Toelichting bijlagen Verduurzamen en herbestemmen Landgoed Prattenburg (geannonimiseerd)
Tekst van het document
Bestemmingsplan Bijlagen Toelichting Verduurzamen En Herbestemmen Landgoed Prattenburg
Opdrachtgever:
Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl
Projectgegevens:
Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: vastgesteld Versie: 1 © 2024 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.
Inhoudsopgave Bijlagen toelichting
5
Bijlage 1
Overzichtskaart plan
6
Bijlage 2
Ecologisch onderzoek Natuurbegraafplaats Prattenburg
8
Bijlage 3
Ecologisch onderzoek gebouwen kapschuur en zonnepanelen
51
Bijlage 4
Onderzoek stikstofdepositie Cuneraweg 420 te Rhenen
87
Bijlage 5
Geactualiseerde Aerius-berekening aanlegfase
100
Bijlage 6
Geactualiseerde Aerius-berekening gebruiksfase
106
Bijlage 7 Archeologisch bureauonderzoek archeologie Natuurbegraafplaats landgoed Prattenburg
112
Bijlage 8
141
Inventariserend Veldonderzoek verkennende fase archeologie
Bijlage 9 Archeologisch bureauonderzoek met verwachtingskaart voor resten uit de Tweede Wereldoorlog
190
Bijlage 10
Samenvatting watertoets
235
Bijlage 11
Toetsresultaat digitale watertoets
238
Bijlage 12
Natuurvisie Landgoed Prattenburg
242
Bijlage 13
Vooroverlegreactie provincie Utrecht
289
Bijlage 14
Totaalvisie Familielandgoed Prattenburg
293
Bijlage 15
Archeologisch bureauonderzoek natuurbegraven op agrarische gronden
315
Bijlage 16 Archeologisch inventariserend veldonderzoek natuurbegraven op agrarische gronden
354
Bijlage 17
396
Reactienota 'Verduurzamen en herbestemmen Landgoed Prattenburg'
Verduurzamen en herbestemmen Landgoed Prattenburg | Eelerwoude | 3
Verduurzamen en herbestemmen Landgoed Prattenburg | Eelerwoude | 4
Bijlagen toelichting
Verduurzamen en herbestemmen Landgoed Prattenburg | Eelerwoude | 5
Bijlage 1 Overzichtskaart plan
Verduurzamen en herbestemmen Landgoed Prattenburg | Eelerwoude | 6
Overzicht verduurzaming landgoed Prattenburg Dassenburchten (niet-natuurbegraven)
Natuurbegraafplaats Zoekgebied
Hoge natuurwaarden Door natte heide op voormalige vennetjes(niet-natuurbegraven)
Opwaarderen natuur
Door exotenbestrijding en focus op inheemse loofhoutsoorten
Nieuwe natuur
NNN compensatie oppervlakte natuurbegraven
Schapenschuur en zondagschool Voorzien van erfgoedlogies
Nieuwe kapschuur
Woonwijk Petenbos
Te realiseren met energievoorzienend dak ten dienste van het landgoed
Mogelijke vindplaats WOII (niet-natuurbegraven)
Werkschuur
als ontvangstgebouw
(Veenendaal)
Koetshuis
als ceremoniegebouw
Landhuis
landgoed prattenburg
P Parkeerplaats ‘Groene entree’
Zonnepanelen
Nabij overloop parkeerplaats
P
Bijlage 2 Ecologisch onderzoek Natuurbegraafplaats Prattenburg
Verduurzamen en herbestemmen Landgoed Prattenburg | Eelerwoude | 8
RAPPORTAGE actualisatie ecologisch onderzoek Cuneraweg 420 Rhenen
Rapport actualisatie quickscan natuurwaarden Cuneraweg 420, Rhenen Opdrachtgever
Natuurbegraafplaatsen Van Waarde Provincialeweg 2 9463 TK Eext
1
Rapportnummer
12319.004
Versienummer
D1
Status
Definitief
Datum
20 september 2024
Opsteller1
De heer J.G. Boogaard, BSc
Kwaliteitscontrole
De heer P.A.R. Vermeiren, MSc
Vrijgave
In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven.
KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NENEN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.
Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet en NEN normen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers, door de publicerende instantie, verwijderd dan wel zwart gelakt te worden. GELDIGHEID ONDERZOEK In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Omgevingswet, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING .............................................................................................................................. 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................................ 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen .................................. 4
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ......................................................................................................................... 6
4
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .............................................................. 7 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7
5
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ................................................................................................ 17 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
6
Vogels ............................................................................................................................................. 7 Vleermuizen ................................................................................................................................... 8 Overige zoogdieren ...................................................................................................................... 11 Reptielen, amfibieën en vissen .................................................................................................... 13 Ongewervelden ............................................................................................................................ 15 Planten ......................................................................................................................................... 16 Specifieke zorgplicht .................................................................................................................... 16
Broedvogels .................................................................................................................................. 17 Das................................................................................................................................................ 17 Hazelworm, levendbarende hagedis, zandhagedis en rugstreeppad .......................................... 19 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................................. 20 Overige soort(groep)en ................................................................................................................ 20
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ............................................................................................... 21 6.1 6.2
Natura 2000 ................................................................................................................................. 21 Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................................... 22
7
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................................... 24
8
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................................................ 25
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3
Natuurwetgeving en doelen Natura 2000 Natuurwetgeving Natuurnetwerk Nederland Omgevingswet
ProjectCode
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Natuurbegraafplaatsen Van Waarde opdracht gekregen voor het uitvoeren van een actualisatie van een quickscan natuurwaarden aan de Cuneraweg 420 te Rhenen. De actualisatie quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de ontwikkeling van een natuurbegraafplaats. Econsultancy heeft in 2020 een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (rapport 12319.001 D6) en in 2022 een natuurvisie opgesteld (rapport 12319.003 D4) ten behoeve van de realisatie van een natuurbegraafplaats. Daarnaast heeft Econsultancy in 2022 een quickscan opgesteld voor diverse objecten rondom het landhuis (rapport 15576.001 D5). Ook deze quickscan is uitgevoerd in het kader van de realisatie van de natuurbegraafplaats. Inmiddels zijn de uitgangspunten van de natuurbegraafplaats alsmede de begrenzing van het plangebied gewijzigd. Daarnaast zijn de resultaten van het veldbezoek van de quickscan (rapport 12319.001) inmiddels verjaard. Deze actualisatie heeft als doel te toetsen aan de vigerende wet- en regelgeving, alsmede om te onderzoeken of de conclusies van het eerder uitgevoerde onderzoek nog steeds relevant zijn.
De actualisatie quickscan natuurwaarden heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Omgevingswet zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest bij ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
12319.004 versie D1
1 / 27
2
GEBIEDSBESCHRIJVING
2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving De onderzoekslocatie (± 30 ha) ligt aan de Cuneraweg 420 te Rhenen. In figuur 2.1 is de onderzoekslocatie weergegeven. De onderzoekslocatie is gedeeltelijk gelegen in de gemeente Rhenen (21,7 ha) en gedeeltelijk in de gemeente Veenendaal (8,7 ha).
Figuur 2.1 Topografische ligging van de onderzoekslocatie (rood vlak).
De onderzoekslocatie betreft voornamelijk een bosgebied op landgoed Prattenburg en is deels gelegen in de gemeente Rhenen en deels in de gemeente Veenendaal. Het bos bestaat voornamelijk uit grove dennen en sparren. In het bos zijn een aantal open plekken aanwezig. Centraal en aan de westzijde in het deel van de gemeente Rhenen zijn kleine heideveldjes met restanten van natte heide aanwezig. Naast het bosgebied zijn er ook een viertal landbouwpercelen die onderdeel uitmaken van de onderzoekslocatie. De westelijke twee percelen betreffen weiland en de oostelijke twee percelen zijn akkers die omzoomd zijn door kruidenrijke akkerranden. In de omgeving staan 19 Rijksmonumenten die onderdeel uitmaken van het landgoed. Aangrenzend aan de onderzoekslocatie zijn kleinschalige agrarische bosgebieden gelegen. In figuur 2.2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. Figuur 2.3 t/m 2.14 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek van 29 september 2024.
12319.004 versie D1
2 / 27
Figuur 2.2 Luchtfoto van de onderzoekslocatie.
Figuur 2.3 overzichtsfoto centrale deel van onderzoekslocatie.
Figuur 2.4 Jonge aanplant centraal op onderzoekslocatie.
Figuur 2.5 braamstruweel noordelijk deel.
Figuur 2.6 open veld met natte heide in het westen van de onderzoekslocatie.
Figuur 2.7 laan in het oosten van de onderzoekslocatie.
Figuur 2.8 hekwerk rondom oostelijke landbouwpercelen.
12319.004 versie D1
in
het
3 / 27
Figuur 2.9 akker met akkerrand in het oosten van de onderzoekslocatie.
Figuur 2.10 jonge opstand van grove den.
Figuur 2.11 grasland in het westen van de onderzoekslocatie.
2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen De initiatiefnemer is voornemens een natuurbegraafplaats te realiseren. Het gebied zal gefaseerd ingericht worden. Op korte termijn zal alleen het onderdeel van het plangebied dat behoord tot de gemeente Rhenen uitgevoerd worden (zie geel kader in figuur 2.2). De uitgangspunten voor onder andere grafdichtheid en inrichting van het gebied dat hoort bij de gemeente Veenendaal, is op dit moment nog niet bekend. Onderhavig onderzoek heeft echter betrekking op beide fases. Binnen de gemeente Rhenen wordt circa 14 hectare bos aangewezen, waarbinnen natuurgraven gerealiseerd kunnen worden. In circa 0,7 hectare van het plangebied wordt geen natuurbegraven toegestaan, omdat dit natte heideterreinen en overige landschappelijke of historisch waardevolle locaties betreffen in figuur 2.12 is weergegeven op welke terreindelen in het bosgebied binnen de gemeente Rhenen natuurbegraven mogelijk wordt gemaakt. Daarnaast zijn er in het bosgebied terreindelen die vanwege de aanwezigheid van een dassenburcht geen onderdeel uitmaken van de natuurbegraafplaats, dit wordt verder getoetst in dit rapport. Als uitgangspunt worden er in het bosgebied maximaal 150 graven per hectare gerealiseerd, verspreid over enkele tientallen jaren. In totaal betreffen dit maximaal 1995 graven in bestaande natuur.
De graven zijn circa 1,30 meter diep en hebben een oppervlakte van 1 bij 2 meter. Dit betekent dat graafwerkzaamheden betrekking hebben op maximaal 3 % van de 14 hectare binnen het plangebied die aangewezen wordt als natuurbegraafplaats. De bodem die verstoord wordt zal nog iets meer zijn omdat de opgegraven grond tijdelijk naast het graf komt te liggen. De agrarische percelen hebben een oppervlakte van circa 50 hectare. Van deze percelen wordt de bestemming gewijzigd naar natuur. Van de 50 hectare wordt in 45876 m 2 natuurbegraven mogelijk gemaakt, de overige oppervlakte dient als natuurcompensatie voor de graven in bestaand bosgebied en de benodigde natuurcompensatie voor een reeds gerealiseerde kapschuur en een zonneveld (zie rapportage natuurvisie, versie D6). De grafdichtheid in de voormalige agrarische percelen wordt maximaal 500 graven per hectare.
12319.004 versie D1
4 / 27
De graafwerkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een minigraver, en indien noodzakelijk elektrisch of handmatig. Bij het graven zullen boomwortels beschadigd worden, maar er zal rekening mee gehouden worden dat de vitaliteit van de boom niet in het geding komt door de graafwerkzaamheden. Tijdens de ceremonie zal tijdelijk menselijke activiteit plaatsvinden in de directe omgeving van het graf. Daarna zal een houten boomschijf op het graf worden gelegd. De graven hebben geen gedenksteen en alleen natuurlijk afbreekbare stoffen worden binnen de natuurbegraafplaats gebruikt. De invloed op het natuurgebied zal zo minimaal mogelijk gehouden Figuur 2.12. de oppervlaktes binnen worden. Een deel van de opbrengsten van de natuurbegraafplaats bosgebied in de gemeente Rhenen, wordt geïnvesteerd in het natuurgebied. Er worden geen verhar- waarbinnen natuurbegraven mag dingen, hekwerken en bebouwing gerealiseerd. Tevens worden er plaatsvinden (lichtgroen, totaal 13,3 ha). geen extra paden binnen het plangebied aangelegd noch worden er houtopstanden geveld. Het bestaande ‘koetshuis’ aan de oostzijde wordt aangepast en er wordt een informatie- en materiaalgebouw verwezenlijkt in bestaande bebouwing.
Figuur 2.13 overzicht plangebied natuurbegraafplaats en beoogde ingrepen (bron: Natuurbegraafplaatsen van Waarde, augustus 2024). De locaties van de dassenburchten zijn gebaseerd op het onderzoek van 2020 en niet op onderhavig onderzoek. De kaart zal worden geactualiseerd op basis van de resultaten van dit onderzoek.
12319.004 versie D1
5 / 27
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een bureauonderzoek en een veldbezoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 29 augustus 2024 . Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld, voor zover dat gezien de schaalgrootte redelijkerwijs mogelijk is. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Omdat reeds bekend is dat er een grote dassenpopulatie aanwezig is op de onderzoekslocatie, is gedurende het veldbezoek met twee personen de gehele onderzoekslocatie doorkruist om de dassenburchten inclusief bijburchten en vluchtpijpen in kaart te brengen. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Utrecht opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd.
De quickscan natuurwaarden is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
12319.004 versie D1
6 / 27
4
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat/verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 5 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft.
4.1 Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd) Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. In bosgebieden en agrarische percelen aan de rand van de Utrechtse heuvelrug kunnen dit kerkuil, steenuil, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en wespendief zijn. Kerkuil en steenuil Kerkuilen en steenuilen kunnen voorkomen in de omgeving van de onderzoekslocatie. beide soorten broeden voornamelijk in speciale nestkasten of in bebouwing zoals zolders en schuren. Op de onderzoekslocatie en de directe omgeving zijn geen geschikte verblijfplaatsen voor kerkuil of steenuil aanwezig. De meest dichtbijzijnde bekende nestlocatie van steenuil bevindt zich circa 100 meter ten noordoosten van de onderzoekslocatie (NDFF). De schapenschuur in het oosten van de onderzoekslocatie is onderzocht in een separate quickscan (rapport 15576.001 D5). Het is daarmee uitgesloten dat met de voorgenomen ingrepen en activiteiten nestlocaties van kerkuil of steenuil beschadigd, vernield of verstoord worden. Het is niet volledig uit te sluiten dat de agrarische percelen deel uit maken van het territorium van kerkuil of steenuil. Voornamelijk de bosranden kunnen gebruikt worden om te foerageren. De akkerpercelen zelf zullen weinig foerageermogelijkheden bieden voor beide soorten.
Met de voorgenomen inrichting van de percelen (zie figuren 4.1 en 4.2), blijft het open karakter van de percelen behouden, maar komen er wel meer foerageermogelijkheden in de vorm van uitkijkplekken en jachtposten. Ook is het doel de biodiversiteit te verhogen door groepsgewijs meer inheemse beplanting toe te voegen en door de landbouwpercelen om te vormen naar kruiden- en faunarijk grasland. De verwachting is hiermee dat de foerageermogelijkheden voor kerkuil en steenuil in de toekomstige situatie groter zijn dan in de huidige situatie. Negatieve effecten op deze soorten zijn daarmee op voorhand uit te sluiten.
12319.004 versie D1
7 / 27
Buizerd, havik en wespendief Roofvogelsoorten zoals buizerd, havik en wespendief maken grote nesten in boomkruinen in bosgebieden. Dergelijke nesten zijn tijdens het veldbezoek van 29 augustus 2024 niet aangetroffen. Tevens worden met de voorgenomen ingreep geen bomen gekapt. Mocht op de lange termijn (her)vestiging plaatsvinden van broedgevallen van deze roofvogelsoorten, wordt niet verwacht dat het natuurbegraven tot verstoring van een broedgeval zal zorgen. Er worden geen extra paden gemaakt in het bosgebied, en het bosgebied bestaat op dit moment uit een relatief dicht netwerk van wandelpaden die intensief gebruikt worden om te recreëren. Met 150 graven per hectare zal er gemiddeld minder dan één begraafactiviteit per week plaatsvinden in het bos. Het is redelijkerwijs aan te nemen dat deze extra kortdurende activiteiten verwaarloosbaar zijn ten opzichte van de huidig aanwezige verstoring. Ransuil, sperwer en boomvalk De ransuil en sperwer broeden voornamelijk in dichte naaldbomen in kleinschalige open bossen, bosranden, parken en in sommige gevallen in tuinen. Boomvalken broeden voornamelijk in hoogspanningsmasten en hoge populierenrijen, maar ook in bosgebieden. Deze soorten gebruiken voornamelijk oude kraaien- en eksternesten als nestplaats. Dergelijke nesten zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. Tevens worden er geen bomen gekapt.
Derhalve kan een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de boomvalk, ransuil en sperwer als gevolg van de voorgenomen ingreep worden uitgesloten. De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten, weidevogels of grotere nesten zoals zwarte kraai. In het bosgebied zijn bomen met boomholtes niet veel aanwezig, voornamelijk in (voormalige) laanstructuren zijn bomen met boomholtes aanwezig waar spechten kunnen broeden, omdat er geen bomen gekapt worden ten behoeve van het gebruik als natuurbegraafplaats, zijn negatieve gevolgen voor spechten uit te sluiten. Voor overige soorten zijn er geen aanwijzingen dat de onderzoekslocatie een belangrijke functie heeft. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, waarvan nestplaatsen niet aangetast zullen gaan worden door de voorgenomen activiteiten. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Overige broedvogels De dichte struiken en takkenhopen op de onderzoekslocatie kunnen gebruikt worden als broedlocatie door algemeen voorkomende vogelsoorten als merel, roodborst en winterkoning. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn.
Schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningsplichtig geval zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 5).
4.2 Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen binnen het verspreidingsgebied van de franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis.
12319.004 versie D1
8 / 27
Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie Op de onderzoekslocatie is geen bebouwing aanwezig waarmee verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen uit te sluiten zijn. Op het grootste gedeelte van de onderzoekslocatie zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. In de relatief kleine grove dennen zijn geen boomholtes aanwezig. In het noordoosten van de onderzoekslocatie staan enkele oude beuken, waarin meerdere boomholtes aanwezig zijn. Deze boomholtes zijn mogelijk geschikt als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Met de voorgenomen ingreep zullen geen bomen worden gekapt. Tevens wordt er geen verlichting toegepast en wordt het gebied tussen zonsondergang en zonsopkomst niet betreden. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van zowel gebouwbewonende als boombewonende vleermuizen uitgesloten. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving in combinatie met de aard van de ingreep niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden.
12319.004 versie D1
9 / 27
Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger gewone grootoorvleermuis en rosse vleermuis om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen blijft het aanbod aan foerageermogelijkheden behouden. De inrichting van de agrarische percelen tot natuur kan juist bijdragen aan een positief effect op foerageermogelijkheden voor vleermuizen. In figuren 4.1 en 4.2 zijn de voorgenomen inrichting van de agrarische percelen weergegeven.
Figuur 4.1 inrichtingsvoorstel westelijke agrarische percelen.
Figuur 4.2 inrichtingsvoorstel oostelijke agrarische percelen.
Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Met de voorgenomen ingrepen worden geen potentiële vliegroutes negatief beïnvloed.
12319.004 versie D1
10 / 27
4.3 Overige zoogdieren Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: steenmarter, boommarter, eekhoorn, das, bunzing, wezel en hermelijn. Eekhoorn De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de eekhoorn. De hoge bomen op de onderzoekslocatie konden niet volledig worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten, zodat de aanwezigheid van een vaste rustof voortplantingsplaats van de eekhoorn niet kan worden uitgesloten. Echter worden er geen bomen gekapt ten behoeve van de inrichting en het gebruik van het terrein als natuurbegraafplaats. Derhalve zijn negatieve effecten op deze soort uit te sluiten. Das Dassen komen veelvuldig voor in de directe omgeving van de onderzoekslocatie en de onderzoekslocatie zelf. Tijdens het onderzoek wat Econsultancy in 2020 heeft uitgevoerd (rapport 12319.001 D6) is mede met behulp van de Dassenwerkgroep Utrecht en ’t Gooi alle aanwezige dassenpijpen geïnventariseerd.
In onderhavig onderzoek is door Econsultancy een actualisatie van dit onderzoek uitgevoerd waarbij de gehele onderzoekslocatie is onderzocht. Op de onderzoekslocatie zijn meerdere burchten aanwezig. In totaal zijn tijdens het onderzoek 55 pijpen aangetroffen verspreid over meerdere locaties. Dit zijn enkele bij elkaar gelegen ‘hoofdburchten’ van 7 tot 9 pijpen, meerdere bijburchten van 1 tot 4 pijpen en verspreid aanwezige vluchtpijpen. Er zijn meer dassenpijpen aangetroffen dan tijdens het onderzoek in 2020 en de hoofdburcht bestaat uit meer pijpen dan destijds. Ook zijn er enkele extra bijburchten en vluchtpijpen aangetroffen. Enkele dassenpijpen die in 2020 nog intact waren, waren in een dusdanige vervallen staat (ingestort of volledig geblokkeerd door omgevallen bomen) dat deze met zekerheid niet meer in gebruik zijn door dassen. De pijpen zijn allemaal op korte afstand van elkaar gelegen. Tussen de burchten zijn veel wissels en foerageersporen aanwezig, waardoor geconstateerd kan worden dat de hele zone waar de burchten in gelegen zijn, intensief worden gebruikt. Daarnaast wordt het bos aan de zuidzijde, noordwestzijde en oostzijde van de onderzoekslocatie, gelegen tegenaan de landbouwpercelen, intensief gebruikt om te foerageren. De ligging van de dassenburchten en de plekken waar de meeste foerageersporen en wissels zijn aangetroffen, zijn weergegeven in figuur 4.3.
In figuren 4.4 tot en met 4.6 zijn verschillende aangetroffen functies weergegeven. Met de voorgenomen ingreep zijn negatieve gevolgen voor dassen niet op voorhand uit te sluiten, door het treffen van maatregelen zijn schadelijke effecten die leiden tot een vergunningsplichtig geval wel te voorkomen (zie hoofdstuk 5).
12319.004 versie D1
11 / 27
hoofdburcht
Onderdoorgang hek
Figuur 4.3
ligging dassenburchten, bijburchten en vluchtpijpen op de onderzoekslocatie.
Figuur 4.4 foerageersporen.
Figuur 4.5 actief gebruikte dasenpijp.
Figuur 4.6 onderdoorgang in hekwerk.
Steenmarter en boommarter De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de boommarter en steenmarter. Voornamelijk de boommarter komt in de omgeving veelvuldig voor (NDFF). Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes maar ook stenenstapels, holen van andere zoogdieren of takkenhopen, als verblijfplaats. Boommarter gebruiken voornamelijk boomholtes maar ook takkenhopen, holen van andere zoogdieren of andere grotere schuilmogelijkheden in bosgebied als vaste rust- en voortplantingsplaats. Beide soorten hebben in hun territorium meerdere verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats door deze soorten. Echter is het mogelijk dat de in het gebied aanwezige dassenpijpen ook gebruikt worden door steen- of boommarter om te verblijven. Eventuele verblijfplaatsen van boommarters in boomholtes
12319.004 versie D1
12 / 27
worden niet aangetast omdat de toename van verstoring verwaarloosbaar is en er geen bomen worden gekapt. De maatregelen die noodzakelijk zijn om schadelijke effecten op dassen te voorkomen, zullen ook leiden tot het voorkomen van schadelijke effecten op vaste rust- en voortplantingsplaatsen van steen- of boommarter (zie hoofdstuk 5). Bunzing, wezel en hermelijn De bunzing en wezel komen volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Van de hermelijn is het niet aannemelijk dat deze soort voorkomt in de omgeving van de onderzoekslocatie omdat de soort meer gebonden is aan open en natte gebieden. Bunzing en wezel gebruiken holen van andere zoogdieren maar ook takkenhopen als vaste rust- en voortplantingsplaats. Met de voorgenomen ingrepen en activiteiten dient voorkomen te worden dat potentiële vaste rust- en voortplantingsplaatsen worden aangetast (zie hoofdstuk 5). Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel en rosse woelmuis. De verblijfplaatsen van deze soorten worden door de voorgenomen ingrepen echter niet aangetast.
4.4 Reptielen, amfibieën en vissen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 10 jaar de volgende beschermde reptielen waargenomen: ringslang, hazelworm, levendbarende hagedis en zandhagedis. Ringslang Ringslangen zijn volgens waarnemingen uit de NDFF nabij de onderzoekslocatie waargenomen. De soort is voornamelijk watergebonden en leeft vooral in oeverzones van vennetjes en ander oppervlaktewater in natuurterreinen. Ringslangen gebruiken grote broeihopen als voortplantingsplaats en om te overwinteren. Op de onderzoekslocatie kunnen incidenteel (passerende) ringslangen voorkomen. De graafwerkzaamheden zullen niet plaatsvinden nabij oppervlaktewater, en op de onderzoekslocatie zijn geen broeihopen aanwezig. Hierdoor zal het natuurbegraven niet leiden tot aantasting van een rust- of voortplantingsplaats of het doden of verwonden van ringslangen. Schadelijke effecten die leiden tot een vergunningsplichtig geval ten aanzien van ringslangen zijn daarmee uit te sluiten. Hazelworm De hazelworm komt voor op plaatsen met een dichte en goed ontwikkelde vegetatie in voornamelijk bos- en heidegebieden. De onderzoekslocatie biedt derhalve geschikt habitat voor deze soort. Schadelijke effecten die leiden tot een vergunningplichtig geval zijn voor deze soort te voorkomen(zie hoofdstuk 5).
Levendbarende hagedis De levendbarende hagedis komt voornamelijk voor in heide- en hoogveengebieden. De levendbarende hagedis is een vochtminnende soort die in de bovengenoemde habitats veelal in de nattere delen wordt waargenomen. Derhalve is er op de plekken met natte heide (centraal en aan de westzijde van de onderzoekslocatie) voor de
12319.004 versie D1
13 / 27
soort geschikt habitat aanwezig. Schadelijke effecten die leiden tot een vergunningsplichtig geval ten aanzien van de levendbarende hagedis zijn echter te voorkomen (zie hoofdstuk 5). Zandhagedis In Nederland is de verspreiding van de zandhagedis gebonden aan de hogere zandgronden. Hier komt de soort vrijwel uitsluitend in zijn duin- en heidegebieden voor. Derhalve is er op de open, zandige plekken geschikt habitat voor de soort aanwezig. Schadelijke effecten die leiden tot een vergunningplichtig geval ten aanzien van de zandhagedis zijn echter te voorkomen (zie hoofdstuk 5). Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar de volgende beschermde amfibieën waargenomen: kamsalamander en poelkikker. Beide soorten kunnen voorkomen in het Egelmeer ten zuiden van de onderzoekslocatie, daarnaast is er een bekende populatie kamsalamander aanwezig op 1,2 kilometer ten westen van de onderzoekslocatie. De rugstreeppad is niet waargenomen in de afgelopen 5 jaar, maar de onderzoekslocatie ligt wel in het verspreidingsgebied van de soort. Poelkikker en kamsalamander Op de onderzoekslocatie is water aanwezig op de (voormalige) natte heideterreinen, echter is 2024 een uitzonderlijk nat jaar en is redelijkerwijs uitgesloten dat op deze plekken voldoende geschikt habitat aanwezig is om duurzaam een populatie poelkikker of kamsalamander in stand te houden.
Normalerwijs is er geen tot weinig oppervlaktewater aanwezig op de onderzoekslocatie. De bekende populaties kamsalamander en poelkikker bevinden zich op dusdanige afstand van de onderzoekslocatie dat het redelijkerwijs uit te sluiten is dat de onderzoekslocatie een functie heeft als landhabitat voor deze soorten. Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn daarmee uitgesloten. Rugstreeppad De rugstreeppad is een mobiele soort die afhankelijk is van open pionierssituaties als landhabitat en pionierspoelen als voortplantingshabitat. Een bekende populatie (NDFF) van rugsteeppad komt op meer dan 2 kilometer van de onderzoekslocatie voor. Geschikt voortplantingswater is op de onderzoekslocatie zelf niet aanwezig, daarnaast biedt de onderzoekslocatie geen optimaal landhabitat omdat er geen pionierssituaties aanwezig zijn. Omdat de rugstreeppad een mobiele soort is, zou incidenteel een passerende rugstreeppad aanwezig kunnen zijn binnen het plangebied (zie hoofdstuk 5). Wel kan de onderzoekslocatie worden gebruikt als zowel land- als waterhabitat door algemeen voorkomende amfibieën als bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander (zie hoofdstuk 5).
Vissen Het aanwezige water droogt in de zomer op, waardoor deze soortgroep buiten beschouwing gelaten kan worden.
12319.004 versie D1
14 / 27
4.5 Ongewervelden Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Omgevingswet een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Op de onderzoekslocatie is water aanwezig op de (voormalige) heideterreinen. Tijdens het veldbezoek in augustus 2024 zijn hier veel tengere pantserjuffers en bruinrode heidelibellen waargenomen (zie figuur 4.7). Incidenteel zou een beschermde soort als gevlekte witsnuitlibel hier voor kunnen komen. Omdat er geen activiteiten of ingrepen plaatsvinden op deze heideterreinen zijn negatieve effecten op voorhand uit te sluiten.
Figuur 4.7 Tengere pantserjuffer in het oosten van de onderzoekslocatie.
Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan specifieke waardplanten. De onderzoekslocatie ligt in het verspreidingsgebied van de volgende beschermde vlindersoorten: grote vos en teunisbloempijlstaart. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn in het uitvoerportaal van de NDFF waarnemingen bekend van grote vos. teunisbloempijlstaart De teunisbloempijlstaart heeft open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen als habitat. De waardplanten van de soort zijn wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart. Tijdens het veldbezoek is gelet op waardplanten van teunisbloempijlstaart. Hierbij zijn geen waardplanten van teunisbloempijlstaart aangetroffen. Aangezien het veldbezoek uitgevoerd is in de groeiperiode van de waardplanten, kan hiermee uitgesloten worden dat op de onderzoekslocatie sprake is van rust- of voortplantingsplaatsen van teunisbloempijlstaart. Grote vos Voor de grote vos zijn boomsoorten als iep en zoete kers belangrijke waardplanten. Deze boomsoorten zijn niet tot weinig aanwezig op de onderzoekslocatie.
Omdat met de voorgenomen ingrepen en activiteiten geen bomen worden gekapt, zijn negatieve gevolgen voor deze soort uit te sluiten. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft, vermiljoenkever en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.
12319.004 versie D1
15 / 27
4.6 Planten Aangezien vrijwel de hele gehele onderzoekslocatie bestaat bos, akker met ingezaaide akkerranden en weinig soortenrijk grasland, is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde planten waargenomen. Bovendien zijn er volgens de NDFF geen waarnemingen bekend van beschermde vaatplanten. Op basis van het voorgaande kan een schadelijk effect die leidt tot een vergunningsplichtig geval ten aanzien van vaatplanten redelijkerwijs worden uitgesloten.
4.7 Specifieke zorgplicht Onder de specifieke zorgplicht vallen de in Nederland in het wild levende vogelsoorten, genoemd in bijlage I van de Vogelrichtlijn, en niet in de bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van de Vogelrichtlijn. Verder vallen hieronder de soorten uit bijlagen II, IV en V van de Habitatrichtlijn en dier- en plantensoorten genoemd in de Rode Lijsten. Een Rode lijst is een overzicht van levende soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Dit wordt bepaald op basis van zeldzaamheid en/of negatieve trend. De lijsten worden periodiek vastgesteld door de Minister van Economische Zaken. De dier- en plantensoorten zijn onderverdeeld in categorieën. Naast vogels zijn er ook lijsten voor bijen, dagvlinders, haften, kokerjuffers, sprinkhanen, krekels, korstmossen, landen zoetwaterweekdieren, libellen, mossen, paddenstoelen, platwormen, sprinkhanen en krekels, steenvliegen, vissen en zoogdieren. Volgens de actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) zijn diverse Rode Lijst soorten in de afgelopen 3 jaar waargenomen. Hierbij kan gedacht worden aan diverse plantensoorten, vogelsoorten en soorten uit diverse soortgroepen van insecten.
Met de voorgenomen ingrepen en activiteiten veranderen de omstandigheden voor deze soorten niet op een negatieve manier. Er vindt een opwaardering plaats van bestaande natuur en weinig waardevolle landbouwpercelen worden omgevormd tot natuur met een afwisseling van kruidenrijke graslanden, struweel en bomen. De verwachting is daarom dat de onderzoekslocatie in de toekomst meer geschikt is voor diverse rode lijstsoorten dan nu het geval is. Het treffen van concrete maatregelen in het kader van de specifieke zorgplicht wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
12319.004 versie D1
16 / 27
5
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er schadelijke handelingen optreden die leiden tot een vergunningsplichtig geval. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Omgevingswet en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Omgevingswet op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.
5.1 Broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien dichte vegetatie buiten het broedseizoen wordt verwijderd ten behoeve van snoeiwerkzaamheden, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 11.37 (Bal) (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Omgevingswet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen.
5.2 Das Het bosgebied op de onderzoekslocatie heeft een belangrijke functie voor de das. Daarnaast worden de landbouwpercelen op de onderzoekslocatie in beperkte mate gebruikt om te foerageren. Zowel de vaste rust- en voortplantingsplaatsen als de bijbehorende functionele leefomgeving zoals vluchtpijpen en essentiële foerageergebieden zijn beschermd. Artikel 11.54 (Bal) (het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen; het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of vernielen) is van toepassing. Het verstoren van dassen op zichzelf is geen overtreding van de Omgevingswet. Wel kan verstoring van een burcht zorgen dat de burcht (op termijn) niet meer goed kan functioneren, of dat de voortplantingscyclus wordt verstoord. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten in het kader van natuurbegraven, zal het aanbod foerageermogelijkheden niet in het geding komen. Ten behoeve van het natuurbegraven zal per graf een gat worden gegraven, maar er zullen geen bomen verwijderd worden. De eigenschappen van het gebied zullen behouden blijven. Uit een verkennend onderzoek naar de effecten van natuurbegraven op water, bodem en natuur (van der Riet en Westendorp, 2017) is gebleken dat de effecten van natuurbegraven op bodemfauna gering zijn.
In de oplegnotitie wordt aangegeven dat alleen bij hoge aantallen graven per hectare een negatief effect kan ontstaan. Met maximaal 150 graven per hectare van 1 bij 2 meter zal maximaal 300 m2 bosbodem worden vergraven, dat is maximaal 3% van de bosbodem, verspreid over een periode van tientallen jaren. Daarnaast wordt in het onderzoek van Van der Riet en Westendorp aangegeven, dat als de toplaag weer als laatste teruggeplaatst wordt, de effecten nog geringer zijn.
12319.004 versie D1
17 / 27
Met de voorgenomen activiteiten dient voorkomen te worden dat dassenburchten worden vergraven, en dient voorkomen te worden dat verstoring van dassen plaatsvindt ter plaatse van de burchten. Door binnen een zone van 25 meter rondom de burchten geen natuurbegraven te laten plaatsvinden, wordt het vergraven van dassenburchten voorkomen. Machinaal graven met een minigraver zorgt voor een relatief grotere verstoring dan enkel menselijke activiteit. Machinaal graven, met uitzondering van volledig elektrische machines, dienen daarom niet plaats te vinden binnen 50 meter van dassenburchten. In de zone tussen 25 meter en 50 meter van dassenburchten kan wel begraven worden, maar dient het graf handmatig of met volledig elektrisch graafmateriaal gegraven te worden. De voorgestelde bufferafstand van 50 meter is conform hetgeen gesteld wordt in het kennisdocument van de das (BIJ12, juli 2017). Volgens het kennisdocument zijn activiteiten binnen een straal van 50 meter mogelijk, indien negatieve gevolgen zo veel mogelijk beperkt worden. Daarom is gekozen om binnen deze zone uitsluitend elektrisch te werken. Gezien de beperkte verstoring die optreedt en de korte duur van de werkzaamheden en de ceremonie zijn negatieve gevolgen op het functioneren van de burcht uit te sluiten.
Verder wordt in het kennisdocument gesteld dat activiteiten binnen een straal van 20 meter onder voorwaarden ook mogelijk zijn, echter is in dit plan gekozen om een zone van 25 meter rondom elke aanwezige functionele dassenpijp geen activiteiten met betrekking tot natuurbegraven toe te staan om zo negatieve gevolgen op dassen zo veel mogelijk te voorkomen. Verder is het belangrijk om aanlooproutes voor de begraafceremonie, en de aanrijroutes van graaf-kranen niet binnen de bufferzones plaats te laten vinden. De voorgestelde bufferzones zijn weergegeven in figuur 5.1. De begrafenissen vinden uitsluitend plaats overdag en buiten de verstoringsafstand van aanwezige dassenburchten. Er wordt tijdens de begraafceremonies geen gebruik gemaakt van versterkt geluid en de ceremonie is slechts van korte duur (maximaal een uur op locatie). Over het algemeen zullen veruit de meeste bezoekers buitenom de ceremonies uitsluitend gebruik maken van de bestaande paden. Incidenteel zouden bezoekers kunnen afwijken van de bestaande padenstructuur om het graf te bezoeken, aangezien de graven altijd buiten de verstoringsafstand van minimaal 25 meter aanwezig zijn, zal door deze incidentele bezoeken geen verstoring van de burchten optreden. Tot slot vindt er gedurende meerdere jaren vaak verschuiving plaats van de ligging van de dassenburchten.
Het is daarom van belang om minimaal eens in de 3 jaar de ligging van de dassenburchten te actualiseren door een deskundige op het gebied van dassen. Zo wordt voorkomen dat op de lange termijn alsnog een burcht vergraven of verstoord wordt. Als uit de actualisatie naar voren komt dat een burcht niet meer functioneel is, hoeft de voorgestelde bufferafstand bij de betreffende burcht niet meer gehanteerd te worden.
12319.004 versie D1
18 / 27
Figuur 5.1 Ligging dassenburchten op de onderzoekslocatie en voorgestelde buffers (25 en 50 meter) voor het uitvoeren van de werkzaamheden. In de zone ‘niet machinaal graven’ mag wel met een volledig elektrische graafkraan gewerkt worden.
5.3 Overige marterachtigen Uit de analyse van hoofdstuk 4 blijkt dat de dassenpijpen ook gebruikt kunnen worden door andere marters zoals boommarter, steenmarter bunzing en wezel als vaste rust- en voortplantingsplaats. Deze soorten vallen onder hetzelfde beschermingsregime als dassen. De in paragraaf 5.2 beschreven maatregelen hebben als doel om de vaste rust- en voortplantingsplaats van dassen volledig te beschermen. Met deze maatregelen in acht nemende, kan gesteld worden dat eventueel in de dassenburcht verblijvende andere beschermde zoogdiersoorten ook volledig behouden blijven. Aanvullend hierop kunnen grote takkenhopen ook dienen als vaste rust- en voortplantingsplaats voor marterachtigen. Met de voorgenomen activiteiten dienen takkenhopen die voor langer dan 1 maand aanwezig zijn, volledig onaangetast te blijven.
12319.004 versie D1
19 / 27
5.4 Hazelworm, levendbarende hagedis, zandhagedis en rugstreeppad De hazelworm, levendbarende hagedis en zandhagedis komen voor binnen de onderzoekslocatie. Daarnaast kan incidenteel een rugstreeppad voorkomen. Vrijwel de gehele locatie blijft zoals deze in de huidige situatie is. Er gaat derhalve geen habitat verloren. Het is bij graafwerkzaamheden ten behoeve van de realisatie van de natuurgraven echter wel te adviseren om dit met de hand dan wel met kleine machines te doen. Dit geldt ook voor onderhoudswerkzaamheden zoals het verwijderen van de strooisellaag. Om doden en verwonden, en daarmee schadelijke effecten die leiden tot een vergunningsplichtig geval, dienen deze werkzaamheden handmatig uitgevoerd te worden. Daarnaast wordt geadviseerd, indien de locaties van de in de winter te realiseren natuurgraven vóór de winter al bekend zijn, deze vrij te houden van dichte begroeiing en/of strooisellaag. Dit voorkomt dat er op deze locaties overwinterende hazelwormen aanwezig zullen zijn.
5.5 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 11.54 (Bal) in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen.
5.6 Overige soort(groep)en Overtredingen van de Omgevingswet ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
12319.004 versie D1
20 / 27
6
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Omgevingswet aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.
6.1 Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Binnenveld, bevindt zich op circa 2,5 kilometer afstand ten oosten van de onderzoekslocatie (zie figuur 6.1). Daarnaast ligt het Natura 2000-gebied Rijntakken op circa 3,5 kilometer afstand ten zuidwesten van de onderzoekslocatie.
Figuur 6.1 Ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de voorgenomen activiteiten op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de vergunningplicht ‘Natura 2000-
12319.004 versie D1
21 / 27
activiteit’ ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator). Dit onderzoek is reeds uitgevoerd (rapport 12319.002).
6.2 Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie maakt deel uit van het Natuurnetwerk. In figuur 6.2 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 6.2
Ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is planologisch beschermd. Dit betekent dat de provincie Utrecht nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die een significant negatief effect hebben op de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN niet toestaat. In artikel 6.3 van de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht (10 maart 2021) is het volgende vastgelegd over nieuwe bestemmingen binnen het Natuurnetwerk Nederland: 1.
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Natuurnetwerk Nederland bevat geen nieuwe bestemmingen en regels die ruimtelijke ontwikkelingen toestaan die nadelige gevolgen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in bijlage 10 Wezenlijke kenmerken en waarden van deze verordening, of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, oppervlakte of de samenhang van het natuurnetwerk Nederland, tenzij sprake is van:
12319.004 versie D1
22 / 27
a.
2. 3.
4.
Ruimtelijke ontwikkelingen vanwege een groot openbaar belang, waarbij er geen reële alternatieven zijn die het natuurnetwerk Nederland niet of minder aantasten; b. Ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot aantasting worden gecompenseerd binnen een met die ruimtelijke ontwikkeling samenhangend gebied en met dusdanige activiteiten dat de uitvoering van die activiteiten gezamenlijk binnen 10 jaar resulteert in een duidelijk aantoonbare meerwaarde voor het natuurnetwerk Nederland voor wat betreft kwaliteit, oppervlakte en samenhang; of c. Ruimtelijke ontwikkelingen in het natuurnetwerk Nederland die beperkt worden gewijzigd of worden toegevoegd, waarbij die wijziging of toevoeging noodzakelijk is voor de instandhouding van de bestaande bestemming. Onder de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval niet de bestaande legale bebouwing, erven en verharding begrepen. Aantasting van het natuurnetwerk Nederland op grond van het eerste lid is slechts mogelijk als: a. De aantasting zo veel mogelijk wordt beperkt; en b. De overblijvende aantasting tijdig wordt gecompenseerd. De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de voorwaarden is voldaan.
De voorgenomen ingreep, het realiseren van een natuurbegraafplaats, zal leiden tot een verandering van bestemming van een gebied gelegen in het natuurnetwerk Nederland. Uit lid 1 van artikel 6.3 blijkt dat een dergelijke wijziging alleen doorgevoerd kan worden wanneer er sprake is van, of een groot openbaar belang, of een noodzakelijke toevoeging voor de instandhouding van de bestaande bestemming, of een passende compensatie. De voorgenomen ingreep valt niet onder een groot openbaar belang of noodzakelijke toevoeging, waardoor deze ingreep enkel uitgevoerd kan worden wanneer er een passende compensatie gevonden kan worden. Dit is ook vastgelegd in lid 3 van artikel 6.3, waaruit blijkt dat aantasting van het natuurnetwerk Nederland slechts mogelijk is wanneer aantasting zoveel mogelijk wordt beperkt en de overblijvende aantasting tijdig wordt gecompenseerd. Om vast te stellen of het plan kan bijdragen aan een versterking van het Natuurnetwerk Nederland dient een natuurvisie opgesteld te worden waarin beschreven wordt hoe de voorgenomen plannen kunnen leiden tot een toename in oppervlakte, samenhang en kwaliteit (ook met het oog op wezenlijke waarden en kenmerken).
12319.004 versie D1
23 / 27
7
HOUTOPSTANDEN
In art. 11.112 zijn de oogmerken opgenomen voor de activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten. De oogmerken met betrekking tot vellen en herplanten van houtopstanden hebben betrekking op de natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland en het beschermen van landschappelijke waarden. De Omgevingswet beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen onder in artikel 11.111 (Bal). Omdat er geen bomen worden gekapt ten behoeve van het plan, is geen sprake van een meldingsplicht en/of herplantplicht.
12319.004 versie D1
24 / 27
8
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Natuurbegraafplaatsen Van Waarde een actualisatie quickscan natuurwaarden uitgevoerd aan de Cuneraweg 420 te Rhenen. De actualisatie quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens een natuurbegraafplaats te realiseren. Het gebied zal gefaseerd ingericht worden. Op korte termijn zal alleen het onderdeel van het plangebied dat behoord tot de gemeente Rhenen uitgevoerd worden. De uitgangspunten voor onder andere grafdichtheid en inrichting van het gebied dat hoort bij de gemeente Veenendaal, is op dit moment nog niet bekend. Onderhavig onderzoek heeft echter betrekking op beide fases. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 8.1. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten.
In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Omgevingswet voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 8.1
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen.
Soortgroep
Broedvogels
Vleermuizen
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader on- Omgevingsver- Bijzonderheden / opmerkingen* derzoek gunning
algemeen
ja
ja
nee
nee
Eventuele snoeiwerkzaamheden ten behoeve van onderhoud buiten broedseizoen uitvoeren. Indien dit niet mogelijk is, wordt geadviseerd om voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uit te laten voeren door een ter zake kundige.