2025-12-02 Brief Rijk over vaststelling Circulair Materialenplan.pdf
Tekst van het document
> Retouradres Postbus 20901 2500 EX Den Haag
de colleges van GS van alle provincies de colleges van B&W van alle gemeenten de directeuren van alle omgevingsdiensten
DG Milieu en Internationaal Rijnstraat 8 2515 XP Den Haag Postbus 20901 2500 EX Den Haag Contactpersoon secretariaatcmp@rws.nl
Datum Betreft
2 december 2025 Vaststelling Circulair Materialenplan
Onze referentie IENW/BSK-2025/285630
Geacht college / geachte directeur, Met deze brief wil ik u informeren over het Circulair Materialenplan (CMP). Als eerste (deel A) ga ik in het algemeen in op wat het CMP is en waarom het voor uw provincie/gemeente/omgevingsdienst van belang is. In deel B vraag ik uw aandacht voor enkele specifieke zaken die samenhangen met de inwerkingtreding van het CMP. Deze zaken zijn direct van belang bij het verlenen van vergunningen of ontheffingen of het nemen van andere besluiten die te maken hebben met afvalstoffen of met het onderscheid tussen afvalstoffen en niet-afvalstoffen. A) Wat is het CMP en waarom is het CMP voor u belangrijk? Wat is het CMP? Op 30 december 2025 treedt het CMP in werking. Het CMP vervangt het derde Landelijk Afvalbeheerplan (LAP3). Het CMP bevat informatie over stappen in de keten die van belang zijn om als Nederland de omslag naar een circulaire economie te maken. Denk aan onderwerpen als preventie, ontwerp, reparatie en circulair materiaalgebruik. Het CMP blijft daarnaast – net als het LAP3 – het kader voor besluiten en decentrale regels over afvalstoffen. Meer informatie vindt u in Wat is het CMP?.
Waarom is het CMP voor u belangrijk? Ieder bestuursorgaan moet rekening houden met het CMP bij het uitoefenen van een taak of bevoegdheid krachtens de Wet milieubeheer of de Omgevingswet met betrekking tot afvalstoffen (artikel 10.14 Wm en artikel 8.9 lid 2 Besluit kwaliteit leefomgeving). Het CMP is daarmee, net als het LAP, toetsingskader voor omgevingsvergunningen voor afvalbeheerbedrijven en voor alle bedrijven waar afvalstoffen vrijkomen of waar handelingen met afvalstoffen plaatsvinden. Het is daarnaast ook toetsingskader voor ontheffingen voor het verbranden en storten van afvalstoffen buiten inrichtingen en maatwerkvoorschriften op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving voor zover hierbij afvalaspecten aan de orde zijn. Meer informatie vindt u in over de toetsingskaders. In deel B van deze brief ga ik in op situaties waarin een bestuursorgaan toch wil afwijken van het CMP. Ook ga ik daar apart in op de wettelijke plicht om reeds verleende vergunningen te actualiseren en in lijn te brengen met het CMP. Pagina 1 van 5
DG Milieu en Internationaal
Waar vindt u het CMP? Het CMP is niet beschikbaar als gedrukt document maar is te vinden op www.circulairmaterialenplan.nl. Hier vindt u alle onderwerpen en toetsingskaders die van belang zijn voor uw taken, zoals het verlenen van vergunningen of het opstellen van decentrale regels.
Datum 2 december 2025 Onze referentie IENW/BSK-2025/285630
Wat is het verschil tussen LAP3 en CMP? Het CMP bevat nieuwe onderdelen ten opzichte van LAP3, zoals over grondstoffengebruik en afvalpreventie. Daarnaast zijn er ook wijzigingen in bestaande onderwerpen, bijvoorbeeld voor het mengen van afvalstoffen en de inzet van AVI-bodemas. Op de website leest u wat dit voor uw organisatie betekent op Wat verandert er met het CMP? en via de pagina’s voor de diverse Doelgroepen. Ook vindt u daar een Was-wordt overzicht LAP3 naar CMP. B) Enkele specifieke onderwerpen nader belicht In dit deel van deze brief wil ik een aantal aspecten van het CMP specifiek onder uw aandacht brengen. Dit zijn achtereenvolgens: B1. Actualiseren van vergunningen B2. Afwijken van het CMP B3. Gebruik AVI-bodemas B4. Lokale of regionale inzet van secundaire bouwstoffen B5. Ontheffingen stortverbod B6. Mengen van gevaarlijke afvalstoffen B1. Actualiseren van vergunningen Het actueel houden van vergunningen is belangrijk. Als vergunningen niet binnen een bepaalde periode na wijziging van het CMP worden aangepast, leidt dit tot een ongelijk speelveld. Daarnaast leidt het niet (of niet tijdig) aanpassen van vergunningen in veel gevallen tot een (tijdelijk) laagwaardiger verwerking van afvalstoffen dan wenselijk is. Ook kunnen milieueisen zijn aangescherpt en de vergunningvoorschriften daardoor niet meer actueel zijn.
Vanuit het oogpunt van milieubescherming is dit onwenselijk. Bevoegde gezagen moeten daarom met regelmaat afgegeven vergunningen op actualiteit toetsen aan het CMP. Dit is een wettelijke verplichting (artikel 8.98 lid 2 Bkl en artikel 8.99 lid 2 Bkl). Dit houdt in dat het bevoegd gezag bij de inwerkingtreding van een nieuw of gewijzigd CMP moet controleren of de omgevingsvergunning of de hieraan verbonden voorschriften nog voldoen aan de vereisten van het CMP. Als dat niet zo is, moet het bevoegd gezag de voorschriften wijzigen of de omgevingsvergunning in het uiterste geval intrekken (artikel 8.102 lid 1 onder a en lid 3 Bkl). Bevoegde gezagen moeten binnen een jaar nadat het (gewijzigde) CMP in werking is getreden bezien of de omgevingsvergunning nog voldoet en deze, zo nodig, wijzigen of intrekken. Zie voor meer informatie Over de toetsingskaders. B2. Afwijken van het CMP Door de verplichting om rekening te houden met het CMP (zie deel A van deze brief) worden taken en bevoegdheden over afvalstoffen in Nederland op een
Pagina 2 van 5
DG Milieu en Internationaal
uniforme manier uitgevoerd. Hierdoor weten bedrijven waar ze aan toe zijn en worden initiatieven in de verschillende delen van ons land gelijk beoordeeld. Daarnaast zorgt het CMP ervoor dat hoogwaardige verwerking van afvalstoffen wordt geborgd en er optimaal wordt bijgedragen aan de transitie naar een circulaire economie.
Datum 2 december 2025 Onze referentie IENW/BSK-2025/285630
Bestuursorganen mogen niet afwijken van de toetsingskaders van het CMP, tenzij ze daarvoor gerechtvaardigde redenen hebben. In wetgeving ligt vast dat bestuursorganen de minister van Infrastructuur en Waterstaat moeten informeren als ze van de bepalingen die in het CMP staan af willen wijken (artikel 10.14, lid 4 Wm). Deze wettelijke informatieverplichting – ook wel verstrekkingsverplichting genoemd – is nieuw ten opzichte van de procedure die moest worden gevolgd om af te wijken van het LAP. Zie onderdeel Afwijken van het CMP voor de procedure die een bevoegd gezag moet volgen als het van plan is om af te wijken van het CMP. Als afgeweken moet worden door een calamiteit, volgt bevoegd gezag de procedure uit onderdeel Calamiteiten. B3. Gebruik AVI-bodemas Met de komst van het CMP is de inzet voor AVI-bodemas om deze zodanig te reinigen dat zij zonder voorzieningen verantwoord kan worden toegepast. De reiniging moet leiden tot materiaal dat voldoet aan eisen die gelden voor nietvormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022 (Rbk). Hierdoor mogen vergunningen voor bepaalde activiteiten niet meer worden verleend. Het mengen van AVI-bodemas met niet-afvalstoffen is vergunningplichtig. Dit betekent dat producenten van beton een vergunning moeten hebben om in beton AVI-bodemas toe te passen.
Vanaf 30 december 2025 worden dergelijke vergunningen alleen nog verleend wanneer de bodemas voldoet aan genoemde eisen van het Rbk. Inzet in beton van AVI-bodemas die niet voldoet aan deze eisen wordt daarmee niet meer toegestaan. Reeds verleende vergunningen die dit nog wel mogelijk maken moeten binnen een jaar worden aangepast (zie onder ‘B1. Actualiseren van vergunningen’). AVI-bodemas die niet voldoet aan de kwaliteit van niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Rbk mag tot uiterlijk 29 december 2027 nog wel worden toegepast in immobilisaten. Na die overgangstermijn van 2 jaar worden vergunningen om dit mogelijk te maken ook niet meer verleend. Meer informatie over dit onderwerp is te vinden in onderdeel Immobilisaat, vulstof en toeslagmateriaal en afvalplan Assen van AVI’s. B4. Lokale of regionale inzet van secundaire bouwstoffen De toepassing van secundaire materialen kan bijdragen aan de doelen van een circulaire economie. De randvoorwaarde daarbij is dat de toepassing op een voor mens en milieu verantwoorde wijze plaatsvindt.
Pagina 3 van 5
DG Milieu en Internationaal
Lokale effecten van het toepassen van secundaire bouwstoffen zijn ter beoordeling van de gemeente. Gemeenten kunnen binnen het stelsel van de Omgevingswet als maatwerk lokale regels stellen waarin zij beperkingen opleggen aan het gebruik van secundaire bouwstoffen. Zij moeten hierbij echter wel de kaders die worden gegeven door de nationale regelgeving in acht nemen. De kwaliteitseisen voor bouwstoffen in het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit 2022 zijn er voor de bescherming van het milieu. Ze bieden een voldoende generiek beschermingsniveau. Dit staat ook in de toelichting bij artikel 4.1264 van het Besluit activiteiten leefomgeving met de conclusie dat ‘maatwerk alleen aan de orde zal zijn in specifieke situaties waar bijzondere bescherming nodig is’.
Datum 2 december 2025 Onze referentie IENW/BSK-2025/285630
Een generieke beperking voor gebruik van secundaire materialen, dat wil zeggen inclusief de secundaire materialen die voldoen aan de kwaliteitseisen voor nietvormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022 (bouwstoffen) of van een bij de toepassing passende kwaliteitsklasse (grond), past hier niet bij. Een dergelijke generieke beperking op lokaal niveau belemmert onnodig de afzet van secundair materiaal dat wel voldoet aan de van toepassing zijnde kwaliteitseisen en leidt bovendien tot een ongelijk speelveld binnen Nederland. Bij lokale regelgeving (omgevingsplannen) met beperkingen aan het gebruik van secundaire bouwstoffen nemen bevoegde gezagen daarom geen generieke beperkingen op voor materiaal dat voldoet aan de kwaliteitseisen voor nietvormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022. Wordt dit toch overwogen dan is sprake van afwijken van het CMP en dient de daarvoor geldende procedure te worden gevolgd. Omgevingsplanen waarin dit wel is gebeurd moet binnen een jaar na inwerkingtreding van het CMP worden aangepast. Zie onderstaand kader voor een toelichting. In de loop van 2025 zijn diverse lokale regels verschenen met beperkingen voor het als bouwstof toepassen van staalslakken en AVI-bodemas en in een aantal gevallen ook voor thermisch gereinigde grond en/of immobilisaten.
Tot op heden lijkt in al die gevallen geen rekening te worden gehouden met de kwaliteit van deze materialen en wordt een generiek verbod of een generieke vergunningplicht afgekondigd. Voor materiaal dat voldoet aan de kwaliteit van niet vormgegeven bouwstoffen volgens de Regeling bodemkwaliteit 2022 is dat echter niet de bedoeling. In toekomstige decentrale regelgeving dient hiermee rekening te worden gehouden en in reeds bestaande regelgeving dient deze nuancering alsnog te worden aangebracht. B5. Ontheffingen stortverbod In een circulaire economie wordt gestreefd naar een hoogwaardige verwerking van afvalstoffen. Het behoud van materialen door ze zo lang mogelijk en zo veel mogelijk in omloop te houden, is hierbij van groot belang. Daarom geldt voor een aantal afvalstoffen een wettelijk stortverbod. Er zijn echter situaties denkbaar waar storten van deze afvalstoffen toch noodzakelijk is, bijvoorbeeld vanwege risico’s voor mens en milieu of omdat een specifieke partij toch niet anders verwerkt kan worden dan via storten. In dat geval is een ontheffing van het stortverbod de manier om op een gecontroleerde wijze en met afgesproken
Pagina 4 van 5
DG Milieu en Internationaal
omvang en tijdsduur, om te gaan met de betreffende afvalstof. Deze worden door/namens het provinciale bevoegd gezag verleend en zij moeten daarbij de toetsingskaders in het CMP gebruiken.
Datum 2 december 2025 Onze referentie IENW/BSK-2025/285630
In het CMP is hiervoor nu een Leidraad ontheffingen stortverbod opgenomen. Deze leidraad is een instructie voor het bevoegd gezag voor het behandelen van verzoeken om ontheffing van het stortverbod. Hiermee wordt geborgd dat afvalstoffen alleen met ontheffing worden gestort als na gedegen onderzoek blijkt dat zij niet hoogwaardiger verwerkt kunnen worden en dat ze niet worden gestort in een grotere omvang dan noodzakelijk is. Zo draagt de leidraad bij aan het realiseren van een circulaire economie. Daarnaast draagt de leidraad bij aan een gelijke beoordeling van verzoeken om ontheffing van het stortverbod door de diverse bevoegde gezagen. Leidraden van het CMP vallen onder de werking van art. 10.14 Wm. Dit betekent dat bevoegde gezagen met deze leidraad rekening moeten houden bij het beoordelen van een verzoek om een ontheffing van het stortverbod. Het verlenen van ontheffingen terwijl uit de systematiek van de leidraad volgt dat dit niet noodzakelijk is, is daarmee een afwijking van het CMP en vereist het volgen van de daarvoor geldende procedure (zie onderdeel B2 van deze brief). B6. Mengen van gevaarlijke afvalstoffen Omgaan met gevaarlijke afvalstoffen neemt in de afvalwetgeving een bijzondere plaats in. Mengen van gevaarlijk afval zonder vergunning is niet toegestaan.
Daarom bevat het CMP in Mengen van afvalstoffen een toetsingskader om te beoordelen wanneer het mengen van gevaarlijke afvalstoffen verantwoord is en vergund kan worden. Dit toetsingskader is nieuw in het CMP en moet het wegmengen van gevaarlijk afval voorkomen. Het is belangrijk dat alle bevoegde gezagen met deze toetsingskaders gaan werken en daarom breng ik dit ook dit onderwerp graag onder uw aandacht. C) Tot slot Het CMP biedt handvatten voor de transitie naar een circulaire economie, geeft uitleg over de verschillende soorten wetgeving en bevat bindende toetsingskaders voor afvalstoffen voor bestuursorganen. In deze brief heb ik enkele belangrijke onderwerpen voor u uitgelicht. Mocht u nadere vragen hebben over deze brief, over het CMP of over ander gerelateerd beleid of wet- en regelgeving dan verwijs ik u graag naar de Helpdesk bij Rijkswaterstaat. Hoogachtend,
dr. ir. A.M.C. van Rijn Directeur-generaal cc.
ILT, VNG, IPO, Omgevingsdienst NL
Pagina 5 van 5