2021-10-08 RIB Trendstudie Platform 31 - Stedelijke trends en opgaven 2022.pdf
Tekst van het document
20
2020
2035
Procentuele groei
Absolute groei
Nederland
17.378,2
18.269,3
5,1
891,1
G4
2.436,5
2.773,3
13,8
336,8
G40
5.059,3
5.433,4
7,4
374,1
M50
2.129,3
2.196,7
3,2
67,4
Rest Nederland
7.753,1
7.865,9
1,5
112,8
Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, Statline (bevolkingsprognose 2020-2050)
Grote regionale verschillen in bevolkingsgroei Regionaal zijn er in Nederland grote verschillen in bevolkingsgroei. In de G40-steden Almere (19 procent), Haarlemmermeer (16 procent), Delft (15 procent), Eindhoven (14 procent), en Leiden (13 procent) is de verwachting dat de bevolking tussen 2020 en 2035 sterk zal toenemen. Ook veel gemeenten die onder de rook van een G4- of G40-stad liggen, zien hoge groeicijfers, zoals bijvoorbeeld Ouder-Amstel, Rijswijk, Diemen, Zuidplas en Weesp. De G40-steden die naar verwachting de komende vijftien jaar de bevolkingsomvang zullen zien dalen, bevinden zich aan de randen van Nederland (Emmen, Enschede, Sittard-Geleen, Heerlen). De bevolkingsdaling zal nog vrij beperkt zijn.57 Andere gemeenten die zich aan de rand van het land bevinden (Almelo, Hengelo, Maastricht) gaan ternauwernood niet het rood in. Opvallend is de verwachte ontwikkeling in de gemeente Zoetermeer; vier jaar geleden werd nog verwacht dat de bevolking tussen 2015 en 2030 licht zou krimpen, maar de verwachtingen voor de periode 2020-2035 zijn aanzienlijk positiever, namelijk een groei van ruim tien procent. Naast Zoetermeer zal, volgens de prognoses, in nog tien G40-steden, de bevolking met meer dan tien procent toenemen.
Opvallend is dat vier in Zuid-Holland gelegen G40-steden (Delft, Leiden, Alphen aan de Rijn en Zoetermeer) groeipercentages laten zien hoger dan tien procent.58 De gemiddelde bevolkingsgroei tussen de G40- en M50-steden verschilt aanzienlijk, maar ook binnen elk stedennetwerk zijn er grote verschillen. Zo wordt voor de G40-stad Almere een bevolkingsgroei van ruim 19 procent tussen 2020 en 2035 verwacht. Terwijl in de G40-stad Emmen de bevolkingsgroei met bijna drie procent zal afnemen. De ene M50-stad Rijswijk kan een bevolkingsgroei van bijna 24 procent
Herstel en perspectief in tijden van transitie
tegemoet zien. Terwijl de andere M50-stad Coevorden - ook aan de rand van Nederland - de bevolking met ruim vijf procent zal zien dalen. Figuur 2.1 Prognose bevolkingsontwikkeling 2020 – 2035 in de G4- en G40-gemeenten59
21 Figuur 2.2 Prognose bevolkingsontwikkeling 2020 – 2035 in de M50-gemeenten
Herstel en perspectief in tijden van transitie
Migratie vanuit buitenland belangrijkste oorzaak bevolkingsgroei In 2020 groeide de Nederlandse bevolking met ruim 67.000 personen. Deze groei werd volledig veroorzaakt door een positief buitenlands migratiesaldo (immigratie minus emigratie). 60 De Nederlandse bevolking is de afgelopen twintig jaar met 1,5 miljoen inwoners gegroeid, van wie 96 procent een migratieachtergrond heeft.61 Op 1 januari 2021 telt de totale bevolking van Nederland bijna 17,5 miljoen personen. Daarvan heeft 4,3 miljoen (ongeveer 25 procent van de totale bevolking) een migratieachtergrond.62 Bijna 1,9 miljoen personen een westerse migratieachtergrond en ruim 2,4 miljoen personen een niet-westerse migratieachtergrond.63 De CBS-prognoses laten zien dat in 2035 het aantal personen met een migratieachtergrond 5,8 miljoen bedraagt, een toename van 35 procent ten opzichte van 2021. Het aantal personen met een Nederlandse achtergrond daalt in dezelfde periode met 1,7 procent. Terwijl het aantal personen met een westerse migratieachtergrond met ruim 32 procent stijgt (+ 600.000 personen) en het aantal personen met een niet-westerse migratieachtergrond met ruim 37 procent (+ 900.000 personen).
In de komende drie decennia zal de verwachte bevolkingsgroei in Nederland voor 83 procent zijn toe te schrijven aan een positief buitenlands migratiesaldo en voor 17 procent aan natuurlijke aanwas.64 Migranten vestigen zich vaak in stedelijke gebieden. Daar zijn de banen (vaak laaggeschoold) en kunnen ze terugvallen op reeds gevestigde migrantengemeenschappen (en relatief veel landgenoten) die hen helpen bij allerlei praktische zaken, zoals het vinden van woonruimte. De spreiding van azclocaties over het land zegt weinig over het uiteindelijke vestigingsgedrag van vluchtelingen. 65 Wanneer participatie op de arbeidsmarkt lonkt, vestigen deze migranten zich vaak in steden. Vooral achtereenvolgens in de G4-steden, in de G40-steden en pas in derde instantie in de kleinere gemeenten. Tabel 2.2 toont dat de G40-gemeenten gezamenlijk relatief meer inwoners met een 22
migratieachtergrond (en ook met een niet-westerse migratieachtergrond) kennen dan Nederland als geheel. In de M50-gemeenten gezamenlijk heeft minder dan 10 procent van de bevolking een nietwesterse migratieachtergrond. Tabel 2.2 Bevolking Nederland, G4-, G40- en M50- gemeenten naar migratieachtergrond in 2010 en 2020 (in procenten van totaal)
2010
2020
Nederlandse achtergrond
Migratieachtergrond
Nietwesters
Nederlandse achtergrond
Migratieachtergrond
Nietwesters
Nederland
79,7
20,3
11,2
75,8
24,2
13,7
G4
53,7
46,3
33,2
48,2
51,8
35,1
G40
76,5
23,5
13,1
72,5
27,5
15,7
M50
84,1
15,9
7,4
81,1
18,9
9,8
Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, Statline
Het aantal inwoners met een migratieachtergrond in de G40-gemeenten varieert van 44 procent in Almere tot 12 procent in Emmen. In de M50-gemeenten variëren de percentages van 37 procent in Rijswijk tot 7 procent in Raalte. Indien wordt gekeken naar het aandeel inwoners met een niet-westerse migratieachtergrond zien we dat Almere van de G40-gemeenten het grootste aandeel heeft, namelijk 33 procent. Terwijl Emmen een aandeel heeft van 5 procent inwoners met een niet-westerse migratieachtergrond. Van de M50-gemeenten heeft Rijswijk het grootste aandeel (22 procent). Terwijl Altena met 3 procent het laagste aandeel laat zien.
Herstel en perspectief in tijden van transitie
Grillig verloop natuurlijke aanwas In 2020 was de natuurlijke aanwas (geboorten minus overledenen) negatief (471 personen). Sinds 2012 groeit de bevolking in Nederland in toenemende mate als gevolg van het immigratiesaldo en in afnemende mate als gevolg van de natuurlijke aanwas (zie figuur 2.3). Dat de groei als gevolg van natuurlijke aanwas de afgelopen jaren daalde (en in 2020 negatief werd) heeft zowel met een afnemend aantal geboorten als met een toenemend aantal overledenen te maken. Zo daalde tussen 2010 en 2020 het aantal geboorten met bijna 9 procent. Terwijl het aantal overledenen in dezelfde periode met 24 procent steeg. In 2020 was in 219 van de 355 gemeenten (62 procent) de natuurlijke aanwas negatief: er overleden meer mensen dan dat er baby’s werden geboren. In 2019 gold dat voor 171 gemeenten. De negatieve aanwas in 2020 heeft vooral te maken met de oversterfte door corona.66 Vooral in Noord-Brabant is de sterfte tijdens de eerste coronagolf sterk toegenomen. In deze provincie zijn er daarom in 2020 veel gemeenten bij gekomen waar de sterfte het aantal geboorten overtrof. In de noordelijke provincies, in Limburg, Zeeland, delen van Overijssel en Gelderland en langs de Noordzeekust waren er in eerdere jaren ook al veel gemeenten met meer sterftes dan geboorten. Dat heeft vooral te maken met de leeftijdsopbouw van de bevolking.
Voor de komende jaren wordt er weer een positieve natuurlijke aanwas verwacht, van 3.500 in 2021 oplopend tot bijna 27.000 in 2029. Vanaf 2030 loopt de positieve natuurlijke aanwas weer terug om vanaf 2040 om te slaan in een negatieve natuurlijke aanwas. Figuur 2.3 Aandeel natuurlijke aanwas en migratiesaldo in bevolkingsgroei in procenten 100 90
23
80 70 60 50 40 30 20 10 0 2010
2011
2012
2013
2014
2015
Natuurlijke aanwas
2016
2017
2018
2019
2020
Migratiesaldo
Bron: CBS-Statline (bewerking Platform31)
De levensverwachting van 65-jarigen neemt sinds 1950 toe. Destijds leefden 65-jarigen gemiddeld nog 14,3 jaar, in 1980 16,3 jaar, in 2000 17,4 jaar en 2019 was dat 20,1 jaar. In 2026 zal dat volgens de huidige prognose 0,7 jaar langer zijn.67 Door de coronapandemie ligt de sterfte in Nederland hoger dan gemiddeld. De levensverwachting zal in 2020 enkele maanden tot een jaar lager zijn dan wanneer er geen corona was geweest. Toch wordt verwacht dat de coronapandemie de al jaren stijgende lijn in de levensverwachting op de langere termijn niet nadelig zal beïnvloeden.
Krimp potentiële beroepsbevolking bedreigt veel steden Volgens de prognoses van het CBS zal het totaal aantal personen tussen de 20 en 65 jaar (hier gelijkgesteld aan de potentiële beroepsbevolking) dalen van ruim 10,2 miljoen in 2020 naar 9,8 miljoen
Herstel en perspectief in tijden van transitie
in 2035.68 Dat is een daling van 4,1 procent (414.000 personen). In de eerste jaren (tot en met 2023) loopt de potentiële beroepsbevolking nog licht op om daarna te dalen. De omvang van de potentiële beroepsbevolking (20 tot 65 jaar) in 2035 in de G40-gemeenten gezamenlijk zal volgens de prognoses 1,7 procent (ruim 53 duizend personen) lager zijn dan in 2020. Van de veertig gemeenten zullen er veertien naar verwachting een grotere omvang van de potentiële beroepsbevolking in 2035 kennen dan in 2020. Zesentwintig G40-gemeenten zullen in 2035 een kleinere omvang van de potentiële beroepsbevolking kennen dan in 2020. Almere, Haarlemmermeer en Alphen aan de Rijn zien naar verwachting de omvang van de potentiële beroepsbevolking de komende vijftien jaar het sterkst groeien. Sittard-Geleen, Heerlen en Emmen zullen de grootste daling van de potentiële beroepsbevolking gaan ervaren (zie figuur 2.4). De M50-gemeenten gezamenlijk zullen naar verwachting hun potentiële beroepsbevolking (20 tot 65 jaar) met 5,1 procent zien krimpen tussen 2020 en 2035 (zie figuur 2.5). Slechts zes van de drieënveertig M50-gemeenten zullen in 2035 een potentiële beroepsbevolking kennen die omvangrijker is dan die in 2020. Met name de sterke groei in Rijswijk (18,2 procent) is opvallend, maar ook in Barneveld (4 procent) en Zeist (2,5 procent) wordt nog groei verwacht.
In Venray, Kerkrade en Oldambt – M50-gemeenten die zich aan de rand van Nederland bevinden - gaat de omvang van de potentiële beroepsbevolking volgens de prognoses relatief het sterkst dalen. Ook de G40-gemeenten SittardGeleen, Heerlen en Emmen, die naar verwachting de grootste daling van de potentiële beroepsbevolking kunnen verwachten, bevinden zich aan de randen van het land. Figuur 2.4 Prognose ontwikkeling potentiële beroepsbevolking (20-65 jaar) 2020 – 2035 in de G4- en G40gemeenten in procenten69
24
Herstel en perspectief in tijden van transitie
Figuur 2.5 Prognose ontwikkeling potentiële beroepsbevolking (20-65 jaar) 2020 – 2035 in de M50-gemeenten in procenten
Sterke groei eenpersoonshuishoudens
25
In de toename van het aantal huishoudens zijn eenpersoonshuishoudens de sterkste groeier. Het aantal huishoudens zal tussen 2020 en 2035 met 600.000 huishoudens toenemen (van ruim 8 miljoen toenemen naar ruim 8,6 miljoen). In 2050 zal, volgens de prognoses, het aantal huishoudens stijgen naar bijna 8,9 miljoen. De voorziene groei van het aantal huishoudens komt voornamelijk voor rekening van 65-plussers. De grote naoorlogse generaties komen op leeftijd. Zij leven bovendien langer. 70 De stijging van het aantal huishoudens tussen 2020 en 2035 is voor een belangrijk deel (bijna 80 procent) toe te schrijven aan de toename van het aantal eenpersoonshuishoudens (zie figuur 2.6). Dit zijn grotendeels ouderen die vaker dan mensen van middelbare leeftijd alleen wonen. Dat komt vooral door verweduwing, maar ook steeds vaker door scheiding. Het aantal eenpersoonshuishoudens zal tussen 2020 en 2035 met 490.000 toenemen. Terwijl het aantal meerpersoonshuishoudens in dezelfde periode met ‘slechts’ 129.000 toeneemt. Deze ontwikkeling is het gevolg van de voortgaande individualisering en vergrijzing. Meer mensen van middelbare leeftijd wonen voor kortere of langere tijd alleen en meer ouderen komen alleen te staan, doordat hun partner komt te overlijden.
De G4-gemeenten gezamenlijk kunnen naar verwachting de sterkste groei van het aantal particuliere huishoudens tussen 2020 en 2035 tegemoet zien, namelijk met 165.000 (oftewel 13 procent). In de G40-gemeenten gezamenlijk zal het aantal particuliere huishoudens tussen 2020 en 2035 met bijna 233.000 toenemen (9,6 procent). Die groei wordt bijna volledig (93,6 procent) bepaald door de toename van het aantal alleenstaanden. In de M50-gemeenten gezamenlijk wordt de groei van het aantal particuliere huishoudens (51.000 huishoudens) voor ruim twee derde deel veroorzaakt door de groei van het aantal alleenstaanden.
Herstel en perspectief in tijden van transitie
Corona als gamechanger? De bevolking in Nederland groeit momenteel sterk en een groot deel van deze groei komt vooral in de grote steden en stedelijke gebieden terecht, oftewel de bevolking klontert in bestaande groeipolen.71 Recent zijn er, versterkt door de gevolgen van de coronacrisis, berichten over een toenemende vraag naar landelijk wonen. Meer stedelingen dan voorheen willen naar het platteland verhuizen. Zowel nabij de steden, als in verder weg gelegen dorpen in het Randland en zelfs in regio’s als Oost-Groningen, Zeeland en Zuid-Limburg.72 Die trend werd hier en daar al voorzichtig waargenomen, maar nu veel werkenden door de coronamaatregelen gedwongen werden (en worden) thuis te blijven, is de populariteit van het wonen op het platteland verder gegroeid. Cijfers van Funda, het Kadaster en NVM bevestigen dit. Ook een recent onderzoek van het CBS bevestigt dat er in 2020 binnen Nederland meer mensen uit de Randstad verhuisden dan ernaartoe. Sterker, uit het onderzoek blijkt dat de trek uit de Randstad naar regio’s daarbuiten de laatste jaren al toenam. Vooral stellen zonder kinderen en mensen ouder dan dertig jaar verlaten vaker dan voorheen (d.w.z. voordat de coronapandemie uitbrak) de Randstad.73 Figuur 2.6 Groei van het aantal particuliere huishoudens, 2020-2035 (2020 = index 100)
120
115
110 26
105
100
95 2020
2025 Totaal particuliere huishoudens
2030 Eenpersoonshuishouden
2035 Paarhuishoudens
Bron: CBS-Statline (bewerking Platform31)
2.2 Opgaven, kansen, denk- en oplossingsrichtingen Grote verschillen tussen de steden én tussen stad en ommeland noodzaken tot specifiek lokaal en regionaal beleid De beschreven demografische trends en ontwikkelingen laten zien dat er tussen de verschillende groepen gemeenten (G4, G40, M50, overige gemeenten) grote verschillen zijn. Verschillen in verwachte bevolkingsontwikkeling, wel of niet ontgroening, toename aantal leerlingen, (dubbele) vergrijzing, toename of krimp potentiële beroepsbevolking, et cetera. Maar ook binnen die groepen gemeenten bestaan aanzienlijke verschillen. Generiek beleid om de gemeentelijke uitdagingen aan te pakken, ligt dan ook niet direct voor de hand. Uitgaande van de eigen situatie (trends en ontwikkelingen) en de eigen uitdagingen is specifiek lokaal en/of regionaal beleid noodzakelijk. Duidelijk is ook dat de demografische trends en ontwikkelingen – in het bijzonder de meer omvangrijke, meer diverse en verder vergrijzende bevolking – om een expliciet bevolkingsbeleid vragen. Er is immers wat te ‘kiezen’. Uit de studie van het CBS en het NIDI komen scenario’s naar voren die uiteenlopen van
Herstel en perspectief in tijden van transitie
een bevolkingsomvang in 2050 van 17,4 miljoen (in geval van een laag geboortecijfer, stagnerende levensverwachting en afnemende migratie) tot 21,8 miljoen (in geval van een stijgend geboortecijfer, een stijgende levensverwachting en een toenemend migratiesaldo). Hoeveel mensen er over drie decennia in Nederland zullen wonen, zal deels het gevolg zijn van gevoerd beleid. 74 Hoe worden de tekorten op de arbeidsmarkt opgevuld? Helder is ook dat een krimpende beroepsbevolking en sterk vergrijzende bevolking negatieve gevolgen zullen hebben voor bijvoorbeeld de economie en arbeidsmarkt (omdat er in een aantal essentiële sectoren, zoals de zorg en de techniek, nu al grote tekorten zijn). Terwijl een sterk stijgende bevolking de nu al bestaande problemen op de woningmarkt (woningtekorten), milieuproblemen en verkeersdrukte verder zal vergroten. De vraag is relevant of men de personeelstekorten − die zullen toenemen door de afnemende beroepsbevolking − gaat opvangen met méér arbeidsmigranten. Met alle vraagstukken van dien (méér woningen, méér voorzieningen, e.d.). Of dat Rijk, gemeenten, arbeidsmarktregio’s, bedrijven en maatschappelijke organisaties inzetten op meer toekomstgerichte oplossingen, die ook een aantal structurele zwaktes van de Nederlandse economie aanpakken.
De arbeidsproductiviteit laat al decennialang een dalende trend zien, de arbeidsparticipatie is in andere Europese landen hoger, nergens werken zo veel mensen in deeltijd als in Nederland en er staan nog veel mensen aan de kant die graag zouden willen werken. Er valt dus iets te kiezen.75 Wordt gekozen voor een deelbelang en een tijdelijke oplossing of voor een publiek belang en een structurele oplossing? Het gaat om de afweging van alle belangen die in het geding zijn.76 Een expliciet bevolkingsbeleid waarin de gewenste ontwikkeling in de omvang en samenstelling van de bevolking wordt vastgelegd, ligt voor de hand. Daarvoor ligt de bal bij het nieuw te vormen kabinet. Dat geeft gemeentelijke en regionale beleidsmakers en bestuurders in ieder geval meer houvast in het voor te bereiden en uit te voeren gemeentelijke en regionale beleid.
27
Hoe kan lokaal beleid de bevolkingsontwikkeling in de eigen gemeente (regio) beïnvloeden? Gemeenten (en regio’s) kunnen uitgaande van de eigen situatie (d.w.z. de eigen demografische trends en ontwikkelingen) en de eigen uitdagingen, specifiek lokaal en/of regionaal beleid ontwikkelen om de bevolkingsontwikkeling in de eigen gemeente te beïnvloeden. De bevolkingsontwikkeling is voor gemeenten niet voor honderd procent autonoom. De beïnvloedingsmogelijkheden zijn het grootst voor wat betreft vestiging in en vertrek uit de gemeente (regio). Om vestiging en vertrek adequaat te kunnen beïnvloeden, dienen gemeenten en regio’s goed in beeld te hebben hoe aantrekkelijk men is voor de huidige inwoners en voor eventueel toekomstige inwoners. Wat zijn bijvoorbeeld de oorzaken van vertrek en vestiging in de eigen gemeente of regio? Deze informatie is onontbeerlijk om tot goed beleid te komen. Als er bijvoorbeeld voor potentiële nieuwkomers geen aantrekkelijk woningaanbod bestaat, als er voor jonge gezinnen met kinderen geen goede onderwijsvoorzieningen op korte afstand beschikbaar zijn of als er voor starters op de woningmarkt geen betaalbare woningen zijn dan ligt een vertrekoverschot eerder voor de hand dan een vestigingsoverschot.
Voor een positief binnenlands migratiesaldo moet de gemeente voldoende aantrekkelijk zijn (gevraagde woningen, woon-, leef- en werkmilieus, voorzieningen en/of banen). Dit wordt des te belangrijker, omdat de krimpende beroepsbevolking het voor het kiezen heeft en zal kiezen (werken volgt wonen in de Randstad). Daarnaast zijn beleidsvisies en meerjarenplannen noodzakelijk waarin nagedacht wordt over de gevolgen van de demografische ontwikkelingen (ontgroening, krimp beroepsbevolking, (dubbele) vergrijzing). Anderzijds dienen een aantal essentiële beleidsterreinen nader uitgewerkt te worden, zoals bijvoorbeeld wonen (hoe bijvoorbeeld te komen tot de beschikbaarheid van voldoende, betaalbare en passende woonruimte voor jongeren én ouderen óf hoe dient sloop en herbestemming te worden aangepakt maar ook leefomgeving, groen in de buurt, voorzieningenniveau e.d.), economie en
Herstel en perspectief in tijden van transitie
arbeidsmarkt (aansluiting vraag en aanbod, stimuleren nieuwe bedrijvigheid), onderwijs (bijv. hoe verloopt de ontwikkeling van het aantal basisschoolleerlingen gelet op de planning van onderwijsvoorzieningen) en gezondheidszorg en welzijn (vraag naar en aanbod van zorgvoorzieningen, mantelzorg e.d.).
Hoe kun je als gemeente aantrekkelijk blijven (worden) voor jongeren? Aan de randen van het land kampen gemeenten niet alleen met een daling van het aantal inwoners, maar ook met wegtrekkende jongeren. Ook hier geldt dat de achterliggende redenen divers (kunnen) zijn. En die redenen kennen, is wel cruciaal om daar als gemeente beleid op te kunnen voeren om jongeren te kunnen behouden (en aan te kunnen trekken). Lastig is dat elke jongere zijn of haar eigen verhaal heeft. De ene jongere gaat studeren en vertrekt daarvoor naar een stad zover mogelijk van het ouderlijk huis en met een uitgebreid cultureel- en uitgaansaanbod. De andere jongere die net is getrouwd, besluit om te verhuizen naar een veilige, groene woonomgeving waar de toekomstige kinderen in alle rust kunnen opgroeien. Zo kunnen nog vele andere motieven worden genoemd om ergens te vertrekken of om juist ergens te vestigen. Juist daarom lijkt het, niet alleen in gebieden met bevolkingsdaling, nog steeds zinvol om de focus vooral te leggen op de blijvers. Door Nederlandse experts is deze benadering wel omschreven als ‘het blijversperspectief’.77 Dat perspectief benadert de aanpak vanuit de blijvers, de gemotiveerden. Ondersteun de woonbehoefte van degenen die er al wonen, maak het voor hen mooier en gemakkelijker, biedt hen kansen. Zorg dat de blijvers trots zijn en blijven op het gebied. Zij zijn de ambassadeurs.
Dat geldt met name voor jongeren die willen blijven. Zorg dat er voor hen woningen zijn. Creëer desnoods tijdelijke woningen als de huidige woningvoorraad tekortschiet. Ga met hen in gesprek over waar ze behoefte aan hebben en voorzie daarin. Zorg dat ze niet alleen willen, maar ook kunnen blijven.78 28
Hoe kun je als gemeente aantrekkelijk blijven (worden) voor ouderen? Net zoals er push- en pullfactoren zijn voor jongeren om in een bepaalde gemeente te gaan wonen, te blijven of juist te vertrekken, zijn er ook voor ouderen push- en pullfactoren. Maar ook hier zijn die factoren divers en verschillen ze van persoon tot persoon. Het hangt af van iemands persoonlijke situatie, maar ook van zaken zoals beschikbare geschikte woningen, gezondheid, financiële middelen, familie, opleidingsniveau én de wijk waar iemand woont. Toch kan worden gesteld dat zaken als een goede bereikbaarheid, een passend woonaanbod en een adequaat zorgvoorzieningenniveau van algemeen belang zijn voor veel ouderen, zeker nu de levensverwachting stijgt. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) stelde acht domeinen vast die van belang zijn voor een gemeente waarin iemand prettig en gezond oud kan worden.79 Daarbij dient te worden gedacht aan zaken zoals bijvoorbeeld voldoende bankjes en openbare toiletten, winkels op loopafstand, gebouwen die toegankelijk zijn voor mindervaliden, OV-haltes in de buurt, bredere trottoirs, mogelijkheden in de buurt om vrijwilligerswerk te doen, toegang tot internet en internetcursussen.
Het is een open deur, maar wil je weten wat een gemeente (of wijk) aantrekkelijk maakt voor de (toekomstige) ouderen die er wonen, voer dan een onderzoek uit onder bewoners (tenzij er al relevante kennis voorhanden is). Voor wat de woningmarkt betreft, is het bijvoorbeeld van belang na te gaan of men in de huidige woning wil blijven wonen, welke aanpassingen er gedaan zouden moeten worden om de woning toekomstbestendig te maken voor de oudere (huizen drempelloos maken, aanpassen van toilet en badkamer, installeren van trapliften, installeren domotica e.d.) of dat men juist kleiner wil gaan wonen. Dat is ook van belang om te weten, omdat zo mogelijk gezinswoningen vrijkomen voor jonge gezinnen. In algemene zin zal een grotere variatie aan woningen en woontypen, met voldoende ruimte voor ‘tussentijdse’ woonvormen, en woonvormen waarin zorg een rol speelt, de aantrekkelijkheid als woongemeente (en niet alleen voor ouderen) vergroten.80
Herstel en perspectief in tijden van transitie
3 Van ondersteuning naar economisch herstel De belangrijkste economische trends (➢) en daaruit voorvloeiende opgaven (•) in dit hoofdstuk: ➢
Regionaal-economische verschillen nemen toe.
➢
Groeipotentie afhankelijk van het arbeidsaanbod en de arbeidsparticipatie.
➢
Toenemende leegstand van winkels en kantoren.
•
De aanpak van het herstelbeleid op de korte termijn moet verbonden worden met de beleidsopgaven op de lange termijn. De korte termijn aanpak richt zich op het terugbrengen van de noodzakelijke bedrijvendynamiek en het ondersteunen van het aanpassingsvermogen. Voor de (middel)lange termijn dient het herstel in het teken te staan van de transitie naar een groene, duurzame, digitale en inclusieve economie.
•
Vergroot de veerkracht van de regionale economie door het bevorderen van de arbeidsproductiviteit, het nóg beter delen van de bestaande (internationale) kennis, Leven Lang Ontwikkelen, om-, bij- en herscholing, permanente educatie, een grotere arbeidsmobiliteit, het bevorderen van cross-overs tussen gerelateerde sectoren en door te investeren in het ondernemersecosysteem.
•
Integreer het onbenutte arbeidspotentieel door met name in te zetten op betere arbeidsvoorwaarden, meer variatie in het soort arbeidscontracten, een minder hoge marginale druk, betere mogelijkheden voor vrouwen om meer te werken (minder deeltijd, meer uren) en de activering van mensen met een relatief grote afstand tot de arbeidsmarkt. 29
3.1 Economische trends en ontwikkelingen Onzekerheid over de economische gevolgen van de coronacrisis De economische ontwikkeling zal de komende tijd nog grotendeels worden bepaald door het verloop van de coronapandemie. De pandemie maakt de onzekerheid rondom economische ramingen ongebruikelijk groot. Daarom geeft het Centraal Planbureau ramingen af in de vorm van scenario’s (‘basisraming’, ‘grotere veerkracht’ en ‘nieuwe terugslag’).81 In 2020 kromp de economie met 3,7 procent om in de basisraming in 2021 grotendeels te herstellen (+ 3,2 procent) en in 2022 door te groeien met 3,3 procent. Door het afbouwen van de steunmaatregelen neemt in de basisraming de werkloosheid in 2022 toe tot 4,1 procent van de beroepsbevolking. Door de economische groei en het afbouwen van de steunmaatregelen nemen de tekorten van de overheid weer snel af en daalt de overheidsschuld.82 Door de coronacrisis zijn complete sectoren (horeca, contactberoepen, evenementen) stilgelegd en productieketens tijdelijk verstoord. Door de lockdown, door het verlies aan inkomen én door de voortdurende onzekerheid is de vraag naar niet-essentiële goederen en diensten, vooral in 2020, sterk gedaald.83 Ook stelden bedrijven investeringen uit.
Supermarkten (Ahold, Jumbo, e.a.), thuisbezorgers (Just Eat Takeaway, Bol.com, PostNL, e.a.), fietsenmakers, de doe-het-zelfbranche en de techbedrijven (Amazon, Google, Netflix, ASML, e.a.) profiteerden juist van de situatie. De sectorprognoses van de Rabobank laten zien dat de horeca, vervoer & opslag en de overige zakelijke diensten het hardst door de coronacrisis worden geraakt.84 De bouw kende in 2020 nauwelijks krimp, maar vanwege het lage aantal tenders en de weinige bouwvergunningen wordt toch een krimp in 2021 verwacht.85
Herstel en perspectief in tijden van transitie
Regionaal-economische verschillen nemen toe Hoewel de Nederlandse economie in 2021 er weer bovenop lijkt te komen, verschillen volgens prognoses van Raboresearch de economische groeicijfers per regio.86 De sectorstructuur is daar een belangrijke verklaring voor. De regio’s Groot-Amsterdam en Zuidoost-Brabant (Brainport Eindhoven) laten naar verwachting groeicijfers zien van tegen de drie procent. Groot-Amsterdam dankt dat, volgens de onderzoekers van Raboresearch, aan een zeer gunstig vestigingsklimaat.87 Zuidoost-Brabant profiteerde de jaren voor de coronacrisis van gunstige regionale omstandigheden en doet dat dit jaar waarschijnlijk weer. Ook het grote aandeel van de industrie, die naar verwachting een bovengemiddelde groei zal laten zien (net als de horeca, de zorg, transportsector en informatie en communicatie), heeft een positieve invloed. Ook de regio’s Zuid-Limburg, Zuidwest-Friesland en Zuidwest-Overijssel zijn alle drie regio’s met veel industrie die naar verwachting profiteren van het herstel in deze sector.88 Regio’s die volgens de verwachtingen lagere prognose laten zien, zijn onder meer IJmond en Delfzijl en omgeving. Hoewel het typische industriegebieden zijn, en daarmee een gunstige economische structuur hebben, zorgt een minder gunstig ondernemingsklimaat voor de lage groeiverwachting.
Het minder gunstige ondernemersklimaat hangt samen met het niet op orde zijn van zaken, zoals de toekomstbestendigheid van bedrijventerreinen, de nabijheid van kennisinstellingen, de kwaliteit van de beroepsbevolking, een gunstig leefklimaat en een goede bereikbaarheid. Dit geldt ook voor de andere regio’s (met een relatief gunstige economische structuur) maar met een lage prognose: Leiden en Bollenstreek, Noord-Friesland, Zaanstreek, Zuidoost-Zuid-Holland en Zuidwest-Drenthe. De regionale verschillen kunnen het gevolg zijn van verschillen in de aard van economische activiteiten (de sectorstructuur), maar ook van factoren zoals de ligging, de nabijheid van kennisinstellingen en de 30
aantrekkelijkheid van de woon- en werkomgeving (het ondernemerschapsklimaat). Onderzoek wijst uit dat de regionale economische ontwikkeling voor een groter deel wordt bepaald door het regionale ondernemerschapsklimaat, dan door de economische structuur.89 De beleidsimplicatie die hiervan uitgaat, is dat nationale én regionale beleidsmakers zich (meer) zouden moeten richten op regionale factoren die van belang zijn voor de economische ontwikkeling.
Begrotingstekorten en toenemende staatsschuld: stimulans of hinderpaal? De val van het Nederlandse bruto binnenlands product (BBP) was fors, maar in vergelijking met andere Europese landen viel het mee.90 De overheidsmaatregelen om de economie te steunen, droegen zeker bij aan de relatief beperkte daling, maar of het ook faillissementen en werkloosheid kan voorkomen op de middellange termijn is onzeker. De overheid kan ook niet eindeloos blijven doorgaan met ondersteuningsmaatregelen, zoals bijvoorbeeld de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) en de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (TOZO). Volgens het Centraal Planbureau loopt het overheidstekort – als gevolg van de zeer omvangrijke steunmaatregelen en de recessie − in 2021 op tot 5,9 procent van het BBP. De overheidsschuld neemt daardoor toe van 54,5 procent van het BBP in 2020 tot 58 procent van het BBP in 2021 om − vanwege het economisch herstel en het afbouwen van de steunpakketten in het najaar van 2021 − in 2022 af te nemen tot 56,3 procent van het BBP.91 Het begrotingstekort en de toenemende staatsschuld roepen verschillende reacties op.
Het Centraal Planbureau, de ambtelijke Studiegroep Begrotingsruimte92 en De Nederlandsche Bank adviseren de steun af te bouwen en hameren op begrotingsdiscipline mede om de oplopende zorguitgaven en de kosten van de duurzaamheidstransitie te kunnen financieren, en om de lasten niet naar de toekomst door te schuiven. Werkgevers en vakbonden roepen in een open brief op om de komende jaren juist niet te bezuinigen, door te gaan met de steunmaatregelen en te investeren in ‘brede welvaart’.93 Voor
Herstel en perspectief in tijden van transitie
beide standpunten valt wat te zeggen. De lage (zelfs negatieve) rente en hogere inflatie zorgen ervoor dat er wat minder zorgelijk naar het begrotingstekort en staatsschuld gekeken kan worden, zeker gelet op het gegeven dat niet wordt verwacht dat de rente op korte termijn zal stijgen.94 Dit biedt mogelijkheden om te investeren in brede welvaart.95 Verwacht kan worden dat het nieuwe kabinet niet extra zal bezuinigen of de lasten zal verhogen. Het crisisbeleid kan geleidelijk worden afgebouwd zodra de economie weer op eigen benen staat. Zo wordt ook voorkomen dat de overheidsfinanciën structureel worden belast.96
Uiteenlopende gemeentelijke werkgelegenheidsontwikkeling Onderstaande tabel 3.1 toont de ontwikkeling van het aantal banen voor de gezamenlijke G4-, G40- en M50-gemeenten tussen 2000 en 2019. Daarmee zijn de effecten van corona in 2020 en 2021 nog niet zichtbaar te maken. De gezamenlijke G40- en M50-gemeenten laten in de periode 2000 tot 2019 vergelijkbare groeipercentages zien als het om banen gaat. Wel was de banengroei in de G4gemeenten hoger. Ook was de banengroei in kleinere gemeenten (‘rest van Nederland’) groter dan in de G40- en M50-gemeenten. Tabel 3.1 Ontwikkeling van het aantal banen in aantal en toename in procenten 2000-2019 Aantal banen 2000
2019
Groei in procenten
G4
1.200.350
1.632.491
36
G40
2.443.100
2.906.105
19
M50
875.746
1.035.839
18
Rest van Nederland
2.629.116
3.317.900
26
Nederland
7.148.312
8.892.335
24
31
Bron: eigen berekeningen op basis van LISA-data (www.lisa.nl/data).
De verschillen binnen de G40-gemeenten zijn groot (zie figuur 3.1). In de gemeenten Almere (+ 83 procent) en Lelystad (+ 42 procent) groeiden het aantal banen tussen 2000 en 2019 het sterkst. Terwijl in de gemeenten Heerlen en Sittard-Geleen juist sprake was van een lichte daling van het aantal banen. Ook binnen de M50-gemeenten zijn grote verschillen te zien (zie figuur 3.2). In de gemeenten Barendrecht en Pijnacker-Nootdorp groeiden het aantal banen zeer sterk (respectievelijk + 130 procent en 96 procent) terwijl in Leidschendam-Voorburg en Rijswijk sprake was van een aanzienlijke negatieve groei.97
Groeipotentie afhankelijk van arbeidsaanbod en arbeidsparticipatie De netto arbeidsparticipatie, het werkende deel van de bevolking van 15 tot 75 jaar, steeg tussen 2010 en 2020 van 66,7 procent naar 68,4 procent. Wel zijn er tussen gemeenten grote verschillen te zien. In de gemeente Delft daalde de netto arbeidsparticipatie bijvoorbeeld met 2,4 procentpunt tussen 2010 en 2020 (van 66,7 naar 64,3 procent) en ook de gemeente Groningen zag de netto arbeidsparticipatie met één procentpunt in dezelfde periode dalen (van 66,4 naar 65,4 procent). In de gemeenten Oss (+4,8 procentpunt) en Sittard-Geleen (+3,9 procentpunt) steeg de netto arbeidsparticipatie juist vrij stevig. Tussen 2010 en 2020 nam de netto arbeidsparticipatie vooral toe bij vrouwen, en het sterkst onder de groep 55-65-jarige vrouwen. Ook bij mannen in dezelfde leeftijdsgroep was er sprake van een sterke stijging. Voor mannen tussen 25 en 45 jaar was de arbeidsdeelname opmerkelijk genoeg in 2020 lager dan in 2010.98
Herstel en perspectief in tijden van transitie
Figuur 3.1 Banenontwikkeling 2000-2019 G40-gemeenten99
32
Figuur 3.2 Banenontwikkeling 2000-2019 M50-gemeenten
Herstel en perspectief in tijden van transitie
Beleid gericht op het vergroten van het arbeidsaanbod en het aantrekkelijker maken van werken, is goed voor de economische groei en kan de krimp van de potentiële beroepsbevolking deels opvangen. Internationaal onderzoek laat zien dat méér arbeidsaanbod – in tegenstelling tot wat veel mensen intuïtief verwachten – op de lange termijn niet tot een hogere werkloosheid leidt. Er is geen vaste hoeveelheid werk. De arbeidsmarkt is geen vol café met een rij wachtenden waarbij pas iemand het volle café binnen kan gaan als iemand anders vertrekt. Zo heeft de enorme toename van arbeidsparticipatie van vrouwen in de jaren negentig van de vorige eeuw geleid tot hoge economische groei en meer werkgelegenheid, zonder dat de werkloosheid onder mannen of jongeren steeg. 100 Voor de toekomst kan het arbeidsaanbod aanzienlijk toenemen als deeltijdarbeid in Nederland minder populair wordt.101 Kortom, de hoeveelheid banen ligt niet vast in een regio, maar hangt af van het aantal mensen dat zich aanbiedt op de arbeidsmarkt, de regelgeving, de vormgeving van de instituties en of werken loont.102
Achterblijvende arbeidsproductiviteitsontwikkeling Voor de economische groei per hoofd van de bevolking wordt de arbeidsproductiviteit als de enige permanente bron van groei gezien. De groei van de arbeidsproductiviteit laat sinds 2009, na het uitbreken van de kredietcrisis, lagere waardes zien en in de jaren 2016, 2018 en 2019 zelfs negatieve waardes. Oorzaak van deze afname was dat de ingezette hoeveelheid arbeid en kapitaal niet snel genoeg kon worden aangepast aan de teruggevallen vraag, iets wat aan het begin van een crisis vaker te zien is.103 Maar ook worden als oorzaken voor de lage groei van de arbeidsproductiviteit de groei van het aantal zelfstandigen en de afnemende investeringen in kapitaalgoederen genoemd.104 Wat de doorwerking van de coronacrisis op de arbeidsproductiviteit op langere termijn zal zijn, is onzeker.105 Dat zal grotendeels afhangen van hoe snel de investeringen weer zullen aantrekken. Als dat wat langer duurt, leidt dat waarschijnlijk tot een nog lagere trendmatige stijging van de arbeidsproductiviteit. En met
33
de ontgroening, de vergrijzing, het grote dienstenaandeel in de economie en met de relatief grote omvang van de flexibele arbeid en het aantal zzp’ers is het verre van eenvoudig om de arbeidsproductiviteitsontwikkeling op een substantieel hoger niveau te krijgen. Door de coronapandemie is wel de rol van digitalisering in de economie toegenomen. Zo wordt door sommigen beweerd dat dankzij de inzet van digitale technologieën de daling van het bruto nationaal product (BNP) in 2020 een stuk minder laag is uitgevallen dan zonder deze technologieën het geval zou zijn geweest.106 Indien wordt ingezoomd op de arbeidsproductiviteit naar regio is te zien dat die het hoogst is in de Randstad en Zuidoost-Brabant. Ook in Zuid-Limburg, West-Brabant en Delfzijl en omgeving is de arbeidsproductiviteit, dankzij de concentratie van procesindustrie, hoog. In het dunbevolkte noordoosten van het land en in Zeeland is de arbeidsproductiviteit relatief laag.107
Structurele, langdurige leegstand van kantoren en winkels: hernieuwde inrichting van de binnensteden noodzakelijk In Nederland is er al jarenlang sprake van een toenemende leegstand onder kantoren en winkels. De toenemende winkelleegstand is het gevolg van onder andere online shopping. Op 1 september 2020 bedroeg de winkelleegstand in binnensteden 13,2 procent. Daarmee is de winkelleegstand in binnensteden bijna twee keer zo hoog als daarbuiten.108 De winkelleegstand treft niet elke stad in gelijke mate. Met name buiten de Randstad is er veel leegstand. In steden als Haarlem, Amsterdam en Utrecht is de winkelleegstand in de periode 2014-2019 zelfs gedaald. Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) ligt de kantorenleegstand in de binnensteden iets onder het niveau van de winkelleegstand en lijkt de trend gunstiger dan bij de winkels.109 De leegstand voor wat betreft de kantorenmarkt concentreert zich in de Randstad, in het bijzonder rondom Amsterdam en in het
Herstel en perspectief in tijden van transitie
Rijnmondgebied. Buiten de binnensteden is de leegstand hoger. Door een toename van het thuiswerken zal de leegstand van kantoren waarschijnlijk toenemen. Vooral kantoren aan uitvalswegen van steden en aan snelwegen. De structurele winkelleegstand neemt nog steeds toe en zal naar verwachting door de veranderende economie niet snel veranderen. Integendeel, na het aflopen van de steunmaatregelen, krijgen de binnensteden naar verwachting harde klappen. Het PBL voorspelt dat het aantal lege winkelmeters in de hoofdstraten begin 2022 met ruim 40 procent toeneemt, van 13,2 procent in oktober 2020 naar 19 procent begin 2022.110 Ook wat impact betreft, zijn er belangrijke verschillen tussen binnensteden: juist de sterkere binnensteden krijgen de hardste klappen. Veruit de grootste verwachte relatieve toename van de winkelleegstand vindt plaats in Amsterdam (ruim 150 procent), waarmee de hoofdstad op 14,6 procent winkelleegstand komt. Daarna volgen Groningen, Delft en Haarlem met een toename van ruim 80 procent.111 De minste relatieve groei in winkelleegstand wordt verwacht in Heerlen, Roosendaal en Roermond, maar deze binnensteden hadden al een ongunstige uitgangssituatie. Het gevolg van de toenemende leegstand is dat de functie van binnensteden als huiskamer en ontmoetingsplek voor inwoners van de stad en omliggende regio achteruitgaat.
Het PBL kwam tot drie belangrijke aanbevelingen voor die gevallen waarin leegstand een maatschappelijk probleem is: voorkom een te groot aanbod aan vastgoed, faciliteer de transformatie naar kansrijker functies en werk profiel- en gebiedsgericht.112 In verband met de coronacrisis voegt het PBL hier nog twee aanbevelingen aan toe: gebruik deze situatie om andere beleidsdoelstellingen in de leefomgeving te versnellen en beheers de onzekerheid door goed te monitoren en met scenario’s te werken.113 Prognoses over de ontwikkeling van de leegstand van kantoren hangen voor een belangrijk deel samen met aannames rond het thuiswerken. Als medewerkers structureel meer op andere plekken gaan 34
werken en zelf hun kantoordagen kiezen, loopt de leegstand op van 8,5 procent nu naar maximaal 11 procent in 2024.114 Verwacht wordt dat de populaire stadscentra in de vijf grootste steden en toplocaties er het minst van zullen merken. De steden Arnhem, Den Bosch, Groningen, Breda, Zwolle, Leeuwarden, Hilversum, Apeldoorn, Tilburg en Leiden scoren niet veel slechter dan de vijf grootste steden. Ze hebben een sterke regionale aantrekkingskracht op bedrijven en zijn daardoor beter bestand tegen een crisis. De mindere locaties binnen de vijf grote steden en hun randgemeenten (kantorenparken langs snelwegen) zullen de klappen krijgen, zoals bijvoorbeeld de Plaspoelpolder in Rijswijk, Flight Forum in Eindhoven en Goudse Poort in Gouda.115 In deze gebieden kunnen grootschalige gebiedstransformaties, die vaak al gepland stonden, versneld worden uitgevoerd.
De verdere opmars van robots, automatisering en kunstmatige intelligentie Van robotisering was in Nederland tot voort kort weinig sprake, zeker in vergelijking met een aantal andere Europese landen. Nederland maakte echter in de afgelopen vijf tot tien jaar een grote inhaalslag. Tussen 2013 en 2018 was de groei van het aantal robots beduidend groter dan gemiddeld in Europa. Door deze relatief sterke groei behoort ons land inmiddels tot een van de meest gerobotiseerde landen in de wereld. Recent lijkt de groei van robots in ons land weer af te vlakken en de verwachting is dat de groei van robotisering door de coronacrisis verder vertraagd wordt.116 Naar verwachting zijn er in Nederland vooral kansen voor het Nederlandse MKB in mobiele robots en drones. In deze toepassingen heeft geen enkel land of regio op dit moment een voortrekkersrol en Nederland zou zich hierin uitstekend kunnen positioneren. Het vakgebied vergt namelijk krachtige multidisciplinaire samenwerking (technisch, juridisch, commercieel) waar Nederlanders goed om bekend staan.117 Wat het totale effect op de arbeidsmarkt is, blijft onduidelijk.
De meeste empirische studies laten zien dat robotisering tot een afname van de werkzekerheid voor werkenden leidt.118 Concreet betekent dat een verdere robotisering leidt tot een grotere kans op ontslag, of voor jongeren dat zij een kleinere kans hebben op het vinden van werk. Veel experts geven in elk geval aan dat de komende decennia met
Herstel en perspectief in tijden van transitie
name administratieve (middenklasse) banen verloren gaan door robotisering, automatisering en slimme software. De vraag naar hoog- en laagopgeleide banen trekt waarschijnlijk juist aan. Wat de gevolgen ook zullen zijn, de komende jaren zal er fors worden geïnvesteerd in technologische ontwikkeling en in de transitie naar een circulaire economie. Zo verdubbelen in Nederland de komende vijf jaar de bestedingen aan technologie en diensten rondom kunstmatige intelligentie (zoals zelfrijdende auto’s, chatbots voor klantenservice en digitaal lesmateriaal dat is afgestemd op individuele leerlingen) naar 3,2 miljard euro. Kunstmatige intelligentie biedt de grootste kansen binnen de IT-sector en in de financiële en de zakelijke diensten.119
Wendbaar en weerbaar De economie verandert en daarmee het speelveld waarbinnen het bedrijfsleven opereert. Internationalisering en technologische ontwikkeling zijn trends die hun invloed vanzelfsprekend doen gelden en dat geldt ook voor bijvoorbeeld de aandacht voor sociaal ondernemerschap, digitalisering en verduurzaming. Een andere trend die al langer gaande is − de toename van het aantal flexwerkers (d.w.z. het aantal werknemers met een flexibele arbeidsrelatie en zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) − lijkt om te slaan. Tussen 2003 en 2019 namen het aantal flexwerkers toe van 1,1 miljoen naar 1,9 miljoen, maar tussen 2019 en 2020 daalde het aantal fors, namelijk met 200.000.120 Hoe deze cijfers zich de komende jaren ontwikkelen, is onduidelijk. Als het aan de Commissie Borstlap ligt, zal de omvang van het flexwerk flink worden beperkt.121 Volgens die commissie remt de enorme hoeveelheid flexwerk de economische groei af. De commissie vindt ook dat er een te grote kloof bestaat tussen mensen met een vast en tijdelijk contract. Daarom zouden flexwerkers en uitzendkrachten dezelfde arbeidsvoorwaarden moeten krijgen als vaste medewerkers. Begin juni van dit jaar presenteerde de Sociaal-Economische Raad (SER) een ‘middellangetermijnadvies’ aan het nieuwe kabinet.122 Met dit
35
advies hopen werkgevers- en werknemersorganisaties invloed uit te oefenen op het regeerakkoord. De SER wil de oorzaken van de problemen op de arbeidsmarkt (zoals een toegenomen onzekerheid, ongelijkheid en ontevredenheid) aanpakken door flink te investeren in zogenoemde ‘brede welvaart’, bijvoorbeeld in sectoren als zorg en onderwijs, maar ook in digitalisering en omscholing. Het advies is grotendeels in lijn met het adviesrapport van de Commissie-Borstlap. Terwijl het rapport van de Commissie-Borstlap pleit voor een gelijker speelveld op de arbeidsmarkt en daar verschillende aanbevelingen toe doet, ziet het bedrijfsleven zich in toenemende mate geconfronteerd met een wereld waarin productieprocessen steeds sneller veranderen en het benutten en toepassen van bestaande kennis en het ontwikkelen van nieuwe diensten en producten een permanent proces is (zeker voor een open economie als Nederland). Bedrijven worden kennisintensiever, de kenniscirculatie neemt toe en daarmee het belang van een lerende economie. Er wordt steeds meer gevraagd van werknemers. Snelheid en flexibiliteit zijn de sleutelfactoren. Iedereen dient wendbaar te zijn en tegelijkertijd ook weerbaar in een tijdperk van disruptieve nieuwe economische organisatievormen als Airbnb, Uber e.d.
Bijna de helft van de werkenden in Nederland ervaart een gebrek aan autonomie, 38 procent van de werkenden zegt vaak of altijd snel te moeten werken om het werk af te kunnen krijgen en er is sprake van een toenemend aantal mensen met burnoutklachten (17,5 procent in 2018). De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) stelt dat technologisering, flexibilisering en intensivering van werk de kwaliteit van werk onder druk zetten. 123 Zij geven drie belangrijke condities voor goed werk: 1.
Grip op geld. Goed werk is werk dat voldoende (financiële) zekerheid oplevert, ook in verhouding tot anderen en op de lange termijn.
Herstel en perspectief in tijden van transitie
2.
Grip op het werk. Goed werk is werk met een zekere vrijheid, waarbij een beroep wordt gedaan op onze capaciteiten en goede sociale relaties worden onderhouden.
3.
Grip op het leven. Goed werk is werk met voldoende tijd en ruimte om het te combineren met zorgtaken en een privéleven.
3.2 Opgaven, kansen, denk- en oplossingsrichtingen Van ondersteuning naar herstel Hoewel de vaccinatiegraad geleidelijk oploopt, de contactbeperkingen worden afgeschaald en het vertrouwen van huishoudens en ondernemers stijgt, blijft er onzekerheid bestaan. Er kan immers niet worden uitgesloten dat het aantal coronabesmettingen weer zal toenemen als gevolg van bijvoorbeeld een nieuwe variant. Niettemin is nationaal en internationaal de aandacht aan het verschuiven van ondersteuning van het bedrijfsleven naar herstel en transitie van de economie. 124 Het Centraal Planbureau en de Vereniging Nederlandse Gemeenten geven aan dat de aanpak (van het herstelbeleid) op de korte termijn moet worden verbonden met de beleidsopgaves op de langere termijn.125 De korte termijn aanpak richt zich op het terugbrengen van noodzakelijke bedrijvendynamiek en het ondersteunen van het aanpassingsvermogen (en indien nodig gerichte vermindering van de schuldenlast). De beleidsopgaven op de lange termijn liggen op het terrein van de arbeidsmarkt, klimaat en leefomgeving, stikstof, verduurzaming van (verouderde) bedrijfsterreinen, wonen en kansenongelijkheid in het onderwijs. Ook het belang van digitalisering dient te worden benadrukt. 126 36
Digitale voorlopers in het mkb zijn minder hard geraakt door de coronacrisis, dan de digitale achterblijvers en komen sterker uit de crisis. In verschillende landen zijn al bredere digitale pakketten gelanceerd om een sterkere digitale infrastructuur op te bouwen. Zo wordt het mkb geholpen om processen te vereenvoudigen, administratieve kosten te verlagen en de naleving van de regelgeving te verbeteren. Belangrijk aandachtspunt is dat er in Nederland op dit moment sprake is van een geschat tekort van 70.000 software engineers en dat voor de coronacrisis Nederland in het online aanbieden van producten en diensten in Europa op de achttiende plaats stond. Terwijl maar 21 procent van de mkb’ers digitaal diensten en producten en diensten aanbood.127 Het herstel dient in het teken te staan van de transitie naar een groene, duurzame, digitale en inclusieve economie.128 Daarin is innovatie essentieel. Innoveren vindt plaats in de regio, d.w.z. daar waar bedrijven, wetenschappers, talent en maatschappelijke organisaties elkaar ontmoeten. Indien regio’s over een hoger niveau van innovatief vermogen beschikken, kunnen zij hun groeipotentieel vergroten en kan de welvaart in brede zin van bewoners worden vergroot.
129 Bekend is echter dat er op lokaal en regionaal niveau veel partijen actief zijn op de ondersteuning en vernieuwing van het (brede) mkb, dat al die partijen ook veel goede dingen doen, maar dat samenhang ontbreekt.130 Het ondersteuningsaanbod komt daardoor versnipperd bij het mkb terecht. Ook wordt vaak vanuit het aanbod gehandeld in plaats vanuit de vraag- en ondersteuningsbehoefte van ondernemers. Lokale en regionale partijen staan daarom voor de opgave om synergie aan te brengen in hun inzet richting het bedrijfsleven. Daarbij zijn de gemeenten in de coronacrisis dichterbij ondernemers komen te staan en heeft de ondernemersdienstverlening een impuls gekregen.131 De laatste jaren zijn de financiële mogelijkheden en is de kennispositie van decentrale overheden onder druk komen te staan. Het is van belang om de verbeterde ondernemersdienstverlening tijdens de coronacrisis te bestendigen, te zorgen voor meer evenwichtige steun aan alle regio’s (zodat de inspanningen van decentrale overheden effectiever worden) en in te zetten op meer Rijkscoördinatie gericht op het verbeteren van de
Herstel en perspectief in tijden van transitie
samenhang en verbinding tussen regio’s en tussen nationale en regionale opgaves en beleidsinspanningen.132 Het Rijk werkt aan de ontwikkeling van een nieuwe generatie maatschappijgedreven innovatiebeleid. Het Rathenau Instituut pleit ervoor dat dit wordt vergezeld van een nieuwe sturingsfilosofie met bijpassende nieuwe instrumenten.133 De kunst is om de innovatiedynamiek op lokale schaal te bevorderen en te benutten voor maatschappelijke impact op grotere schaal. Daarom is het van belang dat het Rijk stimuleert dat er meer en betere lokale experimenten en innovatieprojecten worden opgezet. Het Rijk zal samen met provincies, gemeenten en intermediaire organisaties de aandacht nog meer moeten richten op opschaling en versnelling van transitieopgaven en sleuteltechnologieën, zoals artificial intelligence, bioscience, fotonica, quantum- en nanotechnologie, et cetera.
Om-, her- en bijscholing: de sleutel voor economisch succes Hoewel de werkloosheid als gevolg van de coronacrisis nog opvallend laag blijft, wordt verwacht dat deze gaat oplopen zodra de steunmaatregelen van de overheid worden afgebouwd en beëindigd. Veel bedrijven hebben het zwaar en moesten fors interen op hun reserves. De kans is groot dat een deel van de bedrijven zal moeten stoppen of failliet gaat. McKinsey schat dat door de coronacrisis 10 tot 35 procent meer werkenden voor 2030 op zoek moeten gaan naar een andere baan.134 Het betreft dan vooral de zwaksten op de arbeidsmarkt, zoals laagopgeleiden, minderheden, vrouwen en jongeren. Het aantal werkenden dat de stap moet zetten naar een heel ander beroep groeit gemiddeld met 12 procent ten opzichte van de verwachtingen vóór corona. Het gaat daarbij om lager betaalde banen (kantoorbediendes, kassamedewerkers en keukenhulpen) waar steeds minder vraag naar is. McKinsey verwacht dat één op de zestien werkenden voor 2030 van beroep moet wisselen. Door bij-, her- en omscholing kunnen degenen die hun baan (dreigen te) verliezen een nieuwe
37
toekomst krijgen in booming sectoren, zoals vitale beroepen, de energietransitie en de transitie naar een circulaire economie. Leven lang ontwikkelen (LLO) – oftewel continue her-, bij- en omscholing wordt al decennialang door verschillende kabinetten als noodzakelijk gezien om veranderingen op de werkvloer bij te benen. En toch heeft LLO nog niet echt voet aan de grond gekregen. 135 Ook tijdens en na de financiële- en economische crisis die in 2008 startte, was er aandacht voor her-, bij- en omscholingstrajecten. Ondanks dat ook toen iedereen er het belang van zag, werden er weinig stevige stappen gemaakt. Door de coronacrisis dient zich een nieuwe gelegenheid aan om nu wel tot een doorbraak te komen en her-, bij- en omscholing hoog op de agenda’s van overheden, bedrijfsleven en onderwijsinstellingen te plaatsen. En dat is nodig, want sectoren als de techniek, de zorg, ICT, logistiek en het onderwijs schreeuwen om personeel, terwijl het aantal werkenden in kwetsbare beroepen en sectoren onder druk staat. Werknemers in zwaar getroffen sectoren, zoals de cultuur- en de luchtvaartsector, zien nu ook dat omscholing noodzakelijk is om weer aan het werk te komen. 136 Bij-, her- en omscholing vergroot ook de intersectorale (regionale) mobiliteit.
Daarvoor zijn transitiefondsen en -instrumenten nodig die ‘over de sectoren heen gaan’ in plaats van scholings- en ontwikkelingsfondsen per sector.137 Positief is dat er in de Rijksbegroting 2021 veel aandacht uitgaat naar omscholing en (loopbaan)ontwikkelingsadviezen. Zo zijn er de stimuleringsmaatregelen (SLIM, Nederland leert door) die scholing en een leven lang ontwikkelen (LLO) stimuleren. 138 In meer algemene zin is het aan te bevelen in te zetten op het bevorderen van de arbeidsproductiviteitsontwikkeling (onderzoek, ontwikkeling, permanente educatie en nóg beter delen van de bestaande (internationale) kennis) als motor van duurzame groei van het regionaal inkomen per hoofd. Vergroot de veerkracht van de regionale economie, de bedrijven en de beroepsbevolking door kennisdeling, gevarieerd en goed onderwijs, permanente educatie, om-, bij- en herscholing, een grotere arbeidsmobiliteit, een betere werking van de arbeidsmarkt en het bevorderen van cross-overs tussen gerelateerde sectoren.139 In de Entrepreneurial Ecosystem-benadering wordt de economie gezien als
Herstel en perspectief in tijden van transitie
een dynamisch netwerk waarbinnen ondernemerschap het proces is waarbij individuen kansen zien en nieuwe waarde genereren. Of dat lukt, is afhankelijk van de kracht van het ‘ecosysteem’. Het ecosysteem voor ondernemerschap bestaat uit tien elementen, variërend van de kwaliteit en efficiëntie van governance tot de toevoer en toegankelijkheid van kapitaal.140 Gemeenten spelen in dit alles vanzelfsprekend een belangrijke rol, maar een regionale aanpak (op bijvoorbeeld het niveau van het daily urban system) ligt meer voor de hand.141
Integreren van het onbenutte arbeidspotentieel in de reguliere arbeidsmarkt Personen die óf recent zochten naar werk óf direct beschikbaar zijn voor werk worden gerekend tot het onbenut arbeidspotentieel. Ook werklozen (met een werkloosheids- of bijstandsuitkering) behoren hier (deels) toe. Ook deeltijders die meer uren willen werken en daarvoor direct beschikbaar zijn, maken onderdeel uit van het onbenut arbeidspotentieel.142 Het onbenut arbeidspotentieel bestond in het eerste kwartaal van 2013 nog uit ruim 1,7 miljoenen personen. Inmiddels (in het vierde kwartaal van 2020) bestaat het uit ruim 1,1 miljoen personen, wel 57.000 meer dan een jaar eerder.143 Het gegeven dat er enerzijds een onbenut arbeidspotentieel is van ruim 1,1 miljoen personen en anderzijds een grote vraag naar vakbekwaam personeel in een aantal groeiende sectoren (zorg, techniek, ICT) geeft aan dat er een kwalitatieve mismatch is tussen vraag naar en aanbod van arbeid.144 Hoe breng je vraag en aanbod beter bij elkaar? Uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt dat de Participatiewet voor de ‘klassieke’ bijstandsgerechtigden nauwelijks tot verbeteringen heeft geleid.145 Het aantal bijstandsgerechtigden is momenteel 100.000 personen hoger dan in 2010.146 Gemeenten zetten zich (vanwege de schaarse middelen) over het algemeen vooral in voor personen die een korte afstand tot de arbeidsmarkt
hebben. Die zijn immers makkelijker naar werk 38
te begeleiden en daarmee kan op korte termijn de uitkeringslast verminderen. Het gevolg is dat mensen die een grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben aan hun lot worden overgelaten en jaren, en misschien wel levenslang, in de bijstand blijven. Naast de kosten die het met zich meebrengt, verdwijnt ook het grote onbenutte potentieel uit het oog. Met het oog op een krimpende beroepsbevolking is dit een gevoelig verlies. Hoewel de meest recente cijfers een daling van het aantal werklozen laat zien (ondanks de coronacrisis), blijft de toekomst onzeker. Gemeenten moeten geducht zijn voor de reflex om middelen in te zetten op de quick wins: personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt. Vaak vinden zij (met minimale aanmoedigingen) hun weg wel. Om de re-integratie het meest effectief te laten zijn, kan het beste ingezet worden op de activering voor mensen met een relatief grote afstand tot de arbeidsmarkt.147 Deze profiteren het meest van de activering. Wel zijn de kosten van de intensieve begeleiding, het maatwerk en de zeer kleine stapjes hoog per activeringstraject. Maar hiermee voorkomen we dat we over een aantal jaren met een nog groter granieten bestand zitten. Bemoedigend is dat er tijdens de coronacrisis door gemeenten verschillende initiatieven zijn ontplooid om vraag en aanbod tijdelijk te matchen. Een voorbeeld is het landelijk initiatief ‘De Seizoenarbeiders’.
In Gelderse gemeenten steekt horecapersoneel asperges, en helpen zzp’ers bij de verwerking van Tozo-aanvragen.148 Met de website www.wijhelpengraag.nu worden creatieve professionals uit de evenementenbranche gekoppeld aan andere sectoren.149 Gemeenten kunnen deze initiatieven ondersteunen door bijvoorbeeld dit soort bemiddelingsplatforms (meehelpen) in te richten. Ook kunnen zij hun eigen kaartenbak induiken en bijstandsgerechtigden motiveren (door bijvoorbeeld cadeaubonnen uit te reiken) om in te springen bij ondernemers die door de crisis, of na de crisis, met een tekort aan personeel te maken hebben.
Herstel en perspectief in tijden van transitie
Zet in op werkzame instrumenten voor uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt Voor de mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt zijn vele instrumenten en aanpakken beschikbaar om hen te begeleiden richting een reguliere, betaalde baan. Zo toont bijvoorbeeld onderzoek aan dat loonkostensubsidies effectief zijn om werkgevers te verleiden mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen.150 Ander (ouder) onderzoek laat zien dat loonkostensubsidies niet altijd effectief zijn als het gaat om directe doorstroming naar reguliere arbeid, maar wel wanneer loonkostensubsidies tijdelijk worden ingezet als opstap naar en met uitzicht op een ‘echte’ baan (juist vooral voor mensen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt).151 De effectiviteit van de inzet van loonkostensubsidies is verder te vergroten als die hand in hand gaan met een goede begeleiding en/of functiegerichte scholing. In Nederland hebben grofweg 2,5 miljoen mensen moeite met lezen en/of schrijven. Vaak hebben zij ook moeite met digitale vaardigheden.