Bijlage 8 Onderbouwing lijst meest kansrijke gebieden windenergie PU 2024
Tekst van het document
De prioritering van de hoofdkeuzes die de provincie kan gebruiken om een afweging te maken tussen de gebieden ziet er volgens het burgerforum als volgt uit: 1. Kies voor plekken die zorgen voor zo weinig mogelijk extra overlast voor mensen. 2. Kies voor plekken waar de natuur en dieren er het minst last van hebben. 3. Kies voor plekken waar je windmolens bij elkaar kunt zetten (en er minder plekken nodig zijn). 4. Kies voor plekken waar de bevolking zeggenschap en het meest voordeel kan hebben van de financiële opbrengst. 5. Kies voor plekken waar windmolens het best kunnen passen bij het landschap. 6. Kies voor plekken met de laagste kosten voor de maatschappij op gebied van aansluiting, proceduretijd etc. 7. Kies voor plekken waar windmolens helpen andere problemen die spelen in de maatschappij op te lossen.
17
8.
Kies voor plekken die het minst invloed hebben op plekken die belangrijk zijn voor geschiedenis en cultuur. Het eerste punt vindt het burgerforum het belangrijkst, daarna het tweede punt, enzovoort. In het rapport van het burgerforum is per punt een toelichting te vinden. Het burgerforum heeft ook een aantal algemene aandachtspunten gegeven per onderwerp. Deze zijn niet bedoeld als input voor de keuze van de meest kansrijke gebieden, maar gelden in het algemeen voor windenergieontwikkeling. De algemene aandachtspunten worden meegegeven aan gemeenten voor de lokale processen en/of later door de provincie zelf benut bij de processen rondom mogelijke projectbesluiten. Alle aandachtspunten zijn te vinden in het rapport van het burgerforum. Verwerking provincie punt 1: Het thema leefomgeving en het zorgen voor zo weinig mogelijk overlast is het belangrijkste punt voor het burgerforum. Hier is rekening mee gehouden door het milieuthema leefomgeving de hoogste waarde toe te kennen bij de Multi Criteria Analyse van het planMER, namelijk een percentage van 45% (zie hoofdstuk 5). Verwerking provincie punt 2: Het thema natuur/ecologie vindt het burgerforum het tweede belangrijkste punt bij de afweging.
Hier is rekening mee gehouden door het thema natuur/ecologie de op een na hoogste waarde toe te kennen bij de Multi Criteria Analyse van het planMER, namelijk een percentage van 35% (zie hoofdstuk 5). Verwerking provincie punt 3: Het burgerforum geeft aan dat windturbines bij elkaar zetten voor hen belangrijk is. De provincie brengt daarom in beeld of, ook bij toepassing van de landelijke ontwerpnormen windturbines leefomgeving (zie hoofdstuk 6) of er nog minimaal 2 of 3 turbines mogelijk zijn. Daarnaast is gekeken of de onderzoeksgebieden uit het alternatief ‘clusteren’ van het planMER en andere gebieden waar 5 of meer windmolens mogelijk zijn, meegenomen kunnen worden in de lijst meest kansrijke gebieden. Daarnaast wordt bij een aantal onderzoeksgebieden die geoptimaliseerd zijn voor het milieuthema leefomgeving aanbevolen om in een eventuele vervolgfase te zoeken naar een optimum tussen de voordelen van clustering en leefomgeving. Hierdoor is ook een gebied toegevoegd aan de bundel meest kansrijke gebieden (zie hoofdstuk 9). Verwerking provincie punt 4: Het burgerforum geeft aan dat plekken waar de bevolking het meest voordeel kan hebben van de financiële opbrengst gemiddeld belangrijk is. Hier is rekening mee gehouden door als provincie een Beleidskader Lokaal Eigendom en Participatie te gaan opstellen (zie hoofdstuk 8).
Verwerking provincie punt 5: Het thema landschap vindt het burgerforum van belang, maar met minder prioriteit dan de eerste 4 punten. Hier is rekening mee gehouden door het milieuthema landschap in de Multi Criteria Analyse van het planMER een waarde toe te kennen die lager is dan de milieuthema’s leefomgeving en natuur/ecologie maar gemiddeld hoger dan andere thema’s, namelijk een percentage van 7% (zie hoofdstuk 5). Verwerking provincie punt 6: Het burgerforum heeft het thema aansluitbaarheid op 6 gezet. Hier is rekening mee gehouden door met Stedin gesprekken te voeren over aansluitbaarheid, maar hier geen doorslaggevend punt van te maken (zie hoofdstuk 7). Verwerking provincie punt 7: Het burgerforum heeft het kiezen van gebieden waar windturbines andere problemen die in de maatschappij spelen kunnen helpen oplossen als laagste geplaatst. Hierbij wordt gedacht aan het leveren van stroom aan wijken die anders niet op het elektriciteitsnet aangesloten kunnen worden. Aangezien daarmee een windpark in de buurt van een (toekomstige) woonwijk geplaatst zou moeten worden, zou dit in strijd zijn met de prioritering van leefomgeving op 1 en wordt hier in dit stadium geen rekening mee gehouden. In een eventuele latere fase wordt wel gekeken naar mogelijkheden van directe afname door gebruikers . Verwerking provincie punt 8: Het milieuthema cultuurhistorie zet het burgerforum op 8.
Hier is rekening mee gehouden door het thema cultuurhistorie een gemiddeld lagere waarde toe te kennen bij de Multi Criteria Analyse van het planMER, namelijk een percentage van 5% (zie hoofdstuk 5).
4.3 Advies burgerforum: adviezen bij de afweging tussen gebieden
Het burgerforum heeft naast de hoofdkeuzes ook een aantal adviezen aan de provincie gegeven voor dilemma’s die spelen bij de afweging om te komen tot de lijst meest kansrijke gebieden. Deze paragraaf beschrijft de stellingen die in meerderheid door het burgerforum zijn aangenomen. In het geval een stelling in twee versies in meerderheid is aangenomen, is uitgegaan van de variant met de hoogste score. Een aantal adviezen staan hieronder dus niet beschreven, want dit zijn adviezen die geen meerderheid hebben gehaald bij de stemming van het burgerforum of waarvan een andere versie een hogere score bij de stemming kreeg. Alle adviezen inclusief beschrijving en stemuitslag zijn te vinden in het rapport van het burgerforum. Advies 3: De grens aan het 'stapelen' van geluid ligt bij het vermijden van extra hinder voor omwonenden. Windmolens hoeven alleen stilgezet te worden als de afgesproken geluidsnormen worden overschreden.
18
Verwerking advies 3: Dit advies kan voor alle onderzoeksgebieden gelden en is dus geen input voor het bepalen van de meest kansrijke gebieden, maar zal als aandachtspunt meegegeven worden aan gemeenten en/of zelf toegepast worden als de provincie rol indien nodig de rol van bevoegd gezag neemt. Advies 4: Plekken met veel geluid mogen ook ’s nachts meer geluid hebben mits er minimaal voldaan wordt aan wettelijke normen en rekening wordt gehouden met omwonenden. Het plaatsen van windmolens langs snelwegen waar 's nachts al geluidsoverlast is, is acceptabel, mits er rekening gehouden wordt met realtime geluid i.p.v. gemiddelden. Verwerking advies 4: Er wordt een extra check gedaan op onderzoeksgebieden langs infrastructuur zoals snelwegen (zie hoofdstuk 9). Advies 5: Benut liever al bebouwde plekken, zoals bedrijventerreinen en infrastructuur, voor de plaatsing van windmolens, mits er geen overlast voor direct omwonenden is. Dit minimaliseert overlast. Verwerking advies 5: Er wordt een extra check gedaan op kansen voor onderzoeksgebieden bij bedrijventerreinen en infrastructuur (zie hoofdstuk 9). Advies 6: Niet alle natuur is gelijk. Bij de plaatsing van windmolens moet gekeken worden naar de verschillen in natuur, met extra aandacht voor het vermijden van locaties met kwetsbare natuur, zoals gebieden met soorten op de rode lijst.
Natuur is veranderlijk; daar moet ook buiten het wettelijk kader rekening mee worden gehouden. Verwerking advies 6: Hier is vooraf rekening mee gehouden door bijvoorbeeld onderzoeksgebieden in Natura 2000-gebieden gebieden uit te sluiten. Daarnaast is de lijst met onderzoeksgebieden die volgt uit de Multi Criteria Analyse geanalyseerd op aandachtspunten vanuit ecologie. Daardoor zijn verschillende onderzoeksgebieden alsnog afgevallen (zie hoofdstuk 9). Advies 7: Bij de keuze tussen overlast voor mensen of de natuur, binnen de wettelijke kaders, geven we prioriteit aan het verminderen van overlast voor de mens. Mens gaat boven natuur zoals we al in de hoofdkeuze hebben bepaald. Echter, als een kwetsbare soort bedreigd wordt, verschuift de prioriteit naar de natuur. Verwerking advies 7: Hier is rekening mee gehouden door het milieuthema leefomgeving de hoogste score te geven en natuur de op één na hoogste bij de Multi Criteria Analyse. Daarnaast is de lijst met onderzoeksgebieden die volgt uit de Multi Criteria Analyse geanalyseerd op aandachtspunten vanuit ecologie. Daardoor zijn verschillende gebieden alsnog afgevallen (zie hoofdstuk 9). Advies 9: Clusteren van windmolens is gewenst, zelfs als dit niet direct lijkt te passen bij het landschap. Dit omdat een enkele windmolen waarschijnlijk ook niet goed in het landschap past.
Verwerking advies 9: Hier is rekening mee gehouden door een extra check te doen op gebieden waar kansen op clusteren groter zijn en die net buiten de lijst van meest kansrijke gebieden op basis van de Multi Criteria Analyse vallen (zie hoofdstuk 9). Advies 11: Clusteren mag leiden tot extra lokale overlast, mits binnen redelijkheid en met aandacht voor zorgvuldigheid bij het selecteren van de locatie. Verwerking advies 11: Hier is rekening mee gehouden door een extra check te doen op gebieden waar kansen op clusteren groter zijn en die net buiten de lijst van meest kansrijke gebieden op basis van de Multi Criteria Analyse vallen (zie hoofdstuk 9). Advies 12: Clusteren mag leiden tot een ongelijke verdeling van windlocaties over de regio’s in de provincie. Dit heeft de voorkeur omdat het leidt tot minder totale overlast, lagere totale kosten, en grotere praktische uitvoerbaarheid. Verwerking advies 12: Hier is rekening mee gehouden door een extra check te doen op gebieden waar kansen op clusteren groter zijn en die net buiten de lijst van meest kansrijke gebieden op basis van de Multi Criteria Analyse vallen (zie hoofdstuk 9). In het geval de provincie – indien nodig voor het behalen van de RES-doelen – projectbesluiten gaat nemen, zal wel rekening gehouden worden met een evenredige verdeling over de regio’s.
Omdat het advies strijdig is met de wens van alledrie de RES regio’s in de provincie Utrecht, wordt het advies in dat geval dus niet volledig overgenomen. Advies 14: Profijt van de opbrengst van windmolens moet vooral eerlijk voor omwonenden zijn, op basis van een niet gelijke verdeling die gebaseerd is op objectieve criteria zoals woonplaats, afstand tot het project en onkosten. Verwerking advies 14: Hier is rekening mee gehouden door als provincie een Beleidskader Lokaal Eigendom en Participatie te gaan opstellen (zie hoofdstuk 8).
19
Advies 15: Provincie moet zich hard maken voor 100% (minimaal 50%) lokaal eigendom en zeggenschap. Verwerking advies 15: Hier is rekening mee gehouden door als provincie een Beleidskader Lokaal Eigendom en Participatie te gaan opstellen (zie hoofdstuk 8). Advies 16: Wij adviseren om te kijken naar plekken waar het clusteren en aansluiten bij het landschap gecombineerd kan worden. Verwerking advies 16: Hier is rekening mee gehouden door een extra check te doen op gebieden waar kansen op clusteren groter zijn en die net buiten de lijst van meest kansrijke gebieden op basis van de Multi Criteria Analyse vallen (zie hoofdstuk 9). Advies 17: Er moet altijd goed gekeken worden naar het landschap en per locatie worden bepaald wat de kernkwaliteiten zijn en daar moet zoveel mogelijk bij worden aangesloten. Inpassing in het landschap is dus erg belangrijk, maar dit mag niet het clusteren van windmolens in de weg staan omdat een cluster iets minder in het landschap zou passen. Verwerking advies 17: Hier is rekening mee gehouden door het milieuthema landschap mee te laten wegen in de Multi Criteria Analyse (zie hoofdstuk 5). Daarnaast zal dit een belangrijk aandachtspunt zijn in het geval van verdere planvorming in specifieke gebieden. Advies 18: Kies voor locaties met de laagste maatschappelijke kosten, zelfs als de kosten voor de ontwikkelaar daarmee hoger zijn.
Wanneer op basis van laagste maatschappelijke kosten een keuze wordt gemaakt voor een locatie, zorg dan voor adequate en snelle compensatie van de geleden planschade voor omwonenden. Verwerking advies 18: Hier is rekening mee gehouden door een check te doen op de afstanden tot netinfrastructuur waarmee de maatschappelijke kosten lager kunnen blijven als gebieden op grote afstand van netstations niet meegenomen worden (zie hoofdstuk 7) Advies 19: Wij adviseren om onderscheid te maken tussen nog te bouwen en bestaande woningen, mits er geen onderscheid wordt gemaakt in de welzijnsnormen voor bewoners. Bij bestaande woningen dien je de maatschappelijke kosten en de kosten van overlast bij elkaar op te tellen. Bij nieuw te bouwen woningen is er alleen sprake van maatschappelijke kosten. Verwerking advies 19: Zowel bestaande woningen als nieuw te bouwen woningen worden in de afweging meegenomen. Bestaande woningen zijn ‘gevoelige objecten’ in het planMER. Aangezien het milieuthema leefomgeving de het hoogste percentage in de Multi Criteria Analyse heeft gekregen telt dat dus zwaar mee (zie hoofdstuk 5). Voor nieuwe woningen is rekening gehouden met het Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023 en is er nog een extra toets gedaan op projecten die daar nog niet in meegenomen zijn (zie hoofdstuk 9).
Advies 20: Windmolenlocaties die helpen andere maatschappelijke problemen op te lossen hebben de voorkeur boven locaties die dat niet doen. Verwerking advies 20: Er is in de afweging rekening gehouden met andere beleidsvelden en daarmee dus ook met maatschappelijke vraagstukken zoals woningbouw. In een volgende fase kan hier extra rekening mee gehouden worden door bijvoorbeeld te kijken of windenergie ervoor kan zorgen dat er voldoende elektriciteit aanwezig is op een specifieke plek waar een bedrijventerrein en/of woningbouw uitgebreid of verduurzaamd wordt. Advies 21: Wij adviseren om per cultuurhistorische plek een specifieke en terughoudende afweging te maken voor het plaatsen van windmolens en te kijken welke invloed dit heeft op het aanzicht en hoe belangrijk het aanzicht is voor de plek. Verwerking advies 21: Hier is rekening mee gehouden door geen onderzoeksgebieden in de oranje en rode zones van het Afwegingskader Energietransitie Hollandse Waterlinies op te nemen tenzij een gemeente daar zelf om vraagt. In dat laatste geval moet er een Heritage Impact Assessment gemaakt worden om te toetsen of windenergie in het gebied mogelijk is (zie hoofdstuk 5). Ook is er een extra check gedaan op het milieuthema cultuurhistorie in hoofdstuk 9 wat ertoe heeft geleid dat twee gebieden niet in de lijst meest kansrijke gebieden zijn gekomen.
20
5. Multi Criteria Analyse 5.1 Inleiding
Het planMER is een strategische milieubeoordeling die bedoeld is om vroegtijdig het milieubelang mee te kunnen wegen bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen of besluiten. Het is een manier om op objectieve wijze milieuinformatie in beeld te brengen. In dit geval betreft dat één of meer mogelijke projectbesluiten voor windenergie of vergunningen in geval van gemeentelijke besluitvorming. Het planMER windenergie provincie Utrecht onderzoekt de milieueffecten en vergelijkt 99 onderzoeksgebieden met de referentiesituatie en met elkaar. Daarnaast zijn vier thematische alternatieven opgesteld: een alternatief leefomgeving, een alternatief natuur, een alternatief grootschalige infrastructuur en een alternatief clustering. Deze alternatieven vormen een samenstelling van onderzoeksgebieden, opgesteld om het best aan te sluiten bij het betreffende thema. Op deze manier worden de milieueffecten van windenergie in de verschillende onderzoeksgebieden in kaart gebracht en de effecten van het hanteren van verschillende uitgangspunten in beeld gebracht. Zo kan mede op basis daarvan een nadere afweging van onderzoeksgebieden plaatsvinden. In het planMER windenergie provincie Utrecht is bij voorbaat rekening gehouden met zogenoemde harde belemmeringen. Dat zijn bijvoorbeeld afstanden tot woningen of Natura 2000-gebieden.
Daardoor is bij voorbaat al rekening gehouden met uitsluitingsgronden en er komen geen nieuwe uitsluitingsgronden uit het planMER naar voren. Het planMER windenergie provincie Utrecht is digitaal hier te raadplegen op planMER windenergie provincie Utrecht.
5.2 Weging van de beoordelingscriteria
In het planMER windenergie provincie Utrecht zijn de milieuthema’s ‘leefomgeving’, ‘ecologie’, ‘landschap’, ‘cultuurhistorie & archeologie’, ‘bodem & water’, ‘recreatie’ en ‘energieopbrengst en netinpassing’ onderverdeeld in 30 beoordelingscriteria. Alle onderzoekgebieden hebben voor alle beoordelingscriteria een score gekregen: ++, +, 0, - of --. Voor alle 99 onderzoeksgebieden is deze objectieve beoordeling in eerste instantie uitgevoerd voor een realistische, indicatieve onderzoeksopstelling. Daarnaast zijn deze beoordelingen ook uitgevoerd voor de eventueel geoptimaliseerde opstellingen vanuit de thematische alternatieven. Voor het thematische alternatief ‘leefomgeving’ zijn bijvoorbeeld voor sommige gebieden maximaal 2 turbines die het dichtst bij (veel) woningen opgesteld waren, verwijderd zodat voor het betreffende milieuthema minder milieueffecten te verwachten zijn en er dus ook een betere score toegekend kan worden. Ook voor het thematische alternatief ‘infrastructuur’ is bij sommige onderzoeksgebieden een aanpassing aan de onderzoeksopstelling gedaan om deze beter aan te laten sluiten bij grootschalige infrastructuur. De aanpassing van de indicatieve onderzoeksopstelling (binnen hetzelfde onderzoeksgebied) wordt in het planMER aangeduid als ‘optimalisatie’.
Ten slotte is na uitvoering van het planMER geconstateerd dat in de gebieden 40, 42 en 43 het een optie is om een nog groter aantal windturbines van de onderzoeksopstelling te verwijderen waardoor er wezenlijk minder milieueffecten te verwachten zijn voor het milieuthema leefomgeving. Om te voorkomen dat de gebieden alleen door een onderzoeksopstelling van een groter aantal windturbines buiten de lijst van meest kansrijke gebieden vallen, terwijl dezelfde gebieden met een onderzoeksopstelling met minder windturbines even goed of beter zou scoren dan kleinere onderzoeksgebieden met minder turbines die wél aangemerkt worden als meest kansrijk, is voor deze twee gebieden een extra optimalisatie uitgevoerd. Omdat het planMER alleen beoordelingen voor afzonderlijk milieuthema’s weergeeft en geen afweging maakt in hoe zwaar verschillende milieuaspecten meewegen, volgen uit het planMER niet vanzelf de meest kansrijke gebieden. Daarbij is het nodig om te bepalen welke milieueffecten zwaarder moeten wegen dan andere. Naar aanleiding van het advies van het burgerforum is een weging zoals beschreven in hoofdstuk 3 toegepast. Dit betekent dat zo min mogelijk overlast voor omwonenden (leefomgeving) voor 45%, voorkomen van overlast voor natuur en dieren (ecologie) voor 35%, landschap voor 7% en cultuurhistorie voor 5% meeweegt.
De overgebleven 8% weging die niet terugkomt in de prioritering van het advies van het burgerforum is verdeeld over de milieuthema’s recreatie, water, en energieproductie & netinpassing.
21
Criterium Leefomgeving Ecologie Landschap Cultuurhistorie Recreatie, water en energieproductie & netinpassing
Weging 45% 35% 7% 5% 8%
Omdat het moeilijk te bepalen is hoe de percentages exact verdeeld moeten worden is een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd door de percentages wat aan te passen, waarbij de milieuthema’s leefomgeving en ecologie wel altijd het zwaarst meewegen. Daarbij blijkt dat circa 80% van de lijst hetzelfde blijft bij variaties in deze weging. Bij de weging wordt gebruik gemaakt van de systematiek van een Multi Criteria Analyse (MCA). In de MCA worden de scores voor de verschillende beoordelingscriteria samengevoegd tot één eindwaardering per onderzoeksgebied. Zo kan een rangschikking van de onderzoeksgebieden naar mate van geschiktheid volgens de beoordeelde milieueffecten worden gemaakt. Dit werkt als volgt: Voor elk criterium wordt de score die op de 5-puntsschaal in het planMER is toegekend eerst omgezet in een waardering met een getal. Een negatieve score (--) op een criterium leidt bij dat criterium tot een waardering van 2, een beperkt negatieve score (-) leidt tot een waardering van -1, een neutrale score (0) leidt tot een waardering van 0, een beperkt positieve score (+) leidt tot een waardering van +1 en een positieve score (++) leidt tot een waardering van +2. Met de wegingsfactoren wordt vervolgens aangegeven hoe groot het aandeel van elk criterium in de eindwaardering voor een onderzoeksgebied is.
Bijvoorbeeld: een onderzoeksgebied heeft een negatieve score (--) op beoordelingscriterium A en een beperkt negatieve score (-) op beoordelingscriterium B. Met de wegingsfactoren is ingesteld dat beoordelingscriterium A voor 75% meeweegt in de eindwaardering en beoordelingscriterium B voor 25% meeweegt in de eindwaardering. De eindwaardering voor het onderzoeksgebied is dan -2 * 75% + -1 * 25% = -1,75. Ter verduidelijking is het rekenvoorbeeld hieronder van links naar rechts de stappen uitgewerkt: Score per criterium
Waardering per criterium
Wegingsfactor per criterium
Bijdrage aan eindwaardering
Eindwaardering
A
B
A
B
A
B
A
B
Gecombineerd
(--)
(-)
-2
-1
75%
25%
-1,5
-0,25
-1,75
Op basis van deze waardering wordt inzichtelijk welke onderzoeksgebieden vanuit de beoordeelde milieueffecten het beste scoren, uitgaande van de ingestelde wegingsfactoren. Na toepassing van deze MCA op de uitkomsten van het planMER komen de onderstaande onderzoeksgebieden als meest kansrijk naar voren, aanvullend op de gebieden die in hoofdstuk 2 als voorkeuren van gemeenten naar voren zijn gekomen. Met deze onderzoeksgebieden blijft een (voorlopige) lijst van onderzoeksgebieden over waarin samen ruim 2 TWh per jaar aan duurzame windenergie opwekt zou kunnen worden. Hiermee blijft er voldoende keuze voor het vervolgproces en is er voldoende overprogrammering voor planuitval. Op basis van de Multi Criteria Analyse is er geen aanleiding om de gebieden met gemeentelijke voorkeuren niet op te nemen als meest kansrijk. Nr. onderzoeksgebied 1
Gemeente
7
Oudewater
8
Montfoort, Oudewater
9
Woerden
10
Lopik
Oudewater
22
18
Montfoort, Oudewater
20
Woerden
28
Vijfheerenlanden
29
Vijfheerenlanden
32
Utrecht
35
Stichtse Vecht
38
De Ronde Venen
39
Stichtse Vecht
40
Vijfheerenlanden
42
Lopik, IJsselstein
43
Stichtse Vecht
47
Vijfheerenlanden
48
Vijfheerenlanden
49
Utrecht
53
Nieuwegein
55
Vijfheerenlanden
60
Houten
67
De Bilt
68
Bunnik, Houten
69
Houten
75
Eemnes
93
Leusden, Woudenberg
96
Utrechtse Heuvelrug, Renswoude, Veenendaal
Uit het advies van het burgerforum blijkt dat er een grote voorkeur uitgaat naar gebieden waar veel windturbines bij elkaar passen. Dit is echter geen aspect dat in het planMER per onderzoeksgebied is beoordeeld en kan daarom niet meegenomen worden in de MCA. Daarnaast is er vanuit de uitgangspunten van RES 1.0 een voorkeur voor aansluiting bij hoofdinfrastructuur en bedrijventerreinen. Het advies vanuit de RES regio’s om deze uitgangspunten aan te houden is ook niet als criterium in de MCA opgenomen. Daarom is voor alle onderzoeksgebieden waar meer dan vijf turbines mogelijk zijn gekeken of deze aansluiten bij infrastructuur en/of bedrijventerreinen. Als dat het geval is én het gebied op basis van de MCA-score bij de beste 50% behoort, is het gebied aan de lijst meest kansrijke gebieden toegevoegd om recht te doen aan het advies van het burgerforum en de RES regio’s. Dit geldt alleen voor gebied 78 (zie verder hoofdstuk 9.1 hierover). Hier zijn vijf windturbines mogelijk, er is een bedrijventerrein in de nabijheid (1 van de 25 grootste in de provincie) en in het gebied kan aansluiting gevonden worden bij het Amsterdam-Rijnkanaal. Hieronder volgt per onderzoeksgebied een beschrijving van de belangrijkste milieueffecten zoals geïnventariseerd in het planMER windenergie provincie Utrecht.
De beoordelingen zijn tot stand gekomen op basis van beoordelingscriteria, waarbij de onderzoeksgebieden telkens een score ‘++’, ‘+’, ‘0’, ‘-’ of ‘--’ hebben gekregen. Voor elk afzonderlijk beoordelingscriterium is in het planMER toegelicht waar de scores op gebaseerd zijn. In het planMER worden de onderzoeksgebieden met elkaar vergeleken. Wanneer in de volgende paragrafen wordt gesproken van ‘beperkt negatieve effecten’ is dat dus relatief beperkt in vergelijking met andere onderzoeksgebieden. De in de volgende paragrafen genoemde aandachtspunten bij een onderzoeksgebied zijn de beoordelingscriteria waarbij de score voor dat onderzoeksgebied in het planMER ‘--’ is. Ter illustratie een voorbeeld van een beoordelingscriterium. Voor één van de beoordelingscriteria van het milieuthema leefomgeving is het aantal gevoelige objecten (gevoelige objecten zijn voor het grootste deel woningen) in het gebied binnen een contour van 1000 meter vanaf de onderzoeksopstelling geteld. Een onderzoeksgebied heeft de score ‘0’ gekregen als er minder dan 100 gevoelige objecten in het gebied binnen een contour van 1000 meter liggen, een score van ‘-’ wanneer er tussen de 100 en 1000 gevoelige objecten liggen en een score van ‘--’ wanneer er meer dan 1000 gevoelige objecten liggen.
Bij het onderzoeksgebied met de minste woningen binnen een contour van 1000 meter gaat het om 15 gevoelige objecten en bij het onderzoeksgebied met de meeste gevoelige objecten binnen een contour van 1000 meter gaat het om 6353 gevoelige objecten. Bij
23
het eerste onderzoeksgebied kunnen er dus nog steeds milieueffecten zijn, maar zijn de milieueffecten wel beperkt in vergelijking met andere onderzoeksgebieden.
Voor meer informatie wordt verwezen naar het planMER windenergie provincie Utrecht.
5.3 Voorkeursgebieden gemeenten Onderzoeksgebied 23 (Gemeente Lopik) Deze onderzoeksopstelling heeft beperkt negatieve effecten op het milieuthema leefomgeving. Het aantal gevoelige objecten binnen 500, 750, en 1.000 meter is respectievelijk 2, 56 en 251. Aandachtspunten voor het milieuthema ecologie liggen bij stikstofdepositie en negatieve effecten op aangewezen broedvogelsoorten in Natura 2000-gebied. Het onderzoeksgebied ligt binnen 5 kilometer van Natura 2000-gebied en er is dan mogelijk ook stikstofdepositie te verwachten tijdens de bouw op één of meer stikstofgevoelige habitats, waaronder Uiterwaarden Lek en Zouweboezem. Er geldt specifiek voor dit gebied ook dat het binnen de foerageerafstand en potentieel foerageergebied ligt van de purperreiger in de Zouweboezem. Verder ligt dit onderzoeksgebied in Waard, een sublandschapstype van het Groene Hart, waar windturbines negatieve effecten hebben op de karakteristieken en waarden van het landschap. Voor de milieuthema’s cultuurhistorie & archeologie, water en recreatie worden geen grote negatieve milieueffecten verwacht. Onderzoeksgebied 24 (Gemeente Montfoort en Woerden) Deze onderzoeksopstelling heeft beperkt negatieve effecten op het milieuthema leefomgeving. Het aantal gevoelige objecten binnen 500, 750 en 1.000 meter is respectievelijk 42, 384 en 868.
Voor het milieuthema ecologie ligt het aandachtspunt bij de soortenbescherming van broedvogels en niet-broedvogels. Naar verwachting zijn er in dit onderzoeksgebied veel vogelsoorten aanwezig die gevoelig zijn voor aanvaringen, habitatverlies en verstoring. Verder ligt dit onderzoeksgebied grotendeels in Waard, een sublandschapstype van het Groene Hart, waar windturbines negatieve effecten hebben op de karakteristieken en waarden van het landschap. Daarnaast sluit de onderzoeksopstelling niet logischerwijs aan bij de aanwezige landschappelijke structuren. Een laatste aandachtspunt is dat de onderzoeksopstelling binnen 750 meter ligt van recreatiegebied Cattenbroekerplas. Voor de milieuthema’s cultuurhistorie & archeologie en water worden geen grote negatieve milieueffecten verwacht. In dit gebied ligt potentieel de mogelijkheid 265 GWh windenergie per jaar op te wekken. Daarnaast zijn er voor deze onderzoeksopstelling optimalisaties mogelijk voor het milieuthema leefomgeving, waardoor het aantal gevoelige objecten binnen 500, 750 en 1.000 meter afneemt. Onderzoeksgebied 57 (Gemeente Vijfheerenlanden) Deze onderzoeksopstelling heeft beperkt negatieve effecten op het milieuthema leefomgeving. Het aantal gevoelige objecten binnen 500, 750 en 1.000 meter is respectievelijk 4, 251 en 362.
Aandachtspunten voor het milieuthema ecologie liggen bij stikstofdepositie en weidevogelgebieden. Het onderzoeksgebied ligt binnen 5 kilometer van Natura 2000-gebied en er is dan mogelijk ook stikstofdepositie te verwachten tijdens de bouw op één of meer stikstofgevoelige habitats, waaronder Lingebied & Diefdijk Zuid, Uiterwaarden Lek en Zouweboezem. Daarnaast moet er rekening gehouden worden met weidevogelkerngebieden. Het onderzoeksgebied overlapt deels met weidevogelkerngebied, wat het risico op verstoring en aanvaring vergroot. Verder ligt dit onderzoeksgebied in het Groene Hart met sublandschapstype Waard, waar windturbines negatieve effecten hebben op de karakteristieken en waarden van het landschap. Ook sluit de onderzoeksopstelling niet logischerwijs aan bij de aanwezige landschappelijke structuren. Voor de thema’s cultuurhistorie & archeologie, water en recreatie worden geen grote negatieve milieueffecten verwacht. Er zijn voor deze onderzoeksopstelling optimalisaties mogelijk voor het milieuthema leefomgeving, waardoor het aantal gevoelige objecten binnen 500, 750 en 1.000 meter afneemt en de aansluiting bij landschappelijke structuren verbetert. Onderzoeksgebied 59 (Gemeente Vijfheerenlanden) Deze onderzoeksopstelling heeft beperkt negatieve effecten op het milieuthema leefomgeving.
Het aantal gevoelige objecten is binnen 500, 750 en 1.000 meter respectievelijk 25, 66 en 97. Voor het milieuthema ecologie moet er bij de bouw van windturbines rekening gehouden worden met stikstofdepositie. Het onderzoeksgebied ligt binnen 5 kilometer van Natura 2000-gebied en er is dan mogelijk ook stikstofdepositie te verwachten in de bouwfase op één of meer stikstofgevoelige habitats, waaronder Lingebied & Diefdijk Zuid, Uiterwaarden Lek en Zouweboezem. Andere aandachtspunten horend bij het thema ecologie zijn vleermuizen en NNN-gebied. Naar verwachting komen in dit onderzoeksgebied relatief veel vleermuissoorten voor die die gevoelig zijn voor 24
aanvaringen, habitatverlies en verstoring. Daarnaast overlapt het onderzoeksgebied deels met NNN-gebied waardoor er sprake is van ruimtebeslag en het gebied binnen de verstoringsafstand van kwalificerende vogelsoorten ligt. Verder ligt dit onderzoeksgebied in het Groene Hart met sublandschapstype Waard, waar windturbines negatieve effecten hebben op de karakteristieken en waarden van het landschap. Ook sluit de onderzoeksopstelling niet logischerwijs aan bij de aanwezige landschappelijke structuren. Voor de thema’s cultuurhistorie & archeologie, water en recreatie worden geen grote negatieve milieueffecten verwacht. In dit gebied ligt potentieel de mogelijkheid om 96 GWh windenergie per jaar op te wekken. Daarnaast zijn er voor deze onderzoeksopstelling optimalisaties mogelijk voor het milieuthema infrastructuur, waardoor het aantal gevoelige objecten binnen 500, 750 en 1.000 meter afneemt en de aansluiting bij landschappelijke structuren verbetert. Onderzoeksgebied 81 (Gemeente Soest en Amersfoort) Deze onderzoeksopstelling heeft weinig negatieve effecten op het milieuthema leefomgeving Het aantal gevoelige objecten binnen 500, 750 en 1.000 meter is respectievelijk 0, 66 en 454. Aandachtspunten voor het milieuthema ecologie zijn vleermuizen en militair oefenterrein met natuurwaarden (MON).
Er komen in dit onderzoeksgebied naar verwachting relatief veel vleermuissoorten voor die gevoelig zijn voor aanvaringen, habitatverlies en verstoring. Daarnaast overlapt het onderzoeksgebied deels met militair oefenterrein met natuurwaarden. Ook voor het milieuthema cultuurhistorie & archeologie zijn er diverse aandachtspunten. De onderzoeksopstelling bevindt zich volledig in militair erfgoed en bevindt zich binnen 1.000 meter van verschillende cultuurhistorische objecten, zoals natuurterrein en uitzichtpunt de Stompert bij Soesterberg en de Du Moulinkazerne. Daarnaast ligt het onderzoeksgebied in de Utrechtse Heuvelrug wat is aangewezen als archeologisch waardevolle zone en is er een hoge trefkans op archeologische resten. Tot slot ligt de onderzoeksopstelling grotendeels in een grondwaterbeschermingsgebied met een dieptegrens van 3 meter en ligt het binnen 750 meter van recreatiegebieden Vliegbasis Soesterberg, Lang en Korte Duinen en Birkhoven/Bokkenduinen. Voor het milieuthema landschap worden geen grote negatieve milieueffecten verwacht. In dit gebied ligt potentieel de mogelijkheid om ruim 80 GWh windenergie per jaar op te wekken. Onderzoeksgebied 89 (Gemeente Amersfoort) Deze onderzoeksopstelling heeft negatief scorende effecten op het milieuthema leefomgeving.
Er bevinden zich relatief veel gevoelige objecten binnen een straal van 500, 750 en 1.000 meter, respectievelijk 40, 928 en 2718. Het enige overige aandachtspunt is de soortenbescherming van vleermuizen voor het milieuthema ecologie. Er komen in dit onderzoeksgebied naar verwachting relatief veel vleermuissoorten voor die gevoelig zijn voor aanvaringen, habitatverlies en verstoring. Voor de overige criteria van ecologie worden geen negatieve milieueffecten verwacht. De onderzoeksopstelling scoort positief op landschappelijke waarden omdat het onderzoeksgebied in industriegebied ligt waar windturbines passen binnen de karakteristieken en waarden van het landschap. Ook voor de thema’s water en recreatie worden geen grote negatieve milieueffecten verwacht. Er zijn voor deze onderzoeksopstelling optimalisaties mogelijk voor het milieuthema infrastructuur, waardoor bovendien het aantal gevoelige objecten binnen 500, 750 en 1.000 meter afneemt. Onderzoeksgebied 99 (Gemeente Rhenen) Deze onderzoeksopstelling heeft beperkt negatieve effecten op het milieuthema leefomgeving. Het aantal gevoelige objecten binnen 500, 750 en 1.000 meter is respectievelijk 16, 51 en 94. Wel scoort het gebied negatief op omgevingslawaai, waarbij plaatsing van windturbines leidt tot een relatief grote toename van het cumulatieve geluidsniveau.
Aandachtspunten voor het milieuthema ecologie liggen bij stikstofdepositie en negatieve effecten op aangewezen niet-broedvogelsoorten in Natura 2000-gebied. Het onderzoeksgebied ligt binnen 5 kilometer van Natura 2000-gebied en er is dan mogelijk ook stikstofdepositie te verwachten tijdens de bouw op één of meer stikstofgevoelige habitats, waaronder Binnenveld, Rijntakken en de Veluwe. Daarbij is er mogelijk een risico dat de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Rijntakken voor niet-broedvogels negatief beïnvloed worden Verder. sluit de onderzoeksopstelling niet logischerwijs aan bij de aanwezige landschappelijke structuren. Een ander aandachtspunt is dat het onderzoeksgebied in Militair erfgoed de Grebbelinie ligt met verschillende cultuurhistorische objecten op de grens van 1.000 meter, zoals een mitrailleurkazemat. Daarnaast ligt het onderzoeksgebied in de Utrechtse Heuvelrug wat is aangewezen als archeologisch waardevolle zone en is er een hoge trefkans op archeologische resten. Voor de thema’s water en recreatie worden geen grote negatieve milieueffecten verwacht.
25
5.4 Gebieden die op basis van de MCA zijn geselecteerd Onderzoeksgebied 1 (Gemeente Oudewater) Deze onderzoeksopstelling heeft relatief weinig negatieve effecten op het milieuthema leefomgeving. Er bevinden zich relatief weinig gevoelige objecten binnen een straal van 500, 750 en 1.000 meter afstand, respectievelijk 2, 3 en 15. Voor het milieuthema ecologie ligt het aandachtspunt bij de soortenbescherming van broedvogels en nietbroedvogels. Naar verwachting zijn er in dit onderzoeksgebied veel vogelsoorten aanwezig die gevoelig zijn voor aanvaringen, habitatverlies en verstoring. Het andere aandachtspunt voor dit gebied is het effect op landschappelijke waarden. Het onderzoeksgebied ligt in het Groene Hart met sublandschapstype Waard, waar windturbines negatieve effecten hebben op de karakteristieken en waarden van het landschap. Voor alle overige milieuthema’s, waaronder dus leefomgeving, worden geen grote negatieve effecten verwacht. Onderzoeksgebied 7 (Gemeente Oudewater) Deze onderzoeksopstelling heeft relatief weinig gevoelige objecten binnen een straal van 500, 750 en 1.000 meter, respectievelijk 3, 5 en 46. Wel scoort het gebied negatief op omgevingslawaai, waarbij plaatsing van windturbines leidt tot een relatief grote toename van het cumulatieve geluidsniveau.
Daarnaast is dit gebied ook aangemerkt als weidevogelkerngebied, waarbij het gebied tevens negatief scoort op de soortenbescherming van broedvogels en niet-broedvogels. In dit gebied zijn naar verwachting veel vogelsoorten aanwezig die gevoelig zijn voor aanvaringen, habitatverlies en verstoring. Tot slot ligt het onderzoeksgebied in het Groene Hart met sublandschapstype Waard, waar windturbines negatieve effecten hebben op de karakteristieken en waarden van het landschap. Voor de thema’s cultuurhistorie & archeologie, water en recreatie worden geen grote milieueffecten verwacht. In dit gebied ligt potentieel de mogelijkheid om ruim 170 GWh windenergie per jaar op te wekken. Onderzoeksgebied 8 (Gemeente Montfoort en Oudewater) Deze onderzoeksopstelling heeft beperkt negatieve effecten op het milieuthema leefomgeving. Het aantal gevoelige objecten is binnen 500, 750 en 1.000 meter respectievelijk 18, 49 en 94. Een aandachtspunt vanuit het milieuthema ecologie is zijn broedvogels. Dit betekent dat er in het gebied relatief veel broedvogels voorkomen die gevoelig zijn voor aanvaringen, habitatverlies en verstoring. Voor het milieuthema landschap ligt een aandachtspunt bij het effect op landschappelijke waarden. Onderzoeksgebied 8 ligt in het Groene Hart met sublandschapstype Waard, waar windturbines negatieve effecten hebben op de karakteristieken en waarden van het landschap.
Voor de thema’s cultuurhistorie & archeologie, water en recreatie worden geen negatieve milieueffecten verwacht. In dit gebied ligt potentieel de mogelijkheid om ruim 95 GWh windenergie per jaar op te wekken. Onderzoeksgebied 9 (Gemeente Woerden) Deze onderzoeksopstelling heeft relatief weinig gevoelige objecten binnen een straal van 500, 750 en 1.000 meter, respectievelijk 4, 19 en 61. Wel scoort het gebied negatief op omgevingslawaai, waarbij plaatsing van windturbines leidt tot een relatief grote toename van het cumulatieve geluidsniveau. Een ander belangrijk aandachtspunt is dat het onderzoeksgebied negatief scoort op verschillende criteria van het milieuthema ecologie. Aandachtspunten liggen onder andere bij negatieve effecten op aangewezen broedvogelsoorten en niet-broedvogelsoorten in Natura 2000-gebied. Specifiek voor dit gebied geldt dat het binnen foerageerafstand en potentieel foerageergebied ligt van de zwarte stern, purperreiger en zwartkopmeeuw aangewezen in Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Daarbij is er mogelijk een hoog risico op aanvaringen met de purperreiger en zwartkopmeeuw en is er mogelijk een risico dat de instandhoudingsdoelen van dit Natura 2000-gebied voor nietbroedvogels significant negatief beïnvloed worden.
Ook komen er in dit gebied naar verwachting relatief veel vleermuizen en broedvogels voor die die gevoelig zijn voor aanvaringen, habitatverlies en verstoring. Verder ligt het onderzoeksgebied in het Groene Hart met sublandschapstype Blokontginning, waar windturbines negatieve effecten hebben op de karakteristieken en waarden van het landschap. Voor de thema’s cultuurhistorie & archeologie, water en recreatie worden geen grote milieueffecten verwacht. In dit gebied ligt potentieel de mogelijkheid om ruim 140 GWh windenergie per jaar op te wekken. Onderzoeksgebied 10 (Gemeente Lopik) Deze onderzoeksopstelling heeft relatief weinig gevoelige objecten binnen 500 en 750 meter, respectievelijk 6 en 8. Daarentegen liggen er iets meer objecten binnen 1000 meter, namelijk 418. Het millieuthema leefomgeving scoort dus relatief goed, wel moet rekening gehouden worden met omgevingslawaai. Plaatsing van windturbines in dit gebied leidt tot een relatief grote toename van het cumulatieve geluidsniveau in de omgeving van het gebied. Overige aandachtspunten zijn de soortenbescherming van niet-broedvogels en het effect op 26
landschappelijke waarden. In het gebied komen relatief veel niet-broedvogel soorten voor die gevoelig zijn voor aanvaringen, habitatverlies en verstoring. Daarnaast ligt het gebied in het Groene Hart met sublandschapstype Waard, waar windturbines negatieve effecten hebben op de karakteristieken en waarden van het landschap. Voor de thema’s cultuurhistorie & archeologie, water en recreatie worden geen grote milieueffecten verwacht. In dit gebied ligt potentieel de mogelijkheid om 170 GWh windenergie per jaar op te wekken. Onderzoeksgebied 18 (Gemeente Montfoort, Oudewater) Deze onderzoeksopstelling heeft beperkt negatieve effecten op het milieuthema leefomgeving. Het aantal gevoelige objecten is binnen 500, 750 en 1.000 meter respectievelijk 37, 176 en 909. De opstelling scoort verder negatief op de beoordelingscriteria ‘Effect op landschappelijke waarden’. Onderzoeksgebied 18 ligt in het Groene Hart met sublandschapstype Waard, waar windturbines negatieve effecten hebben op de karakteristieken en waarden van het landschap. Daarnaast sluit de onderzoeksopstelling niet logischerwijs aan bij de aanwezige landschappelijke structuren. Voor alle overige milieuthema’s, waaronder ecologie en cultuurhistorie & archeologie, worden geen grote negatieve effecten verwacht. In dit gebied ligt potentieel de mogelijkheid om ruim 95 GWh windenergie per jaar op te wekken.
Onderzoeksgebied 20 (Gemeente Woerden) Deze onderzoeksopstelling heeft beperkt negatieve effecten op het milieuthema leefomgeving. Het aantal gevoelige objecten is binnen 500, 750 en 1.000 meter respectievelijk 10, 88 en 559. Overige aandachtspunten zijn de soortenbescherming van broedvogels en de ligging ten opzichte van recreatiegebieden. In het gebied komen relatief veel broedvogels voor die gevoelig zijn voor aanvaringen, habitatverlies en verstoring. Daarnaast ligt de onderzoeksopstelling binnen 750 meter van recreatiegebied Cattenbroekerplas, wat naar verwachting negatieve effecten oplevert op de beleving van het gebied. Ook ligt de opstelling voor een klein deel in de Limes wat is aangewezen als een archeologisch waardevolle zone. Voor de thema’s landschap en water worden geen grote milieueffecten verwacht. Onderzoeksgebied 28 (Gemeente Vijfheerenlanden) Deze onderzoeksopstelling heeft naar verwachting relatief weinig negatieve effecten op de leefomgeving en respectievelijk 7, 48 en 132 gevoelige objecten binnen 500, 750 en 1.000 meter. De onderzoeksopstelling ligt echter wel binnen 750 meter van een stiltegebied en midden in een weidevogelkerngebied.
Andere aandachtspunten binnen het milieuthema ecologie zijn de stikstofdepositie bij de bouw van windturbines op onder andere Natura 2000-gebieden Uiterwaarden Lek en Zouweboezem en het effect op broedvogels in Natura 2000gebieden. Specifiek voor dit gebied geldt dat het binnen de foerageerafstand en potentieel foerageergebied ligt van de purperreiger in de Zouweboezem. Verder ligt dit onderzoeksgebied in de Alblasserwaard, waar windturbines negatieve effecten hebben op de karakteristieken en waarden van het landschap. Daarnaast sluit de onderzoeksopstelling niet logischerwijs aan bij de aanwezige landschappelijke structuren. Voor de thema’s cultuurhistorie & archeologie, water en recreatie worden geen grote milieueffecten verwacht. Onderzoeksgebied 29 (Gemeente Vijfheerenlanden) Deze onderzoeksopstelling heeft relatief weinig effecten op de leefomgeving en respectievelijk 4, nog steeds 4 en 12 gevoelige objecten binnen 500, 750 en 1.000 meter. Aandachtspunten voor deze onderzoeksopstelling liggen bij de stikstofdepositie, de soortbescherming van broedvogels en het effect op landschappelijke waarden. Het onderzoeksgebied ligt binnen 5 kilometer van Natura 2000-gebied en er is dan mogelijk ook stikstofdepositie te verwachten tijdens de bouw op één of meer stikstofgevoelige habitats, waaronder Lingebied & Diefdijk Zuid en Zouweboezem.
Daarnaast komen in het gebied relatief veel broedvogel soorten voor die gevoelig zijn voor aanvaringen, habitatverlies en verstoring en ligt het gebied in de Alblasserwaard, waar windturbines negatieve effecten hebben op de karakteristieken en waarden van het landschap. Voor de thema’s cultuurhistorie & archeologie, water en recreatie worden geen grote milieueffecten verwacht. Onderzoeksgebied 32 (Gemeente Utrecht) Deze onderzoeksopstelling heeft relatief weinig negatieve effecten op de leefomgeving en respectievelijk 38, 210 en 747 gevoelige objecten binnen 500, 750 en 1.000 meter. Aandachtspunten liggen bij de archeologische waarden van het gebied en de ligging ten opzichte van recreatiegebieden. Het onderzoeksgebied ligt in de Limes wat is aangewezen als een archeologisch waardevolle zone, daarnaast kent dit gebied ook een hoge trefkans op archeologische resten. Verder ligt de onderzoeksopstelling binnen 750 meter van recreatiegebied Haarzuilens, wat naar verwachting negatieve effecten oplevert op de beleving van het gebied. Voor de milieuthema’s leefomgeving, ecologie, landschap en water worden geen grote negatieve milieueffecten verwacht.
27
Onderzoeksgebied 35 (Gemeente Stichtse Vecht) Deze onderzoeksopstelling heeft beperkt negatieve effecten op de leefomgeving en respectievelijk 23, 208 en 271 gevoelige objecten binnen 500, 750 en 1.000 meter. Aandachtspunten liggen bij stikstofdepositie en de effecten op landschappelijke waarden. Het onderzoeksgebied ligt binnen 5 kilometer van Natura 2000-gebied en er is dan mogelijk ook stikstofdepositie te verwachten tijdens de bouw op één of meer stikstofgevoelige habitats, waaronder Botshol, de Nieuwkoopse Plassen & De Haeck en de Oostelijke Vechtplassen. Daarnaast ligt het onderzoeksgebied in het Groene Hart met sublandschapstype Open polder, waar windturbines negatieve effecten hebben op de karakteristieken en waarden van het landschap. Verder ligt de lijnopstelling ook deels in de historische buitenplaatszone rondom de Vecht met verschillende cultuurhistorische objecten binnen 1.000 meter zoals hooibergen bij buitenplaats Middenhoek. Voor de milieuthema’s water en recreatie worden geen grote milieueffecten verwacht. In dit gebied ligt potentieel de mogelijkheid om ruim 95 GWh windenergie per jaar op te wekken. Onderzoeksgebied 38 (Gemeente De Ronde Venen) Deze onderzoeksopstelling heeft beperkt negatieve effecten op de leefomgeving en respectievelijk 10, 211 en 476 gevoelige objecten binnen 500, 750 en 1.000 meter.
Voor het milieuthema ecologie moet er bij de bouw van windturbines rekening gehouden worden met stikstofdepositie. Het onderzoeksgebied ligt binnen 5 kilometer van Natura 2000-gebied en er is dan ook mogelijk stikstofdepositie te verwachten op één of meer stikstofgevoelige habitats, waaronder Botshol, het Naardermeer en de OostelijkeVechtplassen. Daarnaast ligt het gebied in het Groene Hart met sublandschapstype Open polder, waar windturbines negatieve effecten hebben op de karakteristieken en waarden van het landschap. Ook sluit de onderzoeksopstelling niet logischerwijs aan bij de aanwezige landschappelijke structuren. Het laatste aandachtspunt is dat de lijnopstelling deels in de historische buitenplaatszone rondom de Vecht ligt met verschillende cultuurhistorische objecten binnen 1.000 meter zoals buitenplaats Meebaal en Paddenburg. Voor de thema’s water en recreatie worden geen negatieve milieueffecten verwacht. Onderzoeksgebied 39 (Gemeente Stichtse Vecht) Deze onderzoeksopstelling heeft relatief weinig negatieve effecten op de leefomgeving en respectievelijk 15, 283 en 714 gevoelige objecten binnen 500, 750 en 1.000 meter. Voor het milieuthema ecologie moet er bij de bouw van windturbines rekening gehouden worden met stikstofdepositie.
Het onderzoeksgebied ligt binnen 5 kilometer van Natura 2000-gebied en er is mogelijk stikstofdepositie te verwachten op één of meer stikstofgevoelige habitats, waaronder Botshol, het Naardermeer en de Oostelijke Vechtplassen. Daarnaast komen in het gebied naar verwachting relatief veel vleermuizen voor die gevoelig zijn voor aanvaringen, habitatverlies en verstoring. Een ander aandachtspunt is dat het onderzoeksgebied in het Groene Hart ligt met sublandschapstype Open polder, waar windturbines negatieve effecten hebben op de karakteristieken en waarden van het landschap. Voor de thema’s cultuurhistorie & archeologie, water en recreatie worden geen grote milieueffecten verwacht. Onderzoeksgebied 40 (Gemeente Vijfheerenlanden) Deze onderzoeksopstelling heeft relatief weinig negatieve effecten op de leefomgeving en respectievelijk 10, 21 en 70 gevoelige objecten binnen 500, 750 en 1.000 meter. Een belangrijk aandachtspunt is dat het onderzoeksgebied negatief scoort op verschillende criteria van het milieuthema ecologie. Het onderzoeksgebied ligt binnen 1 kilometer van Natura 2000-gebied en er is dan mogelijk ook stikstofdepositie te verwachten in de bouwfase op één of meer stikstofgevoelige habitats, waaronder Uiterwaarden Lek en Zouweboezem.
Andere aandachtspunten liggen onder andere bij negatieve effecten op aangewezen broedvogelsoorten en nietbroedvogelsoorten in Natura 2000-gebied. Specifiek voor dit gebied geldt dat het binnen korte afstand is van een broedkolonie zwarte sterns en dat het binnen de foerageerafstand en potentieel foerageergebied ligt van de purperreiger in de Zouweboezem. Daarbij is er een risico op aanvaringen met de purperreiger en zwartkopmeeuw en worden de instandhoudingsdoelen van dit N2000 gebied voor niet-broedvogels mogelijk significant beïnvloed. Ook komen er in dit gebied relatief veel broedvogels voor die gevoelig zijn voor aanvaringen, habitatverlies en verstoring. Verder ligt dit onderzoeksgebied in de Alblasserwaard, waar windturbines negatieve effecten hebben op de karakteristieken en waarden van het landschap. Daarnaast sluit de onderzoeksopstelling ook niet logischerwijs aan bij de aanwezige landschappelijke structuren, ligt het onderzoeksgebied deels binnen een boringsvrije zone met een dieptegrens van 3 meter en ligt het onderzoeksgebied binnen 750 meter van recreatiegebied Zouweboezem. Voor het thema cultuurhistorie & archeologie worden geen grote milieueffecten verwacht. In dit ligt potentieel de mogelijkheid om ruim 90 GWh windenergie per jaar op te wekken.
28
Onderzoeksgebied 42 (Gemeente Lopik en IJsselstein) Deze onderzoeksopstelling heeft 2 gevoelige objecten binnen een straal van 500, 750 en 1.000 meter. Wel scoort het gebied negatief op omgevingslawaai, waarbij plaatsing van windturbines leidt tot een relatief grote toename van het cumulatieve geluidsniveau. Een belangrijk aandachtspunt is dat het onderzoeksgebied negatief scoort op verschillende criteria van het milieuthema ecologie. Het onderzoeksgebied ligt binnen 5 kilometer van Natura 2000-gebied en er is dan mogelijk ook stikstofdepositie te verwachten in de bouwfase op één of meer stikstofgevoelige habitats, waaronder Uiterwaarden Lek en Zouweboezem. Ook is zijn aangewezen broedvogelsoorten in Natura 2000-gebied een aandachtspunt. Specifiek voor dit gebied geldt dat het binnen de foerageerafstand en potentieel foerageergebied ligt van de purperreiger in Zouweboezem. Daarbij komen er in het gebied relatief veel broedvogels voor die gevoelig zijn voor aanvaringen, habitatverlies en verstoring. Wanneer een mogelijke opstelling zich meer in het oostelijke deel van het plangebied oriënteert, kunnen de effecten door grotere afstand tot het weidevogelkerngebied mogelijk deels voorkomen worden. Verder ligt dit onderzoeksgebied in de Het Groene Hart met sublandschapstype Waard, waar windturbines negatieve effecten hebben op de karakteristieken en waarden van het landschap.
Tevens sluit de onderzoeksopstelling ook niet logischerwijs aan bij de aanwezige landschappelijke structuren. Voor de thema’s cultuurhistorie & archeologie, water en recreatie worden geen grote milieueffecten verwacht. In dit gebied ligt potentieel de mogelijkheid om ruim 90 GWh windenergie per jaar op te wekken. Onderzoeksgebied 43 (Gemeente Stichtse Vecht) Deze onderzoeksopstelling heeft relatief weinig gevoelige objecten binnen een straal van 500, 750 en 1.000 meter, respectievelijk 7, 23 en 149. Voor het milieuthema ecologie moet er bij de bouw van windturbines rekening gehouden worden met stikstofdepositie. Het onderzoeksgebied ligt binnen 5 kilometer van Natura 2000-gebied en er is dan mogelijk ook stikstofdepositie in de bouwfase te verwachten op één of meer stikstofgevoelige habitats, waaronder Botshol, het Naardermeer en de Oostelijke Vechtplassen. Daarnaast ligt het gebied in het Groene Hart met sublandschapstype Open polder, waar windturbines negatieve effecten hebben op de karakteristieken en waarden van het landschap. Ook sluit de onderzoeksopstelling niet logischerwijs aan bij de aanwezige landschappelijke structuren. Voor de thema’s cultuurhistorie & archeologie, water en recreatie worden geen grote milieueffecten verwacht. In dit gebied ligt potentieel de mogelijkheid om ruim 70 GWh windenergie per jaar op te wekken.
Onderzoeksgebied 47 (Gemeente Vijfheerenlanden) Deze onderzoeksopstelling heeft relatief weinig gevoelige objecten binnen een straal van 500, 750 en 1.000 meter, respectievelijk 0, 23 en 78. Wel scoort het gebied negatief op omgevingslawaai, waarbij plaatsing van windturbines leidt tot een relatief grote toename van het cumulatieve geluidsniveau. Voor het milieuthema ecologie moet er bij de bouw van windturbines rekening gehouden worden met stikstofdepositie en in Natura 2000-gebied aangewezen broedvogels. Het onderzoeksgebied ligt binnen 5 kilometer van N2000-gebied en er is dan mogelijk ook stikstofdepositie te verwachten in de bouwfase op één of meer stikstofgevoelige habitats, waaronder Uiterwaarden Lek en Zouweboezem. Daarbij geldt specifiek voor dit gebied dat het binnen de foerageerafstand en potentieel foerageergebied ligt van de purperreiger in de Zouweboezem. Verder ligt het onderzoeksgebied in het Groene Hart met sublandschapstypes Lekzone en Alblasserwaard, binnen dit laatste landschapstype kunnen windturbines negatieve effecten hebben op de karakteristieken en waarden van het landschap. Tot slot ligt de onderzoeksopstelling binnen een boringsvrije zone met een dieptegrens van 3 meter. Voor de thema’s cultuurhistorie & archeologie en recreatie worden geen grote milieueffecten verwacht.
Onderzoeksgebied 48 (Gemeente Vijfheerenlanden) Deze onderzoeksopstelling heeft relatief weinig negatieve effecten bij het milieuthema leefomgeving en respectievelijk 9, 86 en 701 gevoelige objecten binnen 500, 750 en 1.000 meter. Voor het milieuthema ecologie moet er bij de bouw van windturbines rekening gehouden worden met stikstofdepositie en in Natura 2000-gebied aangewezen broedvogels. Het onderzoeksgebied ligt binnen 5 kilometer van N2000-gebied en er is dan mogelijk ook stikstofdepositie te verwachten in de bouwfase op één of meer stikstofgevoelige habitats, waaronder Uiterwaarden Lek en Zouweboezem. Daarbij geldt specifiek voor dit gebied dat het binnen de foerageerafstand en potentieel foerageergebied ligt van de purperreiger in Zouweboezem. Verder ligt dit onderzoeksgebied in de Alblasserwaard, waar windturbines negatieve effecten hebben op de karakteristieken en waarden van het landschap. Daarnaast sluit de onderzoeksopstelling niet logischerwijs aan bij de aanwezige landschappelijke structuren en ligt de onderzoeksopstelling in een boringsvrije zone met een dieptegrens van 3 meter. Voor de thema’s cultuurhistorie & archeologie en recreatie worden geen grote milieueffecten verwacht.
29
Onderzoeksgebied 49 (Gemeente Utrecht) Deze onderzoeksopstelling scoort relatief negatief op de beoordelingscriteria van het milieuthema leefomgeving door het aantal gevoelige objecten binnen 500, 750 en 1.000 meter, respectievelijk 47, 2589 en 5544. Voor alle overige thema’s, waaronder ecologie, cultuurhistorie & archeologie en recreatie, worden geen grote milieueffecten verwacht. De onderzoeksopstelling scoort relatief positief op landschappelijke waarden omdat deze in industriegebied ligt waar windturbines passen binnen de karakteristieken en waarden van het landschap. Daarnaast sluit de onderzoeksopstelling goed aan bij de spoorweg Amsterdam-Utrecht en scoort daardoor positief op de aansluiting bij landschappelijke structuren. Onderzoeksgebied 53 (Gemeente Nieuwegein) Deze onderzoeksopstelling heeft beperkt negatieve effecten op het milieuthema leefomgeving. Het aantal gevoelige objecten binnen 500, 750 en 1.000 meter is respectievelijk 3, 11 en 383. Voor het milieuthema ecologie ligt het aandachtspunt bij de soortenbescherming van vleermuizen, niet-broedvogels en NNN-gebied. Naar verwachting komen in dit onderzoeksgebied relatief veel vleermuis- en niet-broedvogelsoorten voor die die gevoelig zijn voor aanvaringen, habitatverlies en verstoring.
Daarnaast overlapt het onderzoeksgebied deels met NNN-gebied waardoor er sprake is van ruimtebeslag en het gebied binnen de verstoringsafstand van kwalificerende vogelsoorten ligt. Een ander belangrijk aandachtspunt is dat het onderzoeksgebied in de rode zone van het Afwegingskader Energietransitie Hollandse Waterlinies ligt, waar de ontwikkeling van hernieuwbare energie een significant negatief effect kan hebben op de kernkwaliteiten van het gebied. Ook ligt het gebied in de beschermingszone van een primaire waterkering (de Lek) en binnen 750 meter van recreatiegebieden langs de Lek, zoals ’t Waal, Middelwaard en Salmsteke. Voor het thema landschap worden geen negatieve milieueffecten verwacht. Onderzoeksgebied 55 (Gemeente Vijfheerenlanden) Deze onderzoeksopstelling heeft beperkt negatieve effecten op het milieuthema leefomgeving. Het aantal gevoelige objecten binnen 500, 750 en 1.000 meter is respectievelijk 19, 75 en 278. Voor het milieuthema ecologie ligt het aandachtspunt bij stikstofdepositie. Het onderzoeksgebied ligt binnen 5 kilometer van Natura 2000-gebied en er is dan mogelijk ook stikstofdepositie te verwachten tijdens de bouw op één of meer stikstofgevoelige habitats, waaronder Lingebied & Diefdijk Zuid, Uiterwaarden Lek en Zouweboezem.
Verder ligt dit onderzoeksgebied in het Groene Hart met sublandschapstype Waard, waar windturbines negatieve effecten hebben op de karakteristieken en waarden van het landschap. Daarnaast sluit de onderzoeksopstelling logischerwijs niet aan bij de aanwezige landschappelijke structuren. Voor de milieuthema’s cultuurhistorie & archeologie, water en recreatie worden geen negatieve milieueffecten verwacht. Er zijn voor deze onderzoeksopstelling optimalisaties mogelijk voor het milieuthema leefomgeving, waardoor het aantal gevoelige objecten binnen 500, 750 en 1.000 meter afneemt. Onderzoeksgebied 60 (Gemeente Houten) Deze onderzoeksopstelling scoort relatief negatief op de beoordelingscriteria van het milieuthema leefomgeving. Het aantal gevoelige objecten binnen 500, 750 en 1.000 meter is respectievelijk 5, 301 en 871. Een ander belangrijk aandachtspunt is dat het onderzoeksgebied in de rode zone van het Afwegingskader Energietransitie Hollandse Waterlinies ligt, waar de ontwikkeling van hernieuwbare energie een significant negatief effect kan hebben op de kernkwaliteiten van het gebied. Voor de milieuthema’s ecologie, landschap, water en recreatie worden geen grote negatieve milieueffecten verwacht. Deze onderzoeksopstelling sluit goed aan bij de A27 en scoort daardoor positief op de aansluiting bij landschappelijke structuren.
Onderzoeksgebied 67 (Gemeente De Bilt) Deze onderzoeksopstelling heeft beperkt negatieve effecten op de leefomgeving en respectievelijk 23, 52 en 425 gevoelige objecten binnen 500, 750 en 1.000 meter. Voor het milieuthema ecologie ligt het aandachtspunt bij de soortenbescherming van vleermuizen. Naar verwachting zijn er in dit onderzoeksgebied veel vleermuissoorten aanwezig die gevoelig zijn voor aanvaringen, habitatverlies en verstoring. Het onderzoeksgebied ligt verder in het Rivierengebied met sublandschapstype Flank, waar windturbines negatieve effecten hebben op de karakteristieken en waarden van het landschap. Daarnaast lig het onderzoeksgebied in de historische buitenplaatszone Stichtse Lustwarande en bevinden zich binnen 1.000 meter verschillende cultuurhistorische objecten zoals Landgoed Vollenhoven. Het laatste aandachtspunt is dat het onderzoeksgebied zich binnen 750 meter afstand bevindt van recreatiegebied Houdringe/Beerschoten/Panbos. Voor het thema water worden er geen grote negatieve milieueffecten verwacht.