CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bij het Ontwerp-Utrechts Programma Landelijk Gebied 2026 - 2035

Commissie Ruimte en Economie 9 december 2025, gemeente RhenenBij agendapunt: Achtergrondinformatie Programma Landelijk Gebied31.414 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het verhogen van oppervlaktewaterpeilen om wegzijging vanuit de natuur te voorkomen; Het verontdiepen of dempen van watergangen, dan wel het actief verwijderen van drainage; Het reguleren of verbieden van grondwateronttrekkingen; Het verbeteren van de waterkwaliteit, of het omleiden van water met een slechte kwaliteit.

De hydrologische onderzoeken die volgen uit de NDA’s en de adviezen van de EA zullen duidelijk maken wat de exacte omvang is van het hydrologische overgangsgebied. Het hydrologische zoekgebied zal vanwege de verscheidenheid aan hydrologische maatregelen relatief groot zijn. Echter, de grootste veranderingen zullen dicht bij de Natura 2000-gebieden plaatsvinden. 3. Versterken van de ecologische verbindingen (connectiviteit) Een aantal habitattypen en leefgebieden van onze Natura 2000-gebieden ligt geïsoleerd ten opzichte van de omliggende natuur. Connectiviteit tussen natuurgebieden draagt bij aan de verspreiding van soorten tussen deelgebieden. Dit verhoogt de genetische diversiteit, waardoor soorten bijvoorbeeld minder vatbaar zijn voor ziektes. Wanneer de verbinding van voldoende kwaliteit is, kan het meetellen als leefgebied of draagt het bij aan de GSvI . Wanneer het verbeteren van de connectiviteit aan de orde is bij een Natura 2000-gebied, moet worden bekeken voor welk instandhoudingsdoel dat van toepassing is. Connectiviteit ten behoeve van plantensoorten kan om een grotere ruimtelijke aanpassing vragen dan voor een mobiele diersoort. Omvormen naar een natuurfunctie is niet altijd nodig wanneer op agrarische grond landschappelijke kenmerken zoals de Groenblauwe Dooradering (GBDA) worden teruggebracht.

Ook het beperken van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen draagt bij aan de connectiviteit. 4. Vergroten van het areaal natuur Bij een aantal van onze Natura 2000-gebieden is uitbreiding van de natuur (habitattypen of leefgebieden) nodig om te komen tot een minimale omvang waarbij het gebied robuust kan voortbestaan. Daarbij gaat het dus niet om de instandhoudingsdoelstelling voor uitbreiding – dat wil zeggen datgene waar een Natura 2000-gebied aan moet bijdragen wat betreft de landelijke doelen - maar wat lokaal aan minimale omvang nodig is om te voldoen aan de instandhoudingsdoelstelling voor behoud. Bij het aanwijzen en het begrenzen van enkele Natura 2000gebieden is in het verleden bestuurlijk gekozen voor een minimale begrenzing. Vanwege deze te krappe begrenzing zijn we nu genoodzaakt om rondom het Natura 2000-gebied deze aanvullende natuur alsnog te realiseren. Of deze uitbreiding via agrarisch natuurbeheer kan worden gerealiseerd, hangt af van het type natuur. Zeker is dat bij Oud-Kolland - onderdeel van het Natura 2000-gebied Kolland en Overlangbroek areaalvergroting nodig is. Maar dat geldt mogelijk ook voor andere gebieden, zoals het Binnenveld. Deze arealen worden geen Natura 2000. Wel moeten we ervoor zorgen dat we de omvang en kwaliteit van deze arealen kunnen garanderen.

Deze vier onderdelen betekenen concreet dat een extensievere en natuurinclusievere vorm van landbouw nodig is in overgangsgebieden dan nu vaak het geval is. In sommige gevallen is misschien zelfs geen vorm van landbouw meer mogelijk.

19

4. De Natura 2000-gebieden in de provincie Utrecht Gedeputeerde Staten (GS) van Utrecht zijn (mede)bevoegd gezag voor de tien Natura 2000-gebieden die (deels) op Utrechts grondgebied liggen. Voor ieder Natura-2000 gebied is één bestuursorgaan aangewezen als voortouwnemer, vaak degene met het grootste areaal van het Nature 2000-gebied. De voortouwnemer is bijvoorbeeld verantwoordelijk voor het proces om te komen tot een Natura 2000-beheerplan. GS van Utrecht zijn voortouwnemer voor vijf Natura 2000-gebieden: Binnenveld, Botshol, Kolland en Overlangbroek, Uiterwaarden Lek en Zouweboezem. Voor de overige vijf Natura 2000-gebieden zijn GS van de provincies Gelderland (Rijntakken en Lingegebied en Diefdijk Zuid), Zuid-Holland (Nieuwkoopse Plassen en De Haeck) en Noord-Holland (Oostelijke Vechtplassen) en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Eemmeer en Gooimeer Zuidoever) de voortouwnemers. Oostelijke Vechtplassen) en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Eemmeer en Gooimeer Zuidoever) de voortouwnemers. Hieronder staat per Natura 2000-gebied een korte gebiedsbeschrijving, de grootste drukfactoren voor het gebied en de belangrijkste te nemen systeemherstelmaatregelen. Hierbij benoemen we doorgaans de gehele gebieden, ook de delen die buiten de provinciegrens liggen.

Dit doen we omdat systeemherstelmaatregelen doorwerken in grotere gebieden en dus vaak ook provinciegrenzen overschrijden. Per gebied staat in een tabel weergegeven welke instandhoudingsdoelen gelden, wat het oordeel is van de NDA en de EA over de staat van het doelenbereik en welke drukfactoren van invloed zijn. De kleuren in de tabellen geven weer waar de grootste prioriteit ligt voor ingrijpen, aangezien voor deze instandhoudingsdoelen een verslechtering is opgetreden of niet valt uit te sluiten (respectievelijk de categorieën rood en oranje). De drukfactoren in de tabel zijn samengevoegd in zes categorieën die ook zijn gebruikt bij onze NDA’s. Hieronder staan deze drukfactoren vermeld met enkele voorbeelden:

Hydrologisch systeem o Waterkwaliteit en -kwantiteit o Peilverloop o Kwelstromen Areaal en connectiviteit o Oppervlakte van habitattype/leefgebied o Verbondenheid Dynamiek en diversiteit o Variatie in leefgebieden o Verschillende ontwikkelingsstadia o Gradiënten en overgangen

Nutriënten en chemische stoffen o Stikstofdepositie o Andere vormen van bemesting o Bestrijdingsmiddelen Biotische kwaliteit o Wegvallen van soorten o Vraatdruk van vogels o Omwoeling van de bodem door vis Exoten o Amerikaanse rivierkreeft o Dijkviltbraam

Figuur 2: Drukfactoren

Onderstaand is de leeswijzer voor de tabellen in weergegeven: Omschrijving opp. oppervlakte kwal. kwaliteit

1 2

pop. o.l. k.l.

3 4 onb

> = =(<)

populatie omvang van het leefgebied kwaliteit van het leefgebied

doel wordt behaald met aanvullende maatregelen zijn de doelen te behalen verslechtering is niet uitgesloten verslechtering is opgetreden niet genoeg informatie of oordeel niet bevestigd door EA relevante drukfactor geen drukfactor

toename X behoud oppervlakte moet behouden worden maar mag afnemen t.b.v. een prioritair habitattype Tabel 1. Zie voor meer gedetailleerde informatie de Natuurdoelanalyses en de adviezen van de EA.

20

HR-gebied Deelgebied: Vallei Utrecht

Binnenveld

Het Binnenveld is een reservaat in het zuidelijk deel van de Gelderse Vallei dat bestaat uit twee deelgebieden. Deelgebied de Hellen ligt in de provincie Utrecht, deelgebied de Bennekomse Meent ligt in de provincie Gelderland. De watergang de Grift vormt de grens tussen de twee provincies. Het gebied wordt gevoed door basenrijk grondwater dat opborrelt (kwelt) vanaf de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe. Dit kwelwater zorgt voor een gebufferde en schrale bodem dat daarmee beter bestand is tegen verzuring. Het gebied heeft een grotendeels venige bodem met plaatselijk dekzand dat hier door de wind is afgezet tijdens de laatste ijstijd. Op deze dekzandplekken kan het kwelwater dicht aan het oppervlak komen en zijn blauwgraslanden ontstaan. In de stukken met veen was ten tijde van de aanwijzing veenmosrietland en trilveen met geel schorpioenmos aanwezig. In de sloten binnen het gebied komt de grote modderkruiper voor. Tabel 2: habitattypen en doelsoorten van het Binnenveld. doelstelling opp. habitattypen H6410 – Blauwgraslanden H7140A - Trilvenen H7140B - Veenmosrietlanden Habitatrichtlijnsoorten H1145 - Grote modderkruiper H1393 - Geel schorpioenmos

> > = pop. = =

kwal.

o.l. = =

= > = kwal. = =

oordeel NDA/EA opp.

kwal.

4 2 4 pop. 3 1

4 2 4 o.l. 3 2

k.l. 3 2

Drukfactoren Hydrologisch systeem

Nutrienten Dynamiek en Areaal en en chemische Biotische connect. diversiteit stoffen kwaliteit exoten

X X X

X X X

-

X X

X X

-

X X -

X X -

X X -

X X

X

X

.

In het Binnenveld vindt verslechtering plaats. De blauwgraslanden nemen af in oppervlak en in kwaliteit en het veenmosrietland is tijdens de laatste kartering helemaal niet meer aangetroffen. De grootste drukfactoren zijn een te hoge stikstofdepositie, versnippering die heeft geleid tot te kleine stukjes habitat en met name een ongeschikt hydrologisch systeem. De kwelstromen waar de blauwgraslanden en trilvenen van afhankelijk zijn, zijn in de afgelopen jaren sterk afgenomen. Hierdoor is de grondwaterstand te laag en is er sprake van een beperkte aanvoer van kalkhoudend grondwater in de wortelzone. Redenen voor de afname van de kwelstromen zijn een te sterke drainerende werking van de omliggende sloten en waarschijnlijk ook van de Grift, bronbemalingen en grondwateronttrekkingen voor de beregening van agrarische percelen, voor industriële bedrijven en voor drinkwaterwinning. Nader onderzoek moet uitwijzen in welke mate bovenstaande activiteiten het hydrologisch systeem negatief beïnvloeden en hoe deze bronnen zich tot elkaar verhouden. De NDA geeft al (onderzoeks)maatregelen die zouden kunnen bijdragen aan hydrologisch systeemherstel: verhoging van het waterpeil van de Grift, afname van de waterafvoer, een onttrekkingsverbod voor beregening en hydrologische bufferzones met een grondwateronttrekkingplafond.

Ook dient ten behoeve van de kwaliteit van het blauwgrasland en het veenmosrietland een verbinding te worden aangelegd met de Achterbergse Hooilanden. Dit draagt tevens bij aan de versnipperde ligging van de Hellen. Hoe deze verbinding eruit moet komen te zien, zal nog verder worden uitgewerkt. Een terugkerende beheerinspanning is de exotenbestrijding van appelbes, reuzenberenklauw en Japanse duizendknoop. Om de stikstofdepositie te doen dalen moeten bronmaatregelen worden genomen, met name voor blauwgraslanden, trilvenen en veenmosrietlanden. Aanvullend op een reductie van de stikstofdeken en het instellen van een stikstofzone, zullen de stalemissies in de directe omgeving verder moeten worden gereduceerd om tot onder de KDW te komen. Daarin spelen ook het Rijk en provincie Gelderland een belangrijke rol.

21

HR-gebied Deelgebied: Utrechtse Venen

Botshol

Botshol is een oude veenafgraving gelegen naast de Vinkeveense plassen in het noordwesten van de provincie. Doordat het water hier van oorsprong brak (licht zout), helder en voedselarm was, komen in het gebied bijzondere planten- en diersoorten voor die in heel Europa zeldzaam zijn. Door een geleidelijke verlanding van dit laagveengebied bevinden zich hier veel verschillende natuurtypen die voorkomen in het successieproces van open water, via verschillende vegetaties met veen naar bos. Tabel 3: habitattypen en doelsoorten van Botshol.

habitattypen H3140 - Kranswierwateren H3150 - Meren met krabbenscheer

H6430A - Moerasspirea H6510A - Glanshaverhooilanden H7140B - Veenmosrietlanden H7210 - Galigaanmoerassen H91D0 - Hoogveenbossen Habitatrichtlijnsoorten H1149 - Kleine modderkruiper H1318 - Meervleermuis

Doelstelling

oordeel NDA/EA

opp.

kwal.

opp.

= = = = > > = pop. o.l. = = = =

= = = = > = = kwal. = =

4 4 4 1 2 1 1 pop. 3 onb

kwal.

o.l. 4 1

Drukfactoren Dynamie Nutriente k en n en Hydrologisch Areaal en diversitei chemisch Biotische systeem connect. t e stoffen kwaliteit exoten

4 4 2 2 4 2 3

X X X X X X

X X X X X -

X -

k.l. 4 onb

X -

X

-

X X X X X X

X X X X X X

X X X

X

-

-

-

. -

In Botshol vindt verslechtering plaats, met name voor de veenmosrietlanden, meren met krabbenscheer en kranswierwateren. De belangrijkste drukfactoren zijn een (veel) te hoge stikstofdepositie en een hydrologisch systeem dat onvoldoende is afgestemd op de instandhoudingsdoelen. Hierbij maakt een slecht functionerend hydrologisch systeem de stikstofgevoeligheid groter. In het gebied treedt een grote wegzijging op naar de omliggende diepe polders (met name de droogmakerij Groot Mijdrecht Noordoost). Hierdoor moet steeds weer van landbouwgronden afkomstig water worden ingelaten, waardoor (te) voedselrijk water en mogelijk bestrijdingsmiddelen in het gebied terecht komen. Vermindering van de wegzijging, betere zuivering van het inlaatwater en een sterke afname van stikstofdepositie zijn dus de belangrijkste knoppen waaraan moet worden gedraaid om de instandhoudingsdoelen te realiseren. Met name de veenmosrietlanden blijft onder vaststaand beleid sterk overbelast met stikstof, soms bijna 3 x KDW. Vooral voor dit habitattype is een reductie van de stikstofdeken als een overgangszone voor stikstof van belang. Daarnaast is ook aanvullende reductie van stalemissies in de directe omgeving noodzakelijk om de KDW te kunnen bereiken. Daarin spelen ook het Rijk en provincie NoordHolland een belangrijke rol.

Voor herstel van het hydrologisch systeem is nog nader onderzoek nodig waarin verschillende scenario’s worden uitgewerkt.

22

Eemmeer en Gooimeer Zuidoever

VR-gebied Eemvallei

Het Eemmeer en het Gooimeer ontstonden als verzoete overblijfselen van de voormalige Zuiderzee bij de drooglegging van zuidelijk Flevoland in 1968. Het water in het Eemmeer komt vooral uit de Gelderse Vallei, via de Eem. Een kleiner deel wordt aangevoerd vanuit de Veluwerandmeren. Het water in het Gooimeer is een mengsel van water uit het Eemmeer en uit het IJmeer, waarmee het Gooimeer in open verbinding staat. Samen met de rest van het IJsselmeergebied is Eemmeer en Gooimeer Zuidoever van Europees belang voor het behoud van op kale grond broedende vogels en doortrekkende en overwinterende watervogels. Deze soorten zoeken het gebied op voor rust, voedsel en - in het geval van de visdief - voor geschikte broedlocaties. Tabel 4: populatiegrootte en trend van de doelsoorten van Eemmeer en Gooimeer Zuidoever (SOVON) Vogelrichtlijnsoort A193 - Visdief (brv) A005 - Fuut (n-brv) A017 - Aalscholver (n-brv) A037 - Kleine zwaan (n-brv) A043 - Grauwe gans (n-brv) A050 - Smient (n-brv) A051 - Krakeend (n-brv) A056 - Slobeend (n-brv) A059 - Tafeleend (n-brv) A061 - Kuifeend (n-brv) A068 - Nonnetje (n-brv) A125 - Meerkoet (n-brv)

doel 280 160 160 2 300 4.900 90 5 790 2.700 10 1.700

pop. 59 256 145 0 1.066 2.494 499 6 145 2.094 6 2.635

trend ~ ~ ~ ~ ~ + ~ ~ ~ ~ ~

Broedvogel (brv): doel voor aantal broedparen; niet-broedvogel (n-brv): doel voor seizoensgemiddelde overwinterende individuen

Pop: populatie op basis van het gemiddelde van de afgelopen vijf jaar Trend: Trend sinds 2010: -- sterke afname; - afname; 0 gelijke trend; + toename; ++ sterke toename; ~ geen trend herleidbaar

Voor het gebied is geen NDA opgesteld, omdat het geen doelstellingen voor stikstofgevoelige natuur kent. In 2020 is wel de Actualisatie doeluitwerking Vogelrichtlijnsoorten IJsselmeergebied 2020 uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de instandhoudingsdoelen voor het overgrote deel van de doelsoorten niet worden gehaald. Aantallen visdief, aalscholver, kleine zwaan, smient, slobeend, tafeleend en nonnetje gaan momenteel zelfs achteruit binnen het gebied. Een analyse van de drukfactoren die aan deze achteruitgang ten grondslag liggen, viel buiten de scope van deze actualisatie. Voor sommige soorten, bijvoorbeeld kleine zwaan en nonnetje, is het overwinteringsgebied als gevolg van klimaatverandering naar het noordoosten opgeschoven. Deze soorten komen nu in minder grote aantallen naar Nederland, waardoor de beoogde aantallen binnen het gebied niet meer worden gehaald. Voor de overige soorten is hun voorkomen sterk gerelateerd aan de waterkwaliteit. Deze is in de afgelopen halve eeuw toegenomen, waarbij de voedselrijkheid van het water juist is afgenomen. Deze vogelsoorten zijn voor hun voedsel echter afhankelijk van een relatief voedselrijksysteem, omdat hierbij de biomassa van vis hoger is. Rijkswaterstaat gaat de komende jaren een actualisatie uitvoeren ten behoeve van het Natura 2000beheerplan. Binnen dat kader wordt ook een nieuwe analyse van de drukfactoren uitgevoerd.

23

HR-gebied Deelgebied: Kromme Rijnstreek

Kolland en Overlangbroek

Kolland en Overlangbroek (inclusief Oud-Kolland) zijn twee los van elkaar gelegen landgoederen in het stroomgebied van de Kromme Rijn tussen Wijk bij Duurstede en de Utrechtse Heuvelrug. Het gebied is onderdeel van een kleinschalig cultuurlandschap, waarbinnen meerdere kleine essenhakhoutbosjes liggen. Gelegen op voedselrijke kleigronden van het rivierengebied vormen deze een in Europees opzicht uitermate zeldzaam bostype met een grote rijkdom aan paddenstoelen en epifytische (op de bomen groeiende) mossen en korstmossen. Tabel 5: habitattype van Kolland en Overlangbroek. doelstelling

habitattypen H91E0C* - Beekbegeleidende Bossen

oordeel NDA/EA

opp.

kwal.

opp.

kwal.

>

=

4

4

Drukfactoren Dynamie Nutriente Hydrologi k en n en sch Areaal en diversitei chemisch Biotische systeem connect. t e stoffen kwaliteit exoten

X

X

-

X

X

X

In Kolland en Overlangbroek vindt verslechtering van dit habitattype plaats. De kleine essenhakhoutbosjes liggen van elkaar geïsoleerd en worden veelal omringd door voornamelijk conventionele landbouwpercelen. Het hydrologisch systeem in dit gebied is vanwege omliggend agrarisch gebruik niet goed afgestemd op de instandhoudingsdoelen, waardoor kwel onvoldoende beschikbaar is voor het habitattype. Ook is plaatselijk nog sprake van een te hoge stikstofdepositie en in het gehele gebied sprake van de effecten van een jarenlange overschrijding van de KDW. Vanwege deze drukfactoren vindt er in het gebied verdroging en verzuring van de bodem plaats. Tevens is op grote schaal sprake van essentaksterfte (essen die worden aangetast en/of doodgaan door een schimmelziekte). Waar de essen omvallen is zonlicht in staat om de bosbodem te bereiken. Hierdoor - in combinatie met te droge, zure en voedselrijke bodems - ontstaat verruiging, onder andere met de invasieve exoot dijkviltbraam. Deze verruigingssoorten verdringen de kenmerkende soorten van dit habitattype. De belangrijkste systeemherstelmaatregelen zijn het op orde brengen van het hydrologisch systeem, het reduceren van de stikstofdepositie door het nemen van bronmaatregelen en het versterken van de ecologische verbindingen tussen de deelgebieden.

De beekbegeleidende bossen zullen naar verwachting onder al vastgelegd beleid in 2030 al geheel onder KDW komen, maar een verdere reductie van de depositie is noodzakelijk. De KDW is de hoeveelheid stikstofdepositie die een intact ecosysteem over langere tijd kan verdragen zonder dat significante schade optreedt aan de structuur of het functioneren van dat systeem (Ecologische Autoriteit 2022). Bij Kolland & Overlangbroek is er sprake van verslechtering en door de aanwezigheid van meerdere drukfactoren kan het gebied in de huidige staat minder stikstof aan dan een gezond variant van dit habitattype. Hoeveel depositie het Natura 2000-gebied in de huidige staat exact aankan is wetenschappelijk lastig concretiseren, maar vanuit het voorzorgsprincipe zijn wij verplicht om hierop passende maatregelen te nemen. Hoe meer we de stikstofdepositie reduceren samen met het aanpakken van de overige drukactoren, hoe groter de kans dat natuurherstel kan plaatsvinden. Door de essentaksterfte - versterkt door de zeer ongunstige abiotiek - dreigt het al verzwakte habitattype momenteel te verdwijnen. Als overlevingsmaatregel moeten we daarom op korte termijn (habitateigen) boomsoorten anders dan de es ter aanvulling worden aangeplant. Ook moet de verruiging worden teruggedrongen.

Voor Kolland en Overlangbroek is al gestart met het uitvoeren van aanvullend onderzoek naar het hydrologisch systeem om de kwelstromen voor basenrijk grondwater te verbeteren en langer vast te houden. Door het waterpeil rondom Kolland en Overlangbroek te verhogen, kan meer kwelwater het Natura 2000-gebied bereiken en zijgt water minder snel weg uit het gebied. Als tijdelijke noodoplossing wordt momenteel het natuurpeil relatief hooggehouden met regenwater om de droge zomers te kunnen overbruggen. Het effect van de voorgestelde hydrologische maatregelen op andere gebruiksfuncties in het gebied moet nog verder worden onderzocht.

24

HR-gebied Deelgebied: Vijfheerenlanden

Lingegebied en Diefdijk-Zuid

Lingegebied en Diefdijk-Zuid omvat de oeverlanden van de rivier de Linge tussen de Rijn en de Waal en het zuidelijke deel van de Diefdijk. Het is een kleinschalig, betrekkelijk laag-dynamisch rivierenlandschap met overgangen naar laagveen. Dit uit zich onder meer in een diversiteit aan verlandingsgemeenschappen. Het is een kleinschalig, afwisselend landschap met grienden, bosjes, rietvelden, rietruigten, graslanden en waterplassen. Ook bevinden zich veel wielen en tichelgaten in het gebied. Langs het zuidelijke deel van de Diefdijk liggen vooral kleiputten met moerassen, moerasbosjes en nattere graslanden. Deze zijn ontstaan bij de aanleg van de dijk. In de NDA voor Lingegebied en Diefdijk-Zuid, opgesteld in opdracht van GS van Gelderland, is alleen gekeken naar de stikstofgevoelige habitattypen. Voor deze habitattypen is wat betreft stikstof momenteel sprake van een overschrijding van de kritische depositiewaarde. Daarbij is voor vrijwel alle habitattypen geen kwaliteitstrend bekend. Hiermee geeft de NDA slechts een beperkt beeld van de stand van zaken van de instandhoudingsdoelen. De EA is negatiever over de conclusies in de NDA dan de provincie. Met name omdat de NDA veel onzekerheden benoemt, een analyse van trends nog niet mogelijk is en de knelpunten en hun maatregelen onvoldoende zijn beschreven om hun effectiviteit te beoordelen.

Vanwege het voorzorgsbeginsel komen hierdoor veel conclusies op “nee, tenzij” te staan. Verder is het watersysteem in het gebied complex en heeft de provincie nog geen volledig inzicht in deze complexiteit. De EA vindt het goed dat de provincie onderzoek naar het watersysteem heeft aangekondigd, omdat bijna alle natuur in het gebied afhankelijk is van voldoende water van goede kwaliteit en er aanwijzingen zijn dat het gebied in de zomer kan verdrogen. Het Lingegebied en Diefdijk-Zuid bestaat uit verschillende deelgebieden. De NDA en het ontwerpbeheerplan beschrijven het gebied in detail en bevatten veel maatregelen. Echter, een analyse van de sleutelfactoren en de verschillen in ecologisch functioneren van de afzonderlijke deelgebieden ontbreekt. De EA adviseert daarom om deze in kaart te brengen om te komen tot een effectief natuurherstel. Verder is de natuurdoelanalyse volgens de EA goed opgezet, maar niet zelfstandig te lezen omdat het veel verwijst naar andere documenten, zoals het ontwerp-beheerplan. De EA adviseert de NDA zelfstandig leesbaar te maken. De Handreiking NDA Eerste Cyclus geeft aan dat een goede vergelijking tussen de referentiesituatie (ten tijde van de aanwijzing van het Natura 2000-gebied) en de huidige situatie nodig is om onderbouwde uitspraken te kunnen doen over verslechtering.

Voorlopig betekent dit dat bij de provincie nog geen duidelijkheid bestaat over de mate waarin de meeste instandhoudingsdoelen worden gehaald en/of een verslechtering is opgetreden/optreedt. In de tabel staan daarom veel vakken op grijs. Tabel 6: habitattypen en doelsoorten van Lingegebied en Diefdijk-zuid doelstelling

habitattypen H3150 - Meren met krabbensch… H6430A - Moerasspirea H6510A - Glanshaverhooilanden H6510B – Vossenstaarthooilanden H7230 - Kalkmoerassen H91E0A - Zachthoutooibossen H91E0B – Essen-Iepenbossen H91E0C - Beekbegeleidende bossen Habitatrichtlijnsoorten H1134 – Bittervoorn H1145 - Grote modderkruiper H1149 - Kleine modderkruiper H1166 – Kamsalamander H1337 - Bever

oordeel NDA/EA

opp.

kwal.

opp.

kwal.

= = = = > = (<) = (<) = (<) pop. o.l. = = > > = = > > > =

= = = = > = = > kwal. = > = > =

Onb Onb Onb Onb Onb Onb Onb 1 pop. o.l. Onb Onb Onb Onb Onb Onb Onb Onb Onb Onb

Onb Onb Onb Onb Onb Onb Onb 4 k.l. Onb Onb Onb Onb Onb

Drukfactoren Dynamie Nutriente Hydrologi k en n en sch Areaal en diversitei chemisch Biotische systeem connect. t e stoffen kwaliteit exoten

X X X X X X X X

Onb Onb Onb Onb Onb Onb Onb Onb

X X X X X Onb Onb Onb

Onb Onb Onb Onb Onb

Onb Onb Onb X Onb

Onb Onb Onb Onb Onb

X X X X X X X X

Onb Onb Onb Onb Onb Onb Onb X

X Onb Onb Onb Onb Onb Onb Onb

Onb Onb Onb Onb Onb

Onb Onb Onb X Onb

X X X X Onb

.

Wat de NDA wel duidelijk maakt - en wat ook uit andere beschikbare wetenschappelijke inzichten blijkt - is dat aanvullende systeemherstelmaatregelen nodig zijn om de instandhoudingsdoelen te halen. Deze richten zich

25

wederom met name op het reduceren van stikstofdepositie, het op orde krijgen van het hydrologisch systeem en het onderling verbinden van versnipperde en kleine stukjes habitat. Ondanks het feit dat er geen habitattypen met een hele lage KDW’s in dit gebied liggen is hier wel degelijk een stikstofprobleem. Deposities lopen op tot boven de 3000 mol/ha/jr. Vrijwel alle habitattypen hebben deels te maken met een overschrijding van de KDW. Aanvullend op een reductie van de stikstofdeken en het instellen van een stikstofzone, zullen de stalemissies in de directe omgeving verder moeten worden gereduceerd om tot onder de KDW te komen. Zo liggen er enkele grote bronnen van stikstof in de directe nabijheid van het gebied. Hierbij spelen ook het Rijk en de provincies Gelderland en Zuid-Holland een belangrijke rol. De vis- en amfibiesoorten met instandhoudingsdoelen binnen het gebied hebben ook veel last van invasieve exoten, met name Amerikaanse rivierkreeften. Hier moeten overlevingsmaatregelen worden genomen om deze terug te dringen. Echter, ook systeemherstelmaatregen zijn nodig om deze exoten duurzaam uit het gebied te weren.

26

VR- en HR-gebied Deelgebied: Veenweide de Meije

Nieuwkoopse Plassen en De Haeck

Nieuwkoopse Plassen en de Haeck zijn restanten van het voormalige Hollandse kustvlakteveen. Het is een laagveenverlandingsgebied waarin - naast veenplassen met bijzondere watervegetaties - een grote oppervlak overgangsveen en moerasheide is gevormd. Het is ook het meest westelijk gelegen verlandingsgebied waarin nog lokaal goed ontwikkelde vegetaties van basenrijk overgangsveen te vinden zijn. Het is een belangrijk broedgebied voor broedvogels van rietmoerassen en andere moeras- en watervogels. Het gebied heeft instandhoudingsdoelen voor een groot aantal habitattypen en doelsoorten. Het Utrechtse deel, de Schraallanden langs de Meije, kent alleen een aanwijzing als Habitatrichtlijngebied. Hier bevinden zich zeldzame vegetatietypen, zoals blauwgraslanden, veenmosrietlanden en vochtige heiden. In de sloten van het gebied groeit krabbenscheer. De Schraallanden langs de Meije liggen relatief geïsoleerd van de rest van het Natura 2000-gebied. Daarom is ervoor gekozen om in onderstaande tabel alleen de voor Utrecht relevante habitattypen op te nemen. Trilvenen zijn aan de tabel toegevoegd omdat een klein areaal net over de provinciegrens te maken heeft met een lichte overschrijding van de KDW. Bronmaatregelen aan de Utrechtse kant om stikstofdepositie te reduceren zijn dus mogelijk noodzakelijk.

Tabel 7: habitattypen in het Utrechtse deel van Nieuwkoopse Plassen en De Haeck (Schraallanden langs de Meije) doelstelling

habitattypen H3150 - Meren met krabbensch… H4010B - Vochtige heiden H6410 – Blauwgraslanden H7140A - Trilvenen H7140B - Veenmosrietlanden

oordeel NDA/EA

opp.

kwal.

opp.

kwal.

> > > > >

> > > > >

2 1 4 4 1

2 2 3 4 2

Drukfactoren Dynamie Nutriente Hydrologi k en n en sch Areaal en diversitei chemisch Biotische systeem connect. t e stoffen kwaliteit exoten

X X X

X X -

-

X X X X X

X X X X X

Onb X X X

Momenteel verslechteren de blauwgraslanden in de Schraallanden langs de Meije. Trilvenen zijn zelfs uit het hele Natura 2000-gebied verdwenen. Maatregelen gericht op het verbeteren van de waterkwaliteit, het terugdringen van onderbemalingen en het verlagen van de stikstofdepositie (bronmaatregelen) zijn het belangrijkst om natuurherstel mogelijk te maken. Onder nu vaststaand beleid zullen habitattypen als blauwgrasland (KDW 786), veenmosrietlanden (KDW 500) en vochtige heiden (KDW 500) niet in de buurt van de KDW komen. In enkele gevallen is de belasting met stikstof meer dan 3 x de KDW. Ook de reductie van de stikstofdeken als gevolg van het UPLG zal naar verwachting niet alle KDW’s behalen. Een overgangszone voor stikstof is hier van belang voor het verder verminderen van stikstof als drukfactor. Ook zullen de stalemissies in de directe omgeving verder moeten worden gereduceerd om tot onder de KDW te komen. Hierbij speelt ook het Rijk en provincie Zuid-Holland een belangrijke rol. Via de eerste fase van het Programma Natuur wordt al gewerkt aan het optimaliseren van de hydrologie voor de Schraallanden langs de Meije.

27

VR- en HR-gebied Deelgebied: Oostelijke Vechtplassen

Oostelijke Vechtplassen

De Oostelijke Vechtplassen zijn door turfwinning ontstane meren en plassen tussen de Vecht en de westrand van de Utrechtse Heuvelrug. Het grootste deel van de Oostelijke Vechtplassen ligt in Noord-Holland. Op basis van oude werkafspraken hebben wij een NDA laten opstellen voor het Utrechtse deel van de Oostelijke Vechtplassen, het Noorderpark. Dit gebied is deels VR- en deels VR- en HR-gebied. De combinatie van rivierinvloeden en invloeden van het watersysteem van de Heuvelrug heeft een rijke diversiteit van typen van moerasvegetaties doen ontstaan. Het gebied herbergt een grote verscheidenheid aan beschermde planten, vissen, zoogdieren en weekdieren en is belangrijk broedgebied voor moerasvogels. In de winter wordt het gebied door veel watervogels gebruikt als slaap- en rustplaats. Tabel 8: habitattypen en doelsoorten van het Noorderpark (Utrechtse deel van Oostelijke Vechtplassen). doelstelling

oordeel NDA/EA

opp.

kwal.

opp.

kwal.

habitattypen H3140 - Kranswierwateren H3150 - Meren met krabbensch… H6410 – Blauwgraslanden H7140A - Trilvenen H7140B - Veenmosrietlanden

> > = > >

> > > > >

4 4 4 4 4

4 4 4 4 4

H7210* - Galigaanmoerassen

>

>

3

H91D0 - Hoogveenbossen Habitatrichtlijnsoorten H1016 - Zegge-korfslak H1042 - Gevlekte witsnuitlibel H1082 - Gestreepte waterroofkever H1134 - Bittervoorn H1145 - Grote modderkruiper H1149 - Kleine modderkruiper H1340 - Noordse woelmuis H1903 - Groenknolorchis H4056 - Platte schijfhoren Vogelrichtlijnsoorten (brv) A021 - Roerdomp A022 - Woudaap A029 - Purperreiger A119 - Porseleinhoen A197 - Zwarte stern A229 - IJsvogel A292 - Snor A295 - Rietzanger Vogelrichtlijnsoorten (n-brv) A017 - Aalscholver A041 - Kolgans A043 - Grauwe gans A051 - Krakeend A056 - Slobeend A059 - Tafeleend

= pop. = > > = = = > = = pop. 5 10 50 8 110 10 880 50 pop. = 920 1.200 40 80 120

o.l. = > > = = = > = = o.l. > > = = > = = = o.l. = = = = = =

= kwal. = > > = = = > = = kwal. > > = = > = = = kwal. = = = = = =

4 pop. Onb 3 4 3 4 2 4 3 onb pop. 2 4 1 Onb 4 1 1 1 pop. Onb 1 1 1 1 1

o.l. onb 4 4 Onb 4 1 4 2 4 o.l. 3 4 4 4 4 1 1 1 o.l. 1 1 1 1 1 1

Drukfactoren Dynamie Nutriente Hydrologi k en n en sch Areaal en diversitei chemisch Biotische systeem connect. t e stoffen kwaliteit exoten

X X X X X

X X X X -

-

X X X X X

X X X X X

3

X

X

4 k.l. onb 2 4 Onb 4 4 4 2 4 k.l. 3 4 4 4 4 1 1 1 k.l. 1 1 1 1 1 1

onb

-

Onb Onb X Onb

X X X

onb

X X X X -

X X X X -

-

-

-

-

X X -

x

X

X

x

-

Onb

-

X

X onb Onb

X X X X X X

onb X X X X Onb

Onb Onb onb -

X X X X -

-

-

-

-

.

X X X X X

.

-

.

Broedvogel (brv): doel voor aantal broedparen; niet-broedvogel (n-brv): doel voor seizoensgemiddelde overwinterende individuen. Let op: In de NDA is voor ieder instandhoudingsdoel een aandeel bepaald voor Noorderpark, op basis van een theoretisch doel. Dit doel is gebaseerd op basis van de landelijk benodigde omvang van de habitats om de GSvI te behalen. Enkel de doelen die de NDA voor het Noorderpark geeft zijn daarom meegenomen en bij “oordeel NDA/EA” in de tabel is alleen gekeken naar de staat van het aandeel van het doelenbereik in het Noorderpark

In het Utrechtse deel van de Oostelijke Vechtplassen vindt bij alle habitattypen verslechtering plaats, alleen bij galigaanmoerassen kan het niet worden utigesloten. Het hydrologisch systeem is onvoldoende afgestemd op de instandhoudingsdoelen, het gebied kent een te hoge stikstofbelasting, habitattypen en leefgebieden zijn onvoldoende aaneengesloten en er zijn grote problemen met invasieve exoten. De belangrijkste maatregelen voor natuurherstel zijn het verbeteren van het hydrologische systeem, het nemen van bronmaatregelen om stikstofuitstoot te verminderen en het uitbreiden van de leefgebieden van verschillende vogelrichtlijnsoorten. Met name de blauwgraslanden, veenmosrietlanden en vochtige heiden hebben te maken met een soms forse

28

overbelasting van stikstof. Plaatselijk is de belasting met stikstof meer dan 3 x de KDW. Ook de reductie van de stikstofdeken als gevolg van het UPLG zal naar verwachting niet alle KDW’s behalen. Een overgangszone voor stikstof is hier van belang voor het verder veminderen van stikstof als drukfactor. Ook zullen de stalemissies in de directe omgeving verder moeten worden gereduceerd om tot onder de KDW te komen. Hierbij speelt ook het Rijk en provincie Noord-Holland een belangrijke rol.. Bij een aantal habitattypen is er geen meer sprake van stikstofbelasting boven de KDW. Met een toename en betere benutting van het bufferende grondwater vanuit de Utrechtse Heuvelrug kan de waterkwaliteit worden verbeterd, verdroging worden tegengegaan en kunnen de negatieve effecten van een te hoge stikstofdepositie worden verminderd.

29

VR- en HR-gebied Deelgebied: Kromme Rijnstreek

Rijntakken

Het Utrechtse deel van de Rijntakken beslaat de uiterwaarden van de Nederrijn tussen Rhenen en Wijk bij Duurstede. De uiterwaarden bestaan voornamelijk uit graslanden, afgewisseld met enkele akkers, meidoornhagen, knotwilgen, bosjes, moerasgebiedjes, ontgrondingsgaten en geïsoleerde oude riviertakken. Karakteristiek voor dit gebied is de overgang van het rivierenlandschap naar de hogere gronden: de stuwwal van de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe. Op deze overgangen komen restanten van hardhoutooibossen voor. Door kwel vanuit de rivier en vanuit de hogere gronden kan het water in de poelen en plassen in de uiterwaarden van goede kwaliteit zijn. De Amerongse Bovenpolder is een relatief hooggelegen uiterwaard waar soortenrijke glanshaverhooilanden voorkomen. Het is een terrein met hoge, droge ruggen en vochtige laagten die incidenteel worden geïnundeerd. De uiterwaarden zijn een belangrijk leefgebied voor verschillende vogelrichtlijnsoorten. De Amerongse Bovenpolder en de Blauwe Kamer zijn ook vanuit de habitatrichtlijn aangewezen. De NDA voor Rijntakken is opgesteld in opdracht van GS van Gelderland en ook in deze NDA is alleen gekeken naar stikstofgevoelige habitattypen en soorten waarvoor momenteel sprake is van een overschrijding van de KDW. De EA geeft in haar advies dan ook aan dat dit “de nodige beperkingen” oplevert voor een integraal beeld van het gebied.

Ook bevat de NDA volgens de EA geen goede informatie over trends in oppervlakten en kwaliteit. In tabel 9 zijn de habitattypen opgenomen die in het Utrechtse deel liggen. Verder zijn de habitatrichtlijnsoorten benoemd. De twee vogelrichtlijnsoorten die in de NDA zijn behandeld zijn eveneens opgenomen. Tabel 9: habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en in de NDA besproken vogelrichtlijnsoorten voor het Utrechtse deel van Rijntakken doelstelling

habitattypen H3270 - Slikkige rivieroevers H6120 - Stroomdalgraslanden H6430A - Moerasspirea H6510A - Glanshaverhooilanden H91E0A - Zachthoutooibossen H91E0B – Essen-Iepenbossen H91F0 - Droge hardhoutooibossen Habitatrichtlijnsoorten H1095 - Zeeprik H1099 - Rivierprik H1102 - Elft H1106 - Zalm H1134 - Bittervoorn H1145 - Grote modderkruiper H1166 - Kamsalamander H1318 - Meervleermuis Vogelrichtlijnsoorten (brv) A122 - Kwartelkoning A153 - Watersnip

oordeel NDA/EA

Drukfactoren Dynamie Nutriente Hydrologi k en n en sch Areaal en diversitei chemisch Biotische systeem connect. t e stoffen kwaliteit exoten

opp.

kwal.

opp.

kwal.

> > = > = >

> > = > > >

onb 3 Onb 3 onb onb

onb 3 onb 3 onb 3

onb X onb X onb X

onb Onb X X X

onb X onb X Onb X

onb

X

X

X

> pop. > > > > = > = = pop. 160 17

> o.l. > > = = = > = = o.l. > =

kwal. > > = = = > = = kwal. > =

Onb pop. onb Onb Onb Onb Onb Onb Onb onb pop. 4 4

o.l. onb onb Onb Onb Onb Onb Onb Onb o.l. 4 4

k.l. onb Onb Onb Onb Onb Onb Onb onb k.l. 4 4

onb X Onb X onb -

onb X onb X onb -

Onb onb onb -

X

-

-

onb Onb Onb Onb onb onb Onb Onb

onb onb Onb Onb Onb Onb Onb onb

Onb Onb Onb Onb Onb Onb Onb onb

-

X X

-

. Onb Onb onb Onb Onb Onb Onb Onb

onb Onb Onb Onb Onb Onb Onb onb

onb onb Onb Onb Onb Onb Onb Onb

X

X X

-

.

De EA stelt in haar advies een verslechtering vast voor de kwartelkoning en de watersnip en geeft voor de graslandtypes en bostypes aan dat deze te versnipperd en te klein zijn. In tabel 10 is voor de vogelrichtlijnsoorten

30

de trend in hun voorkomen omschreven. Een overzicht van de doelstellingen voor het volledige gebied staat op de Natura 2000 website. Tabel 10: populaties en trends van Vogelrichtlijnsoorten van Rijntakken (SOVON) Vogelrichtlijnsoort (brv) doel pop. trend Vogelrichtlijnsoort (n-brv) doel pop. trend A004 - Dodaars 45 ? onb A005 - Fuut 570 663 + A017 - Aalscholver 660 669 ~ A017 - Aalscholver 1300 1.271 + A021 - Roerdomp 20 21 ~ A037 - Kleine zwaan 100 4 -A022 - Woudaap 20 1 A038 - Wilde zwaan 30 1 -A119 - Porseleinhoen 40 2 ~ A041 - Kolgans 35.400 37.728 0 A122 - Kwartelkoning 160 4 -A043 - Grauwe gans 8.300 13.729 0 A153 - Watersnip 17 4 -A045 - Brandgans 920 5093 ~ A197 - Zwarte stern 240 198 ~ A048 - Bergeend 120 98 0 A229 - IJsvogel 25 62 ~ A050 - Smient 17.900 3.351 -A249 - Oeverzwaluw 680 1.472 ~ A051 - Krakeend 340 2.547 ++ A272 - Blauwborst 95 362 + A052 - Wintertaling 1100 1.203 + A298 - Grote karekiet 70 6 0 A053 - Wilde eend 6100 3.710 A054 - Pijlstaart 130 42 ~ A140 - Goudplevier 140 52 ~ A056 - Slobeend 400 443 0 A142 - Kievit 8.100 2115 A059 - Tafeleend 990 253 A151 - Kemphaan 1.000 8 A061 - Kuifeend 2.300 1.950 0 A156 - Grutto 690 38 -A068 - Nonnetje 40 20 A160 - Wulp 850 561 ~ A125 - Meerkoet 8100 5.061 A162 - Tureluur 65 19 A130 - Scholekster 340 130 A702 - Toendrarietgans 125 63 ~ Pop: populatie op basis van het gemiddelde van de afgelopen vijf jaar Trend:

trend in afgelopen 12 jaar: -- sterke afname; - afname; 0 gelijke trend; + toename; ++ sterke toename; ~ geen trend herleidbaar Broedvogel (brv): doel voor aantal broedparen; niet-broedvogel (n-brv): doel voor seizoensgemiddelde overwinterende individuen.

Onvoldoende rivierdynamiek, vermesting, versnippering van habitattypen en leefgebied, een te hoge recreatiedruk en een plaatselijk te hoge stikstofdepositie zijn de belangrijkste drukfactoren voor het gebied. Ook heeft het plaatselijke gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zeer waarschijnlijk een negatieve invloed op de aantallen insecten in gebieden zoals de Amerongse Bovenpolder. De belangrijkste maatregelen voor natuurherstel zijn het aankopen en inrichten van de NNN-zoekgebieden (reduceren vermesting en versnippering) binnen de Natura 2000-begrenzing, het verminderen en beter zoneren van recreatie (om meer rust te creëren voor broedende en rustende vogels) en vervolgens een gebiedsontwikkeling ten behoeve van meerdere instandhoudingsdoelen. Voor een groot deel van de hectaren stikstofgevoelige habitat geldt dat het behalen van de KDW in beeld komt onder het huidige beleid en autonomen ontwikkeling en het generieke deel van het UPLG. Het behalen van een depositie onder de KDW geeft van zichzelf echter geen garanties voor natuurherstel of natuurverbetering. Door het intensiveren van het maaien van het glanshaverhooiland in de Amerongse Bovenpolder is de kwaliteit min of meer gelijk gebleven, maar heeft het aangepaste maaibeleid wel een invloed op de geschiktheid ervan als leefgebied van vogelsoorten zoals de kwartelkoning.

Het instellen van een stikstofzone is (alsnog) noodzakelijk om de stikstofdepositie verder te reduceren, waardoor het beheer beter aansluit op meerdere doelen. Ook draagt een verdere reductie bij aan het verbeteren van de condities op locaties binnen de begrenzing die in aanmerking komen voor de uitbreidingsopgave van stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Concreet betekent dat we een stikstofbeperking instellen voor de gehele Amerongse Bovenpolder (inclusief Vogelrichtlijn) en de Blauwe Kamer. Hierbij moet ook worden opgemerkt dat er sprake is van verdwenen habitattypen zoals het stroomdalgrasland in de Amerongse Bovenpolder die wel in het aanwijsbesluit Natura 2000 is opgenomen. Om aan de instandhoudingsdoelen te voldoen, zijn wij verplicht deze hectares te herstellen. Daarvoor zal zowel het beheer (door Rijkswaterstaat) moeten verbeteren als de depositie verlaagd moeten worden.

31

HR-gebied Deelgebieden: Utrechtse Waarden en Vijfheerenlanden

Uiterwaarden Lek

Uiterwaarden Lek bestaat uit vier terreinen in de uiterwaarden van de Lek tussen Vianen en Schoonhoven. Het gaat om de Willige Langerak met de Bol en de Horde op de noordoever van de rivier en op de zuidoever de Koekoeksche Waard en de Kersbergsche en Achthovensche Uiterwaarden, met daarin de Luistenbuul. Gezamenlijk bevatten deze terreinen de best ontwikkelde voorbeelden van het habitattype stroomdalgraslanden langs de Lek. Tabel 11: habitattypen en doelsoorten in de Uiterwaarden Lek doelstelling

habitattypen H3270 - Slikkige rivieroevers H6120 - Stroomdalgraslanden H6510A - Glanshaverhooilanden H91E0A - Zachthoutooibossen Habitatrichtlijnsoorten H1166 - Kamsalamander

oordeel NDA/EA

opp.

kwal.

opp.

kwal.

= > > = pop. =

= > > = kwal. >

2 2 1 2 pop. 3

2 4 4 3 k.l. 3

o.l. =

o.l. 3

Drukfactoren Dynamie Nutriente Hydrologi k en n en sch Areaal en diversitei chemisch Biotische systeem connect. t e stoffen kwaliteit exoten

X X X X

X X X

X X X -

X

X

X

X X -

X X X -

X -

X

X

X

.

In Uiterwaarden Lek is sprake van mogelijke verslechtering ten opzichte van de instandhoudingsdoelen. De grootste drukfactoren voor de habitattypes zijn de intensieve landbouw in en rond het gebied en de sterk veranderde rivierdynamiek. De vier deelgebieden liggen los van elkaar en worden doorsneden door percelen met intensieve landbouw. Hierdoor zijn ze te klein en versnipperd om als robuust systeem te kunnen functioneren. Ook is sprake van vermesting en verzuring (mede door een te hoge stikstofdepositie). Voor habitattypen stroomdalgraslanden en glanshaverhooilanden geldt dat deze onder huidig beleid niet volledig onder KDW zullen komen. Met de reductie van de stikstofdeken als gevolg van het UPLG zal naar verwachting een groot deel van de hectaren van deze habitattypen onder KDW’s komen. Een reductie van bovengemiddeld grote bronnen in de nabijheid van blijvend overbelaste hectaren is nodig om ook deze hectaren onder de KDW te krijgen. Daarnaast stellen we (alsnog) ook hier een stikstofzone in, omdat daarmee natuurherstel kan worden versneld en we ook stikstofdepositie moeten reduceren op andere locaties binnen de Natura 2000-begrenzing die in aanmerking komen voor de uitbreidingsopgave van stikstofgevoelige habitattypen. Verder is ook de rivierdynamiek afgenomen door bedijking en de bouw van stuwen en de deltawerken, in combinatie met steeds drogere zomers.

Hierdoor overstromen habitattypes niet (lang genoeg) meer. De belangrijkste maatregelen voor natuurherstel zijn het herstellen van de rivierdynamiek en het tegengaan van versnippering voor onder meer het leefgebied van de kamsalamander en het nemen van stikstofmaatregelen. Ook moeten lokaal maatregelen worden genomen om het verdwijnen van habitats als gevolg van afkalving tegen te gaan.

32

VR- en HR-gebied Deelgebied: Vijfheerenlanden

Zouweboezem

De Zouweboezem is een in de 14e eeuw gegraven boezemgebied dat diende als opvang voor het overtollige water uit de omliggende polders. Het gebied bestaat uit open water, riet- en zeggemoerassen, wilgengrienden en elzenbroekbos. De Zouweboezem is het kleinste belangrijke vogelgebied van Nederland, met als voornaamste broedvogels de purperreiger, porseleinhoen en zwarte stern. In de winter is het gebied van enige betekenis voor de krakeend. Deze en andere watervogels maken vooral gebruik van de beschutte open watergebieden, terwijl de rietlanden onder andere als slaapplaats voor diverse trekvogels in gebruik zijn. Het deel van de Polder Achthoven dat binnen de begrenzing ligt, bevat een aanzienlijke oppervlakte blauwgrasland. Tabel 12: habitattypen en doelsoorten in de Zouweboezem doelstelling opp.

kwal.

oordeel NDA/EA opp.

kwal.

Drukfactoren Dynamie Nutriente Hydrologi k en n en sch Areaal en diversitei chemisch Biotische systeem connect. t e stoffen kwaliteit exoten

habitattypen H3150 - Meren met krabbensch… = = 4 4 X X X X X H6410 – Blauwgraslanden > = 2 4 X X X H6430A - Ruigten en zomen = = 4 2 X X Onb H91E0A - Zachthoutooibossen = = Onb 2 X X X Onb Onb onb H91E0C - Beekbegeleidende bossen = = onb 2 X X X Onb onb onb Habitatrichtlijnsoorten pop. o.l. kwal. pop. o.l. k.l. . H1134 - Bittervoorn = = = Onb 1 1 X X X X X H1145 - Grote modderkruiper = = = 2 2 X X X X X H1149 - Kleine modderkruiper = = = onb 1 Onb X X X X X H1166 - Kamsalamander = = = 3 2 4 X X X X X H4056 - Platte schijfhoren = = = 3 onb 2 X X X onb X Vogelrichtlijnsoorten (brv) pop. o.l. kwal. pop. o.l. k.l. . A029 - Purperreiger 150 = = 1 3 3 X X X X X A119 - Porseleinhoen 5 > > 4 4 4 X X X X A197 - Zwarte stern 40 > > 4 2 2 X X X X X Vogelrichtlijnsoorten (n-brv) pop. o.l. kwal. pop. o.l. k.l. . A051 - Krakeend 130 = = 1 1 1 Broedvogel (brv): doel voor aantal broedparen; niet-broedvogel (n-brv): doel voor seizoensgemiddelde overwinterende individuen.

In de Zouweboezem vindt verdroging van het rietland plaats, als gevolg van een tegennatuurlijk peilverloop met te lage peilen. De verdroging leidt tot het verdwijnen van broedplaatsen voor doelsoorten van het gebied. Daarbij kwam moerasverjonging lange tijd niet op gang door een te hoge graasdruk van ganzen. Voor de blauwgraslanden is de stikstofdepositie te hoog. Onder huidig beleid zal dit habitatype nergens onder KDW komen. Met de reductie van de stikstofdeken als gevolg van het UPLG zal naar verwachting een deel van de hectaren van deze habitattypen onder KDW komen, maar waarschijnlijk niet overal. Een overgangszone voor stikstof is hier van belang voor het verder verminderen van stikstof als drukfactor, evenals het verder reduceren van stikstof uit stalemissies. Verder is het oppervlak van de habitattypen en de leefgebieden te klein en zijn deze in veel gevallen te veel van elkaar geïsoleerd. Het leefgebied van veel van de habitatrichtlijnsoorten is niet van goede kwaliteit, onder andere door te voedselrijk water en de aanwezigheid van invasieve exoten.

De belangrijkste maatregelen richten zich met name op het verhogen van het peil en het creëren van een natuurlijke peildynamiek in de rietlanden, het verbeteren van de waterkwaliteit, het laag houden van de ganzenstand, het vergroten van het oppervlak en het onderling verbinden van de habitattypen en leefgebieden binnen en buiten de gebiedsgrenzen. Ook moet de stikstofdepositie verder worden teruggebracht door middel van bronmaatregelen.

33

Bijlage V. Natuurarealen conform de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) 1. Inleiding De Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (VHR) zijn opgesteld om de biodiversiteit in Europa in stand te houden en te beschermen. Op basis van de VHR heeft Nederland zogeheten ‘Natura 2000-gebieden’ aangewezen. Deze gebieden hebben een strikte bescherming in de vorm van een verslechteringsverbod. Het concept dat hierbij centraal staat heet een ‘Gunstige Staat van Instandhouding (GSvI). Echter, alleen bescherming door aanwijzing van bestaande Natura 2000-gebieden blijkt niet voldoende om te voldoen aan de GSvI die geldt voor planten- en diersoorten en ecosystemen (habitats) conform de VHR. Terwijl dat vanuit de VHR wél een resultaatsverplichting is. Om die GSvI te behalen is daarom ook areaaluitbreiding en kwaliteitsverbetering van natuur buiten de Natura2000-gebieden nodig. Tegen deze achtergrond is de Europese Natuurherstelverordening (NHV) opgesteld (juni 2024). Deze heeft namelijk als doel om de achteruitgang van de biodiversiteit in Europa te stoppen en te herstellen. Dan gaat het niet alleen om de VHR- soorten en -habitats (de leefomgeving of standplaats van een soort), maar ook over de grotere ecosystemen. Te denken valt dan aan bossen en landbouwecosystemen, zoals bestuiverspopulaties en boerenlandvogels.

Voor deze ecosystemen zijn in de NHV meerdere op herstel gerichte bindende streefdoelen en resultaatverplichtingen opgenomen. De NHV verplicht de lidstaten om binnen 2 jaar (medio 2026) een Nationaal Natuurplan op te stellen. In bijlage II over de doelen en opgaven valt meer te lezen over de VHR-doelen en de NHV.

2. Natuurarealen Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) SOVON en WenR hebben eind 2023 indicatieve getallen opgesteld voor de areaaluitbreiding van VHR-soorten en habitattypen, gericht op het voldoen van de GSvI voor soorten en habitats, zowel op landelijk als op provinciaal niveau. Deze getallen waren opgenomen in het toenmalige ontwerp van het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG). Dit programma is echter door het Kabinet Schoof ingetrokken. Naar verwachting zullen deze indicatieve getallen (of in iets aangepaste vorm) nu in 2026 in het Nationaal Natuurplan worden opgenomen. Wij gebruiken in het UPLG de getallen uit de studie van SOVON en WenR om de areaalopgaven van de VHR voor de provincie Utrecht concreet te maken. De getallen zijn een betrouwbare indicatie van de orde van grootte van de areaaluitbreiding die nodig is om te voldoen aan de GSvI. Volgens de studies van SOVON en WenR is zowel meer areaal ‘natuur’ als ‘agrarische natuur’ nodig. Bij ‘natuur’ gaat het om verschillende natuurtypen zoals moeras, heide, grasland (waaronder ook weidevogelgraslanden) en bos (tabel 13). Bij ‘agrarische natuur’ gaat het om weidevogelgraslanden en om Groenblauwe Dooradering (GBDA) (tabel 14). Voor beide is het benodigde extra areaal ten opzichte van het huidige (agrarische) natuurareaal bepaald voor 2030 en 2050.

In de studies van SOVON en WenR zijn eerst de arealen gedetailleerd uitgewerkt voor specifieke soorten/soortgroepen en hun leefgebied en voor de habitats zoals die zijn opgenomen in de Habitatrichtlijn. Bijvoorbeeld naar 36.000 meer hectares voor leefgebied voor de grutto-groep, of 33 meer hectares voor habitattype Stroomdalgrasland. Vervolgens zijn deze gedetailleerde getallen geclusterd naar de verschillende natuurtypen zoals gebruikt in de tabellen 13 en 14. De doelstelling voor 2030 bestaat uit 30% van het langetermijndoel voor 2050. Dat laatste doel is nodig om de verplichte GSvI te realiseren. In de studies van SOVON en WenR is gerekend met het 100% behalen van de GSvI in 2050, terwijl de NHV voor 2050 een percentage van 90% hanteert. Volgens de NHV zijn de lidstaten verplicht om maatregelen te nemen om uiterlijk in 2030 minstens 30% van alle in de lijsten genoemde, beschadigde ecosystemen te herstellen. In 2040 moet dit 60% zijn en in 2050, 90%. Wij hanteren in de tabellen 1 en 2 voor 2050 vooralsnog de getallen van SOVON en WenR (100%). De getallen voor de areaaluitbreiding zijn nog niet wettelijk of bestuurlijk vastgesteld. Ook het Rijk heeft hierover geen

34

standpunt ingenomen. Mogelijk dat het door het Rijk op te stellen Natuurplan meer duidelijkheid gaat geven over de doelen, de vereiste arealen en de aanpak. Meer toelichting op deze VHR-opgave is te vinden in bijlage II over de doelen en opgaven.

Kaart E. Kansenkaart Vogel- en Habitatrichtlijn. N.B. het betreft gebieden waar areaaluitbreidingen van de VHRnatuurtypen het meest kansrijk zijn vanuit ecologische potenties. In het proces om tot zoekgebieden te komen, worden andere opgaven meegenomen.

VHR-opgaven natuur Voor 2030 liggen de grootste VHR-opgaven voor natuur bij extra arealen voor moerassen (55 hectare), bossen (bijna 40 hectare) en vogelgraslanden (bijna 530 hectare). Het totaal benodigde extra natuurareaal - conform de VHR voor 2030 - is 650 hectare. Voor 2050 is de opgave totaal ruim 2.450 hectare, waarvan bijna 240 hectare moerassen, bijna 200 hectare bossen en ruim 1.900 hectare vogelgrasland. Tabel 13: Benodigd extra Natuurareaal in hectares per natuurtype voor het behalen van de VHR-doelen Natuurtype

Rivier- en moeraslandschap (N01.03) Zand- en kalklandschap (N01.04) Beken en bronnen (N03.01) Stilstaande wateren (N04)

Totale opgave voor 2050 (A) 21

Opgave voor 2030 (=30% van 2050) (B) 6

Gerealiseerd 2019 – 2023 (C)

Realiseren voor 2030 (30%) (D)

Realiseren voor 2050 (100%) (E)

0

6

21

45

14

0

14

45

1

1

1

0

0

0

0

37

0

0

Moerassen (N05)

261

78

24

55

237

Voedselarme venen en vochtige heiden (N06)

26

8

49

0

0

35

Droge heiden (N07)

17

5

38

0

0

Vochtige schraalgraslanden (N10) Droge schraalgraslanden (N11) Rijke graslanden en akkers (N12) Vogelgraslanden (N13)

121

36

147

0

0

33

10

7

3

26

84

24

298

0

0

2.000

600

71

529

1.929

Vochtige bossen (N14)

103

31

12

19

91

Droge bossen (N15)

57

17

12

5

45

Bossen met productiefunctie (N16) Totaal arealen

60

18

3

15

57

2.829

848

699

647

2.456

Toelichting berekening: D = (0,3*A) - C [30% van totale opgave voor 2050 minus wat al gerealiseerd is in periode 2019-2023] E = A - C [totale opgave voor 2050 minus wat al gerealiseerd is tussen 2019 en 2024] Deze rekensommen gelden niet voor de rij ‘Totaal arealen’ omdat per type de reeds gerealiseerde hectares soms hoger zijn dan de opgave voor 2050.

VHR-opgaven agrarische natuur De VHR-opgaven voor agrarische natuur betreffen weidevogelgraslanden en groenblauwe dooradering. Voor 2030 is nog ruim 8.200 hectare extra agrarisch weidevogelgrasland nodig en nog ruim 2.300 hectare extra groenblauwe dooradering (GBDA). Voor 2050 gaat het om ruim 33.400 hectare weidevogelgrasland en ruim 10.000 hectare GBDA. Dit zou een aanzienlijk deel van het veenweidegebied en van het huidige totaal areaal aan landbouwgrond beslaan. Volgens het ‘Streefbeeld landbouw en voedsel’ (Provincie Utrecht, maart 2025) bestaat de provincie Utrecht in 2023 uit circa 70.000 hectare landbouwgrond, waarvan ongeveer 50.000 hectare blijvend grasland. Tabel 14: Oppervlakte extra Agrarische natuur voor VHR-doelen in hectares

AGRARISCHE NATUUR

Open graslandschap (weidevogelgraslanden) Dooradering

Totale opgave voor 2050 (vanaf 2019) (A) 36.000

Totaal arealen (ha)

Opgave voor 2030 (=30% van 2050)

Gerealiseerd 2019 – 2023 (B)

10.800

2.546

Nog te realiseren voor 2030 (30%) (C) 8.254

Nog te realiseren voor 2050 (100%) (D) 33.454

11.200

3.360

1.015

2.346

10.185

47.200

14.160

3.561

10.600

43.639

Toelichting berekening: D = (0,3*A) - C [30% van totale opgave voor 2050 minus wat al gerealiseerd is in periode 2019-2023] E = A - C [totale opgave voor 2050 minus wat al gerealiseerd is tussen 2019 en 2024]

3. Kwaliteitsverbetering bestaande natuur Naast areaaluitbreiding is ook kwaliteitsverbetering van bestaande natuurtypen nodig (bron: studies SOVON en WenR). Tabel 15 laat zien om welke natuurtypen en hoeveel hectares het ongeveer gaat. Totaal gaat het om ruim 110 hectare, waarvan bijna 40 hectare moeras en ruim 40 hectare diverse typen bossen. Tabel 15: Arealen binnen bestaande natuur voor herstel VHR-typen in hectares

NATUUR

Voor 2030

Voor 2050

Rivier- en moeraslandschap (N01.03)

0

0

Zand- en kalklandschap (N01.04)

0

0

Beken en bronnen (N03.01)

1

1

36

Stilstaande wateren (N04)

9

29

Moerassen (N05)

39

130

Voedselarme venen en vochtige heiden (N06)

6

21

Droge heiden (N07)

7

22

Vochtige schraalgraslanden (N10)

5

16

Droge schraalgraslanden (N11)

2

8

Rijke graslanden en akkers (N12)

1

4

Vogelgraslanden (N13)

0

0

Vochtige bossen (N14)

8

26

Droge bossen (N15)

33

110

Bossen met productiefunctie (N16)

0

0

111

367

Totaal arealen realiseren

De revitalisering van bestaande bossen is reeds opgenomen in het Strategisch Bosbeleid. De maatregel ‘revitalisering van droog bos’ (conform het Strategisch Bosbeleid) zetten we met voorrang in op de mogelijk aanwezige VHR-bostypen op de Utrechtse Heuvelrug. De vraag of verschillende VHR typen bos aanwezig zijn/potentieel aanwezig zijn op de Utrechtse Heuvelrug zal worden meegenomen in het ‘Onderzoek Natuurkwaliteit Utrechtse Heuvelrug”. Of de revitalisering van de natte bossen ook kan worden gecombineerd met de VHR-opgaven gaan we nader onderzoeken.

37

Bijlage VI. Strategisch bosbeleid 1. Inleiding Deze bijlage geeft op een aantal onderdelen een extra toelichting op het Strategisch Bosbeleid van de provincie Utrecht, zoals vastgelegd in het ‘Strategisch Bosbeleid: meer en beter bos voor Utrecht’ (2022). Het provinciale Strategisch Bosbeleid is een uitwerking van de landelijke bossenstrategie ‘Bos voor de toekomst’ (2020). Op de ‘Inspiratiekaart Bos’ (2025) zijn de kansrijke locaties voor verschillende bosopgaven weergegeven (zie Inspiratiekaart Strategisch Bosbeleid). De inspiratiekaart toont daarmee heel concreet de potentiële locaties voor nieuw bos, agroforestry en groenblauwe dooradering. Aan de hand van deze kaart wordt uitgewerkt hoe bos kan bijdragen aan de diverse doelstellingen die we hebben voor het betreffende gebied. Ook is in het Strategisch Bosbeleid vastgelegd welke maatregelen moeten worden genomen om de bestaande bossen in de provincie te revitaliseren. Tot slot bevat het Strategisch Bosbeleid ook een nadere invulling van het aantal hectares nieuw bos dat moet worden aangelegd.

2. Strategisch bosbeleid Het Rijk zet via de landelijke bossenstrategie in op de aanleg en revitalisatie van bos. De bossenstrategie maakt onderdeel uit van de afspraken die zijn vastgelegd n het Klimaatakkoord. Het doel is om met behulp van bomen, bossen en natuur jaarlijks ten minste 0.4 miljoen ton CO2 uit de lucht te halen. De provincie Utrecht heeft deze landelijke doelen in 2022 uitgewerkt in het Strategisch Bosbeleid, met als overkoepelende visie: ‘meer, vitaal, toekomstbestendig, beschermd en maatschappelijk gewaardeerd bos.’ Met het Strategisch Bosbeleid willen we 1500 hectare bos aanleggen binnen onze provincie, waarvan 1000 hectare in het NNN-zoekgebied en 500 daarbuiten. Via de aanleg van deze 1500 ha nieuw bos wordt jaarlijks 0,010 megaton CO 2eq vastgelegd. De berekening is gebaseerd op een provinciale inschatting van de bijdrage van 1.500 ha meer bos aan het landelijke doel van 0.24 Mton CO2-equivalent ‘Meer bos en bomen’. Er is hiervoor landelijk geen onderverdeling gemaakt van het aantal Mton CO2-equivalent per provincie.

Kaart F. Inspiratiekaart bos.

38

3. Bijdrage bos aan andere opgaven De ambities voor het realiseren van meer bos overlappen voor een belangrijk deel met de doelen voor de VHRopgave (zie bijlage V voor meer informatie). Dat heeft te maken met het type bos dat wordt gekozen bij de realisatie van nieuwe bossen. Dat geldt specifiek voor de volgende categorieën: ▪ ▪ ▪

Vochtig bos (N14); Droog bos (N15); Bos met productiefunctie (N16).

Voor deze bostypen/natuurtypen zijn VHR-doelen opgesteld. In totaal gaat het om 39 hectare in 2030 en 193 hectare in 2050. Voor de vochtige bossen wordt vooral gekeken naar realisatie binnen het NNN, deels door omvorming van bestaande natuur. De waterhuishouding speelt hierin een belangrijke rol en bepaalt voor een groot deel of realisatie van vochtig bos mogelijk is. Voor de droge bossen kijken we deels naar realisatie in het NNN, maar ook naar realisatie daarbuiten. Datzelfde geldt voor de bossen met een productiefunctie, die we voornamelijk buiten het NNN willen realiseren. Het kan ook noodzakelijk zijn dat bossen worden omgevormd naar andere, bijzondere natuurdoeltypen. Dat gebeurt bijvoorbeeld in Natura 2000 gebieden. In de landelijke bossenstrategie is daarom afgesproken dat deze hectares worden gecompenseerd. Met terugwerkende kracht (tot 1 januari 2022) wordt in Utrecht binnen dat kader nog 52 hectare gecompenseerd. In bepaalde gebieden kan het de komende jaren nog steeds nodig zijn dat bos wordt omgevormd. Daarom blijven we ook de komende jaren de hectares compenseren die worden gekapt in het kader van Natura 2000 maatregelen. Op dit moment zijn er sinds 1 januari 2022 zo’n 5,5 hectare bijgekomen die - aanvullend op de eerdere 52 hectare - worden gecompenseerd.

4. Maatregelen voor het revitaliseren van bos Het grootste bosareaal van de provincie Utrecht ligt op de hogere zandgronden, met name op de Utrechtse Heuvelrug. De concrete maatregelen om de bossen te revitaliseren omvatten: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

▪

Hydrologisch herstel: één van de belangrijkste maatregelen om droogtestress te verminderen en voedingsstoffen beschikbaar te komen door het herstel van de grondwaterinvloed. Het toepassen van rijkstrooiselsoorten: rijkstrooiselsoorten verbeteren de beschikbaarheid van nutriënten en kunnen bodemverzuring tegengaan. Aanplant van (droogteresistente) mengboomsoorten: een vitaal bos is altijd een gemengd bos. Het toepassen van bufferende stoffen: kalk en steenmeel kunnen tijdelijk de mineralenbalans verbeteren en daarmee een kwaliteitsimpuls geven aan het hele bossysteem. Versterken van de structuur en het stimuleren van bosverjonging: een vitaal bos bevat een goed ontwikkelde bosstructuur, met jonge en oude bomen onder en naast elkaar en open en gesloten bos. Het verhogen van het aandeel dood hout: dood hout is een belangrijk onderdeel van een vitaal bos. Ongeveer 40% van de bosgebonden fauna is afhankelijk van dood hout en dood hout kan de effecten van bodemverzuring tegengaan. Aanpassen van de wildstand of wildbescherming: de wildstand heeft een duidelijk (negatief) effect op de bosverjonging en daarmee op de vitaliteit van een bos. Aangeplante bomen moeten daarom in sommige gevallen worden beschermd tegen wildvraat.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16361524/1