PPN2023 digitaal definitief
Tekst van het document
8V 2.974 V
Mutaties reserves (B) Geraamd resultaat (A+B)
0N 2.974 V
Toelichting overige verschillen Programma 7
58
3.4 Geprognosticeerde balans 2022 -2026 Dit onderdeel is opgebouwd uit: 3.4.1 Inleiding 3.4.2 Balanspositie 3.4.3 Toelichting op de balanspositie
3.4.1 Inleiding Een balans is een financieel overzicht van de bezittingen, het eigen vermogen en de schulden. Het geeft een beeld van de financiële positie op een bepaald moment en inzicht hoe de gemeente het bezit heeft gefinancierd. Dit geeft de raad inzicht in de ontwikkeling van de investeringen, de inzet van de reserves en voorzieningen en de financieringsbehoefte. Met deze informatie kunnen ontwikkelingen
vroegtijdig gesignaleerd worden. In de hierna geprognosticeerde balansen is de balans uit de jaarrekening 2021 als uitgangspunt genomen. De onderdelen waar actuele informatie over beschikbaar is zijn geactualiseerd. Voorbeelden hiervan zijn: vaste activa, reserves en voorzieningen en de langlopende schulden.
59
H 3.4
Geprognosticeerde balans
3.4.2 Balanspositie Activa (x € 1.000)
31-12-2021
31-12-2022
31-12-2023
31-12-2024
31-12-2025
31-12-2026
Immateriële vaste activa
203
195
188
180
173
165
Materiële vaste activa
62.645
70.475
74.435
87.984
91.571
92.911
Financiële vaste activa
5.185
4.274
3.231
3.222
3.212
3.202
68.033
74.945
77.854
91.386
94.956
96.278
72
526
0
0
0
0
10.856
8.483
5.298
5.298
5.298
5.298
Liquide middelen
410
410
410
410
410
410
Overlopende activa
2.852
2.852
2.852
2.852
2.852
2.852
14.190
12.271
8.560
8.560
8.560
8.560
82.223
87.216
86.413
99.946
103.515
104.838
Vaste activa
Vlottende activa Voorraden Uitzettingen (rentetypische looptijd van een jaar of minder)
Totaal
60
Geprognosticeerde balans
Passiva (x € 1.000)
31-12-2021
31-12-2022
31-12-2023
31-12-2024
31-12-2025
31-12-2026
Eigen vermogen
28.643
26.616
26.329
26.097
25.813
25.580
Voorzieningen
4.867
4.647
4.367
4.825
4.840
4.971
Vaste schulden (rentetypische looptijd van één jaar of langer)
41.210
49.058
46.259
57.499
60.873
62.927
74.720
80.321
76.955
88.421
91.526
93.478
Netto-vlottende schulden (rentetypische looptijd korter dan één jaar)
3.084
3.084
5.647
7.714
8.178
7.549
Overlopende passiva
4.419
3.811
3.811
3.811
3.811
3.811
7.503
6.895
9.458
11.525
11.989
11.360
82.223
87.216
86.413
99.946
103.515
104.838
H 3.4
Vaste passiva
Vlottende passiva
Totaal
61
H 3.4
Geprognosticeerde balans
3.4.3 Toelichting op de balanspositie Vaste activa De vaste activa van de gemeente bestaat uit investeringen. Investeringen zijn uitgaven waarvan het economisch – of maatschappelijk nut zich over meerdere jaren uitstrekt. Investeringen worden geactiveerd op de balans en afgeschreven op basis van de economische levensduur van de investering. De kapitaallasten (rente en afschrijving) komen ten laste van de programma’s en moeten worden gedekt binnen de baten en lasten van de programmabegroting. De boekwaarde van de vaste activa neemt die komende jaren toe met ruim € 28 miljoen. Die toename is voor 16 miljoen toe te schrijven aan de investering in een nieuw MFC in Rhenen. Daarnaast zorgen de jaarlijkse vervangingsinvesteringen voor een toename van de vaste activa. Voorbeelden hiervan zijn: riolering, wegen, gemeentelijke gebouwen, voertuigen en sportvelden. Bij de financiële activa is een daling te zien Dit komt door de aflossing van de leningen die voor het huidige Gastland zijn verstrekt. De aanzienlijke toename van de vaste activa (investeringen) vertaalt zich in een oplopende vaste schuld. Dit komt onder andere omdat de gemeente een financieringstekort heeft. In onderstaande tabel zijn de voorgenomen investeringen 2023 in beeld gebracht. Voorgenomen investeringen
Een overzicht van de voorgenomen investeringen 2023 tot en met 2026 kunt u opvragen door op de link te drukken.
Voorgenomen investeringen 2023 tot en met 2026
Eigen vermogen Het totaal van de bezittingen (totale activa) minus de schulden is het eigen vermogen. Het eigen vermogen is samengesteld uit de algemene reserve, bestemmingsreserves en het jaarrekeningresultaat. In onderstaande tabel is ook het jaarrekeningresultaat 2021 verwerkt. Het eigen vermogen neemt in de periode 2023 tot en met 2026 met € 1 miljoen af. Dit heeft te maken met het inzetten van de bestemmingsreserves voor de dekking van kapitaallasten. In deze situaties worden dus structurele lasten met incidentele middelen gedekt. Dit is de enige situatie waarbij dat is toegestaan Eigen vermogen (x € 1.000)
Nieuw krediet 2023 1. Algemene reserve vrij besteedbaar
saldo 01-01-2023
toevoeging
onttrek- saldo king 31-12-2023
16.412
0
-12
16.401
Naam/omschrijving investering
Bruto inv.
Bijdrage
176 Investeringen eben haezerschool
176
0
2. Bestemmingsreserves
176 Gebouwen
176
0
a. Bestemmingsreserves (algemeen)
4.278
34
-92
4.220
550 Investeringen aanbiedstation
550
0
b. Bruto methode reserves
5.926
58
-276
5.709
Totaal reserves
26.616
92
-380
26.330
2.376 Voorbereidings- en uitvoeringskredieten riolering
2.376
0
2.926 Riool en afval (met heffing)
2.926
0
2.632 Netto investeringen wegen
2.632
0
22 Ombouw openbaar groen
22
0
22 Ombouw speelplaatsen
22
0
75 Jaarlijkse vervanging lichtmasten
75
0
169 Jaarlijkse vervanging armaturen
169
0
2.920 Grond, weg en waterbouw (maatschapp.)
2.920
0
108 Voertuigen en werkmaterieel Remmerden
108
0
108 Vervoersmiddelen
108
0
75 Digitalisering P&C cyclus
75
0
28 Jaarlijkse vervanging meubilair en aanschaf couverteermachine
28
0
103 Inventaris
103
0
6.233
0
6.233 Totaal
Het gepresenteerde verloop van het eigen vermogen wijkt in 2022 af van de geprognosticeerde balans. Nadat de balans is opgesteld zijn er nog wijzigingen aangebracht in de reserve investeringen sociaal domein en de reserve budgetoverheveling van in totaal € 462.500. Dit resulteert is een nadelig rente-effect van bijna € 8.000. Een verloopoverzicht per reserve over de jaren 2023-2026 kunt u opvragen door op de link drukken.
Verloopoverzicht per reserve 2023-2026
Voorzieningen Voorzieningen behoren tot het vreemd vermogen. Het is een reservering voor toekomstige uitgaven waarbij de hoogte en het tijdstip van de besteding goed ingeschat kan worden, maar waarvan de kosten in de tijd onregelmatig gespreid zijn. Ook worden voorzieningen gevormd vanwege risico’s die op de balansdatum bestaan en die kunnen leiden tot verplichtingen en 62
Geprognosticeerde balans
verliezen waarvan de omvang onzeker is, maar redelijk is in te schatten. De omvang van de voorzieningen blijft de komende jaren vrijwel op hetzelfde niveau liggen.
bij de vaste activa. Ook zorgt de daling van de eigen financieringsmiddelen voor het aantrekken van extra geldleningen op de kapitaalmarkt.
Voorzieningen (x € 1.000)
Samenstelling leningenportefeuille (x 1.000)
saldo 01-01-2023
Voorzieningen voor verplichtingen, verliezen en risico’s
558
Voorzieningen voor egalisatie van kosten
1.730
Voorzieningen voor middelen van derden waarvan de bestemming gebonden is
2.359
Totaal voorzieningen
4.647
toe- onttreksaldo voeging king 31-12-2023 0
0
558
Lening 1
1-1-2023
31-12-2023
16.492
15.292
Lening 2
Een verloopoverzicht per voorziening over de jare 20232026 kunt u opvragen door op de link te drukken.
811
400 1.211
-1245
-246 -1.491
1.297
2.513 4.367
Verloopoverzicht per voorziening 2023-2026
Vaste schulden met een rentetypische looptijd van 1 jaar of langer De gemeente de vaste activa met eigen en vreemde financieringsmiddelen. Omdat de gemeente heeft een financieringstekort heeft zijn er geldleningen aangetrokken op de kapitaalmarkt aangetrokken. De omvang daarvan bedraagt op 1-1-2022 ruim € 41 miljoen. De komende jaren neemt de omvang van de leningen toe met ruim € 21 miljoen. Deze extra financieringsbehoefte is nodig om de voorgenomen investeringen te kunnen financieren. Zie hiervoor de toelichting
Rente percentage Einde looptijd 4,91%
2036
1,50%
2022
Lening 3
600
300
1,50%
2024
Lening 4
1.400
1.200
2,10%
2029
Lening 6
3.833
3.667
1,80%
2045
Lening 7
5.000
5.000
0,70%
2049
Lening 8
4.000
4.000
0,60%
2070
Lening 9
7.733
7.467
0,40%
2051
Lening 10
5.000
4.833
2,08%
2052
Lening 11
5.000
4.500
1,75%
2032
49.058
46.259
Een verloopoverzicht van de leningenportefeuille kunt u opvragen door op de link te drukken.
H 3.4
Verloopoverzicht leningenportefeuille 2023-2026
63
H4 ONTWIKKELING WOONLASTEN 64
Ontwikkeling woonlasten
H 4.1
4.1 Woonlasten Inleiding In deze paragraaf willen we u informeren over de woonlasten. Onder de woonlasten vallen de OZB, afval en riolering. De komende jaren zullen de ontwikkelingen bij afval en riolering in het teken staan van de ambities uit het afval- en grondstoffenbeleid en de uitvoering van het nog vast te stellen Waterrioolplan. Bij deze ontwikkelingen willen we nadrukkelijk het nieuwe coalitieakkoord en het nieuwe bestuursprogramma betrekken. In deze paragraaf is daarom een indicatief beeld over de verwachte ontwikkeling van de woonlasten opgenomen. Verder gaan we inhoudelijk kort in op het afval- en grondstoffenbeleid en het Waterrioolplan. Ontwikkeling woonlasten In onderstaande tabel geven we een globaal beeld van de woonlasten 2023-2026. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: a. De OZB is verhoogd met het gewogen inflatiepercentage 2023 inclusief het effect van de nacalculatie 2022. Ook is rekening gehouden met de waardeontwikkeling in de periode 1-1-2021 en 1-1-2022. b. Bij de bestemmingsheffingen is de prijsontwikkeling meegenomen die door het Centraal Planbureau in maart 2022 zijn gepubliceerd. Ook zijn de lagere overheadpercentages toe gerekend. Nadere informatie hierover kunt u terugvinden in het onderdeel uitgangspunten vanaf pagina 40. c.
Bij afval is voor de hoogte van de verwerkingskosten aangesloten bij de ingezamelde hoeveelheden ultimo 2021. Bij de riolering is aangesloten bij het geldende vGRP+. De woonlasten ontwikkelen zich bij de hierboven genoemde de komende jaren als volgt: in €
2021
2022
2023
2024
2025
afvalstoffenheffing
306,00
329,00
349,72
348,82
351,30
rioolheffing
172,50
175,75
186,06
190,26
197,74
OZB
390,69
381,47
387,92
394,48
401,14
compensatie woonlastenstijging totaal woonlasten stijging t.o.v. voorgaand jaar
-12,50 869,19
873,72
933,07
933,56
950,18
0,52%
5,72%
1,07%
1,78%
• Bij de rioolheffing is de grondslag voor het gebruikersdeel aangepast van 125m3 naar 100 m2 zodat we aansluiten bij de Atlas Lokale Lasten van het COELO. Dit zorgt voor een betere vergelijking met overige gemeenten.
Bij het gepresenteerde beeld zijn de nodige voorbehouden te maken: a. De effecten van het waterrioolplan (WRP) zijn niet meegenomen. Hierover verwachten we meer duidelijkheid te hebben bij het opstellen van de belastingverordening 2023. De verwachting is dat het WRP in het najaar zal worden vastgesteld. b. Het afval- en grondstoffenbeleid fase 1 gaat uit van verdere daling van de hoeveelheid restafval van 140 kilo eind 2021 naar 100 kilo. De verdere daling is nog niet ingerekend omdat we eerst de resultaten van een volledig jaar wilden analyseren. Hierover bent u recent geïnformeerd. c. Voor de verwerkingskosten is aangesloten bij het beeld van 2022. Een stijging van de verwerkingskosten is aannemelijk door bijvoorbeeld de stijgende energiekosten. In dit stadium is de ontwikkeling van de verwerkingskosten nog onzeker. Dit geldt ook voor de verwachte meerjarige ontwikkeling van de opbrengsten van de gescheiden afvalstromen. d. De uitrol van fase 2 en 3 is mede afhankelijk van de resultaten uit fase 1. Verder moet er nog onderzoek plaatsvinden naar de meest gewenste richting om de ambities uit het afval-en grondstoffenbeleid te kunnen realiseren. Dit is afhankelijk van de (technische) mogelijkheden, bestuurlijke keuzes en de investeringen in de maatregelen.
Gelet op de hiervoor genoemde voorbehouden zullen we niet eerder dan bij de begroting 2023 een geactualiseerd beeld schetsen van de woonlasten. Een nadere aanscherping volgt bij de belastingverordening 2023. In het licht van de ambities en onzekerheden is het gewenst om de middelen die in de reserve bestemmingsheffingen zitten en mogelijke toekomstige voordelen niet volledig in te zetten voor een eventuele woonlastendemping. Het is belangrijk om de komende periode eerst te werken aan een zo actueel en volledig mogelijk beeld van de ontwikkelingen en de consequenties ervan voor de financiën.
Afval en grondstoffenbeleid Waarom afval scheiden? Afval scheiden is belangrijk voor het milieu. Als je geen afval zou scheiden dan wordt al het afval verbrand. Tijdens het verbrandingsproces komt CO2 vrij wat bijdraagt aan het broeikaseffect. Door het afval te scheiden kunnen recycleerbare materialen eruit gehaald worden om er nieuwe producten van te maken of spullen te hergebruiken. Hiermee draagt het scheiden van afval bij aan de pijler circulaire economie van onze duurzaamheidsopgave.
65
H 4.1
Ontwikkeling woonlasten
Voordelen van afval scheiden a. Minder verbranden van restafval waardoor en minder CO2 uitstoot is b. Besparing van grondstoffen c. Beperkt kostenstijgingen voor onze inwoners Planperiode 2020-2030 Voor 2021 was de ambitie om te komen tot 75% bronscheiding en 100 kilogram restafval per inwoner. Eind 2021 staat de teller op 140 kilogram restafval per inwoner en een bronscheidingspercentage van 72%. Vanaf 2022 dient het bronscheidingspercentage jaarlijks met 3,75% toe te nemen, tot 90% in 2025. In 2030 is het doel 30 kilogram restafval per inwoner. De aanpassingen in de inzamelstructuur worden in drie fasen uitgevoerd.
Waterrioolplan 2023-2027 Goede riolering is nodig voor de bescherming van de volksgezondheid, voor het milieu en voor het tegengaan van wateroverlast. Het is hierdoor een belangrijk onderdeel van de leefomgeving. Als gemeente hebben we de wettelijke verplichting en taak om voor de riolering en het stedelijk water te zorgen. We hebben een wettelijke zorgplicht voor stedelijk afvalwater, voor afvloeiend hemelwater en voor grondwatermaatregelen. Hoe de gemeente invulling geeft aan de wettelijke taken staat beschreven in een rioolplan, dat iedere 5 jaar moet worden vastgesteld door de raad. Het geldende vGRP+ (verbreed gemeentelijk rioleringsplan plus) had als uitgangspunten: voldoen aan de wettelijke watertaken, waarmaken afkoppelambitie en integrale uitvoering door werk-met-werk de realiseren.
a. Fase 1 Gericht op terugbrengen van het restafval naar 100 kilogram per inwoner. De maatregelen richten zich op het verlagen van de service. In de begrotingen 2022 en 2023 (en het meerjarenperspectief) zijn de kosten van de maatregelen en de opbrengsten van de gescheiden afvalstromen verwerkt op het inzamelniveau van eind 2021. De effecten van een daling van de hoeveelheid restafval van 140 naar 100 kilogram (lagere verwerkingskosten restafval, hogere kosten en opbrengsten verwerking gescheiden afvalstromen) en eventuele kosten van aanvullende maatregelen om tot de verlaging te komen zijn nog niet berekend en verwerkt in de begroting.
Inmiddels moeten we rekening houden met de klimaatadaptatie. Dit leidt tot extra werkzaamheden in de waterketen. Er is een klimaatanalyse uitgevoerd, welke de basis is geweest voor het beleidsplan ruimtelijke adaptatie (RAP). Een deel van de beleidskeuzes wordt verder uitgewerkt in het Waterrioolplan. Aanvullend op de uitgangspunten van het vGRP+ houdt het Waterrioolplan rekening met het meenemen van ruimtelijke adaptatie in ruimtelijke ontwikkelingen, waterberging en bufferen en het stimuleren inwoners om eigen percelen klimaat adaptief in te richten.
b. Fase 2 Gericht op terugbrengen van het restafval naar 50 kg per inwoner. De maatregelen richten zich op een ander inzamelsysteem, zoals omgekeerd inzamelen of gedifferentieerd tarief. Het onderzoek hiernaar moet nog starten. De financiële consequenties hiervan zijn in dit stadium nog onvoldoende duidelijk en vragen om bestuurlijke keuzes.
In het Waterrioolplan 2023-2027 wordt berekend wat de rioolheffing zou moeten zijn om over een periode van 70 jaar benodigde/geraamde uitgaven te kunnen dekken. De verwachting is dat de rioolheffing de komende jaren stapsgewijs zal moeten stijgen om zowel de werkzaamheden aan de riolering als de stijging van de kosten op te kunnen vangen. Over de consequenties hiervan voor de woonlasten zullen we u informeren zodra daarover meer bekend is.
c. Fase 3 Gericht op terugbrengen van het restafval naar 30 kg per inwoner. De laatste stap richt zich op een vorm van nascheiden. Het onderzoek hiernaar moet nog starten en is mede afhankelijk van technische ontwikkelingen en voldoende verwerkingscapaciteit. Op dit moment is alleen de nascheiding van PMD mogelijk. Ook de financiële consequenties hiervan zijn nog onvoldoende duidelijk en vragen om bestuurlijke keuzes.
66
Ontwikkeling woonlasten
H 4.1
67
H5 ONTWIKKELINGEN 68
Overige ontwikkelingen
Overige ontwikkelingen Nieuwe financieringssystematiek Rijk-Gemeenten in 2026 Tussen het Rijk en gemeenten wordt gesproken over een stabiele nieuwe of aangepaste financieringssystematiek vanaf 2026. In het coalitieakkoord was deze nieuwe financieringssystematiek al aangekondigd. De verruiming van het lokale belastinggebied is daarbij een van de mogelijkheden is. Hierbij worden in ieder geval ook alternatieven voor de onroerendezaakbelasting voor gemeenten betrokken. Ondanks dat de afgelopen jaren veel taken zijn gedecentraliseerd naar gemeenten, zijn zij nog altijd voor het overgrote deel van hun inkomsten afhankelijk van de Rijksoverheid. Gemeenten hebben daarom slechts zeer beperkt de mogelijkheid om de belastingheffing aan te passen op basis van bijvoorbeeld het voorzieningenniveau in de gemeente. Gemeenteraadsleden betrekken bij nieuwe financiering vanaf 2026 De Tweede Kamer wil dat gemeenteraadsleden worden betrokken bij het opstellen en uitwerken van het nieuwe financieringssysteem voor gemeenten. In de contourennota, die voor het zomerreces van de Tweede Kamer verschijnt, moet komen te staan hoe het Rijk de gemeenteraadsleden betrekt bij het opstellen en uitwerken van het nieuwe financieringssysteem.
Onderzoek naar solidariteitsfonds gemeenten De Tweede Kamer wil een stabiele financiering is voor gemeenten om continuïteit in de dienstverlening aan inwoners te kunnen leveren. Een incidentele grote financiële tegenvaller kan deze stabiliteit onderuit halen en de begroting van gemeenten jarenlang onder druk zetten. Een artikel 12 status is in zulke gevallen niet altijd wenselijk. De tweede kamer heeft in de vorm van een motie gevraagd om een onderzoek naar de wenselijkheid van een nood- of solidariteitsfonds. Op dit fonds zou door decentrale overheden, onder voorwaarden, een incidenteel beroep gedaan kunnen worden. Het onderzoek naar de wenselijkheid van zo’n solidariteitsfonds zou deel moeten uitmaken van de uitwerking van de toekomstige financiering van gemeenten. Rechtmatigheidsverantwoording per verslagjaar 2023 Recent is het wetsvoorstel versterking decentrale rekenkamers door de Tweede Kamer met een ruime meerderheid aangenomen. De rechtmatigheidsverantwoording was onderdeel van
H5
dat wetsvoorstel. Dit is een belangrijke mijlpaal op weg naar de invoering van de rechtmatigheidsverantwoording. De Eerste Kamer moet hier ook nog over spreken en vervolgens over stemmen. De verwachting is echter dat de Eerste Kamer geen problemen zal hebben met dit wetsvoorstel. Wel moet de onderliggende regelgeving nog worden aangepast. Het heeft relatief lang geduurd voordat het wetsvoorstel kon worden behandeld. Om de nodige vervolgstappen zorgvuldig te kunnen zetten, is besloten om de invoering van de rechtmatigheidsverantwoording in te laten gaan met ingang van het verslagjaar 2023. De jaarrekening voor het verslagjaar 2023 wordt in het kalenderjaar 2024 vastgesteld. Eerder was de intentie om de rechtmatigheidsverantwoording door het College aan de Raad per verslagjaar 2022 in te voeren. Dat is nu dus een jaar later geworden. Aantal specifieke uitkeringen explodeert Het aantal specifieke uitkeringen is de laatste jaren fors toegenomen. De verantwoordingslast voor de gemeenten stijgt daarin mee. Begin deze eeuw waren er vele honderden specifieke uitkeringen. In die tijd was het bedrag dat gemoeid was met al deze specifieke uitkeringen, groter dan het bedrag dat gemeenten uit het gemeentefonds ontvingen. Begin 2000 is door de commissie Brinkman een onderzoek gedaan. Het aantal specifieke uitkeringen zou teruggebracht kunnen worden van 155 naar 22.
Dat kon door specifieke uitkeringen samen te voegen in een gebundelde doeluitkering, of door kleinere bedragen over te hevelen naar het gemeentefonds in de vorm van decentralisatie-uitkeringen. Hierdoor zou de uitkeringslasten voor gemeenten aanzienlijk worden teruggebracht. In plaats van verantwoording afleggen over elke specifieke uitkering afzonderlijk, kon dat via de zogeheten ‘Sisa-verklaring’ bij de jaarstukken gedaan worden. Met één accountantsverklaring aangeven dat de besteding van alle specifieke uitkeringen rechtmatig was. De afgelopen jaren zien we echter weer een behoorlijke stijging van het aantal specifieke uitkeringen. Hadden we er in 2010 ongeveer 65 specifieke uitkeringen; 10 jaar later is dat opgelopen naar 99 stuks en in 2021 zijn er 131 specifieke uitkeringen met een totaalbedrag van € 13,5 miljard. En ook al geldt de Sisa-verklaring nog steeds, de werklast voor gemeenten en voor de accountant zijn sterk toegenomen. De verwachting is niet dat dit de komende jaren anders gaat zijn.
69
70