Bijlage 5 (concept) beleidsplan armoedebestrijding 2023-2030
Tekst van het document
Beleidsplan Armoedebestrijding 2024-2030
Beleidsplan Armoedebestrijding 2024-2030 CONCEPT Inhoudsopgave Geef de titel van het hoofdstuk op (niveau 1) .................................................................. 1 Geef de titel van het hoofdstuk op (niveau 2) ...................................................................... 2 Geef de titel van het hoofdstuk op (niveau 3) ................................................................... 3 Geef de titel van het hoofdstuk op (niveau 1) .................................................................. 4 Geef de titel van het hoofdstuk op (niveau 2) ...................................................................... 5 Geef de titel van het hoofdstuk op (niveau 3) ................................................................... 6
1
Voorwoord Er is geen enkele reden Waarom je niet een man eerst een vis zou geven Zodat hij de kracht heeft om te leren vissen Voor u ligt het aangepaste beleidsplan Armoedebestrijding 2024-2030 van gemeente Rhenen. In dit beleidsplan beschrijven we ook hoe gemeente Rhenen werkt aan de basisvaardigheden van haar inwoners; vaardigheden op het gebied van taal, rekenen en burgerschap die nodig zijn om mee te kunnen doen in onze maatschappij. We besteden hier in dit beleidsplan aandacht aan omdat we weten dat de ontwikkeling van basisvaardigheden erg belangrijk is bij armoedebestrijding. Het goede nieuws is dat we het in Rhenen, in vergelijking met zowel Nederland als andere gemeenten, op beide terreinen helemaal niet slecht doen. Maar dat betekent niet dat we als gemeente achterover kunnen gaan leunen. Want dan gaat het snel bergafwaarts. Het zijn onderwerpen die om aandacht blijven vragen. We blijven daarom werken aan zowel armoedebestrijding als basisvaardigheden. In dit beleidsplan leest u hoe we dat doen en waar we de komende jaren op focussen. Hierbij kunnen we terugvallen op een groot en actief vrijwilligersnetwerk dat ook nog eens goed samenwerkt met onze maatschappelijke partners. Dat is allerminst vanzelfsprekend, en daar mogen we trots op zijn.
En als we kijken naar de inzet van ervaringsdeskundigheid bij beleid in relatie tot armoedebestrijding, liggen we zelfs vóór op de meeste andere gemeenten in Nederland. Waar een kleine gemeente als Rhenen al niet groot in kan zijn….. Ik wens u veel leesplezier. Dick Poortinga, wethouder
2
1. Inleiding 1.1.
Wat vooraf ging
Dit beleidsplan staat niet op zichzelf. Het past in een traject dat begon in juli 2019. Toen nam de gemeenteraad een motie aan om de (op dat moment goed gevulde) armoedereserve in te gaan zetten. Zij gaf daarbij de opdracht hiervoor een plan te maken. Het Plan van Aanpak Armoedebestrijding 2020-2022 is hiervan het resultaat. Begin 2023 is de evaluatie van het Plan van Aanpak Armoedebestrijding 2020-2022 vastgesteld door onze gemeenteraad (zie bijlage 1). Met een aantal onderwerpen uit bedoeld plan van aanpak gaan we verder, met een aantal niet. Waar we structureel mee verder gaan: • De inzet van het maatwerkbudget. Er zijn huishoudens met armoede voor wie de reguliere regelingen en budgetten onvoldoende soelaas bieden. Voor hen is er het maatwerkbudget. • De inzet van de Denktank ‘Arm maar rijk aan ervaring’. Deze bestaat uit mensen die uit eigen ervaring weten hoe het is om een laag inkomen te hebben en gebruik te maken van allerlei regelingen die voor hen bedoeld zijn. Samen met onze Adviesraad Sociaal Domein, Cliëntenraad De Vallei en onze vrijwilligersorganisaties die mensen met een laag inkomen ondersteunen, zorgen zij voor een stevige onderbouwing van ons armoedebeleid. • Communicatie over onze hulp en regelingen voor inwoners met een laag inkomen, bedoeld voor hen en onze partners. Zodat deze hulp en regelingen gemakkelijker vindbaar zijn.
Waar we niet mee verder gaan: • Sparen. Door de inflatie en gestegen energieprijzen was het niet reëel hier op in te zetten. We zouden er in 2024 op terugkomen, maar de situatie is onveranderd. • Energiearmoede. Vanuit het Rijk is dit onderwerp breed opgepakt in de vorm van de energietoeslag. • Stadsakkers/gezonde voeding. De oriëntatie stadsakkers liep op niets uit. Daarnaast is in de afgelopen jaren op gezondheid en gezonde voeding actie ondernomen vanuit het Rijk in de vorm van IZA/GALA. In dit beleidsplan geven we de kaders (‘speerpunten’) om vorm te geven aan de onderwerpen waar we structureel mee verder gaan. Daarnaast wordt een overzicht gegeven van de overige kaders waaraan de aanpak armoedebestrijding in de periode van 2024 tot en met 2030 moet voldoen. Bovendien besteden we in dit beleidsplan aandacht aan de wijze waarop gemeente Rhenen werkt aan de basisvaardigheden van haar inwoners. Dit zijn vaardigheden op het gebied van taal, rekenen en burgerschap die nodig zijn om mee te kunnen doen in onze maatschappij. We besteden hier aandacht in dit beleidsplan aan omdat we weten dat de ontwikkeling van basisvaardigheden erg belangrijk is bij armoedebestrijding. De Factsheet van Stichting Lezen en Schrijven (zie bijlage 2) belicht de relatie tussen armoedebestrijding en basisvaardigheden. 1.2.
Uitgevoerde consultaties
De eerste versie van dit beleidsplan is 4 juli 2024 besproken in de raad. Om tot deze eerste versie te komen is in januari 2024 een participatiebijeenkomst georganiseerd over dit beleidsplan. Hiervoor waren uitgenodigd: • De Formulierenbrigade • Hulpmaatje Rhenen • Welzijn Rivierstroom • Mozaïek Welzijn • Bibliotheek ZOUT en Taalhuis • Buurtgezinnen Rhenen • Netwerk voor Nieuwkomers
3
• • • • •
Gemeenteraad Rhenen Adviesraad Sociaal Domein Cliëntenraad De Vallei Denktank ‘Arm, maar rijk aan ervaring’ Medewerkers van de gemeente; het Sociaal Team, Jeugdteam, team Leefbaarheid, Energieloket en de Energiecoaches.
Daarnaast zijn adviesverzoeken gedaan aan zowel de Adviesraad Sociaal domein als Cliëntenraad De Vallei. Dit hebben we gedaan ondanks dat Cliëntenraad De Vallei officieel niet hoefde te worden geconsulteerd in deze. Adviesraad Sociaal Domein had en heeft wél een formele adviesrol in deze, maar zij had op dat moment tijdelijk haar werkzaamheden opgeschort. Op 4 juli 204 is het beleidsplan ‘Armoedebestrijding 2024-2030’ in de Commissie Samenleving en daarna in de raadsvergadering geweest. Raadsleden gaven toen aan met de speerpunten te kunnen instemmen, maar behoefte te hebben aan meer inzicht in onze visie op armoede(bestrijding), een beeld van de armoede in Rhenen en een beschrijving van de huidige aanpak van armoedebestrijding door gemeente Rhenen. Informatie hierover is toegevoegd aan deze tweede versie van het beleidsplan. Zie hiervoor hoofdstuk 2. Deze tweede versie van het beleidsplan armoedebestrijding is op 27 augustus 2024 als concept voorgelegd aan: 1. De Formulierenbrigade 2. Stichting Hulpmaatje Rhenen 3. Bibliotheek ZOUT en Taalhuis 4. Netwerk voor Nieuwkomers 5. JobHulpMaatje Rhenen 6. SchuldHulpMaatje Rhenen 7. Denktank ‘Arm, maar rijk aan ervaring’ Daarnaast zijn eind augustus 2024 opnieuw de Adviesraad Sociaal domein en de Cliëntenraad De Vallei om advies gevraagd op basis van een concept van de tweede versie van het beleidsplan.
Zoals gebruikelijk hadden zij zes weken de tijd voor hun reactie. Op 17 september 2024 is bovendien de raad geconsulteerd. In al deze consultaties stonden de volgende twee vragen centraal: 1. Is onze visie op en de huidige praktijk van armoedebestrijding door gemeente Rhenen nu voldoende duidelijk geschetst? 2. Kunt u zich erin vinden dat, vanwege de samenhang tussen beide, een beschrijving van onze inspanningen op het terrein van basisvaardigheden is toegevoegd aan dit beleidsplan? Ook deze tweede versie van het beleidsplan armoedebestrijding blijft bewust op hoofdlijnen. De concretisering van deze kaders leest u in de tweejaarlijkse uitvoeringsplannen die ter informatie aan de raad zullen worden voorgelegd. 1.3.
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 leest u hoe we armoede definiëren, wie risico lopen op armoede, wat gevolgen zijn van armoede, cijfers over armoede in Rhenen, hoe gemeente Rhenen armoede bestrijdt, waarom we voor deze aanpak kiezen en wat we concreet doen aan armoedebestrijding. In hoofdstuk 3 beschrijven we onze drie speerpunten bij armoedebestrijding tot 2030. Telkens belichten we wat we gaan doen, wanneer doelen bereikt zijn en hoe dat te meten is.
4
In hoofdstuk 4 beschrijven we hoe we werken aan de basisvaardigheden van onze inwoners, waarop de we komende jaren zullen focussen en waarom. In hoofdstuk 5 leest u hoe we dit beleidsplan zullen monitoren en evalueren en vindt u het financiële plaatje.
5
Hoofdstuk 2 Armoede(bestrijding) in Rhenen 2.1.
Inleiding
In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we armoede definiëren, wie risico lopen op armoede, wat gevolgen zijn van armoede, een beeld van de armoede in Rhenen, hoe gemeente Rhenen armoede bestrijdt, waarom we voor deze aanpak kiezen en wat we concreet doen aan armoedebestrijding. 2.2.
Wat is armoede?
Armoede is het gemis aan allerlei zaken die door de samenleving als noodzakelijk worden gezien en waarbij het gemis veroorzaakt wordt door onvoldoende inkomen en vermogen. Wat als noodzakelijk wordt beschouwd is onderwerp van voortdurende discussie, maar hieronder vallen in ieder geval: • basale levensbehoeften zoals voeding, kleding en huisvesting • niet of nauwelijks vermijdbare kosten, zoals verzekeringen • sociale participatie, zoals deelname aan sociale, sportieve en/of culturele activiteiten 2.3.
Wie lopen risico op armoede?
Het CBS1 spreekt van een huishouden met een laag inkomen of van een huishouden met risico op armoede bij een inkomen onder de lage-inkomensgrens. In 2022 was deze grens netto per maand: • voor een alleenstaande: € 1.200 • voor een paar: € 1.690 • voor een paar met twee minderjarige kinderen: € 2.300 • voor een éénoudergezin: € 1.830 Eenoudergezinnen, alleenstaanden tot aan de AOW-leeftijd, huishoudens met een niet-Europese herkomst, bijstandsontvangers, laagopgeleiden en 55- tot 65jarigen zijn groepen die van oudsher kampen met een relatief hoog risico op (langdurige) armoede 2. 2.4.
Wat zijn gevolgen van armoede?
Armoede tast (natuurlijk) het economisch kapitaal van mensen aan, maar ook het mentaal, pedagogisch, sociaal en cultureel kapitaal3. Hieronder beschrijven we wat we verstaan onder deze kapitalen: 1. Economisch kapitaal: de economische middelen die mensen tot hun beschikking hebben, hun huishoudinkomen en vermogen. In het geval van mensen in armoedesituaties is hun economisch kapitaal beperkt of negatief, veelal kampen ze met (problematische) schulden. 2. Mentaal kapitaal: het zelfvertrouwen, de wilskracht en veerkracht van mensen om optimaal gebruik te maken van hun talenten, vaardigheden én beperkingen, in het bijzonder bij situaties van tegenslag zoals het geval is bij armoede. 3. Sociaal kapitaal: de relaties, contacten en sociale netwerken waarover personen beschikken. Denk aan familie, vrienden, buren (nabuurschap), lotgenoten, mentoren/maatjes, studie-, werk- en vrijetijdscontacten. 4. Pedagogisch kapitaal: de sterkte van de pedagogische omgeving waarin kinderen opgroeien. De stabiliteit van het gezin behoort daartoe, zo ook de pedagogische competenties van ouders, 1
https://longreads.cbs.nl/armoede-en-sociale-uitsluiting-2023/ https://longreads.cbs.nl/armoede-en-sociale-uitsluiting-2023/ 3 https://www.movisie.nl/sites/default/files/2021-01/Uit-de-duivelskring-van-armoede.pdf 2
6
hun vermogen om waar nodig (in)formele hulp, ondersteuning en advies te organiseren, maar ook de omgeving buiten de thuissituatie, zoals de school, peergroup, buurt en clubjes (‘it takes a village to raise a child’). 5. Cultureel kapitaal: de sociale vaardigheden, soft skills, ‘21e eeuwse vaardigheden’, communicatieve vaardigheden, sociale etiquette (‘hoe het hoort en gaat’) waarover personen beschikken, en het opleidingsniveau. De verschillende kapitaalvormen zijn niet zuiver van elkaar te onderscheiden (vooral sociaal, pedagogisch en cultureel) en overlappen elkaar deels. Deze indeling in kapitaalvormen laat zien hoezeer armoede breder samenhangt met het welzijn van mensen. Dat betekent twee dingen: 1. Ook wanneer de mogelijkheden om het inkomen van de inwoner te vergroten beperkt zijn, er toch een groter gevoel van welzijn kan worden bereikt door in te zetten op de andere kapitaalvormen; 2. Door in te zetten op de andere kapitaalvormen dan de economische, kan de negatieve spiraal van armoede worden doorbroken en alle mogelijkheden die nog bestaan binnen economisch kapitaal, beter worden benut. 2.5.
Armoede in Rhenen
Naar aanleiding van de Armoedescan Rhenen van het CBS (2022) vallen een aantal dingen op:
• •
Van de huishouders in Rhenen heeft 8,9% een inkomen onder 120% van het sociaal minimum. Bij 5,2% van deze huishoudens is dat al langer dan vier jaar zo. Dit ligt rond het gemiddelde van Nederland. Bij 3,7% van deze huishoudens is dat pas recent zo (zie figuur hieronder).
Inwoners Rhenen
Inwoners
Inwoners met langdurig laag inkomen
Inwoners recent onder 120%
In onderstaande grafiek belichten we de voornaamste inkomstenbron van de groep van 5,2% van de Rhenense huishoudens die langer dan vier jaar een inkomen heeft onder 120% van het sociaal minimum (hierna te noemen ‘een laag inkomen’). Dit wordt vergeleken met Nederland, Ede, Wageningen en Veenendaal.
7
Uit deze grafiek blijkt het volgende: • •
•
•
•
In Rhenen is 46% van de inwoners met een laag inkomen al met pensioen. Werk als weg uit armoede is voor hen geen mogelijkheid meer. In Rhenen heeft 19% van de inwoners met een laag inkomen een bijstandsuitkering als voornaamste inkomstenbron. Van de inwoners met een bijstandsuitkering kan het grootste gedeelte niet (volledig) meer werken vanwege een chronische ziekte of beperking. Ook voor hen geldt dat hierdoor werk niet of nauwelijks een weg uit armoede is. Zowel gepensioneerden als mensen met een chronische ziekte of beperking hebben bovendien vaker te maken met hogere (zorg)kosten. Voor beide groepen is daarom de vindbaarheid van regelingen en hulpaanbod, en de vereenvoudiging van dat aanbod van groot belang. Deze inwoners kunnen we maar moeilijk helpen naar een hoger inkomen. Inzetten op wegnemen/ondersteunen in kosten heeft meer kans van slagen. Inwoners met een uitkering die snel door werk kunnen uitstromen, zijn inmiddels uitgestroomd of worden naar werk begeleid. Voor de minderheid waarvoor op langere termijn een betaalde baan nog mogelijk is, hebben we de re-integratie instrumenten uit de Participatiewet en diverse mogelijkheden voor sociale participatie en vrijwilligerswerk. In Rhenen heeft 11,2% van de inwoners met een laag inkomen, inkomen uit arbeid. De groep ‘werkende armen’ is dus niet zo heel groot.
Overigens wil dat niet zeggen dat de inwoners uit andere categorieën helemaal geen inkomsten uit arbeid kunnen hebben, maar het is niet de voornaamste inkomstenbron
8
•
Zie kaartje hieronder. We zien de lage inkomens vooral in de wijken Rhenen, Rhenen Noord en Rhenen West, in mindere mate in Rhenen Oost, Elst, en Achterberg en in de andere wijken nog minder.
•
Binnen de groep inwoners met een laag inkomen is het aandeel inwoners met een herkomstland buiten Europa kleiner dan gemiddeld in zowel Nederland als de gemeenten om ons heen (22,9% in Rhenen vs. 31,7% in Nederland). Dat verschil is groter als wordt gekeken naar langdurig (langer dan 4 jaar) laag inkomen (19,8% vs. 31%). Rhenen is geen typische expat-gemeente – een groot deel van deze groep zijn statushouders en nieuwe Nederlanders. Rhenen heeft een gemiddeld aantal van deze inwoners, maar ze hebben hier dus minder vaak een laag inkomen dan landelijk. 2.6.
Hoe bestrijdt gemeente Rhenen armoede?
Om bij haar inwoners armoede te voorkomen, de pijn ervan te verzachten of ze te helpen uit de armoede te komen, werkt gemeente Rhenen, in lijn met eerdergenoemde aanbevelingen van Movisie, aan versterking van zowel hun economisch, mentaal, sociaal, pedagogisch als cultureel kapitaal. Hieronder beschrijven we onze visie hierop4: 1. Versterking van economisch kapitaal: •
Werk is de beste manier om uit de armoede te ontsnappen en het inkomen te verhogen (Hof, 1998; Van Geuns, 2013) voor groepen in armoede die in een situatie van (structurele) werkloosheid verkeren. Hun economisch kapitaal kan versterkt worden door hen te helpen bij het vinden van een reguliere baan die hun financiële armslag verruimt.
4 https://www.movisie.nl/sites/default/files/2021-01/Uit-de-duivelskring-van-
armoede.pdf 9
• •
•
• •
Werk heeft als bijkomend voordeel dat ook het sociaal kapitaal van mensen wordt aangeboord. Toch is werk niet altijd de beste remedie voor het bestrijden van werkloosheid en armoede. Aan de ‘onderkant’ ontvangen werkenden steeds vaker lagere lonen (Taylor-Gooby, 2013). Dat kan voor een deel verklaren waarom Nederland veel werkende armen heeft. Gowricharn (2000) wijst er verder op dat er een armoedeval kan optreden zodra mensen werk aanvaarden. Subsidies en andere inkomsten kunnen wegvallen of verlaagd worden waardoor de vooruitgang in arbeidsinkomen teniet wordt gedaan. Voor gepensioneerden is werk geen optie meer om aan een hoger inkomen te komen en dat geldt vaak ook voor mensen met een chronische ziekte of beperking. Er zijn verder wel banen voor lageropgeleiden, maar bijstandsgerechtigden kunnen het veelal fysieke, zware en monotone werk niet aan. Ook dienstverlenend werk is vaak te zwaar voor hen omdat het hoge eisen stelt aan sociale vaardigheden
2. Versterking van mentaal kapitaal: •
•
•
•
Mensen in armoede kunnen (tijdelijk) over onvoldoende mentaal kapitaal beschikken of zijn zich onvoldoende bewust van en onzeker over hun talenten. Mullainathan en Shafir (2013) wijzen in dit verband op de zogenoemde “psychologie van schaarste” die mensen gevangenhoudt in armoede. Het leven in armoedige omstandigheden en ervaren schaarste resulteert in een afname van de bandbreedte; het vermogen om aandacht op te brengen, om juiste beslissingen te nemen, om vast te houden aan plannen en om verleidingen te weerstaan. De opeenstapeling van belangrijke (geld)zorgen heeft een negatieve invloed op geduld, tolerantie, aandacht, toewijding en het geheugen. Ook gaan ervaringen van schaarste samen met onzorgvuldigheid, afwezigheid, impulsiviteit, kortzichtig gedrag en het maken van fouten. Mensen zijn psychologisch te zwaar belast om zich te oriënteren op doelen en taken die belangrijk zijn voor de langere termijn, maar niet als urgent aanvoelen. Hun focus ligt op dringende kwesties en korte-termijn belang om zo de eindjes aan elkaar te knopen en te overleven.
3. Versterking van sociaal kapitaal: •
•
• •
Mensen in armoede kunnen (tijdelijk) over onvoldoende mentaal kapitaal beschikken of zijn zich onvoldoende bewust van en onzeker over hun talenten. Mullainathan en Shafir (2013) wijzen in dit verband op de zogenoemde “psychologie van schaarste” die mensen gevangenhoudt in armoede. Het leven in armoedige omstandigheden en ervaren schaarste resulteert in een afname van de bandbreedte; het vermogen om aandacht op te brengen, om juiste beslissingen te nemen, om vast te houden aan plannen en om verleidingen te weerstaan. De opeenstapeling van belangrijke (geld)zorgen heeft een negatieve invloed op geduld, tolerantie, aandacht, toewijding en het geheugen. Ook gaan ervaringen van schaarste samen met onzorgvuldigheid, afwezigheid, impulsiviteit, kortzichtig gedrag en het maken van fouten. Mensen zijn psychologisch te zwaar belast om zich te oriënteren op doelen en taken die belangrijk zijn voor de langere termijn, maar niet als urgent aanvoelen. Hun focus ligt op dringende kwesties en kortetermijn belang om zo de eindjes aan elkaar te knopen en te overleven.
4. Versterking van pedagogisch kapitaal: •
Het opgroeien in armoede tast het pedagogisch kapitaal aan. Uit onderzoek is bijvoorbeeld bekend dat de relaties binnen gezinnen vaker onder druk staan. Armoede gaat namelijk vaker hand in hand met spanningen, ruzies, relatiebreuken, opvoedingsproblematiek, huiselijk geweld (Witte, 2011), waaronder ook kindermishandeling (RMO & RVZ, 2009).
10
•
•
Verder blijkt intergenerationele armoede vaak gepaard te gaan met opvoedingsproblematiek. Langdurige armoede resulteert in aanhoudende stress en dat belemmert ouders om het ouderschap en de pedagogische rol van opvoeder op een passende manier invulling te geven. Ze worden gekweld door zorgen en gevoelens van schuld, onzekerheid en tekortschieten. Sommige onderzoekers wijzen erop dat de opvoeding in situaties van generatiearmoede gekenmerkt wordt door een ‘cultuur van armoede’. Het idee van een cultuur van armoede is eind jaren vijftig geïntroduceerd door Oscar Lewis op basis van stedelijke onderzoeken onder armen in Mexico en Puerto Ricco. Hij beschreef deze cultuur als een adaptatie aan een objectieve marginale situatie, en dat deze aanpassing steeds weer opnieuw aan kinderen van volgende generaties doorgegeven wordt. Deze cultuur bestaat uit lage verwachtingen van hun kinderen, fysieke disciplinering, hard of inconsistent straffen en een beperkt geloof in hun eigen vermogen en invloedsfeer om hun kinderen te vormen en ontwikkelen (NJi, 2015; 2018).
5. Versterking van cultureel kapitaal: • •
•
2.7.
Hieronder verstaan we waarden- en normenpatronen die personen gevangen houden in uitkerings- en armoedesituaties. Cultureel kapitaal is niet gemakkelijk te scheiden van sociaal kapitaal en pedagogisch kapitaal. In onze uitleg van sociaal kapitaal hebben we gewezen op het belang van overbruggende contacten, dat wil zeggen contacten met andere kringen en netwerken, juist omdat die nieuw cultureel kapitaal kunnen opleveren: kennis en inzichten die iemand idealiter kan benutten om uit een situatie van armoede te komen. Ook met pedagogisch kapitaal is er een sterke overlap. Kinderen uit hogere milieus worden vaker voorgelezen, krijgen een boek in de Kinderboekenweek, gaan vaker naar sportieve en culturele activiteiten, spelen meer met vriendjes thuis of elders. Zij doen hierdoor op vanzelfsprekende wijze sociale vaardigheden op en komen zo ook in aanraking met betekenisvolle volwassenen.
Wat doet gemeente Rhenen concreet aan armoedebestrijding?
Hieronder beschrijven we concreet wat gemeente Rhenen, samen met veel vrijwilligers, doet om bij mensen met een laag inkomen armoede te voorkomen, de pijn ervan te verzachten of ze te helpen uit de armoede te komen:
1 2 3 4 5
6
Inzet gemeente Rhenen en vrijwilligers Cunerapas Jeugdfonds Sport & Cultuur Individuele Inkomenstoeslag Bijzondere bijstand Kwijtschelding gemeentelijke belastingen Brede ondersteuning van gedupeerden toeslagenaffaire
Versterking economisch kapitaal
Versterking mentaal kapitaal
Versterking sociaal kapitaal
Versterking pedagogisch kapitaal
Versterking cultureel kapitaal
✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓
11
8
Inzet gemeente Rhenen en vrijwilligers Collectieve ziektekostenverze kering Studietoeslag
9
Energieloket
10
Budgetloket
11
Noodfonds Rhenen Schuldhulpmaatje Rhenen Formulierenbrigad e Jobhulpmaatje
7
12 13 14 15 16
Buurtgezinnen Rhenen Cultuurcoach
17
Buurtsportcoach
18
Taalhuis
19
Taalmaatje
20
Taalcafé
21 22
Netwerk voor nieuwkomers Sociaal team
23
Jeugdteam
24
Welzijn Vierstroom Mozaïek Welzijn
25
Versterking economisch kapitaal
Versterking mentaal kapitaal
Versterking sociaal kapitaal
Versterking pedagogisch kapitaal
✓ ✓
✓
Versterking cultureel kapitaal
✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓
✓
✓ ✓
✓ ✓
✓ ✓ ✓ ✓ ✓
✓ ✓ ✓ ✓ ✓
✓ ✓ ✓
✓ ✓ ✓
✓ ✓ ✓
✓ ✓ ✓
✓
✓
✓ ✓ ✓
12
Hoofdstuk 3 Onze speerpunten bij armoedebestrijding tot 2030 3.1. Inleiding Uit voorgaande blijkt dat armoedebestrijding vele facetten kent. Het is mogelijk om binnen de huidige ontwikkelingen een veelheid aan speerpunten en projecten te benoemen. Dat zou echter de effectiviteit ervan ernstig beperken omdat we beperkt zijn in inzet en middelen. Het is daarom belangrijk ons te richten op enkele speerpunten en daar de meeste energie en aandacht aan te geven. Deze speerpunten vormen de kaders van onze armoedebestrijding tot 2030. De visie Sociaal Domein 2030 geeft al kaders om tot een beperking van het aantal speerpunten te komen. In de visie Sociaal Domein 2030 wordt genoemd dat we ons inzetten voor de Vijf Rhenense principes:
Op basis van deze principes is een zestal speerpunten benoemd. We hebben onze Denktank ‘Arm maar rijk aan ervaring’ vervolgens gevraagd om deze te ‘scoren’. Daarmee gaven we onze inwoners die dagelijks met ons armoedebeleid te maken hebben, een stem om de belangrijkste prioriteiten te benoemen. Drie speerpunten sprongen er volgens hen uit en met deze drie willen we verder als kaders van onze armoedebestrijding tot 2030 (zie ook bijlage 2: Advies van de Denktank). Deze speerpunten komen dus niet rechtstreeks voort uit het Plan van Aanpak Armoedebestrijding 2020-2022 of de evaluatie van dat plan van aanpak (2023). Maar het zoeken naar en ontwikkelen van ervaringsdeskundigheid heeft ertoe geleid dat inwoners zélf hebben meegedacht over de keuze van de speerpunten. Op deze manier zijn de speerpunten te beschouwen als een resultaat van Plan van Aanpak Armoedebestrijding 2020-2022 en de evaluatie van dat plan van aanpak. Onze drie speerpunten bij armoedebestrijding tot 2030 zijn de volgende: 1. Door de bomen het bos weer zien. We zetten in op een eenvoudiger en daardoor toegankelijker aanbod van informatie en hulp voor mensen met een laag inkomen.
13
2. Niets over ons zonder ons. We zetten in op het creëren van meer ruimte voor mensen die zélf ervaring hebben met het hebben van laag inkomen, om mede vorm te geven aan (de uitvoering van) onze armoedebeleid. Dat doen we door de Denktank ‘Arm, maar rijk aan ervaring’ door te ontwikkelen en het breder betrekken van mensen met een laag inkomen. 3. Voorkomen is beter dan genezen, maar het ziekenhuis is er niet voor niets. We zetten het maatwerkbudget structureel in om armoede gerelateerde problemen van inwoners op te lossen waarvoor geldt dat generieke hulp onvoldoende soelaas biedt. 3.2.
Speerpunt 1: Door de bomen het bos weer zien
(Bijstands)uitkering, schuldregeling, toeslagen, minimaregelingen…allemaal voorzieningen voor inwoners met een laag inkomen en/of schulden. Sommige regelingen lopen via de gemeente, andere via UWV en weer andere via de Belastingdienst. Elk vangnet en elke regeling heeft eigen voorwaarden en een eigen lijst met bewijsstukken die periodiek moeten worden aangeleverd, en zelden op hetzelfde moment. De hoeveelheid regelingen, het gebrek aan afstemming voor het aanleveren van bewijsstukken en de tijd die inwoners kwijt zijn aan het aanvragen en bijhouden van alle verplichtingen wordt als zeer, zeer belastend ervaren. Inwoners die afhankelijk zijn van deze regelingen zien door de bomen het bos niet meer. Dat moet eenvoudiger kunnen, in ieder geval voor die regelingen die binnen het bereik van de gemeente vallen. Daarop is dit speerpunt gebaseerd. Gemeente Rhenen heeft een uitgebreid pakket minimaregelingen, en er zijn veel actieve (vrijwilligers)organisaties. Dat is de kracht van onze gemeente; het is ook onze valkuil. Het aanbod is voor inwoners niet overzichtelijk en niet voldoende vindbaar juist omdat het zo groot en vertakt is. Bij dit speerpunt gaan we de komende jaren aan de slag om van ‘meer is beter’ te gaan naar meer focus en meer gebruikersvriendelijkheid. Zodat onze inwoners door de bomen het bos weer zien.
Wat gaan we doen? We gaan het aanbod van hulp en informatie voor mensen met een laag inkomen als volgt vereenvoudigen en daardoor toegankelijker maken: 1. Breder opzetten van het Informatiepunt Digitale Overheid (IDO). Er is een groot aanbod aan ondersteuning en informatie daarover beschikbaar, maar het is wijd vertakt en voor inwoners moeilijk te vinden. Het doel is om informatie meer centraal en meer volledig beschikbaar te maken, zodat inwoners snel bij de juiste informatie en hulp kunnen komen. Het Informatiepunt Digitale Overheid is een voorziening die we via de bibliotheek toch al aan moeten bieden; het ligt voor de hand dit punt door te ontwikkelen naar een breder informatiepunt. 2. Vereenvoudigen van het minimabeleid. Met ingang van het pasjaar 2024-2025 zijn de minimaregelingen die via de Cunerapas worden aangeboden een heel stuk vereenvoudigd. Een heel aantal budgetten zijn samengevoegd tot een overzichtelijk pakket: één budget voor volwassenen, één voor middelbare scholieren en één voor kinderen. We monitoren of deze aanpassingen ook echt het gewenste resultaat hebben. 3. Onderzoeken van andere mogelijkheden. Daarnaast zijn er nog meer punten waarop vereenvoudigd kan worden.
We onderzoeken of de aanvragen voor de Individuele Inkomenstoeslag en de Regeling Meerkosten Chronisch Zieken in een aantal situaties ambtelijk kan worden uitbetaald, zodat er niet ieder jaar een nieuwe aanvraag gedaan hoeft te worden wanneer de situatie van de inwoner onveranderd is gebleven.
14
Wanneer is het doel bereikt? 1. Als het voor inwoners duidelijker is waar ze terecht kunnen voor wat en als de drempel hierdoor lager is geworden. 2. We kunnen dit vragen aan inwoners, we kunnen dit zien aan het aantal inwoners dat zich aanmeldt voor de regelingen en aan de benutting van de regelingen. Waar toetsen we op? 1. Is er een centraal punt gekomen dat goed voorzien wordt van informatie? Hierin zijn we gedeeltelijk afhankelijk van maatschappelijke partners en vrijwilligersorganisaties om de informatie aan te leveren en actueel te houden. 2. Hoeveel inwoners komen er maandelijks bij dit punt? Hoeveel % komt voor informatie, hoeveel % wordt doorverwezen voor hulp? Hierin zijn we gedeeltelijk afhankelijk van maatschappelijke partners en vrijwilligersorganisaties om de informatie aan te leveren. Daarvoor zijn afspraken en nauwe samenwerking nodig. 3. Hoeveel mensen gebruiken de pas, is dat meer geworden of niet? Er is op dit moment al een hoog gebruik van de pas, met name doordat we de energietoeslag hebben gekoppeld aan de Cunerapas. Het bereik van de pas is daarmee verhoogd. We monitoren of dit ook hoog blijft. 4. Het percentage gebruik van de budgetten van alle kostensoorten die binnen de Cunerapas vallen. Mensen hebben recht op bepaalde financiële hulp en het is zonde als men geen gebruik maakt van waar men recht op heeft.
Er mag straks ook worden gespaard, en budgetten mogen breder worden besteed. Door het verminderen van de versnippering van de regelingen is de verwachting dat de uitnutting omhoog gaat. Dit gaan we dus ook monitoren. We zitten nu rond de 30% en zouden tevreden zijn als het naar 60% gaat. Dat is een gemiddelde, want een aantal regelingen worden beter benut dan andere. Bovendien kan het zijn, door de mogelijkheid om te sparen, dat budgetten in de eerste één of twee jaar juist minder worden benut, om vervolgens in het laatste jaar volledig te worden ingezet. Daarom is monitoring op de langere termijn nodig om dit goed te kunnen duiden. 3.3.
Speerpunt 2: Niets over ons zonder ons
Bij beleid in relatie tot armoedebestrijding is de belangrijkste partij de inwoner zélf. Zij hebben er immers zelf belang bij, voor hen maken we dit beleid dat direct en concreet hun leven raakt. Het kan niet genoeg worden benadrukt dat we dat altijd voor ogen moeten houden. Hun inbreng is daarom onmisbaar om goed beleid te maken dat hen ook daadwerkelijk ondersteunt. Voor ervaringsdeskundigheid is ook landelijk veel aandacht en wordt gezien, zeker onder invloed van het boek ‘Armoede uitgelegd aan mensen met geld’ van Tim ’s Jongers, als de beste manier om armoede te bestrijden. Een onderdeel uit het Plan van Aanpak Armoedebestrijding 2020-2022 was daarom de oprichting van de Denktank ‘Arm, maar rijk aan ervaring’. We hebben hiertoe de afgelopen jaren inwoners die ervaring hebben met een laag inkomen gezocht en bij elkaar gebracht. Naast de Denktank staan onze vrijwilligersorganisaties en maatschappelijke partners. Zij ondersteunen onze inwoners met een laag inkomen en zijn vaak ook goed op de hoogte van de problemen waar deze inwoners tegenaan lopen. Hun input is daarom ook waardevol voor ons als gemeente. De Formulierenbrigade helpt bijvoorbeeld veel inwoners met aanvragen, en is dus bij uitstek in staat de trends en knelpunten te zien bij deze aanvragen. Zij doen ze immers regelmatig. Veel van onze vrijwilligersorganisaties komen op voor de belangen van de inwoners.
Maar ze spreken (meestal) niet uit eigen ervaring met het hebben van een laag inkomen. Ervaringskennis en ervaringsdeskundigheid hebben is iets anders. Deze twee groepen staan niet tegenover elkaar, maar naast elkaar. Als gemeente hebben we de input van beide nodig. De afgelopen tien jaar hebben we veel geïnvesteerd in de band tussen gemeente en vrijwilligersorganisaties. Nu investeren we in de band met de derde partij, de inwoners zelf.
15
De denktank bestaat op dit moment (nog) niet volledig uit ervaringsdeskundigen, maar vooral nog uit mensen met ervaring of ervaringskennis. Een kleine excursie: wat bedoelen we precies met ervaring, ervaringskennis en ervaringsdeskundigheid? •
Ervaring. Iedereen heeft bepaalde ervaringen door hun specifieke situatie. Er is dus ook een groep die ervaring heeft met armoede. Zij kunnen iets over hun ervaring vertellen. Dat zijn de verhalen uit de ‘rauwe werkelijkheid’, zoals de Landelijke Cliëntenraad dat heeft genoemd. Het verhaal van inwoners met ervaring is krachtig en vaak indrukwekkend. Het nodigt anderen, zoals bestuurders en beleidsmedewerkers, binnen in de leefwereld van de inwoner. Dat is ook de belangrijkste kracht: als kijkje in de leefwereld van de inwoner, zodat bestuur en beleid iets kan leren over de rauwe werkelijkheid waar deze persoon iedere dag mee te maken heeft. Het geeft bestuurders en beleidsmedewerkers de kans de urgentie tot zich door te laten dringen.
•
Ervaringskennis. Een inwoner met ervaringskennis heeft zelf in een bepaalde situatie gezeten en kan daar uit eigen ervaring over vertellen. Maar een inwoner met ervaringskennis is ook in staat hun eigen ervaring binnen een groter verband te plaatsen. Een inwoner met ervaringskennis richt zich minder op het schetsen van de rauwe werkelijkheid, maar gaat aan de slag met het inzichtelijk maken van de situatie. Deze persoon kan signalen verzamelen en structurele problemen aangeven binnen beleid. Bestuur en beleid kunnen hun voordeel doen met deze signalen om problemen te in kaart te brengen en – samen met inwoners – een oplossing te zoeken.
•
Ervaringsdeskundigheid. Een ervaringsdeskundige beschikt niet alleen over ervaringskennis, maar heeft ook een aantal vaardigheden opgedaan. De eigen ervaring is verwerkt en heeft een plek gekregen. De ervaringsdeskundige heeft gedegen algemene kennis over het onderwerp waar hun ervaring ligt. De ervaringsdeskundige heeft vaardigheden opgedaan om bijvoorbeeld lessen, presentaties, lezingen en trainingen te geven. Een voorbeeld hiervan buiten armoede: een autistische psycholoog die ervaringsdeskundig is en daardoor juist goed autistische cliënten kan begeleiden, moet nog steeds een opleiding tot psycholoog hebben gedaan voor algemene kennis en kunde.
Zowel ervaring, ervaringskennis en ervaringsdeskundigheid zijn van waarde binnen de gemeentelijke organisatie. Elk speelt een eigen rol, waardoor het van belang is zorgvuldig te zijn in hoe en waar wat wordt ingezet. Deze onderverdeling sluit geen enkele inwoner uit. Het is niet nodig om ervaringsdeskundige te zijn of gedegen ervaringskennis te hebben om mee te praten. Iedere inwoner heeft ervaring. De afgelopen twee jaar heeft de Denktank ‘Arm, maar rijk aan ervaring’ zich doorontwikkeld tot een volwassen groep. Daarmee hebben voor het eerst nadrukkelijk de inwoners die het betreft ook deelgenomen aan het tot stand komen van de speerpunten en dit beleidsplan. De inzet van deze groep inwoners heeft op verschillende vlakken positieve resultaten met zich meegebracht: 1. Beleid kan beter worden afgestemd op de doelgroep; 2. De leden van de denktank rijgen de kans te participeren en zich te ontwikkelen; 3. Door bewust de inwoners zelf mee te nemen in projecten rondom uitvoering (zoals het aanpassen van de website voor de Cunerapas) wordt dit gebruikersvriendelijker voor hen. Dit komt de zelfredzaamheid van inwoners ten goede; 4. Lotgenotencontact speelt een rol in het doorbreken van schaamte en het zelf organiseren van onderlinge ondersteuning. Op deze resultaten willen we verder inzetten.
16
Wat gaan we doen? 1. De Denktank ‘Arm maar rijk aan ervaring’ is in ontwikkeling. Zowel de individuele leden als de groep als geheel. De groep heeft, o.a. door een serie workshops verzorgd door Movisie en Zorgbelang Gelderland, inzicht gekregen in hoe zij hun ervaringen kunnen inzetten, hoe zij ervaringen van anderen kunnen ophalen en gebruiken en hoe zij deze kennis en ervaringen kunnen omzetten in advisering – in de breedste zin van het woord. De Denktank zelf is al behoorlijk divers, maar zoeken naar wegen waarop een zo diverse groep inwoners hun stem kan laten horen blijft altijd een aandachtspunt. 2. Naast de Denktank is het ook belangrijk om met enige regelmaat een zo groot mogelijke groep inwoners te spreken en betrekken. Wanneer is het doel bereikt? 1. De Denktank staat als vaste groep en aanspreekpunt voor zowel gemeente als partners. Ze nemen onder onze maatschappelijke partners een gelijkwaardige plaats in. Naast, en via, de Denktank is het contact met de grotere groep inwoners met een laag inkomen toegenomen. 2. Door lotgenotencontact en meer inspraak is het sociale netwerk en zelfredzaamheid van inwoners vergroot. Waar toetsen we op? 1. Doorontwikkeling Denktank.
Dit is belangrijk om een permanente vertegenwoordiging van inwoners te hebben die mee kan denken: • De Denktank heeft 8-12 leden vanuit een diverse achtergrond • De Denktank wordt betrokken bij ontwikkeling en evaluatie van beleid en uitvoering op het gebied van armoedebestrijding. Bij beleidsstukken zit een bijlage met advies/input van de Denktank. Bij bijeenkomsten over uitvoering van bijvoorbeeld minimabeleid zijn leden van de Denktank aanwezig. • De Denktank krijgt jaarlijks tenminste één workshop aangeboden over een voor hen relevant onderwerp. Dit kan zijn via een externe partij, maar ook via lokale Welzijnsorganisaties en vrijwilligersondersteuning. 2. Breder betrekken van de hele groep inwoners met een laag inkomen . Deze groep is moeilijk te bereiken via standaard participatiebijeenkomsten: • Het is daarom van belang om participatiebijeenkomsten voor hen toegankelijker te maken. Vaak gaat het nu nog teveel óver deze groep wat niet uitnodigend is om aanwezig te zijn. Daarnaast is het belangrijk om als gemeente zelf naar deze groep toe gaan. • Het is de wens dat het aantal inwoners uit deze groep dat naar bijeenkomsten over bijvoorbeeld minimabeleid komt, is toegenomen. Aan het begin van elke bijeenkomst wordt standaard kort uitgevraagd in welke rol de deelnemers aanwezig zijn zodat een inschatting in % kan worden gemaakt hoe groot de groep inwoners is.
In 2024 en 2025 spreken we naast de Denktank tenminste vijftig andere inwoners uit deze groep over hun ervaringen 3.4.
Speerpunt 3: voorkomen is beter dan genezen
1. Structurele inzet van het maatwerkbudget Er zijn huishoudens met armoede voor wie de reguliere regelingen en budgetten onvoldoende soelaas bieden. Voor hen is er het maatwerkbudget. Vaak gaat het hierbij om medische problemen, multi problematiek, maar ook korte relatief makkelijk op te lossen blokkades waardoor ruimte ontstaat voor groei van inwoners. Concrete voorbeelden van de inzet van het maatwerkbudget waren de afgelopen jaren:
17
•
• •
Een inwoner die alleen vanwege schaamte over de slechte toestand van zijn gebit, niet durfde te solliciteren. Dat was het enige dat tussen de inwoner en een betaalde baan in stond. De tandartskosten zijn betaald van het maatwerkbudget. Voor drie huishoudens zijn eenmalige kosten vergoed om te voorkomen dat begeleiding van de kinderen moest worden stopgezet. In twee gevallen zijn reiskosten vergoed zodat een ingezet en kansrijk traject doorgang kon vinden en niet zou vastlopen op de reisafstand.
Uit de evaluatie is gebleken dat het maatwerkbudget goed kan werken als preventie of als manier om inwoners te helpen hun situatie duurzaam te verbeteren. Per jaar is €15.000 beschikbaar. De beleidsadviseur bestaanszekerheid en een medewerker vanuit Jeugdteam en Sociaal Team beoordelen de binnengekomen verzoeken en kijken daarbij ook breder of alle voorliggende voorzieningen worden benut. 2.We zorgen voor goede informatievoorziening en uitwisseling van informatie met maatschappelijke partners De (vrijwilligers)organisaties die zich bezighouden met ondersteuning bij een laag inkomen worden uiteraard op de hoogte gehouden van nieuwe ontwikkelingen en veranderingen. Zij weten elkaar ook goed te vinden om informatie uit te wisselen. De organisaties die niet specifiek zich richten op armoede, maar wel een belangrijke maatschappelijke functie hebben – zoals bijvoorbeeld Buurtgezinnen, de bibliotheek etc – zijn sleutelfiguren in het doorverwijzen van de mensen die zij tegenkomen naar de juiste plek voor ondersteuning. Daarom is het belangrijk dat ook zij toegang hebben tot de juiste actuele informatie.
Wanneer is dit doel bereikt? Als mensen eerder binnenlopen met hun problemen en ze eerder geholpen worden. Hoe weten we of dit lukt? • • •
Is de drempel om hulp te vragen lager? Zien we meer mensen bij laagdrempeliger hulpaanbod? Worden deze mensen snel geholpen? Worden ze warm overgedragen naar de plek waar ze moeten zijn voor ondersteuning? Maken mensen meer gebruik van regelingen waar ze recht op hebben? Niet alleen onze eigen gemeentelijke regelingen, maar ook toeslagen etc?
Waar toetsen we op? •
Wij krijgen de jaarverslagen van Hulpmaatje, Jeugdfonds, bibliotheek en een aantal andere organisaties. In de jaarverslagen wordt gerapporteerd hoeveel inwoners er deel hebben genomen/zich aangemeld hebben voor ondersteuning.
18
Hoofdstuk 4 Hoe werkt gemeente Rhenen aan basisvaardigheden? 4.1. Inleiding In dit hoofdstuk leest u wat we verstaan onder basisvaardigheden, hoe we de urgentie zien van aandacht voor basisvaardigheden, hoe gemeente Rhenen werkt aan de basisvaardigheden van haar inwoners en waarop we de komende jaren zullen focussen. 4.2. Het belang van basisvaardigheden Onder basisvaardigheden verstaan we lezen schrijven, rekenen en digitale vaardigheden. Basisvaardigheden staan volop in de belangstelling. Het blijkt dat in Nederland 2,5 miljoen inwoners moeite hebben mee te komen op één of meer van deze onderdelen. Bekend is natuurlijk dat de snelle digitalisering van de samenleving voor ouderen soms moeilijk is bij te benen, maar ook voor andere inwoners kan het een uitdaging zijn. Onze samenleving vraagt veel van mensen. Op dit moment is het zo dat we iedereen met een opleiding onder MBO niveau 3 beschouwen als inwoners met een risico op onvoldoende basisvaardigheden om te kunnen voldoen aan de eisen die de samenleving aan mensen stelt. Het gemiddelde % inwoners die over onvoldoende basisvaardigheden beschikken ligt in Rhenen voor de regio relatief laag op zo’n 5%. Landelijk is het gemiddelde 12%.
Landelijk zijn er wel nogal wat verschillen te zien:
19
4.3. Hoe werkt gemeente Rhenen aan de basisvaardigheden van haar inwoners? Op dit onderwerp werken we op verschillende niveaus met elkaar samen: Regionaal: 1. WEB regio FoodValley: gezamenlijk inkopen formeel taalaanbod, samenwerking informeel taalaanbod, regionale projecten. 2. Bibliotheek Z.O.U.T/Taalhuis. Wij subsidiëren deze en vanaf 2025 ligt de zorgplicht voor de bibliotheek als wettelijke taak bij ons als gemeente. Lokaal Lokaal vertaalt de inzet van de regionale projecten zich in, en daarnaast zijn er een aantal specifiek lokale activiteiten. Voor het formele taalaanbod was het lang zo dat de kleinere gemeenten in de regio geen eigen groep hadden. Rhenense inwoners moesten naar Veenendaal of Ede. Daardoor liep de wachtlijst op, omdat dit voor veel mensen niet haalbaar was. Na overleg met NLtraining start er dit jaar ook een groep in Rhenen. Vanuit het Taalhuis worden er activiteiten georganiseerd als Klik&Tik (digitale vaardigheden) en het informele taalaanbod. Daarnaast zijn er onder andere de huiswerkgroepen, de Voorleesexpres voor kleinere kinderen en hun ouders,
4.4. Onze focus de komende jaren De groep inwoners met Nederlands als tweede taal is in beeld en er is ruim aanbod voor hen. Natuurlijk blijven we inzetten op verbetering, maar de komende jaren richten we ons vooral op de groep die we niet in beeld hebben en waar we nog geen geschikt aanbod voor hebben; de inwoners met onvoldoende basisvaardigheden, maar die Nederlands als moedertaal hebben – vaak afgekort tot NT1 (Nederlands als eerste taal). We hebben deze groep slecht in beeld. Dat geldt niet alleen voor Rhenen, dat is landelijk zo. Er zijn programma’s die zich richten op het vinden van deze groep met aanbod om basisvaardigheden te vergroten, maar in de praktijk van andere gemeenten is gebleken dat deze programma’s er niet voldoende in slagen hen te vinden en het aanbod vaak niet goed aansluit bij de behoefte. Daarom kiezen we ervoor op dit moment niet te werken met een bestaand, aanbodgericht programma, maar eerst in te zetten op het vinden van deze inwoners en met hen samen te
20
onderzoeken waar zij behoefte hebben qua ondersteuning. Dit heeft een sterke samenhang met het tweede speerpunt bij armoedebestrijding: Niets over ons zonder ons. Wat we wel weten: •
•
• •
De groep is hoogstwaarschijnlijk niet homogeen. We weten dat onder ouderen zeker digitalisering een aandachtspunt is, maar ook geletterdheid. Tegelijk is er ook steeds meer zorg over jongeren die van school komen met onvoldoende niveau in lezen, schrijven en rekenen. Die wel met een mobiel om kunnen gaan, maar vastlopen bij bijvoorbeeld een DigiD aanvragen. Omdat de groep waarschijnlijk niet homogeen is, ligt het niet voor de hand dat er een ‘one size fits all’ aanbod is dat voor iedereen geschikt is. Ook zal de behoefte per groep en per inwoner verschillen. Er is een grote overlap met armoede. Een deel van de groep heeft een baan, maar zit meestal vast in laag betaald werk. Onvoldoende basisvaardigheden werkt vaak generaties door. Daarom is het belangrijk om in contact te komen met zowel ouders als kinderen, en te kijken welke ondersteuning we kunnen bieden.
Wat is het doel? Bij dit speerpunt zijn er minder concrete indicatoren en doelen omdat we nog helemaal aan het begin van het proces staan. We moeten de groep eerst vinden en de behoefte uitvragen. Dat is op dit moment het doel. Regionaal start in 2025 de Taalambassade FoodValley, een project dat hier mee samenhangt. Stappenplan: 1. In kaart brengen wat er in Rhenen al bestaan aan activiteiten op gebied van basisvaardigheden en waar er nog gaten liggen. 2. Voor zover mogelijk in kaart brengen wat we weten over de NT1 groep. 3. Voor bestaanszekerheid hebben we al een groot aantal contacten en vindplaatsen. Die zetten we in om ook deze inwoners te vinden. 4. We vergroten de kennis over het signaleren van mogelijk onvoldoende basisvaardigheden bij onze maatschappelijke partners op gebied van bestaanszekerheid, mantelzorgers en senioren. 5. We werken nadrukkelijk vraaggericht: we zoeken eerst de inwoners en vragen dan bij hen uit waar zij behoefte aan hebben. Tegelijk zorgen we ervoor dat er zo snel mogelijk in een ondersteuningsvraag kan worden voorzien. 6. We evalueren jaarlijks.
21
Hoofdstuk 5 Monitoring, evaluatie en financieel 5.1.
Inleiding
In dit hoofdstuk leest u hoe we de uitvoering van dit beleidsplan gaan monitoren en evalueren. Tot slot vindt u het financiële plaatje. 5.2.
Monitoring
We gaan monitoren op bovengenoemde doelen met behulp van genoemde indicatoring. Zo maken we de voortgang van de uitvoering inzichtelijk, is het mogelijk om tijdig bij te sturen indien nodig en krijgen we mogelijk al de eerste signalen over de effecten van het beleid. De gemeenteraad ontvangt jaarlijks een informatienota met een stand van zaken. 5.3.
Evaluatie
In 2027 volgt een tussentijdse evaluatie die gedeeld wordt met de gemeenteraad. Dit evaluatiemoment valt samen met het eerste moment waarop de minimaregelingen in de nieuwe vorm echt goed geëvalueerd kunnen worden. Het heeft daarom de voorkeur de jaarlijkse stand van zaken en de tussentijdse evaluatie zoveel mogelijk aan te sluiten op andere geplande evaluatiemomenten. 5.4.
Financieel
Een eerlijke analyse. Er zijn een aantal factoren die armoede voorkomen, verlichten of ontsnapping aan armoede mogelijk maken:
• • • •
Gedegen armoedebeleid, o.a. minimaregelingen en een breed toegankelijk hulpaanbod dat is gebaseerd op de meest recente inzichten over armoede; Inwoners die durven meedenken en meepraten over waar zij tegenaan lopen werken mee aan effectiever beleid dat beter bij hun situatie past; Inwoners die mee durven praten en denken komen in contact met andere inwoners in eenzelfde situatie. Dit doorbreekt schaamte en vergroot het sociale netwerk; Zelfredzaamheid* vereist dat inwoners ook ervaren dat zij controle hebben over hun leven en hun keuzes. Die controle en keuzes moeten geboden en/of gefaciliteerd worden.
Al deze factoren dragen eraan bij dat inwoners uiteindelijk structureel hun (financiële) situatie kunnen verbeteren. De verwachting is dat daardoor op langere termijn hulpvragen in een eerder stadium binnenkomen en met minder ingrijpend hulpaanbod kan worden volstaan. Dit vraagt wel in eerste instantie om een investering in zowel armoedebeleid als het vergroten van de inzet van ervaring en ervaringsdeskundigheid van inwoners. Deze bedragen zijn ook opgenomen in de Perspectiefnota 2024.
Subsidie
Eigen begroting gemeente
22
Wettelijk verplicht vanaf 2025: Bibliotheek/Taalhuis incl. IDO (420.000) Niet wettelijk verplicht: Huiswerkgroepen (11.000) Hulpmaatje (51.000) Jeugdfonds Sport en Cultuur (25.000) Zomerfestival (1800 in 2024)
Niet wettelijk verplicht: Maatwerkbudget (15.000) Ervaringsdeskundigheid (20.000) Minimaregelingen (300.000)
23
24