uit de directe omgeving op, is dat weer heel representatief. Ook dit is wederom afwegen per onderwerp van, op welke manier is het representatief? De voorzitter: Mevrouw Van Vliet, zijn uw vragen daarmee beantwoord? Mevrouw Van Vliet: Dank u wel, voorzitter. Ook dank aan de wethouder en daarmee zijn mijn vragen beantwoord. En kan ik misschien vanuit mij al melden dat wij hem ter vaststelling kunnen laten gaan.
De voorzitter: Zijn er nog spijtoptanten met vragen voor de wethouder? Mevrouw Van Nieuwenhuizen, Burger op 1. Mevrouw Van Nieuwenhuizen: Sorry, ik heb geen vragen. Dat was het niet. Ik wilde dadelijk reageren op het ter debat gaan. De voorzitter: Mijnheer Griep van de SGP. Pagina 13 van 15 De heer Griep: Ik heb nog één vraag. Misschien is het al door iemand anders genoemd. Ik hoorde net iets over een taalfout, maar ik begrijp in het eindverslag artikel 2 niet helemaal goed hoe dat het daar staat. Is dat al opgemerkt door iemand anders? De voorzitter: Nee, want de taalfout ging over … De heer Griep: Artikel 2. De voorzitter: De taalfout ging over artikel 9. Wat … De heer Griep: Het gaat mij om het volgende. Ik zie daar, een eindverslag geeft in elk geval inzicht in het proces, en dan komt het, de uitkomsten van het proces en de uitkomsten van het proces. Dat lijkt me dubbel namelijk. En de verhouding tussen de … Of lees ik het verkeerd? Dank u wel. De voorzitter: Welk artikel? Artikel 11 hoor ik. Wethouder Stip. Mevrouw Stip: Dank u wel, voorzitter. Ik zie ook een dubbeling die onnodig is. Wat een scherpe raad hebben we toch. De voorzitter: Dan wordt die ook aangepast. Dan komen we bij de inzet. Mevrouw Van Vliet is ermee eens dat die ter vaststelling gaat. Kan de commissie dan in vinden dat de inzet ter vaststelling wordt? Mevrouw Van Nieuwenhuizen, Burger op 1.
Mevrouw Van Nieuwenhuizen: Burger op 1 wil debat, drie minuten, en we gaan waarschijnlijk een amendement indienen. De voorzitter: Waarover zou het amendement gaan? Mevrouw Van Nieuwenhuizen: Over de wijkoverleggen. De voorzitter: Zijn er nog meer mensen die spreektijd willen bij het debat? Dat is niet het geval. Dan krijgen we een totale behandeltijd van vijftien minuten. Mijnheer Hulhoven van het CDA. De heer Hulhoven: Dank u, voorzitter. Het CDA zou ook wel twee minuten spreektijd willen voor de beraadslaging. De voorzitter: We houden hem nog steeds op vijftien minuten behandeltijd. Dan dank ik de wethouder Stip. Pagina 14 van 15 5. Zienswijze Halfjaarnota 2026 VRR en begrotingswijzigingen De voorzitter: Dan gaan we over naar agendapunt 5. Dan zou ik graag de burgemeester naar voren willen vragen. De zienswijze Halfjaarnota 2026 VRR en begrotingswijzigingen. De Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond heeft die Halfjaarnota met daarbij twee begrotingswijzigingen toegestuurd. De raad kan een zienswijze geven op de begrotingswijzigingen. Het college heeft een concept-zienswijze opgesteld waarin geen opmerkingen worden gemaakt over de begrotingswijzigingen. Wel is een opmerking toegevoegd over de financiële gevolgen van toenemende druk op de hulpdiensten en de extra inzet en middelen op het gebied van weerbaarheid. De raad stelt de zienswijzebrief vast.
Er zijn vooraf geen vragen gesteld. De inzet is ter vaststelling, kan de commissie zich daarin vinden? Dat is het geval. Burgemeester, wilt u nog een toelichting geven? Burgemeester Oosterwijk: Voorzitter, ik denk dat dat niet nodig is, want u heeft het volgens mij prima samengevat. De voorzitter: Dat is mooi. Zijn er dan nog vragen vanuit de commissie? Ook dat is niet het geval. Dan wil ik u bedanken, burgemeester, voor uw inbreng. Burgemeester Oosterwijk: Toch een gezellig avondje uit zo. De voorzitter: Dan gaat die als inzet ter vaststelling naar de raad. 6. Ter kennisneming: raadsinformatiebrieven De voorzitter: Dan komen we bij agendapunt 6, ter kennisneming: raadsinformatiebrieven. De raad heeft de raadsinformatiebrieven en bijbehorende stukken ontvangen. Zijn er commissieleden die een van deze stukken in een toekomstige vergadering willen bespreken? Dat is niet het geval. 7. Mededelingen gemeenschappelijke regelingen De voorzitter: Komen we bij agendapunt 7, mededelingen gemeenschappelijke regelingen. Zijn er vanuit het college of de commissie mededelingen over de gemeenschappelijke regelingen? Dat is ook niet het geval. 8. Mededelingen college De voorzitter: Mededelingen college. Zijn er vanuit het college nog … Dat is ook niet het geval. Pagina 15 van 15 9. Rondvraag leden De voorzitter: Dan komen we bij agendapunt 9, rondvraag leden.
Hebben de commissieleden onderling nog vragen aan elkaar? Dat is ook niet het geval. 10. Sluiting De voorzitter: Dan kom ik bij agendapunt 10 en dat is de sluiting. Dan zijn we bij het einde van de agenda gekomen en wil ik u allemaal bedanken voor uw komst en inzet en nog een fijne avond wensen.