CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-05-28 RIB Voortgang toeslagenaffaire - Beleidsregels Bijzondere Bijstand.pdf

Commissie Samen leven RK 1 september 2021, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 10: Ter kennisneming: raadsinformatiebrieven10.092 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In het geval het college de woonkostentoeslag niet verlengt na 12 maanden door onvoldoende inspanningen kan bij zeer bijzondere omstandigheden de bijzondere bijstand met maximaal 6 maanden worden verlengd in de vorm van een lening als bedoeld in artikel 48 lid 2 onder b van de wet (tekortschietend besef van verantwoordelijkheid).

d) De woonkostentoeslag wordt berekend overeenkomstig de berekening van de huurtoeslag. e) De woonkostentoeslag voor de woonkosten boven de maximale huurgrens bedraagt 100%. 4.15 Verhuiskosten divers Het gaat om kosten die direct verband houden met de verhuizing. Voorbeelden zijn: opknapkosten, transportkosten van de inboedel en aansluitkosten van nutsvoorzieningen. Deze kosten worden aangemerkt als incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Beleidsregels Bijzondere Bijstand Ridderkerk 2021 18

De Wmo 2015 kan voor de Participatiewet gelden als een voorliggende toereikende en passende voorziening. Ondervindt de belanghebbende bijvoorbeeld beperkingen in het normale gebruik van de woning (zelfredzaamheid) waardoor de verhuizing noodzakelijk is, dan wordt de Wmo 2015 als toereikende en passende voorliggende voorziening worden aangemerkt. Renovatie Ook kan de Regeling minimumbijdrage verhuis- en inrichtingskosten bij renovatie gelden als voorliggende voorziening. Op grond van deze regeling kan een tegemoetkoming worden verkregen. Werkgever Kan belanghebbende krachtens de CAO of een individuele arbeidsovereenkomst aanspraak maken op een tegemoetkoming in verhuiskosten door de werkgever, dan geldt dat als voorliggende voorziening. 4.16 Eerste maand huur en administratiekosten Het gaat om de kosten van de eerste maand huur en de (volledige) kosten in verband met het aangaan van de huurovereenkomst (administratie-, aktekosten of waarborgsom). Deze kosten worden aangemerkt als incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Dat betekent dat het voorzienbare kosten zijn waarvoor de reserveringsplicht geldt. Een uitzondering kan gelden voor bijvoorbeeld zogeheten vergunninghouders. De Wet op de huurtoeslag kan niet in alle gevallen als voorliggende voorziening worden aangemerkt omdat de huurtoeslag wordt verleend met ingang van de eerste van de maand.

Vorm De bijzondere bijstand voor de waarborgsom wordt altijd in de vorm van een lening verstrekt. 4.17 Duurzame gebruiksgoederen Omschrijving kosten De kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten. Voorbeelden hiervan zijn: wasmachine, koelkast, huisraad en vloerbedekking. Reserveringsplicht De kosten van duurzame gebruiksgoederen behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kunnen worden voldaan uit een inkomen ter hoogte van de toepasselijke bijstandsnorm door middel van reservering. Voor de hoogte en de vorm wordt verwezen naar 3.5 van deze beleidsregels. Vaststellen hoogte bijzondere bijstand In 3.5 van deze beleidsregels staan de richtprijzen voor een (volledige) inrichting (noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen). Het is aan belanghebbende een overzicht aan het college te verstrekken van die duurzame gebruiksgoederen inclusief de kosten daarvan. Controle besteding Het college is zonder meer bevoegd om de besteding van de bijzondere bijstand volledig te controleren. Dat brengt zowel voor het college als ook de belanghebbende een enorme administratieve belasting met zich mee. Daaronder valt dan ook de terugvordering van de bijzondere bijstand als die niet (volledig) is besteed voor het doel waarvoor deze is verstrekt.

Het gevolg daarvan is ook dat de belanghebbende gelijk wordt geconfronteerd met (een aflossing op) een schuld. Dat is niet wenselijk. Sommigen doelgroepen (bijv. vergunningshouders) kunnen, ter voorkoming hiervan, gebruik maken van een zogeheten buddy met wie samen een overzicht wordt opgesteld aan de hand van objectiveerbare en verifieerbare richtprijzen. Denk bijvoorbeeld aan het lokale winkelaanbod, advertenties in de krant of Marktplaats. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt daarop vastgesteld, rekening houdend met de toepasselijke richtprijzen. Het overzicht is onderdeel van de toekenningsbeschikking.

Beleidsregels Bijzondere Bijstand Ridderkerk 2021 19

Betaling bijzondere bijstand De toegekende bijzondere bijstand wordt in beginsel aan belanghebbende betaald, tenzij het college is gemachtigd om de bijzondere bijstand rechtstreeks aan de leverancier te betalen of deze beleidsregels anders bepalen. Is het college van oordeel dat belanghebbende niet in staat is tot verantwoorde besteding van de bijstand, dan kan het die bijstand in natura verlenen onder toepassing van artikel 57 van de wet.

Hoofdstuk 5 Draagkrachtregels 5.1 Algemene beleidsuitgangspunten 5.1.1 Bekostigd uit een inkomen ter hoogte van de toepasselijke bijstandsnorm Het college heeft een beperkte beoordelingsvrijheid om te beoordelen dat de kosten kunnen worden bekostigd uit een inkomen ter hoogte van de toepasselijke bijstandsnorm. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de individuele omstandigheden. Denk bijvoorbeeld bij reiskosten aan de frequentie van het gewenste bezoek (eens per maand), de duur van de detentie, bij detentie in het buitenland en het oordeel over de vraag of belanghebbende verplichte aflossingen heeft of er beslag ligt op het inkomen. 5.1.2 Geen kostendelersnorm Bij het vaststellen van de draagkracht (inkomen en vermogen) is de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de wet niet van toepassing. 5.1.3 Individuele toeslagen De Individuele Inkomenstoeslag en Studietoeslag worden niet in aanmerking genomen bij de draagkracht. 5.1.4 Draagkrachtperiode De periode waarover de draagkracht wordt vastgesteld wordt de draagkrachtperiode genoemd. Deze periode wordt in beginsel vastgesteld voor twaalf maanden. De draagkrachtperiode begint op de eerste dag van de maand waarop de kosten betrekking hebben. Dit betekent dat over de draagkrachtperiode moet worden berekend hoe groot de ruimte in het inkomen en/of het vermogen is.

De hoogte van de draagkracht wordt in mindering gebracht op de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt toegekend. Kortere periode; afhankelijk van de kostensoort of situatie kan het college de draagkrachtperiode ook voor minder dan twaalf maanden vaststellen. 5.1.5 Wijziging draagkracht Het inkomen en/of het vermogen kunnen wijzigen tijdens de draagkrachtperiode. Denk aan de beëindiging van een studie of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Het kan ook zijn dat zich een wijziging voordoet in de gezinsomstandigheden, zoals een huwelijk, echtscheiding of overlijden. Het college stelt in voorkomende gevallen de draagkracht voor het resterende deel van de draagkrachtperiode opnieuw vast. Wanneer bij de vaststelling van de draagkracht(periode) een inkomenswijziging kan worden voorzien, wordt deze zoveel mogelijk meegenomen. Het ligt voor de hand dat het college de draagkrachtperiode voor een kortere periode dan twaalf maanden vaststelt. 5.1.6 Drempelbedrag artikel 35 lid 2 van de wet Het college kan gebruik maken van het drempelbedrag als bedoeld in artikel 35 lid 2 van de wet tot een maximum van 134 euro per 12 maanden. De gemeente maakt hier geen gebruik van.

5.2 Regels rondom inkomen Behoudens de genoemde afwijkingen in deze beleidsregels zijn de volgende bepaling van toepassing; Het netto-inkomen inclusief vakantietoeslag tot 110% van de toepasselijke bijstandsnorm voor alleenstaande, alleenstaande ouders en gehuwden geldt als draagkrachtloos inkomen. Het meerdere van het inkomen wordt volledig als draagkracht in aanmerking gekomen.

Beleidsregels Bijzondere Bijstand Ridderkerk 2021 20

5.2.1 Verhoging kindgebonden budget De verhoging van het kindgebonden budget voor alleenstaande ouders, de zogeheten alo-kop wordt niet in aanmerking genomen. 5.2.2 Beschikken en redelijkerwijs beschikken Voor de draagkracht moet het college uitgaan van het beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken over inkomen (of vermogen). Personen die zich in een WSNP-traject bevinden kunnen, volgens vaste rechtspraak, niet beschikken over hun inkomen. Voor belanghebbenden die zich in het minnelijke traject bevinden op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening ligt dat anders. Zij kunnen redelijkerwijs beschikken over hun inkomen boven het Vrij Te Laten Bedrag (VTLB). Dat betekent echter wel dat het schuldhulpverlening traject zal worden stopgezet, met alle gevolgen van dien. Het college stelt zich in principe op het standpunt dat deze belanghebbenden, zolang wordt voldaan aan de voorwaarden van het schuldhulpverleningstraject, redelijkerwijs niet over hun inkomen kunnen beschikken. 5.3 Regels rondom vermogen Het vermogen tot de toepasselijke vermogensgrenzen als bedoeld in artikel 34 lid 3 van de wet wordt niet in aanmerking genomen voor de draagkracht. Het meerdere wordt volledig als draagkracht in aanmerking gekomen. Voor de bijzondere bijstand blijft het vermogen van de door belanghebbende bewoonde eigen woning buiten beschouwing.

5.4 Buitengewone uitgaven Uit de berekening op basis van het inkomen kan blijken dat de draagkracht hoger is dan de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd. De aanvraag wordt dan in principe afgewezen. Het college kan in zulke gevallen rekening houden met buitengewone uitgaven van de belanghebbende. Deze uitgaven worden in mindering gebracht op de berekende draagkracht. Als buitengewone uitgaven worden in ieder geval aangemerkt: • • •

de gemiste huurtoeslag of zorgtoeslag op basis van de hoogte van het inkomen; de te betalen eigen bijdrage in de kosten van formele kinderopvang in verband met werk; de te betalen alimentatie, tenzij de belanghebbende een succesvol verzoek om vermindering van de alimentatie kan indienen.

Hoofdstuk 6 Overige bepalingen 6.1 Situaties met een niet-rechthebbende partner Bijstandsgerechtigden met een niet-rechthebbende partner hebben op grond van artikel 24 van de wet recht op 50% van de voor hen geldende gehuwdennorm. Daarbij heeft de wetgever geen verschil willen maken naar de reden van het niet-rechthebbend zijn. In veel gevallen zal dit niet tot problemen leiden. Denk bijvoorbeeld aan de belanghebbende met een niet-rechthebbende partner die een studie volgt waarvoor een tegemoetkoming op grond van de WSF-2000 wordt verkregen. Er zijn echter situaties waarin dat wel tot problemen kan leiden. Het gaat om twee groepen. De eerste groep betreft belanghebbenden met kinderen die voor de Belastingdienst geen alleenstaande ouder zijn en daarom geen verhoging krijgen van het kindgebonden budget: de zogeheten alo-kop. Zij missen een bedrag van € 3.066,- per jaar (bedrag 2016). De tweede groep zijn belanghebbenden zonder kinderen. Zij missen het verschil tussen de hier bedoelde 50% norm en de bijstandsnorm die geldt voor een (echte) alleenstaande. Het gaat om belanghebbenden met een nietrechthebbende partner omdat deze partner: • •

niet gelijkgesteld wordt met een Nederlander (de illegale vreemdeling); of in detentie verblijft. Beleidsregels Bijzondere Bijstand Ridderkerk 2021 21

6.1.1 Algemene kosten van het bestaan Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de situaties bedoeld in het onderdeel 6.1 van deze beleidsregels. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt niet meer dan de hoogte van de zogeheten alokop (met ten laste komen kinderen) of het verschil tussen de hier bedoelde 50% norm en de bijstandsnorm die geldt voor een (echte) alleenstaande. Nadere verplichtingen Het college kan aan de bijzondere bijstand die onder toepassing van art. 16 van de wet wordt verleend nadere verplichtingen verbinden dat de belanghebbende tegen afwijzing of herziening van de Awir-toeslagen in bezwaar gaat. Het gaat dan om het aanvechten van het standpunt van de Belastingdienst-Toeslagen dat toekenning van deze toeslagen een onaanvaardbare doorkruising is van het zogeheten koppelingsbeginsel.

6.2 Vrijstellingen bij inkomens- en vermogenstoets 6.2.1 Vrijstelling Participatiewet De inkomens- en vermogensbestanddelen uit artikel 31 lid 2 Participatiewet worden voor de bijzondere bijstand niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend. 6.2.2 Vrijstelling voor gedupeerden van toeslagenaffaire Alleen de eenmalige hardheidstegemoetkoming die gedupeerden van de toeslagenaffaire hebben ontvangen op grond van artikel 49 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt niet gerekend tot het inkomen en vermogen van de aanvrager bij de uitvoering van de bijzondere bijstand (inclusief de Individuele Inkomenstoeslag en Studietoeslag) in het jaar waarin deze tegemoetkoming is ontvangen. De vrijstelling voor vermogen geldt ook voor de jaren 2022 tot en met 2025 voor zover de “hardheidstegemoetkoming voor de toeslagenaffaire” nog niet is besteed door de gedupeerde c.q. aanvrager van de bijzondere bijstand. Het aankopen van beleggingsproducten en crypto’s wordt ook als een besteding aangemerkt. Alle inkomsten verkregen uit deze “hardheidstegemoetkoming voor de toeslagenaffaire” worden wel beschouwd als middelen bij de uitvoering van de bijzondere bijstand.

Hoofdstuk 7 Slotbepalingen 7.1 Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als Beleidsregels Bijzondere Bijstand Ridderkerk 2021. 7.2 Inwerkingtreding Deze Beleidsregels Bijzondere Bijstand Ridderkerk 2021 treden in werking de dag na publicatie en werken terug tot 1 januari 2021. Met ingang van 1 januari 2021 worden de Beleidsregels Bijzondere Bijstand Ridderkerk 2020 ingetrokken. Aldus besloten op 25 mei 2021 College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk, De secretaris, de burgemeester,

dhr. H.W.J. Klaucke

mevr. A. Attema Beleidsregels Bijzondere Bijstand Ridderkerk 2021 22

Toelichting bij Artikel 6.2.2 Vrijstelling voor gedupeerden toeslagenaffaire Dit artikel geldt alleen voor de gedupeerden van de toeslagenaffaire die een tegemoetkoming van maximaal 30.000 euro hebben ontvangen van de Belastingdienst. Deze hardheidstegemoetkoming valt niet onder het begrip “inkomen” en “vermogen” bij de uitvoering van de bijzondere bijstand. Zolang dit bedrag, of het restant daarvan, op een rekening courant of spaarrekening staat, telt het niet mee als “vermogen”. Het deel van deze tegemoetkoming dat niet is uitgegeven, wordt ook in de jaren tot en met 2025 niet tot het vermogen gerekend. Eventuele inkomsten die uit deze tegemoetkoming worden ontvangen, vallen wel onder het begrip “inkomen” en “vermogen” bij de uitvoering van de bijzondere bijstand, Individuele Inkomenstoeslag en Studietoeslag. De hardheidstegemoetkoming van circa 30.000 euro wordt door de Belastingdienst uitgekeerd op grond van artikelen 49 lid 1; 49a; 49b en 49c Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Door de vrijstelling past de gemeente artikel 7 lid 1 sub p uit de regeling Participatiewet, IOAW, IOAZ op dezelfde manier toe bij de uitvoering van de bijzondere bijstand, Individuele Inkomenstoeslag en Studietoeslag. Eventuele andere tegemoetkomingen of correctiebetalingen een gedupeerde heeft ontvangen van de Belastingdienst worden wel aangemerkt als inkomens- en vermogensbestanddelen.

Beleidsregels Bijzondere Bijstand Ridderkerk 2021 23

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/775/documents/29589