CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

2026-06-22 Concept Motivering themawijziging Geur en Trillingen

Gemeenteraad RK 24 september 2026, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 7: Vaststellen wijziging omgevingsplan Ridderkerk: Geur en Trillingen3.553 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

MOTIVERING Behorend bij het raadsbesluit ‘wijziging omgevingsplan gemeente Ridderkerk voor geur en trillingen’ Versie 22 juni 2026 Gemeente Ridderkerk 2 Inhoud 1. Aanleiding voor dit wijzigingsbesluit 2. Doel en oogmerken van deze omgevingsplanwijziging 3. Aanwijzing in de fysieke leefomgeving 4. Milieubelastende activiteiten 5. Relatie met bruidsschatregels 6. Milieubeoordeling 7. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid 8. Participatie 3 1. Aanleiding voor dit wijzigingsbesluit Sinds 1 januari 2024 heeft Ridderkerk een tijdelijk omgevingsplan. Daarin zijn regels opgenomen van de bestemmingsplannen en een groot aantal rijksregels voor bouwen en milieu (de bruidsschat). Gemeenten hebben tot 2032 de tijd om de regels uit het tijdelijke deel om te zetten naar één gebiedsdekkend omgevingsplan, waarin alle regels voor de fysieke leefomgeving een plek moeten krijgen. In januari 2026 is de eerste wijziging omgevingsplan vastgesteld voor het thema Bodem. Thematische wijziging geur en trillingen Deze tweede wijziging van het omgevingsplan Ridderkerk is een thematische wijziging, waarbij er regels over activiteiten over geur en trillingen in het omgevingsplan worden gewijzigd en toegevoegd. De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur en trillingen veroorzaakt door activiteiten op geur- en trillinggevoelige gebouwen.

Deze regels moeten zorgen voor een aanvaardbaar hinderniveau. Het betreft een omzetting van regels uit de bruidsschat met inachtneming van de instructieregels van het Rijk, de provincie Zuid-Holland en het lokale beleid. In de Omgevingsvisie Ridderkerk is het volgende opgenomen over het thema geur: Het voorkomen van ernstige geurhinder in onze gemeente. Dit willen we bereiken door maatregelen bij de bron te nemen en door ervoor te zorgen dat woningen en bedrijfsactiviteiten op voldoende afstand van elkaar staan. Bij woningbouw houden we rekening met bestaande bedrijvigheid. Bedrijven behouden de ruimte om uit te breiden binnen hun huidige milieuruimte op eigen terrein zonder overlast te veroorzaken. We beschermen gebouwen met geurgevoelige functies, zoals woningen, werklocaties en zorg- en onderwijslocaties tegen onaanvaardbare geurhinder. De voorliggende wijziging van het omgevingsplan is voldoende om aan deze opgave te voldoen. Over het thema trillingen is niets opgenomen in de Omgevingsvisie Ridderkerk. Bij het voorliggende wijzigingsbesluit hoort een motivering. Daarin wordt gemotiveerd waarom de beoogde wijziging van het omgevingsplan bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. In deze motivering wordt hier nader op ingegaan.

Wat hoort niet bij deze wijziging? Ook bij milieubelastende activiteiten zoals voedselbereiding en horeca horen regels over geur. In één van de volgende wijzigingen worden deze activiteiten overgezet. De nu voorliggende regels richten zich vooral op geur van agrarische activiteiten en zuiveringtechnische werken. Voor het onderwerp trillingen zijn regels beleidsarm overgezet uit de bruidsschat. Deze regels gaan alleen over het reguleren van trillingen veroorzaakt door bedrijfsmatige activiteiten, niet over trillingen veroorzaakt door bijvoorbeeld weg- of railverkeer. We hebben als gemeente nu geen beleid voor trillingen veroorzaakt door weg- of railverkeer. Daardoor kan het ook niet beleidsarm overgezet worden. Dit zou dan een beleidsrijke wijziging zijn. Mocht in de toekomst blijken dat hier aanvullend beleid op nodig is, dan zal dit de beleidscyclus doorlopen en in een volgende wijziging van het omgevingsplan worden meegenomen. 2. Doel en oogmerken van deze omgevingsplanwijziging Het doel van deze omgevingsplanwijziging voor geur en trillingen is het zorgen voor een gezonde leefomgeving. De regels moeten zorgen voor een aanvaardbaar hinderniveau. In het omgevingsplan zijn oogmerken voor geur en trillingen opgenomen. De oogmerken vormen het kader voor de regels en sluiten aan bij de doelen van de Omgevingswet. 3.

Aanwijzing in de fysieke leefomgeving In hoofdstuk 3 van het omgevingsplan worden gebieden aangewezen met een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Een gebiedsaanwijzing is gedefinieerd als 'een door 4 regels of beleid aangewezen gebied'. Met deze wijziging van dit omgevingsplan zijn er gebieden aangewezen voor de thema’s geur en trillingen. Het betreft allereerst een aanwijzing van een bebouwingscontour geur. Deze contour is geometrisch begrensd en krijgt daarmee een juridische status. De bebouwingscontour geur is een voortzetting en concretisering van het begrip ‘bebouwde kom’ uit de bruidsschat. De instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving schrijven de toepassing van een bebouwingscontour ook voor. Binnen de bebouwingscontour geldt een ‘hoge bescherming’ van geurgevoelige gebouwen voor activiteiten die geurhinder kunnen veroorzaken. Buiten deze contour geldt een ‘lage bescherming’ tegen geurhinder. Daarom is ervoor gekozen om gebieden met de functie woongebied en woonkern binnen de bebouwingscontour op te nemen. Gebieden met de functies bedrijventerrein en buitengebied worden buiten deze bebouwingscontour gehouden.

De waarden en afstanden als opgenomen in de artikelen over de agrarische activiteiten en de rioolwaterzuiveringsinstallatie gelden ten opzichte van deze contour. Daarnaast zijn er gebiedsaanwijzingen voor geur en trillingen opgenomen in het omgevingsplan voor bestaande plattelandswoningen. Een plattelandswoning is een woning die voorheen een functionele binding had met een bedrijf. Als deze woning niet meer nodig is als bedrijfswoning, kan deze omgezet worden naar de functie plattelandswoning. Deze is dan te gebruiken als een gewone woning. De woning staat meestal dicht bij het bedrijf waar het eerder functioneel mee verbonden was. Daardoor kan er wel hinder zijn van dit nabijgelegen bedrijf. Bij de plattelandswoningen gelden de afstanden en waarden voor geur en de waarden voor trillingen uit dit omgevingsplan door dit bedrijf niet. Deze woningen blijven wel beschermd tegen geur en trillingen, veroorzaakt door andere omliggende bedrijven. Het toevoegen van de gebiedsaanwijzing plattelandswoning heeft ook als doel dat eenieder inzicht heeft in de locaties van deze woningen. 4. Milieubelastende activiteiten Hoofdstuk 7 van het omgevingsplan gaat over milieubelastende activiteiten (MBA’s). Met dit wijzigingsbesluit zijn regels over geur en trillingen aangepast en toegevoegd aan de afdelingen 7.1 en 7.4.

Afdeling 7.1 In afdeling 7.1 is een paragraaf gewijzigd met regels die gelden voor alle milieubelastende activiteiten (7.1.1). Hierbij is tevens het toepassingsbereik aangepast. Daarnaast zijn twee paragrafen toegevoegd met regels over ‘Geur bij MBA’s’ (7.1.4) en ‘Trillingen bij MBA’s’ (7.1.5). Paragraaf 7.1.4 Geur bij MBA’s Deze paragraaf bevat regels over het toepassingsbereik, waar waarden en afstanden gelden en over functionele en voormalig functionele binding met bijbehorende gebiedsaanwijzing plattelandswoningen (zie ook hoofdstuk 3 van deze motivering). Daarnaast bevat het een artikel over de mogelijkheid tot het opleggen van een maatwerkvoorschrift bij cumulatie van geur. Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat en met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Paragraaf 7.1.5 Trillingen bij MBA’s Deze paragraaf bevat regels over het toepassingsbereik en waar waarden gelden, zowel voor continue trillingen als voor herhaald voorkomende trillingen. Daarnaast zijn er regels opgenomen over functionele en voormalig functionele binding met bijbehorende gebiedsaanwijzing plattelandswoningen (zie ook hoofdstuk 3 van deze motivering) en een artikel over eerbiedigende werking. In deze paragraaf is ook een artikel opgenomen over het beoordelen van meerdere activiteiten op één locatie die trillinghinder veroorzaken.

Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat en met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. 5 Afdeling 7.4 In deze afdeling zijn negen paragrafen toegevoegd met inhoudelijke regels: - 7.4.4 Drijfmest, digestaat en dunne fractie opslaan; - 7.4.6 Gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong opslaan; - 7.4.10 Groenafval composteren of opslaan; - 7.4.12 Kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen opslaan; - 7.4.13 Landbouwhuisdieren met geuremissiefactor houden; - 7.4.14 Landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden houden; - 7.4.26 Vaste mest, champost of dikke fractie opslaan; - 7.4.28 Voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen exploiteren; - 7.4.32 Zuiveringtechnische werken exploiteren. Paragraaf 7.4.4 Drijfmest, digestaat en dunne fractie opslaan Deze paragraaf gaat over het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in één of meer mestbassins en het houden van voldoende afstand tot geurgevoelige objecten, zoals woningen. Er is een artikel opgenomen voor de gevallen die al bestonden voor 1 januari 2013 (eerbiedigende werking). Hiervoor gelden andere afstandseisen.

Daarnaast geldt een vergunningplicht voor het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte groter dan 750 m2 of een gezamenlijke inhoud groter dan 2.500 m3. Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat en met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Paragraaf 7.4.6 Gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong opslaan Deze paragraaf gaat over het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong. Dit materiaal wordt gebruikt als alternatief voor grond om planten in te kweken of dat afkomstig is van organische resten, vaak als deel van afvalverwerking in de tuinbouw en landbouw. Voorbeelden zijn kokosvezel, veen (turf), potgrond en compost. De paragraaf bevat regels over het houden van voldoende afstand tussen deze activiteit en geurgevoelige objecten, als woningen. In deze paragraaf is ook een artikel opgenomen voor de gevallen die al bestonden voor 1 januari 2013 (eerbiedigende werking). Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat en met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Paragraaf 7.4.10 Groenafval composteren of opslaan Deze paragraaf gaat over het composteren of opslaan van groenafval vanaf 3 m3 en bevat regels over het houden van voldoende afstand tussen deze activiteit en geurgevoelige objecten zoals woningen. In deze paragraaf is ook een artikel opgenomen voor de gevallen die al bestonden voor 1 januari 2013 (eerbiedigende werking). Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat en met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Paragraaf 7.4.12 Kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen opslaan Deze paragraaf gaat over het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen. Het bevat regels over het houden van voldoende afstand tussen deze activiteit en geurgevoelige objecten zoals woningen. In deze paragraaf is ook een artikel opgenomen voor de gevallen die al bestonden voor 1 januari 2013 (eerbiedigende werking). Voor het opslaan van kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen geldt een informatieplicht en een aantal aanvullende voorschriften ter bescherming van de bodem en voor het lozen van vrijkomende vloeistoffen en afvalwater. Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat en met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Paragraaf 7.4.13 Landbouwhuisdieren met geuremissiefactor houden Deze paragraaf stelt regels over het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor. Onder landbouwhuisdieren vallen zoogdieren of vogels voor de productie van vlees, eieren, melk, wol, pels of veren of paarden of pony’s voor het fokken. Landbouwhuisdieren met geuremissiefactor zijn bijvoorbeeld varkens en kippen. Deze paragraaf is niet van toepassing op het houden van minder dan 10 schapen, 5 paarden en pony's, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen of 10 overige landbouwhuisdieren. Als ondergrens voor het van toepassing zijn van deze paragraaf is aangesloten bij de ondergrenzen zoals die ook golden in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. 6 Voor bijvoorbeeld kinderboerderijen, hondenkennels en volières gelden deze voorschriften niet. Het gaat daarbij namelijk niet om het houden van landbouwhuisdieren, omdat deze dieren niet voor de productie worden gehouden. Deze activiteiten vallen onder paragraaf 22.3.25 van de bruidsschat. De paragraaf bevat een informatieplicht bij het starten of bij wijziging van de activiteit. De paragraaf bevat verder algemene regels over het houden van voldoende afstand tussen deze activiteit en geurgevoelige objecten zoals woningen. Daarnaast gelden voor deze gevallen ook waarden voor geur.

In deze paragraaf zijn ook artikelen opgenomen voor de gevallen die al bestonden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet (eerbiedigende werking). En er zijn algemene regels toegevoegd voor het lozen van afvalwater en bodembescherming. Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat, met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Paragraaf 7.4.14 Landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden houden Deze paragraaf stelt regels voor twee categorieën van activiteiten: - Regels over het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor. Onder landbouwhuisdieren vallen zoogdieren of vogels voor de productie van vlees, eieren, melk, wol, pels of veren of paarden of pony’s voor het fokken. Landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor zijn bijvoorbeeld melkveerunderen. - Regels over geur voor paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden. Deze paragraaf is niet van toepassing op het houden van minder dan 10 schapen, 5 paarden en pony's, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen of 10 overige landbouwhuisdieren. Als ondergrens voor het van toepassing zijn van deze paragraaf is aangesloten bij de ondergrenzen zoals die ook golden in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor bijvoorbeeld kinderboerderijen, hondenkennels en volières gelden deze voorschriften niet.

Het gaat daarbij namelijk niet om het houden van landbouwhuisdieren, omdat deze dieren niet voor de productie worden gehouden. Deze activiteiten vallen onder paragraaf 22.3.25 van de bruidsschat. De paragraaf bevat een informatieplicht bij het starten of bij wijziging van de activiteiten. De paragraaf bevat verder algemene regels voor de hierboven genoemde categorieën van activiteiten. Bijvoorbeeld over het houden van voldoende afstand tussen deze activiteiten en geurgevoelige objecten, als woningen. In deze paragraaf zijn ook artikelen opgenomen voor de gevallen die al bestonden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet (eerbiedigende werking). En er zijn algemene regels toegevoegd ten aanzien van het lozen van afvalwater en bodembescherming. Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat en met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Paragraaf 7.4.26 Vaste mest, champost of dikke fractie opslaan Deze paragraaf gaat over op het opslaan van: a. vaste mest die afkomstig is van in een dierenverblijf gehouden landbouwhuisdieren of paarden en pony’s voor het berijden; b. champost (het restproduct dat overblijft na de teelt van champignons); c. dikke fractie. Deze paragraaf bevat regels over het houden van voldoende afstand tussen deze activiteit en geurgevoelige objecten, als woningen.

Ook is een artikel opgenomen voor de gevallen die al bestonden voor 1 januari 2013 (eerbiedigende werking). Voor het opslaan van vaste mest geldt: - een informatieplicht voor de start van deze activiteit; - een aantal aanvullende voorschriften ter bescherming van de bodem en voor het lozen van afvalwater; - een vergunningplicht voor het opslaan van meer dan 600 m3 vaste mest. Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat en met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Paragraaf 7.4.28 Voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen exploiteren Deze paragraaf gaat over het exploiteren van een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten. Het biologisch behandelen van mest draagt bij aan de omzetting van mest in hernieuwbare energie en meer waardevolle meststof. Het bevat regels over het houden van voldoende afstand tussen deze activiteit en geurgevoelige objecten, als woningen. Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat en met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Paragraaf 7.4.32 Zuiveringtechnische werken exploiteren Deze paragraaf gaat over het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk (rioolwaterzuiveringsinstallatie).

De paragraaf bevat artikelen met geurnormen waaraan het zuiveringtechnisch werk moet voldoen. Hiermee wordt een goed leefklimaat gegarandeerd bij de naastgelegen geurgevoelige objecten zoals woningen. In de gemeente is één zuivering | technisch werk aanwezig | . Voor dit bestaande zuiveringtechnisch werk gelden op basis van de vigerende vergunning hogere waarden voor geur. Daarom zijn de regels uit de bruidsschat over eerbiedigende werking overgenomen. Eerbiedigende werking houdt in dat de 'oude' gevallen worden ontzien en alleen de 'nieuwe' gevallen onder de werking van de regels vallen. Hierdoor blijven de hogere waarden die zijn opgenomen in de voor 1 februari 1996 verleende vergunning van toepassing op dit werk. 5. | Relatie met bruidsschatregels Met deze omgevingsplanwijziging zijn regels over geur en trillingen uit hoofdstuk 22 (de bruidsschat) overgezet naar andere hoofdstukken in het omgevingsplan of geschrapt. De regels zijn beleidsarm overgenomen, tenzij hiervoor anders aangegeven.

Overgezet naar andere hoofdstukken in het omgevingsplan: - | Paragraaf 22.3.5 Trillingen bij MBA’s; - | Subparagraaf 22.3.6.1 Algemene bepalingen - | Subparagraaf 22.3.6.2 Geur houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf - | Subparagraaf 22.3.6.4 Geur door andere agrarische activiteiten - | Subparagraaf 22.3.6.5 Geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken - | Paragraaf 22.3.23 Opslaan van vaste mest; - | Paragraaf 22.3.24 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen; - | Paragraaf 22.3.25 Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels; - | Paragraaf 22.3.26 Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen. 6. | Milieubeoordeling De Omgevingswet verplicht de gemeente om na te gaan of de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan tot nadelige milieueffecten kan leiden. Is dat het geval, dan is een milieueffectrapportage (plan-mer) verplicht. Artikel 16.36 van de Omgevingswet wijst gevallen aan waarin het bevoegd gezag bij de voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan verplicht is een plan-mer te doorlopen. Het artikel geeft ook aan in welke gevallen het bevoegd gezag kan volstaan met een plan-merbeoordeling. Beslisschema Als eerste stap in deze beoordeling is het ‘beslisschema plan-milieueffectrapportage’ op de IPLO- website doorlopen.

Stap 1 | De voorliggende wijziging wordt aangemerkt als een wettelijk voorgeschreven plan. Stap 2 | Het plan kan ook een kader vormen voor besluiten voor projecten. Stap 3 | Het plan is niet kaderstellend voor mer-plichtige projecten uit bijlage V Omgevingsbesluit, uitkomend boven de drempel van kolom 2. Projecten van deze orde grootte worden in Ridderkerk niet mogelijk gemaakt. Stap 4 | Het plan is wel kaderstellend voor projecten, maar niet voor projecten die in kolom 1 van bijlage V Omgevingsbesluit staan. Stap 6 | Een passende beoordeling voor natuur is niet noodzakelijk, omdat de wijziging alleen ziet op regels over geur en trillingen. Deze zorgen niet voor achteruitgang van natuurwaarden. Conclusie | Uitkomst van deze toetsing maakt dat een plan-merbeoordeling benodigd is. Beknopte plan-merbeoordeling 7 8 Bij het beoordelen van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten wordt rekening gehouden met de kenmerken van het plan en de kenmerken van de effecten. Kenmerken van het plan De voorliggende wijziging voor geur en trillingen vormt geen kader voor de ligging, aard en omvang, maar regelt wel de gebruiksvoorwaarden voor projecten en andere activiteiten. Het betreft een beleidsarme omzetting van regels uit de bruidsschat over geuremissie van agrarische activiteiten en zuiveringtechnische werken en trillingen veroorzaakt door milieubelastende activiteiten.

Deze regels leiden niet tot ingrijpende wijzigingen in de fysieke leefomgeving. De regels bepalen wel wanneer toestemmingen kunnen worden verleend of geweigerd. Het gaat dan met name om het verlenen van de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten, vanwege de regels over geur of trillingen. De wijziging ziet niet op regels die zien op effecten op landschap, natuur of cultureel erfgoed. Daarnaast spelen binnen de gemeente op dit moment geen grote milieuproblemen op het gebied van geur en trillingen, die met deze wijziging opgelost moeten worden. Kenmerken van de effecten De wijziging omgevingsplan ziet op het beleidsarm omzetten van regels over geur en trillingen uit de bruidsschat met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Zoals in voorgaande hoofdstukken aangegeven betreft dit met name een voortzetting van geur- en trillingsregels uit het voormalig Activiteitenbesluit. De in dit besluit gehanteerde afstanden en waarden worden met deze wijziging dan ook niet aangepast. Dit maakt dat zowel aan de bronzijde als aan de zijde van de ontvanger geen wijzigingen optreden. Evenals in het omgevingsplan staat de provincie Zuid-Holland in haar omgevingsbeleid ook geen grote geuremitterende activiteiten zoals grote veehouderijen in onze gemeente toe. Deze activiteiten passen immers niet in een stedelijke omgeving.

Dit maakt dat als gevolg van de voorgestelde wijziging geen significante negatieve milieueffecten te verwachten zijn. Conclusie Voor de voorliggende wijziging is een beknopte plan-merbeoordeling opgesteld. Conclusie is dat door het vaststellen van deze omgevingsplanwijziging geen significante milieueffecten te verwachten zijn. Het opstellen van een plan-mer is daarom niet nodig. 7. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid DCMR voert in mandaat taken uit voor de gemeente ten aanzien van vergunningverlening, toezicht en handhaving bij bedrijven. Hierbij controleren ze ook op de aspecten geur en trillingen. Door het vaststellen van deze wijziging wordt geen effect verwacht op de kosten voor DCMR. DCMR is nadrukkelijk bij de totstandkoming van de regels betrokken. 8. Participatie Bij besluitvorming over de vaststelling van deze wijziging moet de gemeenteraad laten weten hoe inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding zijn betrokken. Ook moet vermeld worden wat we met de resultaten van participatie hebben gedaan. Dit staat in artikel 10.2, lid 2 van het Omgevingsbesluit en wordt de motiveringsplicht genoemd. Bij het raadsvoorstel over de vaststelling van deze wijziging wordt een uitgebreid participatieverslag gevoegd dat daar invulling aan geeft. Hieronder een korte samenvatting daarvan.

Vooroverleg over het concept-ontwerpwijzigingsbesluit In het kader van participatie zijn de volgende partijen bij de voorbereiding van deze wijziging betrokken: • Provincie Zuid-Holland • Waterschap Hollandse Delta (WSHD) • Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond (DCMR) • Gemeentelijke Gezondheidsdienst Rotterdam-Rijnmond (GGD) • Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) • Beleidsplatform Natuur, Milieu en Duurzaamheid • Gemeenten Hendrik Ido Ambacht, Zwijndrecht, Barendrecht en Rotterdam 9 Deze partijen zijn gekozen vanwege hun deskundigheid op het gebied van geur en trillingen bij milieubelastende activiteiten of vanwege hun directe belang of (mede)verantwoordelijkheid voor een goede leefomgevingskwaliteit. De resultaten van de participatie zijn verwerkt in een participatieverslag. Dit participatieverslag is als bijlage opgenomen bij het raadsvoorstel over de vaststelling van deze wijziging van het omgevingsplan voor geur en trillingen. Zienswijzen naar aanleiding van het ontwerpwijzigingsbesluit Op 23 april 2026 is de formele voorbereidingsprocedure conform Afdeling 3:4 Algemene wet bestuursrecht gestart met een kennisgeving in het Gemeenteblad. Vanaf 24 april 2026 tot en met 4 juni 2026 heeft het ontwerpwijzigingsbesluit zes weken ter inzage gelegen. Iedereen kon gedurende de inzagetermijn reageren op het ontwerpwijzigingsbesluit door een zienswijze in te dienen.

Er zijn geen zienswijzen ontvangen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1250/documents/43450