CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-05-07 RIB Afdoening motie 2020-72 rioolhefing niet-woningen - advies.pdf

Commissiebijeenkomst 26 oktober 2021, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 3: De rioolheffing10.835 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het uitvoeringsvoordeel dat men heeft van de verruiming van het belastbare feit zal daardoor weer deels verloren gaan. Kostendekking De kosten die met de rioolheffing kunnen worden gedekt, liggen volgens de wetgever in het verlengde van het kostenverhaal van het voormalige rioolrecht. De rioolheffing is een bestemmingsheffing, mag (dan ook) maximaal kostendekkend zijn en zal volgens de wetgever uitsluitend mogen zien op de bekostiging van de gemeentelijke watertaken. Dat betekent dat de opbrengsten van de rioolheffing maximaal het bedrag dat aan lasten gemaakt wordt ter nakoming van de gemeentelijke zorgplichten mogen bedragen. In dat kader merken wij op dat de Gemeentewet en de jurisprudentie nadrukkelijk duiden op een voorcalculatorische weging van de kostendekkendheid van de rioolheffing, waarbij de lasten en

34 35

Kamerstukken II 2005/06, 30 578, nr. 3, p. 23. HR 9 maart 1994, Belastingblad 1994, p. 339.

18 (van 22)

baten op begrotingstechnische wijze worden beoordeeld. Het gaat dus om de geraamde lasten en de geraamde baten zoals deze in de begroting zijn opgenomen. Bij alle opties die men heeft in de keuze van het belastingobject, de belastingplichtige, het belastbare feit, de heffingsmaatstaven en de tarieven, dient uiteindelijk onderzocht te worden wat de geraamde opbrengsten zijn en deze dient afgezet te worden tegen de geraamde lasten. Indien bijvoorbeeld een verbreding van het belastbare feit leidt tot een aanzienlijk aantal ‘nieuwe’ belastingplichtigen en reeds sprake is van een kostendekking van 100%, dan zal dit gevolgen kunnen hebben voor de tarieven. Daarnaast zou een eventuele meeropbrengst kunnen worden toegevoegd aan een voorziening, voor zover vanuit het GRP ook kan worden onderbouwd dat in de toekomst aanzienlijke investeringen noodzakelijk zijn.

19 (van 22)

3 Opties n.a.v. motie rioolheffing In Ridderkerk is zoals in de inleiding aangegeven een motie aangenomen waarin men van mening is dat: a) door niet-woningen onevenredig minder wordt bijgedragen aan de kosten voor de afvoer van afvalwater, de afvoer van regenwater (ook wel hemelwater genoemd) en het beheer van het grondwaterpeil; b) een heffing op basis van kubieke meters als proces omslachtig is; Daarom wordt het college verzocht om: 1) in de Kadernota begroting 2022 een voorstel te doen voor een nieuwe tarifering en heffingsmaatstaf voor de rioolheffing met ingang van 2022, waarbij voor niet-woningen evenrediger wordt bijgedragen aan de kosten, met als uitgangspunt dat de vervuiler betaalt; 2) daarbij ook te komen met een lager tarief voor woningen. Volgens de motie dient er aldus een nieuwe tarifering en heffingsmaatstaf te komen voor niet-woningen, waarbij evenrediger wordt bijgedragen en ook het beginsel de vervuiler betaalt als uitgangspunt gehanteerd wordt. Daarnaast dient de aanpassing ook te leiden tot een lager tarief voor woningen. Daarnaast is men van mening dat heffing op basis van kubieke meters omslachtig is. Met de motie is eigenlijk beoogd om te komen tot een lastenverschuiving, waarbij een groter deel van de lasten zal worden verhaald op de categorie niet-woningen dan thans het geval is.

Om te komen tot de uitvoering van de motie zouden de volgende zaken kunnen worden overwogen. Wij zullen deze hieronder afzonderlijk bespreken. Invoering tariefdifferentiatie Een mogelijkheid om te komen tot de gewenste lastenverschuiving is het invoeren van een tariefdifferentiatie, waarbij in de vaste tarieven voor eigenaren en gebruikers onderscheid gemaakt wordt tussen niet-woningen en woningen. Zoals besproken in paragraaf 2.6 is het mogelijk om voor niet-woningen hogere tarieven te hanteren dan voor woningen. Met het invoeren van een tariefdifferentiatie kunnen een deel van de lasten die nu door de eigenaren van woningen gedragen worden, verplaatst worden naar de eigenaren van niet-woningen. Omdat het aantal woningen veel groter is dan het aantal niet-woningen en, zoals in paragraaf 2.6 eveneens is vermeld, het verschil in tarief niet al te groot mag zijn, zal een tariefdifferentiatie op zich vaak slechts kunnen leiden tot een geringe lastenverschuiving. Volgens de bij ons bekend zijnde gegevens is bij het opstellen van de ramingen voor 2021 uitgegaan van 21282 belastingplichtige eigenaren van woningen en 20771 gebruikers. In de categorie niet-woningen is sprake van 1908 eigenaren en 1682 gebruikers. Binnen de categorie eigenaren zijn niet woningen derhalve ca. 8,% van het totaal en binnen de categorie gebruikers 7,5%.

Daardoor zal bijvoorbeeld een verdubbeling van de vaste tarieven voor niet-woningen ook slechts kunnen leiden tot een vermindering van de vaste tarieven voor woningen van € 89,16 naar € 82,-.36 Voor belastingplichtigen die eigenaar en gebruiker van een woning zijn zal het vaste tarief derhalve niet € 178,32 bedragen maar € 164,-. Dat is een daling van ongeveer 8%. Het invoeren

36

In deze berekening zijn wij uitgegaan van een geraamde opbrengst voor de rioolheffing van ca. € 4.209.000,-. Voor 2021 is namelijk ook nog een onttrekking aan de voorziening geraamd van ca. € 897.000,-. In de berekening is vooralsnog niet ervan uitgegaan dat bij een eventuele wijziging en herverdeling van de lasten in totaal ca. € 5.000.000,- via de rioolheffing zal worden verhaald.

20 (van 22)

van een tariefdifferentiatie zal daarmee, nog afgezien van eventuele weerstand die het verdubbelen van de vaste tarieven voor niet-woningen met zich mee zal brengen, ook slechts in beperkte mate kunnen leiden tot verlaging van de tarieven voor woningen. Bovendien zal met een dergelijke tariefdifferentiatie ook geen oplossing geboden worden voor het deel van de heffing dat gebaseerd is op het waterverbruik en waarvoor geoordeeld is dat dit leidt tot een omslachtig proces. De opbrengst binnen de categorie grootgebruikers is geraamd op ca. € 280.000,-. Deze opbrengst valt momenteel vrijwel geheel binnen de categorie niet-woningen. Als men af wil stappen van een heffing die gebaseerd is op het waterverbruik en de inkomstenderving daarvan volledig wil compenseren binnen de categorie niet-woningen dan zouden de tarieven voor die categorie moeten stijgen naar € 211,50 voor zowel de eigenaren en als de gebruikers. Voor een eigenaar en gebruiker van een niet-woning (€ 423,- ) is in dat geval sprake van een toename van 137% t.o.v. het huidige tarief (€ 178,32). Ten opzichte van woningen zal een dergelijke wijziging leiden tot een tarief dat 157% hoger is. Het invoeren van een tariefdifferentiatie lijkt aldus geen goede oplossing te zijn voor het uitvoeren van de motie. Andere heffingsmaatstaf Tariefdifferentiatie lijkt aldus geen oplossing te bieden om aan de motie te kunnen uitvoeren.

Daarom zou in onze optiek beter kunnen worden overwogen om voor de categorie niet-woningen een andere heffingsmaatstaf te hanteren en bijvoorbeeld aan te sluiten bij de WOZ-waarde. Door gebruik te maken van de heffingsmaatstaf WOZ-waarde wordt in onze optiek ook goed aangesloten bij het beginsel ‘de vervuiler betaalt’. Percelen met een hogere WOZ-waarde zullen over het algemeen ook groter zijn en meer hemelwater afvoeren. En zoals in paragraaf 2.5.2 reeds is opgemerkt wordt aanzienlijk meer hemelwater via de riolering afgevoerd dan afvalwater. Daarnaast is het eveneens aannemelijk dat in duurdere WOZ-objecten meer mensen vertoeven en aldus ook meer afvalwater zal worden afgevoerd. Het hanteren van de WOZ-waarde als heffingsmaatstaf lijkt daarmee goed aan te sluiten bij de bedoelingen van de motie. De heffingsmaatstaf WOZ-waarde kan bovendien zowel bij eigenaren als gebruikers binnen de categorie niet-woningen gehanteerd worden. Daardoor zou de thans gehanteerde grootgebruikersheffing ook kunnen vervallen, aangezien de belastingplichtigen voor dit deel vrijwel allemaal gebruikers van niet-woningen betreft. Afhankelijk van de gemeentelijke voorkeur zou uitgegaan kunnen worden van een percentage van de WOZ-waarde of een vast bedrag met een opslag die afhankelijk is van de WOZ-waarde. Daarnaast zou ook nog gebruik gemaakt kunnen worden van tariefklassen.

Door tariefklassen te hanteren wordt in ieder geval voorkomen dat eventuele aanpassingen in WOZ-waarde leiden tot verlaging van de rioolheffing. Dit kan verder worden voorkomen door uit te gaan van de WOZwaarde van het belastingjaar voorafgaand aan de aanslagoplegging, omdat deze WOZ-waarden (behoudens nog af te handelen bezwaren of lopende beroepsprocedures) onherroepelijk vast zijn komen te staan. Daardoor zal ook het aanslagbedrag voor de rioolheffing niet meer kunnen wijzigen na de aanslagoplegging.

21 (van 22)

Verruiming belastbare feit Een aanpassing in de heffingsmaatstaf voor niet-woningen zou gecombineerd kunnen worden met de in paragraaf 2.4.1 genoemde verruiming van het belastbare feit in de zin dat iedereen belastingplichtig wordt, ongeacht of men wel of niet is aangesloten op de gemeentelijke riolering. Daarmee worden immers meer percelen in de heffing betrokken dan thans het geval is en dat zou weer kunnen leiden tot verlaging van de tarieven voor woningen. Indien deze optie overwogen wordt, dan dient wel eerst onderzocht te worden hoeveel percelen dan mogelijk aanvullend in de heffing betrokken zouden kunnen worden. Daarnaast dient ook duidelijk te zijn welke categorieën percelen dit betreft. Een deel zal wellicht als wonen gekwalificeerd kunnen worden, maar ten aanzien van de meeste percelen zal dat niet het geval zijn. Zoals reeds opgemerkt in paragraaf 2.4.1 kleven er ook nadelen aan de verruiming van het belastbare feit, omdat in dat geval ook objecten zoals trafo’s en ongebouwde percelen in de rioolheffing zullen worden betrokken. Daardoor zal de verruiming over het algemeen ook samengaan met een andere, lagere tariefstelling voor percelen die geen aansluiting op het waterleidingnet hebben en aldus geen afvalwater afvoeren. Ook zou gekozen kunnen worden voor een lager tarief voor percelen tot een bepaalde waarde van bijvoorbeeld € 25.000,-.

Het vergroten van het aantal belastingplichtige percelen kan echter wel, zeker in combinatie met een gewijzigde heffingsmaatstaf voor niet-woningen, leiden tot een verlaging van de tarieven voor woningen. Motivering en belangenafweging Een laatste, maar belangrijke opmerking is dat het ten zeerste aanbeveling verdient om de uiteindelijk gekozen opzet/varianten zo uitgebreid mogelijk te motiveren en die motivering zichtbaar te maken. Met name daar waar keuzes worden gemaakt, waar lastenverschuivingen optreden en belangen van belastingplichtigen veranderen of geraakt worden, zoals dat bijvoorbeeld het geval zal zijn bij het invoeren van een andere heffingsmaatstaf of tariefdifferentiatie. Het zichtbaar maken van die motivering kan bijvoorbeeld in een raadsvoorstel of toelichting op de verordening.

22 (van 22)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/865/documents/28856