CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-04-09 RIB Afdoening motie 2020-73 Verbeteren Visstand - visstandbeheeradvies.pdf

Commissie Samen wonen RK 20 mei 2021, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 19: Ter afdoening: motie4.173 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Visstandbeheeradvies gemeentewateren Ridderkerk

februari 2021

Opgesteld in opdracht van

Gemeente Ridderkerk

door

Kavitrans

-1-

INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING ......................................................................................................................... 2 1.1 Samenwerking ERHV De Waal ............................................................................... 2 2. VISSTANDBEHEERADVIES .............................................................................................. 2 2.1 De rol van waterplanten ........................................................................................... 2 2.2 Draagkracht ............................................................................................................. 5 2.3 Streefbeeld ERHV De Waal..................................................................................... 5 2.4 Verbetering van de leefomstandigheden voor vis .................................................... 6 2.5 Visuitzettingen ......................................................................................................... 7 2.5.1 Uit te zetten vissoorten ................................................................................ 7 2.5.2 Uitzettingen per water.................................................................................. 9 2.6 Evaluatieonderzoek ...............................................................................................

12 Bijlage 1: Ligging van de belangrijkste viswateren Bijlage 2: Viswatertypen van het ondiepe, stilstaande water Bijlage 3: Prijzen pootvis 2021

-2-

1.

INLEIDING

Op verzoek van de gemeente Ridderkerk wordt in dit rapport een visstandbeheeradvies gegeven voor de Ridderkerkse gemeentewateren. Deze wateren worden voornamelijk bevist door inwoners van Ridderkerk en leden van de Eerste Rijsoordse Hengelsport Vereniging ‘De Waal’. De algemene indruk van de aanwezige visstand is dat deze qua omvang en soortenrijkdom al enige tijd afneemt. De gemeente wil graag aanbevelingen voor de toekomst van de hengelsport en de visstand in Ridderkerk. In dit rapport worden een aantal maatregelen besproken die de visstand kunnen verbeteren.

1.1. Samenwerking ERHV De Waal De gemeente heeft gesteld dat het plan van aanpak in samenspraak met de ERHV De Waal moet worden opgesteld. De vereniging is immers visrechthebbende in de Ridderkerkse gemeentewateren. Daarom is in januari 2021 is overleg gevoerd met de heer Jan van der Wulp, voorzitter van de ERHV. Tijdens het overleg is door de voorzitter inzicht gegeven in de situatie in de verschillende wateren en het gevoerde beheer in de afgelopen jaren. Twee jaar geleden is tijdens maaiwerkzaamheden in een aantal gemeentewateren veel vis dood gegaan. Om dit enigszins te compenseren is in de winterperiode 2019-2020 in zeven verschillende watergangen in totaal 450 kilo karper en 125 kilo snoek uitgezet. Voor de vereniging zijn vooral de volgende gemeentewateren van belang, omdat deze voor de sportvisserij het meest interessant zijn: 1) Plas donkersloot 2) Vijvers De Gorzen 3) Watergang Rembrandtweg 4) Watergang Vondellaan 5) Vijvers Ryerheem parkje 6) Watergang Oosterparkweg 7) Vijvers Oosterpark 8) Watergang Oosterpark 9) Watergang Donkerslootweg 10) Vijver Erasmuspark 11) Watergang Randweg 12) Watergang Stadhouderslaan De ligging van deze waterpartijen is weergegeven op een kaart in Bijlage 1.

2.

VISSTANDBEHEERADVIES

2.1 De rol van waterplanten De inrichting van een water bepaalt in sterke mate welke visstand zich kan ontwikkelen, en vooral waterplanten spelen hierbij een belangrijke sturende rol. De volgende typen waterplanten kunnen worden onderscheiden: • bovenwaterplanten (zoals riet en lisdodde) • onderwaterplanten (zoals waterpest en hoornblad) • drijfbladplanten (zoals gele plomp en waterlelie)

-3-

Veel vissoorten gebruiken in het voorjaar de (resten van) waterplanten om de eieren op af te zetten. Het zijn vooral de boven- en onderwaterplanten die hiervoor het meest worden benut. De planten bieden vissen ook bescherming tegen roofvissen en visetende vogels. Vooral voor jonge vis is deze beschutting erg belangrijk. Op en tussen de planten leven bovendien veel organismen die door vis worden gegeten. In een natuurlijke situatie gaat het land geleidelijk over in water, waarbij oevervegetatie overgaat in bovenwaterplanten, gevolgd door drijfbladplanten en onderwaterplanten. De taludhelling en het doorzicht van het water bepalen hierbij de groeimogelijkheden. Omdat waterplanten voor hun groei zonlicht nodig hebben, zijn de groeimogelijkheden in ondiep en helder water veel beter dan in diep en/of troebel water. Onderwaterplanten groeien over het algemeen alleen in helder water. Figuur 2.1 Veel voorkomend oeververloop en waterplantengroei in stadswateren.

Een water met een gevarieerd waterplantenbestand kan ruimte bieden aan veel verschillende vissoorten, waaronder plantenminnende soorten als ruisvoorn en zeelt. In een troebel, plantenarm water vind je over het algemeen een soortenarme visstand. De verschillende typen wateren, variërend van helder en begroeid tot troebel en onbegroeid, zijn onderverdeeld in vijf ‘viswatertypen’: -

het baars-blankvoorntype, het ruisvoorn-snoektype, het snoek-blankvoorntype, het blankvoorn-brasemtype, en het brasem-snoekbaarstype.

Om een indruk te krijgen van de viswatertypen zijn deze in figuur 2.2 weergegeven, waarbij per viswatertype de mogelijke begroeiing en de kenmerkende vissoorten zijn afgebeeld. De belangrijkste kenmerken van de viswatertypen en de ontwikkelingsmogelijkheden voor de verschillende vissoorten binnen het type zijn weergegeven in Bijlage 2. De meeste singels en vijvers in Ridderkerk kunnen worden getypeerd als wateren van het snoek-blankvoorn viswatertype. In dit watertype wordt over het algemeen een visstand aangetroffen die voornamelijk bestaat uit blankvoorn, met daarnaast baars, ruisvoorn, kolblei, zeelt en brasem, met snoek als belangrijkste roofvissoort. Als er meer of minder waterplanten groeien, dan kan de waterpartij worden getypeerd als water van respectievelijk het ruisvoorn-snoek of het blankvoorn-brasem viswatertype.

-4-

Figuur 2.2 De verschillende viswatertypen van het ondiepe, stilstaande water.

Baars-blankvoorntype

Ruisvoorn-snoektype

Snoek-blankvoorntype

Blankvoorn-brasemtype

Brasem-snoekbaarstype

-5-

2.2 Draagkracht Onder de draagkracht van een watertype wordt verstaan de maximale hoeveelheid vis (uitgedrukt in kilogram per hectare) die afhankelijk van de heersende milieuomstandigheden (bodemsamenstelling, voedselrijkdom, zichtdiepte, diepteverloop, waterplanten) bij een goede conditie van de kenmerkende vissoorten in dat watertype kan voorkomen. In een water van het snoek-blankvoorntype zal de draagkracht ongeveer 300 tot 500 kg/ha bedragen. De spreiding in draagkracht is afhankelijk van de voedselrijkdom van het water, waarbij vooral de bodemsoort bepalend is. Een water met een zandbodem is van nature minder voedselrijk dan een water met bijvoorbeeld een veen- of kleibodem. Wateren op een kleigrond zijn over het algemeen het meest voedselrijk. De omvang en soortenrijkdom van de visstand kan nadelig worden beïnvloed door kroosbedekking en/of de aanwezigheid van een dikke modderlaag, waardoor de zuurstofomstandigheden (periodiek) slecht zijn. Ook het gevoerde maaibeheer kan de visstand sterk nadelig beïnvloeden.

2.3 Streefbeeld ERHV De Waal Uit het overleg met de ERHV is gebleken dat de gemeentewateren te kampen hebben met een aantal knelpunten, die in meer of mindere mate de ontwikkeling van een meer omvangrijke en soortenrijke visstand beperken. Verbeteringen op het gebied van de milieuomstandigheden, migratiemogelijkheden, waterplantengroei en het maaibeheer zullen de leefomstandigheden voor vis verbeteren. Daarnaast zal het (regelmatig) uitzetten van vis de aantrekkelijkheid van de wateren voor sportvissers doen toenemen. Het streefbeeld van de ERHV is dat de kwaliteit van het leefmilieu in de gemeentewateren zorgt voor een gezonde en evenwichtig opgebouwde visstand, die kenmerkend is voor wateren in stedelijk gebied. Dit betekent dat de wateren goede leefmogelijkheden bieden aan de vissoorten van snoek-blankvoorn en blankvoorn-brasem viswatertype. Daarbij wordt gestreefd naar goede en gevarieerde mogelijkheden voor de sportvisserij, met voldoende toegankelijk en bevisbaar water. In de onderstaande afbeelding is een indruk gegeven van een voor de vis én sportvisser ideaal stadswater. Figuur 2.3 Goed bevisbaar en visrijk stadswater.

-6-

2.4 Verbetering van de leefomstandigheden voor vis Om het streefbeeld van de ERHV te bereiken, zijn een aantal maatregelen wenselijk. Het uitvoeren van de onderstaande aanbevelingen zal de waterkwaliteit en de inrichting van de gemeentewateren voor vis verbeteren: Afstemmen van het maaibeheer op de visstand Het rigoureus maaien van de waterplanten kan zeer nadelig zijn voor de overleving van vis en de ontwikkeling van een omvangrijke en gevarieerde visstand. Dat maaiwerkzaamheden directe schade aan de visstand kunnen veroorzaken werd helaas enkele jaren geleden aangetoond, toen na de maaiwerkzaamheden veel dode vis werd waargenomen. Ook kan het maaien van waterplanten resulteren in een sterke afname van de beschutting voor vis. Hierdoor zal een verhoogde predatie door roofvis en visetende vogels plaatsvinden en verliezen plantenminnende vissoorten zoals ruisvoorn, zeelt en snoek hun leefgebied. Tijdens de maaiwerkzaamheden dienen delen van de vegetatie te worden gespaard, zodat er voldoende schuilmogelijkheid voor vis blijft bestaan. Ook kunnen pleksgewijs groepen van ‘wenselijke’ planten (zoals rietkragen en velden met drijfbladplanten) worden gespaard, zodat de groei hiervan wordt gestimuleerd. Het laten staan van de strook vegetatie op de land-water overgang zal paai-, opgroei- en schuilplaatsen sparen.

Bij de maaiwerkzaamheden moet een zo visvriendelijk mogelijke maaimethode worden toegepast. Handmatig maaien, de maaikorf, de maai/harkcombinatie en de maaiboot (zonder sleepmes) worden - in aflopende volgorde - als het meest natuurvriendelijk beschouwd. Om opwerveling van bodemslib te beperken, dient de maaibalk zich zeker 10 centimeter boven de bodem te bevinden. Optimaliseren migratiemogelijkheden Voor een goede visstand is het van belang dat vissen vrij kunnen migreren. Enerzijds kan de vis zo de meer begroeide delen van de waterpartijen in het voorjaar opzoeken, om daar te paaien. Ook kunnen tijdens de winter de diepere of luw gelegen delen van het water door vis uit het hele watersysteem worden benut als overwinteringsplaats. Door het jaarlijks verwijderen van blad en vuil uit de duikers blijven de migratiemogelijkheden voor vis en de doorstroming van het water gewaarborgd. Tegengaan riooloverstort Door de ERHV is aangegeven dat er na hevige regenval regelmatig riooloverstort heeft plaatsgevonden. Instromend rioolwater is meestal zuurstofloos en bevat veel zuurstofonttrekkende stoffen, waardoor in de ontvangende watergang of vijver vissterfte kan optreden. Bij een aanhoudende overstort of doorspoeling van de watergangen, kan over een groot wateroppervlak vissterfte optreden.

Op de langere termijn kan riooloverstort leiden tot overbemesting van het water, vervuilde waterbodems en een overmatige groei van algen, kroos en onderwaterplanten. Het verbeteren van het rioolstelsel en het voorkomen van riooloverstort zal de ontwikkeling van een goede visstand sterk ten goede komen. Baggerwerkzaamheden In een aantal watergangen en vijvers is de bodem bedekt met een dikke modderlaag. Dit kan resulteren in lage zuurstofgehalten en vissterfte tijdens warme zomers en strenge winters (na ijsvorming). Het baggeren van deze watergangen is gunstig voor het zuurstofgehalte van het water en de overleving van vis. Hierdoor kan zich een meer omvangrijke en soortenrijke visstand ontwikkelen. Bij baggerwerkzaamheden moet altijd naar de open uiteinden van een watergang worden gewerkt, zodat de vis kan wegvluchten. Als dit niet mogelijk is, moet de vis eerst worden verwijderd om vissterfte te voorkomen.

-7-

Aanleggen van overwinteringsplaatsen In een aantal waterpartijen is de diepte gering. Door het aanbrengen van diepere overwinteringsplekken zal wintersterfte bij vis worden voorkomen. Een overwinteringsplaats is bij voorkeur 30 meter lang en minstens 1,5 meter diep. Het aanleggen van de overwinteringsplekken kan plaatsvinden zodra een watergang of vijver wordt gebaggerd. Bestrijden van kroos Veel watergangen zijn in de zomermaanden in meer of mindere mate bedekt met kroos. Dit is zeer ongunstig voor het zuurstofgehalte en de aanwezige visstand. Een milieuinventarisatie in de zomermaanden zal meer inzicht geven in de aanwezigheid van kroos, waarna een plan kan worden gemaakt om het kroos te bestrijden. Het grotendeels verwijderen van de voedselrijke baggerlaag zal in elk geval de groei van kroos beperken. Natuurvriendelijke oevers Het is voor de visstand gunstig als er meer bovenwaterplanten in de oeverzones groeien. Dit zorgt voor meer diversiteit in het leefgebied van de vis, waardoor de ontwikkeling van een meer omvangrijke en soortenrijke visstand mogelijk wordt. Om dit te realiseren zijn hier en daar aanpassingen aan de oevers nodig, gevolgd door aanplant. Er kan worden bekeken of er geschikte locaties zijn om de beschoeiing te verwijderen en de taludhelling te verflauwen.

Dit kan deels door het weggraven van grond achter de oorspronkelijke beschoeiing en deels door het aanbrengen van grond in de ondiepe oeverzone. Aanleggen van kunstmatige schuilplaatsen In veel Nederlandse wateren heeft de visstand te kampen heeft met regelmatige aalscholverbezoeken, en ongetwijfeld bezoeken ze ook de Ridderkerkse gemeentewateren. Hierdoor worden vooral vissen met een lengte tussen de 15 en 40 centimeter weggevreten, wat de ontwikkeling van een meer evenwichtig opgebouwde en omvangrijke visstand beperkt. De wegvraat van vis kan vooral plaatsvinden wanneer er weinig beschutting is. In de watergangen en vijvers waar dit het geval is, kan worden overwogen om plaatselijk takkenbossen aan te brengen, om schuilplaatsen te creëren. Door regelmatig onderhoud en het aanbrengen van nieuwe takken blijven de schuilplaatsen jarenlang dienst doen. Op plekken waar de ruimte aan de oevers beperkt is, kunnen eventueel floatlands worden aangelegd. Deze drijvende vegetatie-eilanden kunnen overal langs de oevers worden geplaatst, ook langs stenen oevers. Onder water fungeren de floatlands als paai- en foerageerplaats voor vis. Floatlands bestaan evenals natuurvriendelijke oevers in alle soorten en maten.

2.5 Visuitzettingen Als de gemeentewateren qua waterkwaliteit en inrichting voor vis zijn geoptimaliseerd, kan zich in principe een zichzelf in stand houdende visstand ontwikkelen. Om echter weer snel een voor sportvissers interessant visbestand op te bouwen, wordt aanbevolen om in de komende jaren vis uit te zetten. Aanbevolen wordt om voor de gemeentewateren te streven naar een visstand met kenmerken van het snoek-blankvoorn en blankvoorn-brasem viswatertype, met blankvoorn, ruisvoorn, zeelt, brasem, karper, baars en snoek als voornaamste vissoorten. De ERHV zou bij voorkeur zien dat de visuitzettingen plaatsvinden in de gemeentewateren die het meest worden bevist, ook omdat ze over het algemeen goed toegankelijk en bevisbaar zijn. Dit zijn de watergangen en vijvers die in paragraaf 1.1 zijn genoemd. De uitzettingen kunnen eventueel gefaseerd over drie jaar plaatsvinden, waarbij in het eerste jaar in elk geval vis wordt uitgezet in de veel beviste Plas Donkersloot, Vijvers De Gorzen en Watergang Rembrandweg.

-8-

Veel gemeentewateren staan via duikers in verbinding met elkaar, waardoor er waarschijnlijk migratie van en naar naastgelegen wateren zal plaatsvinden. Dit is in principe geen probleem. Mogelijk zie je in de loop der jaren verschillen ontstaan in de visstand tussen de verschillende wateren, omdat bepaalde vissoorten hun voorkeur hebben voor de leefomstandigheden in bepaalde (delen van) watergangen of vijvers. 2.5.1 Uit te zetten vissoorten Een vissoort die goed in de gemeentewateren kan gedijen is de blankvoorn. Deze vissoort stelt geen hoge eisen aan zijn leefomgeving en komt zowel op stilstaand als stromend water voor. Ondanks dit gegeven worden uitgezette grotere blankvoorns, afkomstig van een rivier, nauwelijks aan de hengel teruggevangen. Deze grote vissen kunnen zich niet meer aanpassen aan de voedselomstandigheden in het stilstaande water. Daarom moet altijd worden gekozen voor gekweekte blankvoorn, afkomstig van stilstaand water. De ruisvoorn en zeelt zijn vissoorten die het best gedijen in meer begroeid water. Bij een toenemende lengte gaan beide soorten zich voeden met het macrofauna dat op en tussen waterplanten voorkomt, waarbij ook delen van (zachtere) waterplanten worden gegeten. De ruisvoorn voedt zich daarbij veel met landinsecten die op het water zijn gevallen, terwijl de zeelt veel voedsel in de bodem zoekt.

De bezettingsdichtheid van beide vissoorten is in de regel relatief laag. Alleen in zwaar begroeide wateren zijn de ruisvoorn en zeelt soms de meest voorkomende vissoorten. In de vishandel zijn beide soorten tegen een vrij hoge prijs verkrijgbaar. De brasem is een algemeen voorkomende vissoort in zowel zoet als brak water. Oorspronkelijk is de brasem een bewoner van stilstaande wateren, zoals meren en plassen en van traag stromende, heldere benedenrivieren. Jonge brasems voeden zich met dierlijk plankton, grotere vissen voeden zich ook met bodemvoedsel zoals muggenlarven, wormpjes en slakken. Bij een hoge bezetting zorgen brasem voor een vertroebeling van het water, waardoor met name onderwaterplanten verdwijnen. Toen circa 25-30 jaar geleden de meeste wateren in Nederland nog werden gedomineerd door brasem, had de soort een slechte naam. Brasem werd verantwoordelijk gehouden voor de vertroebeling van het water, terwijl juist het troebele water zorgde dat de soort goed kon gedijen. Tegenwoordig komen nergens in Nederland nog hoge brasembezettingen voor, vooral omdat aalscholvers veel brasems hebben weggevreten. Daarnaast zijn door de afgenomen voedselrijkdom van het water de leefomstandigheden voor brasem minder gunstig geworden. De aanwezigheid van een redelijk brasembestand zorgt dat onderwaterplanten minder massaal groeien, waardoor het water meer open delen kent.

Dit is gunstig voor de ontwikkeling van een gevarieerde visstand én de bevisbaarheid van het water door sportvissers. Ook zijn minder (of wellicht geen) maaiwerkzaamheden nodig. Er kan in de gemeentewateren een lage karperbezetting worden nagestreefd. In Nederland komt succesvolle voortplanting van karper maar weinig voor, vooral als gevolg van de aanwezige snoekstand, waardoor veel karperbroed wordt weggevreten. Daarom worden in veel wateren regelmatig karpers uitgezet.

-9-

Het voedsel zoekt de karper voornamelijk in de bodem, waarbij de vis zich richt op mosseltjes en slakjes. Door deze wijze van voedselzoeken kan de karper bij een hogere bezetting het water vertroebelen en de groei van onderwaterplanten beperken. Bij een lage bezetting heeft de karper echter geen invloed op het doorzicht van het water. De snoek is een roofvissoort met een voorkeur voor water met een gevarieerde waterplantenbegroeiing. Tussen deze planten kunnen jonge snoekjes beschutting vinden, wat bescherming biedt tegen vraatzuchtige soortgenoten en belangrijk is om succesvol te kunnen jagen op vis. De kleinste snoeken houden zich op in de meest dichtbegroeide delen van het water (zoals rietkragen). De iets grotere snoeken, met een lengte van circa 40 tot 60 centimeter, houden zich vooral op in de buitenste zones van de waterplantenbegroeiing en snoeken groter dan 60 centimeter leven vooral in het open water. In spaarzaam begroeide wateren is de snoekbezetting minder hoog en het snoekbestand bestaat dan vooral uit grotere exemplaren. De baars kan als tweede roofvissoort worden uitgezet. De soort komt algemeen voor in stilstaande of langzaam stromende wateren met een redelijke tot grote zichtdiepte. Bij een toenemende lengte gaat de baars geleidelijk meer vis eten, waarbij ook veel kleine baarsjes worden gegeten.

De gemeente kan overwegen om in enkele afgesloten watergangen een proef te doen met het uitzetten van graskarper, als alternatief voor maaiwerkzaamheden. Het voedsel van de graskarper bestaat vooral uit zachte waterplanten zoals draadalg, waterpest en hoornblad. In de zomer kunnen graskarpers dagelijks meer dan het eigen lichaamsgewicht aan planten eten. Daarom wordt de soort al sinds 1977 in Nederland uitgezet om op een natuurlijke wijze overmatige plantengroei tegen te gaan. Hierdoor worden maaiwerkzaamheden in veel gevallen overbodig. De soort kan zich in Nederland niet op een natuurlijke manier voortplanten, waardoor ze nooit een ‘plaag’ kunnen vormen. 2.5.2 Uitzettingen per water De bovengenoemde soorten kunnen worden geleverd door het Visserijbedrijf Kalkman. Een prijslijst is weergegeven in Bijlage 3. De uitzettingen dienen altijd in de koudere maanden van het jaar plaats te vinden, om een goede overleving van de vis te waarborgen. Bij een lage watertemperatuur zal de pootvis - bij een goede behandeling - geen nadeel ondervinden van het vangen, opslaan en vervoer. De vis dient te worden aangekocht bij gecertificeerde kwekerijen, zodat er garantie is op kwalitatief gezonde vis, afkomstig uit kweekvijvers.

De gemeentewateren kunnen momenteel worden getypeerd als wateren van het snoekblankvoorntype, waarbij het streefbeeld van de ERHV is om in de meest drukbeviste watergangen en vijvers een visstand van het blankvoorn-brasemtype te verkrijgen. De draagkracht van de gemeentewateren voor vis kan worden geschat op 400 tot 500 kg/ha. Over de huidige visbezetting is niet veel bekend, maar de ERHV geeft aan dat de veelal tegenvallende hengelvangsten duiden op een weinig omvangrijke visbezetting, die beduidend lager is dan op grond van de draagkracht mogelijk zou zijn. Om de visstand in omvang te laten toenemen, kan in enkele opeenvolgende jaren vis worden uitgezet.

- 10 -

In de komende drie jaar kunnen de volgende hoeveelheden vis per hectare worden uitgezet: - 50 kg blankvoorn - 50 kg ruisvoorn - 50 kg zeelt - 50 kg brasem - 50 kg karper - 30 kg snoek - 10 kg baars Omgerekend naar het wateroppervlakte van de in paragraaf 1.1 genoemde wateren, kunnen per watergang en vijver jaarlijks de volgende hoeveelheden worden uitgezet, waarbij de ERHV de voorkeur heeft om in het eerste jaar de eerste drie wateren voorrang te geven: Plas donkersloot (circa 2 ha): - 100 kg blankvoorn - 100 kg ruisvoorn - 100 kg zeelt - 100 kg brasem - 100 kg karper - 60 kg snoek - 20 kg baars Vijvers De Gorzen (circa 1,8 ha): - 90 kg blankvoorn - 90 kg ruisvoorn - 90 kg zeelt - 90 kg brasem - 90 kg karper - 54 kg snoek - 18 kg baars Watergang Rembrandtweg (circa 1 ha): - 50 kg blankvoorn - 50 kg ruisvoorn - 50 kg zeelt - 50 kg brasem - 50 kg karper - 30 kg snoek - 10 kg baars Watergang Vondellaan (circa 1 ha): - 50 kg blankvoorn - 50 kg ruisvoorn - 50 kg zeelt - 50 kg brasem - 50 kg karper - 30 kg snoek - 10 kg baars Vijvers Ryerheem parkje (circa 0,3 ha): - 15 kg blankvoorn - 15 kg ruisvoorn - 15 kg zeelt - 15 kg brasem - 15 kg karper - 9 kg snoek - 3 kg baars

- 11 -

Watergang Oosterparkweg (circa 1,5 ha): - 75 kg blankvoorn - 75 kg ruisvoorn - 75 kg zeelt - 75 kg brasem - 75 kg karper - 45 kg snoek - 15 kg baars Watergang Oosterpark (circa 3 ha): - 150 kg blankvoorn - 150 kg ruisvoorn - 150 kg zeelt - 150 kg brasem - 150 kg karper - 90 kg snoek - 30 kg baars Watergang Donkerslootweg (circa 0,5 ha): - 25 kg blankvoorn - 25 kg ruisvoorn - 25 kg zeelt - 25 kg brasem - 25 kg karper - 15 kg snoek - 5 kg baars Vijver Erasmuspark (circa 0,5 ha): - 25 kg blankvoorn - 25 kg ruisvoorn - 25 kg zeelt - 25 kg brasem - 25 kg karper - 15 kg snoek - 5 kg baars Watergang Randweg (circa 1 ha): - 25 kg blankvoorn - 25 kg ruisvoorn - 25 kg zeelt - 25 kg brasem - 25 kg karper - 15 kg snoek - 5 kg baars Watergang Stadhouderslaan (circa 0,5 ha): - 25 kg blankvoorn - 25 kg ruisvoorn - 25 kg zeelt - 25 kg brasem - 25 kg karper - 15 kg snoek - 5 kg baars Vijvers Oosterpark (circa 4 ha): In deze vijvers zijn een aantal grote tot zeer grote meervallen aanwezig, die ooit illegaal zijn uitgezet. Van deze vissoort is bekend dat ze grote hoeveelheden vis kunnen wegvreten. In

- 12 -

deze vijver zou de ERHV het visstandbeheer vooral op grotere vissen willen richten. Indien de visrechthebbende federatie Sportvisserij Zuidwest Nederland hiermee instemt worden vooral karpers en brasems uitgezet, met daarbij eventueel blankvoorns. Voorafgaand aan een uitzetting worden de vijvers bij voorkeur goed afgevist, om zoveel mogelijk meervallen te verwijderen. Zonder het verwijderen van de meervallen is het uitzetten van vis kleiner dan 50-60 centimeter waarschijnlijk vrij zinloos. Omdat veel waterpartijen via duikers in verbinding staan met naastgelegen wateren, hoeft na drie jaar vis uitzetten niet te worden gevreesd voor een overbezetting aan vis. De uitgezette vissen zullen zich naar verwachting bij een toenemende visbezetting steeds meer verspreiden over de gemeentewateren.

2.6 Evaluatieonderzoek Aanbevolen wordt om over vier tot vijf jaar een visstandbemonstering in de bovengenoemde wateren uit te voeren, om de ontwikkeling van de visstand te evalueren. Er kan dan worden bekeken of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.

- 13 -

BIJLAGE 1

Ligging van de belangrijkste viswateren

11 12 1

3 9

10

2

4 5

6 7 8

1) Plas donkersloot 2) Vijvers De Gorzen 3) Watergang Rembrandtweg 4) Watergang Vondellaan 5) Vijvers Ryerheem parkje 6) Watergang Oosterparkweg 7) Vijvers Oosterpark 8) Watergang Oosterpark 9) Watergang Donkerslootweg 10) Vijver Erasmuspark 11) Watergang Randweg 12) Watergang Stadhouderslaan

- 14 -

BIJLAGE 2

Viswatertypering ondiepe en stilstaande wateren

TYPE-KENMERKEN

RUISVOORNSNOEKTYPE

SNOEKBLANKVOORNTYPE

BLANKVOORNBRASEMTYPE

BRASEMSNOEKBAARSTYPE

Kenmerken visstand

ruisvoorn, zeelt (en aal) en sterke snoekpopulatie voor een groot deel bestaande uit 1-jarige exemplaren (15-35 cm)

blankvoorn, baars, kolblei en in mindere mate ruisvoorn en zeelt (en aal); snoekpopulatie vnl. uit meerjarige ex. (>50 cm), veel 1-jarige reeds in loop van zomer weggevreten

brasem, blankvoorn, baars en karper (en aal); snoekpopulatie klein, opkomende snoekbaarspopulatie

Brasem, snoekbaars en karper (en aal)

Kenmerkende vissoorten snoek ruisvoorn zeelt baars blankvoorn kolblei brasem snoekbaars pos karper aal Gemiddelde groei veel voorkomende vissoorten*

++ ++ ++ + +

+ + + + ++ + +

(+) +

+ gemiddeld tot snel

+

gemiddeld tot snel

+ ++

+

++ + + (+) +

++ ++ + (+) +

gemiddeld (blankvoorn, baars)

gemiddeld tot langzaam

gemiddeld tot snel (brasem) Draagkracht (incl.roofv.)

100 - 350 kg/ha

300 - 500 kg/ha

350 - 600 kg/ha

450 - 800 kg/ha

- baars? - snoek - snoekbaars - karper (max.bezetting)**

1 - 5 kg/ha 10 - 50 kg/ha geen 40 - 50 kg/ha

10 - 30 kg/ha 50 - 100 kg/ha nihil 100 - 150 kg/ha

2 - 10 kg/ha 30 - 50 kg/ha 0 - 10 kg/ha 150 - 200 kg/ha

nihil 3 - 30 kg/ha 10 - 50 kg/ha 450 - 800 kg/ha

Gemiddelde zichtdiepte (april - oktober)

> 1 m (bodemzicht)

40 - 70 cm

40 - 60 cm

10 - 40 cm

Groenalgen

nihil

veel

bloei

bloei

Blauwalgen

nihil

nihil

bloei (incidenteel)

bloei

Waterplanten (opp.)

60 - 100%

20 - 60%

10 - 20%

0 - 10%

- onder water - drijfblad - boven water

veel veel veel

weinig matig - veel matig

nihil weinig - matig matig

geen geen - weinig geen - matig

++ vissoorten aanwezig in grote aantallen + vissoorten aanwezig in kleinere aantallen * groei volgens OVB-normen ? visbezettinggegevens van baars kunnen sterk afwijken ** maximaal mogelijke karperbezetting zonder het watertype in doorzicht aan te tasten

- 15 -

BIJLAGE 3

Prijzen pootvis 2021

Vissoort

Sortering

Periode van levering

Prijs per kg

Blankvoorn

15-25 cm

okt t/m febr

€ 4,75

Ruisvoorn

10-20 cm

okt t/m febr

€ 7,00*

Zeelt

250-350 gr

okt t/m maart

€ 7,00*

Brasem

700-1500 gr

okt t/m febr

€ 3,25

Brasem

> 2000 gr

okt t/m febr

€ 3,00

Schub- of /spiegelkarper

1000-1500 gr

sept t/m april

€ 4,50

Schub- of spiegelkarper

1500-3500 gr

sept t/m april

€ 4,90

Schub- of spiegelkarper

4000-5000 gr

sept t/m april

€ 5,50

Snoek

1000-4000 gr

okt t/m maart

€ 12,00

Baars

40-200 gr

okt t/m maart

€ 10,00

1500-2500 gr

Okt t/m maart

€ 7,00

Graskarper Bedragen zijn exclusief 9% BTW

* Ruisvoorn en zeelt zijn langzaam groeiende vissoorten en daarom als pootvis relatief duur. De pootvis kan worden geleverd door Kavitrans, experts in zoetwatervis. E-mail: info@kavitrans.nl

- 16 -

COLOFON Visstandbeheeradvies gemeentewateren Ridderkerk Opgesteld in opdracht van: Gemeente Ridderkerk Opgesteld door: Kavitrans

Piet Kalkman Westringdijk 109, 2841 LT Moordrecht Tel: 06-51707447 E-mail: info@kavitrans.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/760/documents/28665