Bijlage 7 Dekkingsplan VRU
Tekst van het document
Dekkingsplan brandweerzorg Veiligheidsregio Utrecht
Op basis van gebiedsgerichte opkomsttijden Klik hier om te starten met lezen
December 2025
Voorwoord Met de totstandkoming van dit dekkingsplan zet de Veiligheidsregio Utrecht een belangrijke stap. Dit plan markeert de overgang naar gebiedsgerichte opkomsttijden (GGO), conform de landelijke uniforme systematiek, en sluit aan bij de voorgenomen wetswijziging van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Het is van belang te onderstrepen dat deze versie van het dekkingsplan een beleidsarme insteek kent. Er worden geen inhoudelijke beleidswijzigingen doorgevoerd ten opzichte van het in 2020 vastgestelde Materieel- en Personeelsbeheer- en Spreidingsplan (MPBSP). De bestaande kazerneconfiguratie en spreiding van voertuigen, slagkracht en specialismen blijven ongewijzigd. Het plan geeft inzicht in de kwaliteit van de repressieve brandweerzorg op basis van vier parameters: snelheid, capaciteit, paraatheid en werkdruk. Deze inzichten vormen een solide basis voor bestuurlijke verantwoording en toekomstige besluitvorming. Tegelijkertijd biedt het plan ruimte voor monitoring en bijstelling. Namens de directie van de VRU wil ik iedereen bedanken die heeft bijgedragen aan dit plan. De inzet van velen heeft geleid tot een transparant en zorgvuldig opgesteld document dat recht doet aan de complexiteit van onze regio én aan de kracht van onze organisatie. Jaap Donker Algemeen Directeur Veiligheidsregio Utrecht, Regionaal Commandant brandweer
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Voorwoord
2
Samenvatting Aanleiding en doel De Veiligheidsregio Utrecht (VRU) stelt dit dekkingsplan op als onderdeel van het vierjaarlijkse beleidsplan, conform de Wet veiligheidsregio’s. Het plan markeert de overgang naar gebiedsgerichte opkomsttijden (GGO), in lijn met landelijke ontwikkelingen en de aangekondigde wetswijziging. Het doel is inzicht te geven in de operationele prestaties van de brandweer en de kwaliteit van de repressieve zorg, op basis van vier parameters: snelheid, capaciteit, paraatheid en werkdruk. Beleidsarm karakter Deze versie van het dekkingsplan is beleidsarm. Er worden geen inhoudelijke beleidswijzigingen doorgevoerd ten opzichte van het in 2020 vastgestelde Materieel- en Personeelsbeheer- en Spreidingsplan (MPBSP). De bestaande kazerneconfiguratie en spreiding van specialismen blijven ongewijzigd. De enige concrete wijziging betreft de implementatie van de landelijke systematiek voor basisbrandweerzorg, waarbij de opkomsttijden worden beoordeeld op basis van gebiedskenmerken in plaats van objectkenmerken. Beschrijving versus beoordeling Voor alle overige voertuigsoorten en ondersteunende eenheden geldt dat deze in dit plan beschrijvend zijn opgenomen of worden getoetst op de reeds vastgestelde beoordelingskaders. De dekking is inzichtelijk gemaakt met geografische kaarten.
Er is dus geen sprake van beleidsmatige herziening van normen of eisen voor deze eenheden.
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Samenvatting
3
Belangrijkste bevindingen ■ Snelheid: In 87,7% van de buurten wordt de opkomsttijd van de eerste tankautospuit gehaald binnen de referentiewaarde. Drie buurten scoren ‘onvoldoende’ in de avond- nacht en weekendsituatie. Deze gebieden worden aandachtsgebieden genoemd. ■ Capaciteit: Binnen 15 minuten kunnen in 99,1% van de gevallen drie tankautospuiten ter plaatse zijn. Over het algemeen is de VRU binnen de gestelde tijden ter plaatse voor wat betreft de tweede en/of derde tankautospuit. De plekken waar niet op tijd de tweede en/of derde tankautospuit kan zijn, zijn weergegeven in het dekkingsplan. ■ Paraatheid: De VRU kent verschillende bezettingsvormen op haar 70 brandweerposten, te weten vrijwilligers- dan wel gekazerneerde posten of een combinatie daarvan. Over het algemeen zijn de gekazerneerde kazernes qua personele paraatheid gegarandeerd. Een aantal vrijwilligersposten daarentegen hebben moeite om voldoende vrijwilligers te werven en te behouden. Het is met name een uitdaging om de beschikbaarheid op peil te houden gedurende de kantoortijden, in het weekend en in de vakantieperioden. ■ Werkdruk: Zoals bekend bestaan er grote verschillen tussen kazernes als het gaat om werkdruk. De werkdruk is in dit dekkingsplan in kaart gebracht en kan als basis dienen voor mogelijke aanpassingen aan kazerneprofielen.
Naast de aandachtsgebieden is er ook op objectniveau overschrijding geprognotiseerd. In de bijlage is de aandachtspuntenlijst met de objecten waarbij een overschrijding verondersteld wordt opgenomen. De VRU neemt de komende periode de tijd om te duiden wat deze overschrijdingen concreet betekenen en welke (gerichte) maatregelen er tegenover kunnen worden gesteld. Dit zal de VRU doen door een uitvoeringsplan te maken waarin per aandachtsgebied of -object de maatregelen worden beschreven. Proces en borging Het plan volgt de ‘dekkingsacht’ – een cyclisch proces van bijstellen, beschrijven, beoordelen, vaststellen, uitvoeren en monitoren. De VRU streeft naar een jaarlijkse actualisatie van het dekkingsplan, met monitoring op de vier parameters en bestuurlijke terugkoppeling.
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Samenvatting
4
Inhoudsopgave Inleiding
9
1
10 10 10 11 11
In- en aanleiding 1.1 Inleiding 1.2 Aanleiding 1.3 Doelstelling 1.4 Proces (dekkingsacht)
Uitgangspunten
13
2
14 14 15 15 15 15 16 16
Uitganspunten en kaders 2.1 Bestuurlijke uitgangspunten 2.2 Overige uitgangspunten 2.2.1 Wet- en regelgeving 2.2.2 Landelijke uniforme systematiek voor dekkingsplannen 2.2.3 Landelijke en regionale normen en standaarden 2.2.4 Natuurbrandbestrijding 2.2.5 Uitruk op Maat 2.2.6 Dekkingsplan versus Inzetbepaling Brandweereenheden dynamisch alarmeren 2.3 Paraatheid 2.4 Rekenkundige uitgangspunten 2.4.1 Uitvoeringsplan n.a.v. beoordelen van de dekking 2.4.2 Convenanten met buurregio’s
16 17 18 18 18
Processtap 1 Dekking bijstellen
19
3
20 20 20 21 21 22 22 22 23 23 24
Dekking bijstellen (processtap 1) 3.1 Interne ontwikkelingen 3.1.1 Ontwikkelingen in repressieve inrichting 3.1.2 Overgang naar Meldkamer Midden-Nederland 3.1.3 Automatisch statussen 3.2 Externe ontwikkelingen 3.2.1 Geografie 3.2.2 Demografie 3.2.3 Infrastructurele ontwikkelingen 3.2.4 Ontwikkelingen in CBS-buurtindeling 3.2.5 Taakdifferentiatie / verplichtend karakter
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Inhoudsopgave
5
Processtap 2 Dekking beschrijven
25
4
26 27 27 30 32 37 39 39 40 40 41 41 41 41 42 42 43 43 43 44 44 45
Dekking beschrijven (processtap 2) 4.1 Basisbrandweerzorg (gebouwbrandbestrijding) 4.1.1 Snelheid van optreden 4.1.2 Capaciteit (slagkracht) 4.1.3 Paraatheid 4.1.4 Werkdruk 4.2 Ondersteunende voertuigen brandbestrijding 4.2.1 Redvoertuig (RV) 4.2.2 Watertransportsysteem 1500 (WTS1500) 4.2.3 Rietkapbrandbestrijding (RI) 4.3 Natuurbrandbestrijding (NBB) 4.3.1 CCFM 4.3.2 Combi TS 4x4 4.3.4 Grootschalige watervoorziening natuurbrandbestrijding 4.4 Hulpverlening (HV) 4.4.1 Hulpverleningsvoertuigen (HV’s) 4.5 Incidentbestrijding Gevaarlijke Stoffen (IBGS) 4.5.1 Schuimblusvoertuig (SB) 4.5.2 Verkenningseenheden Brandweer (VEB) 4.5.3 Gaspakkenteam 4.5.4 Basisontsmettingseenheid (BOE) 4.6 Waterongevallenbestrijding (WO) 4.6.1 Brandweervaartuigen (BRV) 46 4.6.2 Oppervlaktereddingsteams (OR-teams) 4.6.3 Duikteams 4.7 Leiding & coördinatie 4.7.1 Officier van Dienst (OvD) 4.7.2 Hoofdofficier van Dienst (HOvD) 4.7.3 Algemeen Commandant Brandweer (AC-B) 4.7.4 Commandant van Dienst (CvD) 4.7.5 Mobiele Commando Unit (MCU) 4.8 Overige eenheden en middelen 4.8.1 Hoogteredding/terrorismegevolgbestrijding 4.8.2 Grootveeredding 4.8.3 Patiëntenvervoer Terrein-voertuigen (PAT’s) 4.8.4 Logistiek 4.8.5 Eenheid bijzondere brandbestrijdingsmiddelen (BBM) 4.8.6 Team Digitale Verkenning
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
47 47 48 48 48 48 49 49 50 50 51 52 52 53 54
Inhoudsopgave
6
Processtap 3 Dekking beoordelen 5
55
Dekking beoordelen (processtap 3) 56 5.1 Basisbrandweerzorg (gebouwbrandbestrijding) 57 5.1.1 Snelheid van optreden 57 5.1.2 Aandachtsgebieden 59 5.1.3 Aandachtspuntenlijst 59 5.1.4 Capaciteit (slagkracht) 60 5.1.5 Regionaal overzicht en conclusie slagkracht 62 5.2 Ondersteunende voertuigen brandbestrijding 63 5.2.1 Redvoertuigen 63 5.2.2 WTS1500 65 5.2.3 Rietenkapbrandbestrijding 67 5.3 Natuurbrandbestrijding 69 5.3.1 CCFM 69 5.3.2 Combi TS 4x4 69 5.2.3 Grootschalige watervoorziening ten behoeve van natuurbrandbestrijding 71 5.4 Hulpverleningsvoertuigen 72 5.5 IBGS 74 5.5.1 Schuimblusvoertuig 74 5.5.2 VEB’s 75 5.5.3 Gaspakkenteam 77 5.5.4 BOE 77 5.6 Waterongevallenbestrijding (WO) 78 5.6.1 Brandweervaartuigen (BRV) 78 5.6.2 Oppervlaktereddingsteams (OR-teams) 80 5.6.3 Duikteams 82 5.7 Leiding & coördinatie 84 5.7.1 OvD Brandweer 84 5.7.2 HOvD Brandweer 85 5.7.3 AC-B 85 5.7.4 CvD 85 5.7.5 Mobiele commando Unit (MCU) 86 5.8 Overige eenheden en middelen 87 5.8.1 HRT/QRT 87 5.8.2 Grootveeredding 88 5.8.3 PAT’s 88 5.8.4 Logistiek 89 5.8.5 Eenheid bijzondere brandbestrijdingsmiddelen (BBM) 90
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Inhoudsopgave
7
Processtap 4 Dekkingsplan vaststellen
91
Processtap 5 Uitvoering bijstellen
93
Processtap 6 Dekking uitvoeren
95
Processtap 7 Uitvoering beoordelen
97
Bijlagen
99
10 11 12 13 14
Bijlage A Lijst met definities Bijlage B Methodologische verantwoording Bijlage C Verschil dekking tussen dagsituatie en avond-nacht, weekendsituatie Bijlage D Materieelspreidingsplan Bijlage E Aandachtspuntenlijst
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
100 107 123 129 145
Inhoudsopgave
8
Inleiding
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Inleiding
9
1 In- en aanleiding 1.1
Inleiding
1.2
Aanleiding
In de Wet Veiligheidsregio’s (Wvr) is vastgelegd dat het bestuur van de Veiligheidsregio eenmaal per vier jaar een beleidsplan vaststelt. Onderdeel van dit beleidsplan is het dekkingsplan, waarin de operationele prestaties van de brandweer worden vastgelegd. Deze prestaties worden bepaald aan de hand van de voor de brandweer geldende opkomsttijden, de beschikbare voorzieningen en getroffen maatregelen om daaraan te voldoen (Wvr, art 14, lid 2).
Het meest recente dekkingsplan, Veiligheidszorg op Maat (2014), is in de afgelopen beleidsperioden als basis genomen en per beleidsperiode geactualiseerd, met name op het gebied van het wegenbestand en de uitruktijden. Hiermee werd voldaan aan de eis dat in het beleidsplan de operationele prestaties van de brandweer moeten worden beschreven en geactualiseerd. In het dekkingsplan Veiligheidszorg op Maat, dat gebaseerd is op objectgebonden opkomsttijden, zijn de verwachte operationele prestaties per objectsoort beschreven. Daarnaast zijn er maatregelen voorgesteld bij diverse gebouwen waarbij de opkomsttijden niet werden behaald. Naast de wettelijke opkomsttijden (krachtens het Besluit Veiligheidsregio’s (Bvr)) heeft het bestuur meettijden ingesteld. De minister van Justitie en Veiligheid heeft aangekondigd dat er een wetswijziging op handen is inzake de opkomsttijden van de brandweer. Objectgebonden opkomsttijden zullen worden losgelaten en de focus zal worden gelegd op gebiedsgerichte opkomsttijden (GGO). Dit dekkingsplan is opgesteld aan de hand van de Landelijke uniforme systematiek voor dekkingsplannen. Hiermee wordt ingespeeld op de landelijke ontwikkelingen richting een uniforme werkwijze voor het opstellen van dekkingsplannen. Deze systematiek is gericht op het continu verbeteren en optimaliseren van de brandweerzorg.
Op basis van de risico’s en ontwikkelingen in de regio is passende brandweerzorg vormgegeven, met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving en de landelijke en regionale kwaliteitseisen voor repressieve brandweerzorg. De kwaliteit is gemeten aan de hand van de factoren snelheid, capaciteit, beschikbaarheid en inzetdruk. De kwaliteit is vastgelegd voor alle kerntaken van de brandweer. Waar nodig zijn maatregelen uitgewerkt om de kwaliteit te verbeteren.
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Inleiding
10
1.3
Doelstelling
1.4
Proces (dekkingsacht)
Het dekkingsplan geeft de brandweer en het bestuur van de Veiligheidsregio Utrecht inzicht in de operationele prestaties en daarmee in de kwaliteit van de repressieve brandweerzorg. Het dekkingsplan wordt periodiek geactualiseerd. Subdoelen: ■ De kwaliteit van de repressieve brandweerzorg wordt vertaald naar vier factoren: snelheid, capaciteit (slagkracht), beschikbaarheid (paraatheid) en inzetdruk. ■ Maatregelen worden (waar nodig en/of gewenst) uitgewerkt ter verbetering van deze kwaliteit van brandweerzorg. ■ Aandachtsobjecten en -gebieden worden in kaart gebracht en indien nodig worden aanvullende (preventieve) maatregelen getroffen, in samenspraak met de collega’s van Risicobeheersing.
De te gebruiken GGO-systematiek is vormgegeven aan de hand van de zogenaamde dekkingsacht. Deze dekkingsacht beschrijft een cyclisch proces, waarin zeven processtappen zijn te onderscheiden die de veiligheidsregio afzonderlijk moet doorlopen om een goed afgewogen dekkingsplan op te stellen, eventuele aanvullende maatregelen voor te stellen en die uit te voeren. De zeven processtappen zijn: 1. Dekking bijstellen. Inzichtelijk maken of (voorgenomen) wijzigingen in de ruimtelijke ordening, het gebruik van gebouwen of wijzigingen binnen de organisatie van invloed zijn op de regionale dekking en zo ja, in welke mate. In deze versie van het dekkingsplan wordt uitgegaan van een beleidsarme variant, waarbij geen bijstelling in de dekking zal plaatsvinden. 2. Dekking beschrijven. In deze stap wordt de verwachte dekking in het verzorgingsgebied van de veiligheidsregio beschreven. Hiermee geeft de veiligheidsregio weer waar haar brandweer repressief toe in staat is onder de gegeven omstandigheden. De beschrijving bevat de factoren snelheid, capaciteit, paraatheid en werkdruk. Niet voor alle factoren zijn beoordelingskaders beschikbaar. Desondanks dienen alle factoren beschreven te worden. 3. Dekking beoordelen. In deze stap wordt de verwachte repressieve dekking – zoals deze is beschreven in stap 2 – getoetst en beoordeeld.
Dit is nodig om te bepalen of de repressieve mogelijkheden het verzorgingsgebied voldoende afdekken of dat aanpassingen en/ of kaderaanvullende maatregelen nodig zijn. In bijlage B worden de uitgangspunten en beoordelingskaders voor deze processtap nader toegelicht. 4. Dekkingsplan vaststellen. Het doel bij deze stap is om een bestuurlijk akkoord te krijgen op het dekkingsplan. De brandweer legt het plan, al dan niet voorzien van keuzes, ter besluitvorming voor aan het bestuur. Het is vervolgens aan het bestuur om het dekkingsplan vast te stellen en daarmee de brandweer de opdracht tot uitvoering te verlenen. Deze processtap stelt het bestuur in staat haar verantwoordelijkheid ten opzichte van wet- en regelgeving te nemen.
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Inleiding
11
5. Uitvoering bijstellen. Deze stap omvat de implementatie van het dekkingsplan. Deze implementatie kan – afhankelijk van de uitkomsten van de eerdere processtappen – activiteiten omvatten als de (her) positionering van voertuigen, de aanpassing van het meldkamersysteem, aanpassing van de bezetting en de roosters, uitbreiding van personeel en materieel, maatregelen in het kader van risicobeheersing en voorlichting, et cetera. 6. Dekking uitvoeren. In deze processtap wordt de dekking zoals deze is beschreven in het dekkingsplan ten uitvoer gebracht. De uitvoering van de dekking heeft betrekking op alarmeren, uitrukken, ter plaatse komen en hulp verlenen. Bij deze processtap ligt de focus op de realisatie van de prestatieafspraken tussen de brandweer en het bestuur van de veiligheidsregio, inclusief de registratie van deze realisatie. 7. Uitvoering beoordelen. In deze processtap beoordeelt de brandweer haar dekkingsprestatie op basis van daadwerkelijk bestreden incidenten. Dit geeft inzicht in de repressieve dekking zoals die is gerealiseerd. Daarnaast geeft het een antwoord op de vraag of de prestatieafspraken in het dekkingsplan recht hebben gedaan aan de realiteit. De beoordeling kan worden gebruikt om van te leren, om cyclisch te verbeteren en om verantwoording af te leggen.
Als het nodig is, wordt de uitvoering of inrichting van de dekking bijgesteld op basis van de inzichten die uit deze processtap voortkomen. Door de dekkingsprestatie te monitoren, kan een afwijking van de verwachte prestatie worden verklaard.
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Afbeelding 1: De dekkingsacht
Inleiding
12
Uitgangspunten
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Uitgangspunten
13
2 Uitganspunten en kaders In dit hoofdstuk wordt stilgestaan bij algemene uitgangspunten en kaders die van invloed zijn op het dekkingsplan. Naast bestuurlijke uitgangspunten worden wettelijke kaders en (landelijke) beleidsdocumenten in relatie gebracht met het plan. Het is relevant te vermelden dat een dekkingsplan altijd uitgaat van een zekere mate van theoretische benaderingen. 2.1
Bestuurlijke uitgangspunten
Beleidsneutraal ■ Deze eerste versie van het dekkingsplan bevat geen beleidswijzigingen, maar is voornamelijk gericht op de implementatie van gebiedsgerichte opkomsttijden, met de huidige kazerneconfiguratie als baseline. ■ Bij de implementatie van gebiedsgerichte opkomsttijden zijn vier onderdelen van belang: ■ Snelheid van optreden (eerste TS) ■ Capaciteit / slagkracht ■ Paraatheid ■ Werkdruk ■ Als na vaststelling van (de eerste versie van) het dekkingsplan inhoudelijke wijzigingen worden aangebracht, dan worden deze wijzigingen ter vaststelling aan het bestuur voorgelegd. Op deze wijze wordt invulling gegeven aan het dynamische karakter van het dekkingsplan. Geen bezuinigingsmaatregelen Deze versie van het dekkingsplan bevat geen bezuinigingsopdrachten en is beleidsarm. Paraatheid Een uitgangspunt voor de berekening en beoordeling van de dekking is dat alle 70 brandweerposten volledig operationeel zijn in de berekeningen. Opmerking hierbij is dat de GGO-systematiek een theoretisch beeld weergeeft (alle posten 100% paraat). De praktijk is echter weerbarstiger. In de beschrijving van de dekking (hoofdstuk 4.1.3) wordt nader ingegaan op de mate van paraatheid van de posten.
Werkdruk In verband met het ontbreken van een landelijk beoordelingskader voor de parameter werkdruk, is in deze versie van het dekkingsplan de situatie ten aanzien van deze parameter uitsluitend beschreven, zonder dat hier een beoordeling aan verbonden is. Hiertoe is per post en per eenheid de alarmeringsfrequentie in beeld gebracht. Daarnaast is per post het aantal medewerkers inzichtelijk gemaakt om de verdeling van de inzetdruk in kaart te brengen. In een latere fase, of bij beoordelingen van brandweerposten op het paraatheidsprofiel kan naar een beoordelingskader op het gebied van werkdruk worden toegewerkt. Hier voorziet dit dekkingsplan in ieder geval niet in.
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Uitgangspunten
14
2.2
Overige uitgangspunten
2.2.1
Wet- en regelgeving
2.2.2
Landelijke uniforme systematiek voor dekkingsplannen
Naast de bestuurlijke uitgangspunten is de repressieve dekking getoetst aan wet- en regelgeving, landelijke branchespecifieke handreikingen, kaders en richtlijnen, regionaal beleid en (inter)regionale afspraken. Deze toetsing gaat uit van de operationele organisatie zoals voorzien per 1 januari 2026 en een aantal rekenkundige afspraken. Voor de toetsing en de eventueel te nemen maatregelen ter verbetering van de repressieve dekking zijn de volgende uitgangspunten van belang.
De repressieve dekking in de regio voldoet aan de wettelijke eisen die in de Wet veiligheidsregio’s en het Besluit veiligheidsregio’s1 aan de brandweer en aan de brandweertaken worden gesteld.
Het dekkingsplan is opgesteld conform de landelijke uniforme systematiek voor dekkingsplannen dat door het Veiligheidsberaad is vastgesteld op 1 juli 2022. Het volgt daarbij de processtappen uit de daarvoor opgestelde handreiking en hanteert het beoordelingskader Gebiedsgerichte Opkomsttijden, evenals andere daarin opgenomen beoordelingskaders. Hiermee wijkt het af van de in het Besluit veiligheidsregio’s gehanteerde normtijden voor gebouwbranden en anticipeert het op de voorgenomen wetswijziging, waarbij het Veiligheidsberaad verantwoordelijk wordt voor het vaststellen van kwaliteitsnormen en standaarden voor de brandweerzorg. Voor een nadere toelichting op de gehanteerde uitgangspunten en beoordelingskaders wordt verwezen naar de bijlage ‘Uitgangspunten en beoordelingskaders’.
2.2.3
Landelijke en regionale normen en standaarden
Om de repressieve dekking te bepalen, zijn de kerntaken van de brandweer getoetst aan de landelijk vastgestelde normen en standaarden. Deze zijn doorgaans, op grond van een regionale risico-inventarisatie, vertaald in een regionale uitwerking. Waar (nog) geen landelijke norm of standaard beschikbaar is, wordt enkel getoetst aan de regionale kwaliteitseis. Hiervoor zijn de volgende documenten van belang: ■ Landelijke visie GBO en regionale uitwerking; ■ Landelijke visie op Hulpverlening en regionale uitwerking; ■ Landelijke visie en handreiking IBGS en regionale uitwerking; ■ Landelijke visie en handreikingen WO en regionale uitwerking; ■ Regionaal beleid paraatheid en continuïteit. ■ Regionaal beleid repressieve logistiek.
1
M.u.v. Art. 3.2.1 Bvr waar nog gesproken wordt van objectgebonden opkomsttijden, in afwachting van de wijzigingen zoals aangekondigd door de minister JenV (2022).
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Uitgangspunten
15
2.2.4 Natuurbrandbestrijding
In aanvulling op de kerntaken wordt, gezien de geografische samenstelling van de regio, ook natuurbrandbestrijding opgenomen in het dekkingsplan. De regionale uitwerking hiervan is opgenomen in het handboek natuurbrandbestrijding van de VRU. Het versterken van bovenregionale slagkracht is momenteel in onderzoek door het ministerie van Justitie en Veiligheid. De VRU stelt zich als actieve partner op in dit proces.
2.2.5
Uitruk op Maat
2.2.6
Dekkingsplan versus Inzetbepaling Brandweereenheden dynamisch alarmeren
Binnen de VRU is het landelijk kader Uitruk op Maat in 2024 en 2025 volledig geïmplementeerd. Uitgangspunt hierbij is dat wordt uitgerukt met een basisbrandweereenheid bestaande uit zes personen. Daar waar een post vanwege acute personele schaarste dit niet kan bewerkstelligen, wordt de mogelijkheid geboden om flexibele bezetting mogelijk te maken, in de vorm van de TS-flex. Hierin volgt de VRU integraal het landelijk kader Uitruk op Maat. In september 2025 hebben de laatste posten binnen de VRU het vakbekwaamheidsprogramma hiervoor afgerond en is Uitruk op Maat geïmplementeerd. Hierdoor kunnen posten waarbij er te weinig personeel voorhanden is voor een TS-6 toch een bijdrage leveren in de basisbrandweerzorg. De TS-6 blijft echter wel het uitgangspunt voor de toetsing op GGO.
In het dekkingsplan wordt antwoord gegeven op de ‘wat-vraag’, waarin de organisatie beschrijft wat voor niveau aan brandweerzorg bereikt moet worden. De ‘hoe-vraag’, met andere woorden welke post of eenheid er voor welk incident opgeroepen wordt, is nadrukkelijk geen onderdeel van het dekkingsplan en wordt opgepakt in een ander project, namelijk Inzetbepaling Brandweereenheden (IBBE). Binnen het project Inzetbepaling Brandweereenheden is vastgelegd dat bij maatgevende incidenten, zoals gebouwbrandbestrijding (waarvan in de berekeningen wordt uitgegaan), de snelst beschikbare eenheid wordt ingezet. Daarnaast is er ruimte te verkennen in hoeverre dynamisch alarmeren helpt in het sturen van de snelste brandweerzorg, met inachtneming van de actuele voertuigposities, statussen van een eenheid en actuele verkeersinformatie. In de berekeningen van dit dekkingsplan wordt echter uitsluitend gerekend met de postlocaties en een vaste uitruktijd.
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Uitgangspunten
16
2.3
Paraatheid
Continuïteit van brandweerzorg - ook in de toekomst - is het primaire streven van de VRU. Brandweervrijwilligers en beroepsmedewerkers werken samen om dit te realiseren. Kazerneprofielen Zoals hierboven genoemd maakt de VRU gebruik van zowel brandweervrijwilligers als beroepsmedewerkers. Per kazerne is of wordt bepaald welk paraatheidsmodel (welk type bezetting) passend is. Flexibel inzetten van VRU-personeel De paraatheid van dagdiensten en 24-uursdiensten staat geregeld onder druk. Beroepsmedewerkers en vrijwilligers hebben de gelegenheid om extra diensten te draaien. Het is de bedoeling dat de flexibele beroepsschil aangevuld gaat worden met een regiobrede flexpool-regeling waarin vrijwilligers een plek krijgen. Op deze manier wordt de paraatheid gegarandeerd zonder dat er gebruikt gemaakt hoeft te worden van (extern) inhuurpersoneel. Faciliteren repressie vanuit centrale planning Continuïteit van brandweerzorg wordt ad hoc bewaakt middels tweewegpagers. Deze pagers geven in geval van een alarm vroegtijdig aan of de bezetting op orde is. Voor locaties met een georganiseerde bezetting zet de VRU in op een zo hoog mogelijk paraatheidsniveau. De VRU bestaat uit een fijnmazig netwerk van brandweerposten Alle 70 posten dragen bij aan elkaars kwaliteit van brandweerzorg; posten leveren samen brandweerzorg en doen dat niet alleen.
Met elkaar vormen ze de basis om de veerkracht van de inwoners binnen de VRU te bevorderen. Verdeling van specialismen over de posten Een uitgangspunt is dat stapeling van specialismes op posten zoveel mogelijk wordt beperkt. Dekking en spreiding worden benaderd vanuit de vakinhoud, waarbij wordt gekeken welk type inzetmiddel passend is bij aard van de risico’s in het gebied. Daarnaast wordt door het verdelen van specialismen over de posten bijgedragen aan de betrokkenheid en binding van het personeel. Naast het bindingsaspect speelt ook de (oefen)belasting en inzetfrequentie mee in dit uitgangspunt. Dit uitgangspunt is niet veranderd ten opzichte van het huidige Materieel- en Personeelsbeheer- en spreidingsplan uit 2020.
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Uitgangspunten
17
2.4
Rekenkundige uitgangspunten
2.4.1
Uitvoeringsplan n.a.v. beoordelen van de dekking
Het brandrisicoprofiel (BRP) is niet meer, zoals eerder, een vereiste eerste stap voor het opstellen van een dekkingsplan op basis van GGO. De “Herziene handreiking landelijke uniforme systematiek voor dekkingsplannen, versie 3.0” beschrijft in voldoende mate hoe de risico´s van alle objecten in de regio moeten worden beoordeeld. In een volgende versie van het dekkingsplan wordt een uitvoeringsplan ontwikkeld, dat de organisatie beter in staat stelt om: ■ Te bepalen of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn voor aandachtsobjecten (objecten met een risico hoger dan het maatgevende buurtrisico); ■ Te bepalen of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn voor aandachtsgebieden (gebieden waar een onvoldoende dekking wordt verondersteld); ■ Te beoordelen in hoeverre het aanvullende brandrisico relevant is voor sociale doelgroepen.
2.4.2 Convenanten met buurregio’s
Om de beste zorg ook in regionale grensgebieden te kunnen verzorgen worden de mediaan uitruktijden van de grensregio’s bij de berekeningen betrokken. We gaan er hierbij vanuit dat de buurregio’s op eenzelfde wijze de uitruktijden hanteren als is vastgelegd in de handreiking GGO. Met alle omliggende regio’s zijn afspraken gemaakt voor tenminste de snelste vier tankautospuiten. Derhalve worden deze volledig meegerekend in de berekeningen van de opkomsttijden. Hoewel we de eenheden van de buurregio’s meenemen in onze berekeningen, hanteren we als uitgangspunt dat we als VRU zoveel mogelijk onze eigen dekking organiseren. Daarom zijn in de geografische overzichten van de overige voertuigsoorten een tweetal kaarten opgenomen, namelijk wat de VRU zelf kan leveren en een tweede kaart waarin wordt weergegeven of burenhulp kan bijdragen aan een betere dekking.
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Uitgangspunten
18
Processtap 1 Dekking bijstellen
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Processtap 1
Dekking bijstellen
19
3 Dekking bijstellen Processtap 1 In deze processtap wordt onderzocht of ontwikkelingen binnen of buiten de organisatie aanleiding geven om de repressieve dekking bij te stellen. Hoewel dit dekkingsplan een beleidsarme insteek kent en uitgaat van de bestaande kazerneconfiguratie, is het van belang om relevante trends en veranderingen in beeld te brengen die op termijn invloed kunnen hebben op de kwaliteit van de brandweerzorg. Dit hoofdstuk beschrijft zowel interne ontwikkelingen (zoals wijzigingen in de repressieve inrichting, meldkamerstructuur en technologische innovaties) als externe ontwikkelingen (zoals demografische groei, infrastructurele aanpassingen en geografische risico’s). Deze ontwikkelingen worden niet direct vertaald naar beleidswijzigingen, maar kunnen wel een belangrijke basis vormen voor toekomstige keuzes en het monitoren van de dekking. Tevens is het belangrijke en relevante achtergrondinformatie om de context van het dekkingsplan te kunnen bepalen. Door deze stap zorgvuldig te doorlopen, borgt de VRU dat het dekkingsplan niet alleen aansluit bij de huidige situatie, maar ook voldoende wendbaar is om in te spelen op veranderende omstandigheden.
3.1
Interne ontwikkelingen
3.1.1
Ontwikkelingen in repressieve inrichting
In hoofdstuk 3.1 worden de facetten benoemd die mogelijk van invloed zijn op de dekking op de korte danwel lange termijn.
Afname beschikbaarheid vrijwilligers De beschikbaarheid van brandweervrijwilligers staat onder druk. In diverse veiligheidsregio’s wordt gesignaleerd dat het aantal inzetbare vrijwilligers afneemt, zowel in absolute aantallen als in beschikbaarheid per individu. Dit heeft gevolgen voor de paraatheid van het brandweerapparaat.
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Processtap 1
Dekking bijstellen
20
Deze trend wordt veroorzaakt door meerdere factoren. Enerzijds speelt de veranderende arbeidsmarkt een rol: vrijwilligers hebben steeds vaker banen met onregelmatige werktijden, langere reistijden of een hogere werkdruk, waardoor hun beschikbaarheid voor uitrukken afneemt. Anderzijds is er sprake van maatschappelijke verschuivingen, waarbij het langdurig en structureel beschikbaar zijn voor vrijwillige inzet minder vanzelfsprekend is geworden. Ook is landelijk een trend waarneembaar waarbij brandweerpersoneel in afnemende mate jarenlang beschikbaar blijft. Deze trend vraagt om continue monitoring en bijsturing op het vrijwilligersbeleid binnen de brandweer. Naast het investeren in flexibele inzetmodellen, betere afstemming met werkgevers, en het versterken van de waardering en binding van vrijwilligers, is het van belang om de rechtspositie van brandweervrijwilligers helder en toekomstbestendig te maken. In hoofdstuk 3.2.5 zal nader ingegaan worden op de landelijke trends op het gebied van vrijwilligheid.
3.1.2
Overgang naar Meldkamer Midden-Nederland
3.1.3
Automatisch statussen
Op 3 juni 2025 zijn de meldkamers Utrecht en Lelystad officieel verhuisd naar de nieuwe Meldkamer Midden-Nederland te Hilversum. Deze verandering kan gevolgen hebben voor de meldkamerverwerkingstijd, oftewel de tijdsduur tussen het moment waarop een melding binnenkomt bij de meldkamer en het moment waarop de betreffende eenheid daadwerkelijk wordt gealarmeerd en uitrukt. Omdat de meldkamerverwerkingstijd onderdeel uitmaakt van de opkomsttijd van een eenheid (zie Bijlage B/H10) zal de meldkamerverwerkingstijd direct de opkomsttijd regionaal beïnvloeden. Dit heeft uiteindelijk gevolgen voor de (beoordeling van) de dekking in een bepaald gebied. Immers is de meldkamerverwerkingstijd een vast gegeven bij iedere berekening en een toe- of afname van de meldkamerverwerkingstijd zal als gevolg hebben dat de hele opkomsttijd in alle 971 CBS-buurten meeverandert.
In de nabije toekomst zal er binnen de VRU worden overgestapt naar het automatisch statussen van brandweervoertuigen. Dit betekent dat de statusupdates van een voertuig tijdens een inzet niet meer handmatig door de bevelvoerder worden ingevoerd, maar automatisch worden gegenereerd en verzonden op basis van sensoren en GPS-data. Dit systeem registreert bijvoorbeeld wanneer een voertuig vertrekt vanaf de kazerne of wanneer deze aankomt op de incidentlocatie. Deze momenten worden dan automatisch herkend en doorgestuurd naar het meldkamersysteem, waardoor de statusinformatie betrouwbaarder en consistenter is dan bij handmatige invoer. De betrouwbaarheid van deze gegevens is van belang, aangezien deze gebruikt wordt voor realtime inzicht voor de meldkamer, maar ook in rapportages over uitruktijden en dekking (zoals dit dekkingsplan). Deze rapportages kunnen weer de basis vormen voor toekomstige beleidskeuzes, bijvoorbeeld met betrekking tot het uitrukgebied van een post. Het is van belang te realiseren dat ook deze ontwikkeling van automatisch statussen direct van invloed kan zijn op de prestaties en verantwoording van de basisbrandweerzorg. De berekende prestaties zijn daarnaast ook nog eens momentafhankelijk.
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Processtap 1
Dekking bijstellen
21
3.2
Externe ontwikkelingen
3.2.1
Geografie
De VRU beslaat volgens gegevens van het Kadaster een oppervlakte van ongeveer 1.204 vierkante kilometer. De regio bestaat uit 26 gemeenten en grenst aan de veiligheidsregio’s Gelderland-Midden, Gooi en Vechtstreek, Gelderland-Zuid, Zuid-Holland Zuid, Hollands Midden en Amsterdam-Amstelland. Binnen Veiligheidsregio Utrecht is sprake van een gevarieerde geografische opbouw, bestaande uit zowel uitgestrekte plattelandsgebieden als dichtbebouwde stedelijke zones. De regio wordt doorkruist door belangrijke infrastructuur zoals snelwegen, spoorlijnen en waterwegen, wat zorgt voor een verhoogd risico op verkeersongevallen, transportincidenten en gevaarlijke stoffen. Daarnaast kent de regio uitgestrekte plassengebieden, die specifieke risico’s met zich meebrengen op het gebied van waterongevallen en recreatieveiligheid. Historische binnensteden, zoals die in Utrecht, Amersfoort en andere gemeenten, vormen een extra uitdaging vanwege hun beperkte bereikbaarheid, monumentale bebouwing en verhoogde brandrisico’s. Daarnaast speelt het natuurbrandrisico een belangrijke rol, met name op de Utrechtse Heuvelrug. De uitgestrekte bossen maken dit gebied gevoelig voor snelle vuurverspreiding, vooral tijdens droge periodes.
Tegelijkertijd kent de regio ook lager gelegen gebieden, zoals delen van het rivierengebied, die kwetsbaar zijn voor overstromingen bij extreme neerslag of falen van waterkeringen. Deze geografische diversiteit vraagt om een flexibele en gebiedsgerichte benadering van risicoen crisisbeheersing.
3.2.2
Demografie
In 2024 woonden er volgens het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) ongeveer 1,4 miljoen mensen binnen de 26 gemeenten van Veiligheidsregio Utrecht. Ongeveer 38% van deze inwoners woont in de gemeenten Utrecht en Amersfoort. Het aantal inwoners is in 2024 in bijna alle gemeenten gestegen ten opzichte van 2023, met uitzondering van de gemeenten Montfoort, IJsselstein, De Bilt, Oudewater, Rhenen en Wijk bij Duurstede. De grootste stijging vond plaats in de gemeente Utrecht, de grootste daling in De Bilt. De verwachting is dat de gemeente Utrecht in de periode 2021-2035 qua inwoneraantal de grootste relatieve groei doormaakt (26,4%), op de voet gevolgd door Nieuwegein (19,3%). Volgens dezelfde prognose zal in de Gemeente Montfoort de grootste relatieve krimp plaatsvinden (-3,1%).
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Processtap 1
Dekking bijstellen
22
3.2.3
Infrastructurele ontwikkelingen
Verlaging maximumsnelheid bebouwde kom De Tweede Kamer heeft in oktober 2020 een motie aangenomen om de standaard maximumsnelheid binnen de bebouwde kom te verlagen van 50 km/u naar 30 km/u. Veel gemeenten – ook binnen Veiligheidsregio Utrecht – zijn druk bezig met het overnemen en uitvoeren van deze motie. Deze ontwikkeling kan van invloed zijn op zowel de uitruktijd als de rijtijd van de brandweer bij incidenten, zeker als de snelheidsverlaging gepaard gaat met snelheidsbeperkende maatregelen zoals verkeersdrempels of wegversmallingen. Een hogere opkomsttijd van de hulpdiensten kan een negatief effect hebben op het vermogen tot (levensreddend) optreden van die hulpdiensten. Hoewel de daadwerkelijke impact van de snelheidsverlaging lastig te kwantificeren is, is het wel van belang om deze ontwikkeling te onderkennen. Een belangrijk uitgangspunt is wel dat dit dekkingsplan, ongeacht alle geplande wijzigingen, gebaseerd is op de infrastructuur zoals deze op het moment van schrijven eruit ziet. Een verlaging van de maximum snelheid en daarmee gepaarde nieuwe inrichting van wegen zullen naar verwachting ten ongunste zijn voor de opkomsttijden van de nood- en hulpdiensten.
3.2.4 Ontwikkelingen in CBS-buurtindeling
In de onderstaande afbeelding wordt de CBS-buurtindeling van de VRU weergegeven. Buurten die vallen onder categorie 1, waaraan de zwaarste opkomsteisen zijn verbonden, komen verspreid over de regio voor, maar zijn duidelijk het sterkst vertegenwoordigd in de meest stedelijke gebieden.
Afbeelding 2: categorisering CBS-buurten VRU
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Processtap 1
Dekking bijstellen
23
Ontwikkelingen Demografische, bouwkundige, infrastructurele of andere ontwikkelingen kunnen ertoe leiden dat een gemeente besluit om de CBS-buurtindeling te wijzigen. Dit kan tot gevolg hebben dat er meer of minder kwetsbare objecten binnen de grenzen van een bepaalde buurt vallen, waardoor het karakter van de buurt verandert. Hierdoor zou een buurt in een andere categorie kunnen vallen, waardoor er andere opkomsttijden gaan gelden. Ook kan het verschuiven van de grenzen gevolgen hebben voor de grootte van het gebied, waardoor het aantal objecten dat in die buurt bediend moet worden toe- of afneemt. Uiteindelijk zal het wijzigen van de buurtcategorieën impact hebben op de beoordeling van de dekking in het gebied. Bouwkundige ontwikkelingen kunnen ook – los van een herziening van de buurtindeling – gevolgen hebben voor het overheersende karakter van een buurt. De bouw of sloop van (kwetsbare) objecten kan tot gevolg hebben dat een nieuw type bebouwing ‘overheersend’ wordt, waardoor de buurt in een andere categorie komt te vallen.
3.2.5
Taakdifferentiatie / verplichtend karakter
Het landelijke project taakdifferentiatie / verplichtend karakter heeft mogelijk gevolgen voor de garantie van de operationele prestaties. Dit behelst puur het verplichtend karakter en niet de taakopvatting. Het dekkingsplan zal daarom uitgaan van het huidige beleid en daaraan gekoppelde financiële kaders. In het bestuur van de VRU is vastgesteld dat de VRU alleen maatregelen gaat uitvoeren in het kader van taakdifferentiatie als het Rijk daarvoor de benodigde financiële middelen ter beschikking stelt.
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Processtap 1
Dekking bijstellen
24
Processtap 2 Dekking beschrijven
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Processtap 2
Dekking beschrijven
25
4 Dekking beschrijven Processtap 2 In processtap 2 wordt de verwachte (berekende) dekking in de regio beschreven aan de hand van de factoren snelheid, capaciteit, paraatheid en werkdruk. Conform de handreiking wordt het maatgevend scenario gebouwbrand als uitgangspunt genomen. De handreiking schrijft daarbij een aantal verplichte grafische weergaven voor. Avond-, nacht-, weekendsituatie versus dagsituatie Avond, nacht en weekendsituatie als uitgangspunt Voor de beschrijving van de dekking wordt onderscheid gemaakt tussen de dagsituatie (van 08:00-17:00 uur) en de avond-/nacht-/weekend-situatie, kortweg de ANW-situatie. De verwachte dekking zal in de ANW-situatie slechter uitvallen dan in de dagsituatie. Dit heeft te maken met het feit dat een aantal posten in de regio in de dagsituatie een georganiseerde kazernebezetting hebben, wat leidt tot kortere uitruktijden (en daarmee tot een betere dekking). Om deze reden is de ANW-situatie in dit hoofdstuk als uitgangspunt gebruikt. De afbeeldingen voor de dagsituatie zijn wel opgenomen in bijlage c. In dit hoofdstuk is per deeltaak beschreven hoe het gesteld is met de dekking, aan de hand van de vier parameters van de GGO-systematiek. Voor de factor snelheid geldt een wettelijk normeringskader en voor de factor capaciteit een beoogde norm.
Voor de parameters paraatheid en inzetdruk geldt (nog) geen norm, maar de beschrijving van deze parameters draagt wel bij aan een completer beeld van de dekking.
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Processtap 2
Dekking beschrijven
26
De parameters staan niet op zichzelf, maar beïnvloeden elkaar. Ze dienen daarom in samenhang te worden beschouwd. Paraatheidsproblemen hebben bijvoorbeeld ook gevolgen voor de snelheid, de capaciteit en de inzetdruk. Vanwege het ontbreken van de beoordelingskaders worden de laatste twee parameters uitsluitend in dit hoofdstuk beschreven. De beoordeling van de dekking (zie processtap 3) vindt in deze versie van het dekkingsplan enkel plaats op basis van de eerste twee parameters. Afwijking dagsituatie In bijlage C zijn de verschillen van de dagsituatie ten opzichte van de avond-, nacht- en weekendsituatie beschreven. De verschillen beperken zich tot de kernen Houten, Nieuwegein, IJsselstein en Amersfoort. De oorsprong van deze afwijkingen zijn de verschillende paraatheidsvormen (dagdienst versus opkomstprofiel) en het niet-operationeel zijn van de post Houten-Oost in de dagsituatie. De overige uitruktijden zijn voor iedere eenheid gelijk, zowel in de dag- als in de avond-, nacht en weekendsituatie.
4.1
Basisbrandweerzorg (gebouwbrandbestrijding)
4.1.1
Snelheid van optreden
Om effectief hulp te verlenen bij brand en ongevallen, is het van cruciaal belang om als brandweer snel ter plaatse te komen. Een snel optreden van een eerste tankautospuit (TS) kan levensreddend zijn. Daarnaast kan dit verdere escalatie van een incident voorkomen, waardoor de kans op een grootschalig of langdurig brandweeroptreden wordt verkleind. De beschrijving en beoordeling van de snelheid waarmee de eerste basisbrandweereenheid (bestaande uit een tankautospuit met zes bemanningsleden) ter plaatse kan zijn, is daarom een verplicht onderdeel van het dekkingsplan. ‘Snelheid’ heeft in deze context betrekking op de berekende theoretische tijd waarmee de eerste tankautospuit (TS) ter plaatse kan zijn. Zie bijlage 10.2 voor een uitleg over hoe deze berekening tot stand is gekomen. Het gebied waar een basisbrandweereenheid het snelst kan zijn ten opzichte van andere basisbrandweereenheden wordt het verzorgingsgebied van die eenheid genoemd.
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Processtap 2
Dekking beschrijven
27
In afbeelding 3 zijn de prestaties weergegeven in een zogenaamde S-curve, een grafiek die zijn naam ontleent aan de vorm van de curve. De horizontale as geeft de opkomsttijd in minuten aan, de verticale as het percentage van locaties dat bediend wordt door een TS. De curve geeft vervolgens de opkomstprestaties weer, door het cumulatief percentage locaties weer te geven dat wordt bediend door een basisbrandweereenheid in een bepaald tijdsbestek. In de dekkingsgrafiek is te zien dat bij bijna 93% van de objecten in de regio binnen 10 minuten een TS ter plaatse kan zijn. Binnen 12 minuten wordt ruim 99% van de objecten bediend door een TS. Binnen een kwartier is er sprake van 100% dekking over alle objecten.
Afbeelding 3: S-curve snelheid opkomst eerste TS in ANW-situatie
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Processtap 2
Dekking beschrijven
28
In afbeelding 4 worden de dekkingsprestaties van de eerste tankautospuit cartografisch weergegeven. Hoe donkerder een bepaald gebied kleurt op de kaart, hoe langer het duurt voordat een tankautospuit op locaties binnen dat gebied ter plaatse kan zijn. In de onderstaande afbeelding zijn ook de uitruklocaties (brandweerkazernes) in de regio in beeld gebracht. De operationele organisatie in de regio wordt gevormd door 70 uitruklocaties. Er is hierbij onderscheid gemaakt in de manier waarop de bezetting op de kazernes is vormgegeven, de zogenaamde kazerneprofielen. Op basis hiervan kunnen drie categorieën uitruklocaties worden geïdentificeerd: ■ Uitruklocaties met een 24-uurs kazernering, beroepsmatig of op vrijwilligersbasis (Zeist); ■ Kazernes met een dagdienstbezetting en buiten dagdienstframe vrije instroom door vrijwilligers; ■ Uitruklocaties met een volledige vrije instroom door vrijwilligers of posten met opkomst van vrijwilligers op basis van consignatie.
Afbeelding 4: Snelheid opkomst eerste TS in ANW-situatie
In hoofdstuk vijf wordt beschreven wat deze uitkomsten betekenen voor de dekking op CBSbuurtniveau.
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Processtap 2
Dekking beschrijven
29
4.1.2
Capaciteit (slagkracht)
Naast snelheid is het leveren van slagkracht (capaciteit) essentieel om slachtoffers te voorkomen en om schade te beperken. In de GGO-systematiek is daarom een (beoogd) beoordelingskader voor het criterium capaciteit opgesteld (zie bijlage 10.2). De kwaliteit van de dekking wordt dus niet alleen bepaald door de snelheid waarmee de eerste eenheid bij een incident ter plaatse kan zijn, maar ook door de opkomsttijd van opschalingseenheden. Een operationele inzet van drie TS’en en één bijzonder voertuig onder leiding van een officier van dienst is de maximale slagkracht die onder de noemer ‘basisbrandweerzorg’ valt. Het uitgangspunt is dat een inzet met meer dan drie TS’en onder de als ‘grootschalig brandweeroptreden (GBO)’ bestempeld wordt. Slagkracht (capaciteit) kan in deze context daarom worden gezien als ‘het vermogen om bij opschaling snel meerdere eenheden tot een maximum van drie TS’en ter plaatse te krijgen’. De parameter slagkracht wordt dus gewaardeerd aan de hand van de tijd die nodig is om drie basisbrandweereenheden ter plaatse te krijgen. In afbeelding 5 is dit cartografisch weergegeven.
Afbeelding 5: Opkomsttijd drie TS’en (in minuten)
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Processtap 2
Dekking beschrijven
30
Afbeelding 6 geeft een uitgebreider beeld van de totale slagkracht, door middel van een cartografische weergave van het aantal tankautospuiten dat binnen 15 minuten ter plaatse kan zijn.
Afbeelding 6: Aantal TS’en dat binnen 15 minuten ter plaatse kan zijn
Afbeelding 7 geeft drie S-curves weer waarin de berekende prestaties van de eerste, tweede en derde TS wordt getoond. Toelichting afbeelding 6 Een aantal gebieden in de regio zijn donkerblauw van kleur, wat wel enige duiding vraagt. Zo is in/rondom het Eemmeer en midden in het natuurgebied op de Heuvelrug de toegankelijkheid minder dan gemiddeld, wat leidt tot oplopende opkomsttijden. Echter zijn vaak op deze wegen verder geen objecten gesitueerd, wat inhoudt dat het zich voordoen van een gebouwbrand niet mogelijk is.
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Processtap 2
Dekking beschrijven
31
Afbeelding 7: S-curve slagkracht
In de dekkingsgrafiek is te zien dat bij 99,1 % van alle objecten in de VRU binnen 15 minuten drie tankautopuiten aanwezig kunnen zijn. De tweede TS kan bij 53,3% van de objecten binnen 10 minuten ter plaatse zijn, en 99,7% van de objecten wordt binnen 15 minuten door twee TS’en bediend.
4.1.3
Paraatheid
De derde parameter van de GGO-systematiek heeft betrekking op de paraatheid, oftewel de mate waarin de brandweer erin kan voorzien dat een aangewezen eenheid daadwerkelijk naar een incident kan uitrukken en daar kan optreden. In theorie wordt het werkgebied van de VRU 24/7 gedekt door een fijnmazig netwerk van 70 brandweerposten. Hierbij wordt uitgegaan van 100% paraatheid, wat voor de totstandkoming van alle dekkingsafbeeldingen in dit document ook als uitgangspunt wordt aangehouden. De praktijk is echter weerbarstiger: er zijn diverse factoren van invloed op de paraatheid van posten en eenheden, en het is mogelijk dat de paraatheid niet altijd gegarandeerd is. Zo zijn er duidelijke verschillen waar te nemen tussen de paraatheid in de dagsituatie en in de ANWsituatie. De beschrijving en beoordeling van de parameter moet dus meer recht doen aan de waarheid door te beschrijven hoe het is gesteld met de paraatheid van de posten van de VRU in de afgelopen vijf jaar (2020-2024). Deze beschrijving bevat drie elementen die van invloed zijn op de paraatheid: beschikbaarheid, gelijktijdigheid en restdekking.
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Processtap 2
Dekking beschrijven
32
Beschikbaarheid ten tijde van een alarmering Beschikbaarheid is de mate waarin de brandweer voldoende (gekwalificeerd) personeel en werkend materieel beschikbaar heeft om naar een incident uit te rukken en deze te bestrijden. Om als brandweer te kunnen voldoen aan de opkomst- en capaciteitscriteria, moet zij beschikken over voldoende gekwalificeerd personeel en beschikbaar materieel. Zoals reeds beschreven beschikt de VRU over 70 brandweerposten. Zes posten zijn permanent bezet met beroepspersoneel of gekazerneerde vrijwilligers en daardoor 24/7 beschikbaar. Daarnaast zijn er drie posten waar overdag beroepspersoneel beschikbaar is voor de uitruk, en waarbij de bezetting in de ANW-situatie afhankelijk is van vrijwilligers. De overige posten zijn volledige vrijwilligersposten, al dan niet met consignatie. Een aantal posten heeft moeite om voldoende vrijwilligers te werven en te behouden. Het is met name een uitdaging om de beschikbaarheid op peil te houden gedurende de kantoortijden, in het weekend en in de vakantieperioden. De meldkamer heeft binnen één minuut na alarmering inzicht in wat de daadwerkelijke opkomst zal zijn van een vrijwillige kazerne en zal dan direct, indien nodig, een volgende TS alarmeren.
In de onderstaande grafiek is per post inzichtelijk gemaakt hoe vaak er is uitgerukt met een TS-6, hoe vaak met een TS-flex en hoe vaak het is voorgekomen dat er niet is uitgerukt na een alarmering.
Afbeelding 8: Overzicht beschikbaarheid van posten met vrijwillige bezetting
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Processtap 2
Dekking beschrijven
33
Vooraf aangekondigde buitendienststellingen Naast het adhoc bepalen van de bezetting bij een alarmering zijn er ook vooraf bekende perioden waarbij er sprake is van onderbezetting. Dit worden de vooraf aangekondigde buitendienststellingen genoemd. Tot voorkort (invoering tweewegpagers) was dit de manier om de paraatheid te meten. Toch verdient het de voorkeur dat bij een vooraf bekende buitendienststelling deze te registreren zodat bij een alarmering geen tijd wordt verloren bij het proces van alarmeren, heralarmeren en dooralarmeren. In onderstaand overzicht zijn in seconden de vooraf aangekondigde buitendienststellingen weergegeven die direct zijn toe te schrijven aan het niet voorhanden hebben van (voldoende) personeel. In dit overzicht zijn enkel de tankautospuiten opgenomen. Wel dient hierbij te worden opgemerkt dat dit ook eventuele tweede en/of derde tankautospuiten betreft op een post. Het kan dus zo zijn dat er wel een eerstelijns tankautospuit bezet kan worden maar de tweedelijns tankautospuit buiten dienst is gesteld.
Afbeelding 9: Overzicht vooraf aangekondigde buitendienststellingen van posten
Het samenstel van het adhoc meten van de beschikbaarheid en de vooraf aangekondigde buitendienststellingen bepalen uiteindelijk de beschikbaarheid van een eenheid op personeel gebied. Op het gebied van materiele paraatheid geldt dat in lijn met de huidige bestuursagenda en voorgaande beleidsplannen gestreefd wordt naar 100% materiele paraatheid van de eerstelijns tankautospuiten. Gelijktijdigheid Gelijktijdigheid ontstaat als de meldkamer een beroep wil doen op een eenheid die reeds is ingezet. De gebruikelijke opkomsttijden zullen dan niet gehaald worden omdat er vervangende eenheden van andere, verder gelegen plaatsen moeten komen. Inzicht in de kans op gelijktijdigheid is daarom relevant voor de paraatheid. Het zegt namelijk iets over de mate waarin de brandweer erin kan voorzien dat de snelste eenheid ter plaatse komt. Gelijktijdigheid geeft daarmee inzicht in de kwaliteit van de dekking.
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Processtap 2
Dekking beschrijven
34
Onderstaande tabel per post geeft weer hoe vaak gelijktijdigheid naar verwachting op jaarbasis optreedt. Dit is berekend op basis van de alarmeringsfrequentie van de post, de mediaan inzetduur en de zogenaamde variatiecoëfficiënt. Zie bijlage 10.2 voor een toelichting op de rekenmethodiek. Gelijktijdigheid heeft betrekking op alle incidenten, niet alleen op gebouwbranden. Tevens dient vermeld te worden dat het hier gaat om een kans. In de onderstaande tabel gaat het dus om een theoretische verwachting dat gelijktijdigheid zich met de betreffende frequentie voordoet. En is het daarmee geen vast gegeven.
Kazerne
Aantal gelijktijdige inzetten per jaar
Abcoude
1,19
Elst
0,82
Achterveld
0,83
Groenekan
0,49
Ameide
0,52
Hagestein
1,11
Amerongen
1,11
Harmelen
1,24
Amersfoort-Centrum
46,26
Houten-West
3,37
Amersfoort-Noord
4,51
Houten-Oost
1,08
Baarn
4,66
IJsselstein
5,96
Benschop
0,80
Kamerik
0,75
Bilthoven
4,51
Kockengen
0,90
Breukelen
2,60
Leerdam
3,74
Bunnik
2,22
Leersum
1,91
Bunschoten
3,84
Leusden
3,17
Cothen-Langbroek
0,90
Lexmond
0,75
De Bilt
1,29
Linschoten
1,31
Den Dolder
1,96
Loenen aan de Vecht
1,43
Doorn
3,58
Lopik
1,08
Driebergen
3,94
Maarn-Maarsbergen
1,91
Eemnes
1,60
Maarssen
6,84
Maartensdijk
1,66
Utrecht-Leidsche Rijn
10,56
Meerkerk
1,18
Utrecht-Schepenbuurt
23,50
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Kazerne
Aantal gelijktijdige inzetten per jaar
Processtap 2
Dekking beschrijven
35
Kazerne
Aantal gelijktijdige inzetten per jaar
Kazerne
Aantal gelijktijdige inzetten per jaar
Mijdrecht
5,03
Utrecht-Tolsteeg
49,97
Montfoort
1,23
Vleuten
2,94
Nieuwegein-Noord
8,72
Utrecht-Voordorp
27,77
Nieuwegein-Zuid
3,97
Utrecht-Zuilen
2,74
Nieuwer Ter Aa
0,48
Veenendaal
9,12
Nigtevecht
0,25
Vianen
4,55
Oudewater
1,94
Vinkeveen
2,19
Renswoude
1,21
Werkhoven
0,93
Rhenen-Achterberg
2,92
Westbroek-Tienhoven
0,55
Schalkwijk
0,98
Wijk bij Duurstede
2,44
Schoonrewoerd
0,98
Wilnis
0,95
Soest-Hoofdpost
3,42
Woerden
5,65
Soest Raadhuisplein (nevenpost)
2,76
Woudenberg
2,01
Soesterberg
2,36
Zegveld
0,58
De Meern
3,59
Zeist
16,55
Naast de wijze van vervanging, zoals geregeld in het systeem van alarmering, vraagt gelijktijdigheid aanvullende aandacht in gebieden waar meer incidenten plaatsvinden. Een hoge kans op gelijktijdigheid vraagt om een hogere kazernedichtheid om de paraatheid te kunnen borgen. Uitvoeringsregeling Grootschalig Brandweeroptreden binnen de VRU Eind 2024 heeft de VRU een nieuwe uitvoeringsregeling vastgesteld rondom Grootschalig Brandweeroptreden (GBO1). Uitgangspunt van deze nieuwe regeling is het zoveel mogelijk paraat houden van posten die een grote rol spelen in de dekking van categorie I buurten en/of waar de kans op gelijktijdigheid klein is. Eens per vier jaar wordt dit beleid en de toewijzing van posten die een rol spelen in het grootschalig brandweeroptreden getoetst op actualiteit en kan bijsturing plaatsvinden.
1
Binnen de VRU wordt gesproken over grootschalig brandweeroptreden vanaf incidenten met inzet van meer dan drie tankautospuiten.
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Processtap 2
Dekking beschrijven
36
Restdekking Bij grootschalige en langdurige inzetten worden veel eenheden ingezet. Het aantal ingezette eenheden kan zo groot zijn, dat de beschikbaarheid van eenheden voor de rest van de veiligheidsregio terugloopt. Deze situatie doet zich zowel voor bij een incident in het eigen verzorgingsgebied als in het geval van bijstand aan andere posten of – in het geval van interregionale bijstand – aan andere veiligheidsregio’s. De inzet van een groot aantal eenheden tegelijkertijd heeft onmiskenbaar invloed op de dekking van (een deel van) het verzorgingsgebied. Het actiecentrum brandweer heeft een actieve rol om de restdekking in de regio te monitoren. Indien er sprake is van grootschalige, langdurige of gelijktijdige inzetten, is het actiecentrum verantwoordelijk voor het bijsturen van de operationele dekking, met inachtneming van de uitvoeringsregeling GBO.
4.1.4
Werkdruk
De vierde parameter uit de GGO-systematiek is werkdruk. Omdat werkdruk een veelomvattend begrip is, waar niet eenvoudig een bepaald waardeoordeel aan te verbinden is, is in dit dekkingsplan – in lijn met de landelijke systematiek – de alarmeringsfrequentie in beeld gebracht. Onder alarmeringsfrequentie wordt het volgende verstaan: “het gemiddelde aantal alarmeringen van iedere brandweereenheid op jaarbasis”. Hierbij is geen onderscheid gemaakt in de prioriteit van de alarmering, het type melding of het tijdsframe waarin de alarmering heeft plaatsgevonden. In de onderstaande tabel wordt per post het gemiddeld aantal jaarlijkse alarmeringen over de periode 2020-2024 weergegeven.
Gemiddeld jaarlijks Brandweerpost aantal alarmeringen 2020-2024
Brandweerpost
Gemiddeld jaarlijks aantal alarmeringen 2020-2024
Abcoude
46
Cothen-Langbroek
35
Achterveld
33
De Bilt
50
Ameide
20
Den Dolder
76
Amerongen
43
Doorn
139
Amersfoort-Centrum beroeps
798
Driebergen
153
Amersfoort-Noord
175
Eemnes
62
Baarn
181
Elst
32
Benschop
31
Groenekan
19
Bilthoven
175
Hagestein
43
Breukelen
101
Harmelen
48
Bunnik
86
Houten-West
134
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Processtap 2
Dekking beschrijven
37
Gemiddeld jaarlijks Brandweerpost aantal alarmeringen 2020-2024
Brandweerpost
Gemiddeld jaarlijks aantal alarmeringen 2020-2024
Bunschoten
149
Houten-Oost
43
IJsselstein
237
Schoonrewoerd
39
Kamerik
30
Soest-Hoofdpost
136
Kockengen
36
Soest Nevenpost
110
Leerdam
149
Soesterberg
94
Leersum
76
De Meern
143
Leusden
126
Utrecht-Leidsche Rijn
388
Lexmond
30
Utrecht-Schepenbuurt
598
Linschoten
52
Utrecht-Tolsteeg
855
Loenen aan de Vecht
57
Vleuten
117
Lopik
43
Utrecht-Voordorp
646
Maarn-Maarsbergen
76
Utrecht-Zuilen
109
Maarssen
272
Veenendaal
363
Maartensdijk
66
Vianen
181
Meerkerk
47
Vinkeveen
87
Mijdrecht
200
Werkhoven
37
Montfoort
49
Westbroek-Tienhoven
22
Nieuwegein-Noord
347
Wijk bij Duurstede
97
Nieuwegein-Zuid
158
Wilnis
38
Nieuwer ter Aa
19
Woerden
225
Nigtevecht
10
Woudenberg
80
Oudewater
77
Zegveld
23
Renswoude
48
Zeist
491
Rhenen-Achterberg
116
Schalkwijk
39
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Processtap 2
Dekking beschrijven
38
4.2
Ondersteunende voertuigen brandbestrijding
4.2.1
Redvoertuig (RV)
Het redvoertuig wordt ingezet voor uiteenlopende taken binnen de hulpverlening en brandbestrijding. Het wordt gebruikt bij de redding van mensen en dieren vanaf hoogte, biedt ondersteuning bij bluswerkzaamheden en draagt bij aan het veilig uitvoeren van werkzaamheden op hoogte. Daarnaast kan het voertuig dienen als alternatieve vluchtweg voor eigen personeel en als hulpmiddel bij inzet van de ambulancedienst. In stedelijke gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid en een gebouwenstructuur die wordt gekenmerkt door oudere of hoge panden, is de inzet van het redvoertuig extra belangrijk. In deze omgevingen, waar vluchtwegen vaak beperkt zijn en aanvalsroutes voor de brandweer complex kunnen zijn, levert het voertuig een belangrijke bijdrage aan het redden van mens en dier en aan het effectief bestrijden van brand. De grootste concentraties hoge gebouwen (>30 meter) bevinden zich in de grootste steden van de regio. De redvoertuigen van de VRU zijn gestationeerd op de volgende posten: ■ Amersfoort-Centrum; ■ Doorn; ■ IJsselstein; ■ Leerdam; ■ Maarssen; ■ Mijdrecht; ■ Soest-Hoofdpost; ■ Utrecht-Leidsche Rijn; ■ Utrecht – Voordorp; ■ Veenendaal; ■ Woerden; ■ Zeist. In het materieel- en personeelsbeheer- en spreidingsplan (MPBSP) van 2020 is naast bovengenoemde redvoertuigen ook een redvoertuig in Vianen tijdelijk voorzien.
Dit redvoertuig is niet strikt noodzakelijk om in de dekking te voorzien, echter vanwege grootschalige werkzaamheden aan de nabijgelegen rijksweg A27 is door Rijkswaterstaat de verwachting uitgesproken dat er tot de voltooiing van dit traject de druk op het onderliggende wegennet hoog zou zijn. Als mitigerende maatregel is voorgesteld in tijdelijkheid het redvoertuig op post Vianen te handhaven, tot het moment er duidelijkheid is of de druk op het onderliggende wegennet niet verder is toegenomen en de opkomsttijden van de nabijgelegen redvoertuigen ook binnen de norm van 15 minuten vallen.
Veiligheidsregio Utrecht
Dekkingsplan
Processtap 2
Dekking beschrijven
39
Opkomsttijden Binnen de VRU wordt het uitgangspunt gehanteerd dat een redvoertuig binnen 15 minuten ter plaatse dient te zijn. Het besluit Veiligheidsregio’s (Artikel 3.2.2) geeft de mogelijkheid redvoertuigen (voor de redding op hoogten) te koppelen aan objecten; dit kan noodzakelijk zijn vanwege de ontvluchtingsmogelijkheden in een gebouw. Het bestuur van de veiligheidsregio stelt bij deze objecten voor de redvoertuigen dezelfde opkomsttijden vast als voor de basisbrandweereenheden. Binnen de VRU zijn er geen objecten waarvoor deze opkomsttijden gelden.
4.2.2 Watertransportsysteem 1500 (WTS1500)
Het Watertransportsysteem 1500 (WTS1500) is een specialistisch brandweermiddel dat is ontworpen voor het realiseren van grootschalig en langdurig watertransport over grote afstanden. Dit systeem wordt ingezet bij incidenten waarbij de reguliere watervoorziening (zoals brandkranen of open water nabij het incident) onvoldoende of niet beschikbaar is. VRU beschikt over meerdere eenheden die kunnen worden ingezet om een dergelijk peloton te formeren. Deze eenheden staan in Nieuwer Ter Aa, Montfoort en Veenendaal. De prestatie-eisen voor grootschalige watervoorziening zijn beschreven in de Visie op GBO 2.0. De inzet van de WTS1500 vereist specialistische kennis en wordt uitgevoerd door speciaal opgeleid personeel. De WTS1500 kan zowel zelfstandig als in combinatie met andere watertransportmiddelen (zoals watertankwagens) worden ingezet.