CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 Bijlagen behorende bij de toelichting bestemmingsplan Achterberg West fase 2

Raadsvergadering 10 december 2024, gemeente RhenenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigd vaststellen Bestemmingsplan Achterberg West fase 221.809 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bijlagen bij toelichting

bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01

67

Bijlage 1

Aanmeldnotitie m.e.r.

bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01

68

Aanmeldnotitie m.e.r. ACHTERBERG WEST ACHTERBERG

info@ad-fontem.nl

www.ad-fontem.nl

A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S

074 255 7020

Aan Gemeente Rhenen Postbus 201 3910 AE RHENEN

Borne, 6 november 2024

Ons kenmerk

22AF025

Bijlagen

--

Betreft

Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling woningbouwlocatie Achterberg West, Achterberg

Geacht college,

Wij zijn bezig met het opstellen van een bestemmingsplan voor woningbouw aan de westzijde van Achterberg (plan Achterberg West). Hierbij zal het aantal woningen per saldo toenemen. Sinds 2017 is een aanmeldnotitie nodig wanneer er sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit geldt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., maar onder de drempelwaarde blijven (en daarmee niet planMER-plichtig zijn). Het heeft niet alleen betrekking op een bestemmingsplan, maar ook op bijvoorbeeld een omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijking. Er is geen ondergrens wat betreft het plan zelf, dus ook bij het ontwikkelen van klein ruimtelijk is een aanmeldnotitie nodig.

Kenmerken van het betreffende project In Achterberg is voor de komende tien jaren behoefte aan nieuwbouwwoningen. Het huidige woningaanbod is zeer beperkt en kan voor de middellange termijn niet in de behoefte voor (nieuwbouw)woningen voorzien. Het totale plangebied bestaat uit een ontwikkeling van 111 woningen. Hiervan gaat het om twee bestaande woningen aan de Cuneraweg 243 en Bovenweg 22. Daarnaast vindt voor één woning vervangende nieuwbouw plaats. Per saldo gaat het derhalve om een toevoeging van 108 woningen.

Het woningbouwprogramma bestaat uit 69 rijwoningen, 18 twee-onder-één-kapwoningen, 9

Op basis van het geldende bestemmingsplan is deze woningbouw niet mogelijk, daarvoor is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het planologisch – juridisch kader voor deze ontwikkeling.

A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S

vrijstaande woningen, 6 appartementen en 6 bebo-woningen.

Figuur 1: toekomstige situatie Achterberg West In het gebied is tussen de woningen en aan de westzijde van het plan groenvoorzieningen beoogd in combinatie met waterhuishoudkundige voorzieningen, infrastructuur en parkeervoorzieningen. Daarmee is de beoogde ontwikkeling op een kwalitatief goede wijze in te passen en voldoende rekening gehouden met de omgeving.

Plaats van project Het plangebied ligt aan de noordzijde van de kern Achterberg, aansluitend aan de bestaande

644, 793, 2992, 3600, 4096, 4356, 4460, 4478, 4482, 4911, 4912, 4915, 5084, 5085, 5129 en 5152.

Kenmerken van de potentiële effecten Zoals is aangegeven maakt het plan de realisatie van extra woningen mogelijk. Voor wat betreft de potentiële milieueffecten van de planontwikkeling zijn de volgende aspecten relevant. Gelet op het

A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S

bebouwing. De percelen zijn kadastraal bekend als gemeente Rhenen, sectie G perceelnummers 642,

feit dat voor de nieuwe woningen flexibele bouwmogelijkheden zijn opgenomen, geldt dat in de onderstaande milieueffecten gerekend wordt met de meest kwetsbare/milieubelastende kenmerken.

Verkeerseffecten en luchtkwaliteit Voor het plangebied binnen de gemeente Rhenen gelden de volgende uitgangspunten:

Verkeersgeneratie -

Stedelijkheidsgraad:

niet stedelijk

-

Zone:

rest bebouwde kom

In het plangebied wordt infrastructuur aangelegd voor het ontsluiten van de woningen. Het aantal extra verkeersbewegingen voor deze woningen is maximaal 778 (afgerond). De ontsluiting van de woonwijk op de Cuneraweg is ten westen van de kern Achterberg en kan op een afstand van 450 m aansluiten op de N322. Hiervoor hoeft het verkeer niet de kern te doorkruisen, waardoor er weinig aanwonenden de extra verkeersbewegingen ervaren. Door de maximumsnelheid van 30 km/uur en daarmee de lage snelheid van het heersende verkeer en extra verkeer, zal de verkeersveiligheid niet in het gedrang komen.

Door adviesbureau C2 Akrtch is nader in beeld gebracht hoe de verkeersafwikkeling van de woningbouwlocatie zal verlopen. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 16. De belangrijkste conclusies met betrekking tot het effect op bestaande routes en spoortunnels is als volgt: •

Bestaande routes: Geen van de gebruikte routes in Achterberg heeft nu en in de toekomst een intensiteit hoger dan 5.000 motorvoertuigen per etmaal. Het extra verkeer van en naar Achterberg-West tast daardoor in zijn algemeenheid nergens de (verkeers)leefbaarheid aan. Ook op de vrij smalle Uitweg-Bovenweg en Bovenweg voorzien we geen problemen, gelet op het geringe verkeersaanbod dat niet boven de 500 motorvoertuigen per etmaal uitkomt. Doordat de verkeersgeneratie minimaal is, is aanpassing van de Bovenweg- Uitweg niet noodzakelijk. Een verkeerskundige knip van de Bovenweg, zoals wordt voorgesteld in een zienswijze, is daarmee ook niet noodzakelijk;

•

Spoortunnels: De N233 is ter hoogte van de 2e poort voorzien van een aparte uitvoegstrook voor verkeer vanuit Veenendaal. Het adviesbureau voorziet hier, gelet op de geringe procentuele toename, geen problemen rondom de verkeersafwikkeling. Ter hoogte van de 1e Poort zijn geen uit- of invoegvoorzieningen getroffen op de N233. Dit lijkt op basis van de

situatie na realisatie van Achterberg-West, samen met de verantwoordelijk wegbeheerder (Provincie Utrecht), te monitoren.

Dit is passend binnen het bestaande wegennet.

A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S

toekomstige etmaal- en spitsuurintensiteiten ook niet nodig. Wel wordt geadviseerd om de

In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);

•

Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: •

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;

•

woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;

•

kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario, waarbij de verkeersgeneratie van de extra woningen én de verkeersgeneratie in het vigerende bestemmingsplan wordt betrokken, kan het aantal verkeersbewegingen op 778 per dag extra worden gesteld. Er zal in beperkte mate sprake zijn van

Figuur 2: worst-case berekening luchtkwaliteit vanwege extra verkeer (bron: Ad Fontem) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend

A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S

vrachtverkeer in het plangebied, waardoor het percentage vrachtverkeer op 2% gezet is.

onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Water Het plangebied heeft een bruto-oppervlakte van circa 56.900 m². Voor het plan is een berekening gemaakt van het verhard oppervlak, dat komt uit op 29.913 m². Voor het kunnen borgen van bui van 78 mm is een berekening gemaakt voor de benodigde waterberging, deze komt uit op 2.333 m³. Binnen het plangebied wordt gestreefd om al het afstromende hemelwater oppervlakkig af te laten voeren naar de daarvoor bestemde watergangen. Alleen bij de zorgwoningen wordt een hemelwaterriool aangelegd, omdat hier de afstanden naar de watergangen te groot zijn voor oppervlakkige afstroming. Voor het plangebied is de Watertoets Achterberg West opgesteld (d.d. 28 oktober 2024, projecnr. SLW230461503A). In het inrichtingsplan dat als bijlage 4 bij de rapportage is gevoegd, is weergegeven hoe de inrichting van het plangebied wordt vorm gegeven en hoe de wateropvang wordt geregeld. Met inachtneming van deze Watertoets en de geadviseerde maatregelen, heeft het woningbouwplan geen negatieve milieugevolgen voor de omgeving.

Geluid Voor het aspect geluid wordt gekeken naar de externe werking en gaat het om de vraag of de realisatie van onderhavig plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de omgeving. De beoogde functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving.

Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b. in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter.

c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh.

A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S

Deze zonering geldt niet:

Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de N233, op ten minste 72 m uit de wegas. De woningen op de locatie staan tevens op ten minste 8 m van de Cuneraweg. De Cuneraweg is een 30 km-weg zonder geluidzone. Om de geluidsbelasting te bepalen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Adviesbureau van der Boom BV (d.d. 16 september 2024, nr. 22-027).

De geluidbelasting door wegverkeer op de N233 bedraagt ten hoogste 49 dB na aftrek van 2 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt in één rekenpunt overschreden (rekenpunt 74). De maximale hogere waarde van 63 dB wordt niet overschreden. Maatregelen aan de bron zijn financieel niet haalbaar of niet haalbaar gezien het karakter van de weg. Maatregelen in de overdracht zijn stedenbouwkundig niet haalbaar. Voor de gevel in rekenpunt 74 (zie tabel III.2 van de rapportage) dient een hogere waarde van 49 dB te worden aangevraagd voor geluid door wegverkeer op de N233. De overige gevels van de woning zijn geluidluw voor wegverkeer.

Bestaande woningen Voor de geluidbelasting door wegverkeer op de bestaande woningen is een aanvullende notitie op het genoemde akoestische onderzoek gemaakt. In deze notitie is in aanvulling daarop berekend wat het effect is van de verkeersaantrekkende werking van de nieuwbouw op de geluidbelasting van de maatgevende bestaande woningen in de omgeving van de ontwikkeling. Berekend is het verschil in geluidbelasting in de huidige situatie en in de situatie na het realiseren van de nieuwbouw. Uit de berekeningen blijkt dat het verschil in geluidbelasting in de overige rekenpunten hooguit 1,3 dB bedraagt.

De toename van de geluidbelasting op de gevel van de woningen is geheel een gevolg van de toenemende verkeersintensiteit op de Cuneraweg. Dit is een 30 km weg zonder geluidzone. De geluidbelasting door 30 km wegen wordt niet getoetst aan de Wgh. Wel wordt de geluidbelasting getoetst aan een goed woon- en leefklimaat.

Railverkeerslawaai De locatie ligt binnen de geluidzone van de spoorlijn, op ten minste 32 m uit het spoor. Om die reden is met het akoestisch onderzoek tevens de geluidbelasting vanwege railverkeer bepaald. De geluidbelasting door railverkeer op de ontwikkeling bedraagt ten hoogste 62 dB. De voorkeursgrenswaarde van 55 dB wordt in 21 rekenpunten overschreden. De maximale hogere waarde

Maatregelen aan de bron zijn financieel niet haalbaar. Maatregelen in de overdracht zijn stedenbouwkundig niet haalbaar. Er dient voor de gevels van woningen met een geluidbelasting van meer dan 55 dB een hogere waarde te worden aangevraagd conform tabel IV.1 van de rapportage. De oostgevels van alle woningen zijn geluidluw voor railverkeer.

A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S

van 68 dB wordt niet overschreden. Er zijn hogere waarden voor railverkeer op deze locatie nodig.

Berekend is de gecumuleerde geluidbelasting in rekenpunt 78 met een relevante blootstelling voor beide geluidbronnen (hoger dan de voorkeursgrenswaarde). In de overige rekenpunten is of de geluidbelasting door wegverkeer of door railverkeer relevant. De geluidbelasting door railverkeer is in het hoogst geluidbelaste rekenpunt 78 hoger dan die door wegverkeer. De hoogste gecumuleerde geluidbelasting bedraagt 62 dB en is daarmee gelijk aan de geluidbelasting door railverkeer.

Bij het bepalen van de benodigde geluidwering mag geen aftrek plaatsvinden ex. artikel 110-g Wgh. De woningen ondervinden een geluidbelasting van ten hoogste 62 dB door railverkeer en van 56 dB zonder aftrek door wegverkeer.

Voor gevels met deze geluidbelasting bedraagt de benodigde karakteristieke geluidwering ten hoogste GA;k 29 dB door railverkeer conform tabel IV.1 van de rapportage. Voor de gevels met zowel een geluidbelasting door wegverkeer als door railverkeer kan worden uitgegaan van de gecumuleerde geluidbelasting zoals bepaald in tabel V.1 van de rapportage. De benodigde karakteristieke geluidwering bedraagt dan ten hoogste GA;k 29 dB bij een gecumuleerde geluidbelasting van 62 dB.

Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht.

Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Woningbouw betreft geen functie als gevolg waarvan bodemverontreiniging verwacht wordt.

bodemonderzoek en asbestonderzoek volgens NEN 5740 en NEN 5707 om ter plaatse de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen (De Klinker B.V., K21005981.2). Bij het verkennende bodemonderzoek is de onderzoekslocatie beschouwd als onverdacht. In totaal zijn er in het plangebied 54 boringen, 6 peilbuizen en 4 asbestgaten verricht. Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden:

A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S

Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is gebruik gemaakt van een verkennend

De bodem op de locatie bevat plaatselijk in de bovengrond sporen baksteen;

In de bovengrond zijn plaatselijk licht verhoogde gehalten minerale olie, PAK (10 van VROM), kwik, DDD (som) en lood aangetroffen;

In de ondergrond is plaatselijk een licht verhoogd gehalte PAK (10 van VROM) aangetroffen. De overige parameters zijn niet verhoogd aangetroffen;

In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten barium, koper en molybdeen aangetroffen;

Zowel visueel als analytisch is er geen asbest aangetroffen ter plaatse van de druppelzone;

Bij het aanvullend onderzoek naar de toplaag, zijn geen verhoogde gehalten OCB aangetroffen;

De hypothese dient verworpen te worden, echter de onderzoeksinspanning hoeft niet

aangepast te worden.

Slotconclusie Het terrein is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik (wonen met tuin). Voor het aspect 'bodem' blijft met onderhavig plan sprake van een goede ruimtelijke ordening.

Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening).

Natuurbank Overijssel heeft een quickscan voor de Wet natuurbescherming voor het plangebied uitgevoerd (d.d. 21 november 2023, projectnr. 4068). Met deze toetsing moet duidelijk worden hoe de ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de natuurbescherming.

Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming; Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking).

voorhand uitgesloten worden.

Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van

A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S

Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op

stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkel- en gebruiksfase. Overige negatieve effecten op Natura2000-gebieden kunnen wèl op voorhand worden uitgesloten.

Wettelijke consequenties m.b.t. soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust of verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Het plangebied vormt geen functioneel leefgebied voor beschermde reptielen en dag- en nachtvlinders.

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Het plangebied vormt geen functioneel leefgebied voor beschermde reptielen of beschermde dag- of nachtvlinders.

In de weide aan de oostkant van het plangebied staat een bezette ooievaarspaal. Aangezien het nest van een ooievaar jaarrond beschermd moet er voor het verplaatsen van de ooievaarspaal ontheffing aangevraagd worden. Van de andere in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien het plangebied bouwrijp gemaakt wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Om de betekenis van het plangebied voor huismussen en steenuilen vast te kunnen stellen, wordt

Er zijn in het plangebied geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een verblijfplaats in het plangebied bezetten. Om de aanwezigheid van een verblijfplaats volledig uit te kunnen sluiten, wordt geadviseerd aanvullend onderzoek te verrichten naar verblijfplaatsen van vleermuizen.

A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S

geadviseerd aanvullend onderzoek te verrichten.

Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende foeragerende diersoorten af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.

Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: • Stikstofberekening uitvoeren voor zowel ontwikkel- als gebruiksfase; • Ontheffing aanvragen voor verplaatsen ooievaarsnest; • Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels; • Geen beschermde grondgebonden zoogdieren of amfibieën doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken); • Aanvullend onderzoek uitvoeren naar verblijfplaatsen vleermuizen¹; • Aanvullend onderzoek uitvoeren naar functie van het plangebied voor steenuilen¹; • Aanvullend onderzoek uitvoeren naar nestplaatsen van huismussen in het plangebied¹ Deze aanvullende onderzoeken worden in een aparte rapportage gerapporteerd.

Stikstofdepositie Als gevolg van de realisatie en het gebruik van de woningen komt er NOx en NH3 vrij. Door uitvoering van de AERIUS berekening is aangetoond dat dit niet leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof of ammoniak. Het plangebied ligt op minimaal 1,91 km afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken. Om te bepalen of de ontwikkeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied,

Uit de berekening met de AERIUS Calculator (release 2024.0.1) is gebleken dat in de bouw- en gebruiksfase geen rekenresultaten berekend zijn die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee vormt stikstofdepositie geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S

is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd.

De Wet natuurbescherming vormt voor het aspect stikstof en ammoniak geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden.

Gezondheid De aanwezigheid van een intensieve veehouderij kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden. Uit het onderzoek Veehouderij Gezondheid Omwonenden (VGO) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is gebleken dat longontsteking vaker voorkomt bij mensen die in veedicht gebied wonen. Een deel van de longontstekingen is geassocieerd met het wonen in de buurt van een geitenhouderij. De oorzaak is niet duidelijk.

Met andere woorden: er is wetenschappelijk geen causaal verband aangetoond tussen een hogere incidentie van longontstekingen en geitenhouderijen in de omgeving. Bij de bespreking van jurisprudentie komen wij terug op de VGO-onderzoeken en het oordeel van de hoogste bestuursrechter.

Eind oktober 2020 kwam de GGD met de richtlijn 'Veehouderij en gezondheid'. De richtlijn gebruikt de GGD bij de advisering over ruimtelijke plannen. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen. De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer). Gevoelige bestemmingen zijn bijvoorbeeld woningen, scholen, en ziekenhuizen. Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen.

De GGD-richtlijn betreft een niet-dwingende aanbeveling en deze bevat geen harde normen. De richtlijn heeft geen bindende status. De GGD heeft niet willen uitsluiten dat er nieuwe woningen komen in de omgeving van geitenhouderijen. De GGD adviseert doorgaans aan gemeenten om in hun besluitvorming het risico van longontsteking zorgvuldig mee te wegen. Volgens de GGD is het risico op longontsteking het hoogst binnen een straal van 500 meter. Buiten die straal loopt het verhoogde risico af. Nu het causale verband tussen longontstekingen en geitenhouderijen niet is aangetoond, ontbreekt het inzicht in effectieve bronmaatregelen om gezondheidsrisico's te voorkomen.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) zijn aspecten van volksgezondheid, zoals de mogelijke besmetting van dierziekten vanwege nabijgelegen agrarische bedrijven, een belang dat de raad moet meewegen bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de AbRS van 19 oktober 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BT8561) en 10 september 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3335).

A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S

Jurisprudentie m.b.t. gezondheidsrisico's

Uit de jurisprudentie volgt verder dat de beoordeling van de aanvaardbaarheid van een gezondheidsrisico, primair een bestuurlijke taak is. In de uitspraak d.d. 14 oktober 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2442) overwoog de AbRS: 'Vanwege (onzekere) risico's kan uit voorzorg al dan niet worden besloten om maatregelen te nemen. Het beoordelen van een voor de maatschappij al dan niet aanvaardbaar risico in dit verband is echter primair een bestuurlijke taak.'

Toets De GGDrU heeft op 21 oktober 2022 haar advies uitgebracht over woningbouw in Achterberg. De GGD adviseert de gemeente Rhenen om in de besluitvorming het risico op longontsteking zorgvuldig mee te wegen. Hierin weegt de zeer beperkte afstand van de beoogde woningbouwontwikkeling (53 - 450 m) mee, alsook het aantal huishoudens en bewoners dat de ongeveer 100 woonbestemmingen zal betrekken. Met dit advies beoogt de GGD geen nieuwe of hogere gezondheidsrisco's te laten ontstaan totdat er meer duidelijkheid is over de te nemen maatregelen om dit risico te beperken.

De raad heeft zich rekenschap gegeven van de inzichten op het gebied van gezondheid en veehouderijen. Daarbij heeft de raad ook vastgesteld dat er op dit moment geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten zijn over de oorzaak van gezondheidsrisico's voor omwonenden van veehouderijen/geitenhouderijen. Er is weliswaar een verhoogde kans op longontsteking bij mensen die woonachtig zijn in de omgeving van geitenhouderijen, maar er bestaat nog geen duidelijkheid over de oorzaak daarvan.

Verder heeft de raad vastgesteld dat bij de verspreiding van fijnstof (inclusief endotoxinen, ammoniak en micro-organismen) en geur de windrichting een belangrijke rol speelt. In Nederland komt de wind vaak uit het zuidwesten. Met zuidwestenwind gaat de verspreiding van de emissies van de veehouderij/geitenhouderij niet richting de nieuwe woonwijk Achterberg west, maar juist de andere kant op.

Er is in de gemeente Rhenen een zwaarwegende, maatschappelijke en urgente behoefte aan nieuwe woningen. Woningbouwlocaties, zeker van een omvang van rond de 100 woningen, zijn in de gemeente Rhenen zeer beperkt aanwezig. Verder is de agrarische sector in Rhenen een van oudsher belangrijke sector. Rhenen is een veedicht gebied. Gelet daarop is het feitelijk onmogelijk om bij nieuwe

Om de hiervoor genoemde redenen heeft de raad besloten dat het urgente maatschappelijke belang van nieuwe woningbouw op deze locatie voorrang dient te krijgen, ondanks de aanwezigheid van de nabijgelegen veehouderijen en geitenhouderij. Daarbij hecht de raad eraan dat de bewoners van de nieuwe woonwijk te informeren over de nabijheid van deze bedrijven, zodat toekomstige bewoners een

A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S

woningbouw steeds de meeste strenge voorzorgsrichtlijnen in acht te nemen.

bewuste keuze maken voor hun mogelijke nieuwe woning. Alles afwegend besluit de raad dat de woningbouwontwikkeling in Achterberg West past binnen een goede ruimtelijke ordening.

Externe veiligheid Binnen het plangebied worden geen risicobronnen opgericht aangezien er enkel sprake zal zijn van woningbouw. Woningen betreffen geen objecten die relevant zijn als risicobronnen inzake externe veiligheid.

In figuur 3 is een uitsnede van de risicokaart opgenomen. Het plangebied is zwart omkaderd.

Figuur 3: Uitsnede risicokaart (bron: Risicokaart.nl)

Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen of buisleidingen aanwezig zijn. Op deze risicokaart is niet weergegeven dat er transport gevaarlijke stoffen is toegestaan over de N233.

Vanwege deze transportmogelijkheid is een rapportage opgesteld om inzicht te geven in de externe

Uit dit onderzoek komt het volgende naar voren. De planlocatie ligt binnen het invloedsgebied van een transportroute waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S

veiligheidsrisico's, zie (d.d. 2 augustus 2024 project 235546, AVIV).

Plaatsgebonden risico Er is geen sprake van een PR 10-6 contour rond de N233. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het plangebied.

Groepsrisico In zowel de huidige als toekomstige situatie is het groepsrisico gelijk aan 0.002 keer de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico is daarmee lager dan 10% van de oriëntatiewaarde en neemt niet toe. Dit betekent dat conform het Bevt in de toelichting bij het bestemmingsplan en in de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning alleen ingegaan dient te worden op (Bevt art. 7): 1

De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die transportroute, en

2

Voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die transportroute een ramp voordoet.

Het bestuur van de veiligheidsregio dient in de gelegenheid gesteld te worden om hierover advies uit te brengen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

Conclusie De activiteiten die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan ‘Achterberg West fase 2’ zijn, gelet op de kenmerken en de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, niet zodanig van invloed op het milieu dat een milieueffectrapportage moet worden doorlopen. Het voorstel is om het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rhenen op basis van deze notitie te laten besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is.

Hoogachtend, Namens onze opdrachtgever

Ad Fontem BV

A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S

G. Minkjan

Ad Fontem ruimtelijk advies

074 255 7020

Stationsstraat 37

info@ad-fontem.nl

01 7622 LW Borne

www.ad-fontem.nl

A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S

PLANSCHADERISICOANALYSE RIJKSWEG 127A, LIMMEN

Bijlage 2

Geurgebiedsvisie

bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01

86

GEURGEBIEDSVISIE ACHTERBERG WEST FASE 2 GEMEENTE RHENEN

1

De Roever Omgevingsadvies Rembrandtlaan 4 5462 CH Veghel T 073 594 10 11 E info@deroever.nl W www.deroever.nl NL97 RABO 0122 6903 11 Advies- en ingenieursbureau J.G. de Roever B.V. KvK 16068733 BTW NL 8015.63.136.B.01

Titel document: Referentie: Datum: Opdrachtgever:

Geurgebiedsvisie Achterberg West fase 2 20230839.v03 1 november 2024 Gemeente Rhenen

Geurgebiedsvisie Achterberg West fase 2 Datum: 1 november 2024 ; Referentie: 20230839.v03

2

LEESWIJZER Dit rapport doet verslag van het onderzoek naar een mogelijk knelpunt op het gebied van geurhinder van veehouderijen versus ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente Rhenen. Het mogelijk knelpunt heeft betrekking op het plangebied Achterberg West fase 2. Binnen het plangebied is woningbouw beoogd. In de omgeving van het plangebied liggen enkele veehouderijen. Ten aanzien van bovenstaande ontwikkelingen wordt beschreven of het noodzakelijk of wenselijk is dat de gemeente Rhenen de geurnormen of afstanden die gelden op grond van de Wet geurhinder en veehouderij aanpast voor het gebied waarop die ontwikkelingen invloed hebben. Om u de weg te wijzen door dit rapport, vindt u hier enkele leessuggesties. In hoofdstuk 1 lichten wij de doelstelling van deze geurgebiedsvisie toe. Hoe een geurgebiedsvisie en geurverordening past in het wettelijk kader beschrijven wij in hoofdstuk 2. De termen en achtergronden die in deze rapportage gebruikt worden beschrijven wij in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 behandelen wij de voorgrondbelasting, afstandscontouren en achtergrondbelasting van de betrokken veehouderijen. Dit doen wij voor de huidige bedrijfssituatie (volgens de vergunningen/meldingen) en voor de toekomstige (planologisch maximale) bedrijfssituatie.

In dit hoofdstuk maken wij een afweging tussen de huidige en de beoogde situaties en de consequenties voor de geurhinder in de omgeving. Daarbij doen wij een voorstel voor aangepaste geurnormen en/of afstanden. Bij het vaststellen van aangepaste geurnormen en afstanden moeten naast de huidige en toekomstige geursituatie nog andere criteria worden meegenomen. Deze worden afgewogen in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 wordt beoordeeld wat de consequenties zijn voor het hanteren van een andere waarde voor de ruwheidslengte in de geurberekeningen, aangezien er bebouwing binnen het rekengebied wordt toegevoegd. Ten slotte geven wij in hoofdstuk 7 de conclusie met betrekking tot aan te passen geurnormen en/of afstanden.

Geurgebiedsvisie Achterberg West fase 2 Datum: 1 november 2024 ; Referentie: 20230839.v03

3

INHOUDSOPGAVE 1. 2.

INLEIDING ....................................................................................................................................... 5 WETTELIJK KADER ...................................................................................................................... 6

2.1. 2.2. 2.3.

Wet geurhinder en veehouderij ................................................................................................... 6 Wijziging Activiteitenbesluit met betrekking tot landbouwactiviteiten .......................................... 6 Ruimtelijke plannen en geurhinder van veehouderijen ............................................................... 6

3.

UITGANGSPUNTEN EN ACHTERGRONDEN .............................................................................. 9

3.1. Uitgangspunten veehouderijen .................................................................................................... 9 3.2. Geuremissie en geurimmisie ....................................................................................................... 9 3.3. Verschillende beoordelingen ....................................................................................................... 9 3.3.1. Voorgrondbelasting.............................................................................................................. 9 3.3.2. Afstanden ........................................................................................................................... 10 3.3.3. Achtergrondbelasting ......................................................................................................... 10 3.4. 3.5. 3.6. 3.7.

Af te wegen normstellingen ....................................................................................................... 11 Geurbelasting versus geurhinder .............................................................................................. 11 Geurgevoelig object ................................................................................................................... 12 Bebouwde kom .......................................................................................................................... 13

4.

GEURBEOORDELING ................................................................................................................. 15

4.1. Afstanden ................................................................................................................................... 16 4.2. Voorgrondbelasting ................................................................................................................... 18 4.3. Achtergrondbelasting ................................................................................................................. 20 4.4. Beoordeling woon- en leefklimaat ............................................................................................. 23 4.4.1. Afstanden ........................................................................................................................... 23 4.4.2. Voorgrondbelasting............................................................................................................ 24 4.4.3. Achtergrondbelasting ......................................................................................................... 25 5. 6. 7.

OVERIGE CRITERIA BIJ HET BEPALEN VAN EEN ANDERE WAARDE ................................ 26 ALTERNATIEVE WAARDE RUWHEID ....................................................................................... 27 CONCLUSIE.................................................................................................................................. 28

BIJLAGE BIJLAGE BIJLAGE BIJLAGE BIJLAGE BIJLAGE BIJLAGE

I. II. III. IV. V. VI. VII.

AFSTANDEN ............................................................................................................. 29 VOORGRONDBELASTING ...................................................................................... 30 ACHTERGRONDBELASTING ................................................................................. 31 VEEHOUDERIJGEGEVENS .................................................................................... 32 GEURBEREKENING CUNERAWEG 150 EN LIJNWEG 21 FICTIEF ..................... 33 ALTERNATIEVE WAARDE RUWHEID ................................................................... 34 GEURBEREKENINGEN ALTERNATIEVE RUWHEID ........................................... 38

Geurgebiedsvisie Achterberg West fase 2 Datum: 1 november 2024 ; Referentie: 20230839.v03

4

1.

INLEIDING

In deze geurgebiedsvisie wordt onderzoek gedaan naar de (mogelijke) gevolgen van de standaard geurnormen en afstandseisen die in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn opgenomen en de wenselijkheid om lokaal geldende geurnormen en afstanden vast te stellen. Met de huidige geurnormen en afstandseisen uit de Wgv, kunnen ruimtelijke ontwikkelingen belemmerd of onmogelijk worden gemaakt door de aanwezigheid van veehouderijen in de omgeving. Daarnaast kunnen ruimtelijke ontwikkelingen of bestaande geurgevoelige objecten een belemmering vormen voor veehouderijen. Deze geurgebiedsvisie heeft als doelstelling te onderzoeken of er sprake is van een knelpunt ten aanzien van de ontwikkelingen zoals beschreven in de Leeswijzer en of er een aanleiding is om een geurverordening op te stellen. Met een verordening kunnen de geurnormen en afstandseisen uit de Wgv worden aangepast. Hiermee definieert de gemeente een eigen (lokaal) aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De Wgv biedt hiertoe de mogelijkheid. De gewenste ruimtelijke inrichting van het gebied kan een aanleiding zijn om een geurverordening op te stellen. Het te onderzoeken plangebied Achterberg West fase 2 in de gemeente Rhenen is aangegeven op afbeelding 1.

Afbeelding 1. Plangebied

Geurgebiedsvisie Achterberg West fase 2 Datum: 1 november 2024 ; Referentie: 20230839.v03

5

2.

WETTELIJK KADER

2.1.

Wet geurhinder en veehouderij

In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) staan standaard, landelijk geldende, afstanden en normen waaraan de ligging en geurbelasting van dierenverblijven getoetst moeten worden, in het geval van een aanvraag om milieuvergunning. De Wgv is nader uitgewerkt in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De normen gelden ter plaatse van geurgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen) en de afstanden gelden tot deze geurgevoelige objecten. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks Vergunning. Dit verspreidingsmodel geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Rgv. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Enkele begrippen uit de Wgv die relevant zijn en gebruikt worden in dit rapport, zijn nader toegelicht in hoofdstuk 3.

2.2.

Wijziging Activiteitenbesluit met betrekking tot landbouwactiviteiten

Op 1 januari 2013 is een grote wijziging van het Activiteitenbesluit en de bijbehorende regeling in werking getreden. Met de wijziging zijn meer veehouderijen onder de regels van het Activiteitenbesluit komen te vallen. Daarbij is onder meer de beoordeling van geur conform de Wet geurhinder en veehouderij (zoals toegelicht in hoofdstuk 3 van dit rapport) meegenomen. De toetsing aan middels geurverordeningen aangepaste geurnormen en afstanden geldt ook voor veehouderijen die onder de regels van het Activiteitenbesluit vallen.

2.3.

Ruimtelijke plannen en geurhinder van veehouderijen

Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op plaatsen waar het vestigen van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. Om de milieucontouren te bepalen moet worden uitgegaan van de ‘omgekeerde werking’ van de milieuregelgeving. In de bestemmingsplantoets wordt daartoe getoetst of ter plaatse van de te bestemmen geurgevoelige objecten voldaan wordt aan de eisen die de milieuregelgeving stelt. Voor het aspect geur van veehouderijen moet een toets op grond van de Wgv worden uitgevoerd. Bij de toets moet worden uitgegaan van de omvang van de veestapel volgens de verleende vergunning of ingediende melding. Uit jurisprudentie1 blijkt dat voor de geurcontouren of aan te houden afstanden in principe moet worden uitgegaan van de randen van het bouwvlak. De rand van het bouwvlak wordt aangehouden omdat de veehouderij in principe het recht heeft om overal binnen het bouwvlak te bouwen. In sommige gevallen kan niet het volledige bouwvlak worden benut, vanwege de ligging ten opzichte van reeds bestaande geurgevoelige objecten. In dergelijke gevallen wordt uitgegaan van het reëel te benutten bouwvlak.

1

ABRvS 201205174/1/R4, 22 januari 2014

Geurgebiedsvisie Achterberg West fase 2 Datum: 1 november 2024 ; Referentie: 20230839.v03

6

Alleen in het geval dat sprake is van een overbelaste situatie (in de betreffende richting), kan van deze werkwijze worden afgeweken. Van een overbelaste situatie is sprake als in de vergunde situatie niet wordt voldaan aan de geurnorm of afstand. In dat geval kan een veehouderij de ‘geurrechten’ in de betreffende richting niet anders gebruiken dan in de vergunde situatie het geval is (het gaat daarbij om stallen en emissiepunten). Voor het bepalen van de geur- en afstandscontouren kan dan worden uitgegaan van de ligging van de vergunde stallen en emissiepunten. Hiermee wordt invulling gegeven aan het uitgangspunt dat een bestaande veehouderij niet onevenredig in haar belangen mag worden geschaad. Deze werkwijze staat ook beschreven in de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij. Als uitgangspunt geldt dat in beginsel binnen de geur- en afstandscontouren rond de (bouwvlakken van de) veehouderijen geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Indien geurgevoelige objecten worden toegestaan binnen de afstandscontouren van een veehouderij, moet volgens jurisprudentie2 worden afgewogen of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of de veehouderij in haar belangen wordt geschaad.

Het woon- en leefklimaat in een gebied wordt behalve door de geurbelasting per veehouderij (voorgrondbelasting) ook bepaald door de achtergrondbelasting, de geurbelasting ten gevolge van alle veehouderijen samen. Het is aan de gemeente om te beoordelen of de geurbelasting en geurhinder in een specifiek gebied acceptabel zijn.

2.4.

Gebiedsvisie en geurverordening

De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om voor bepaalde gebieden andere afstanden of normen vast te stellen dan de landelijk gestelde afstanden of normen. De afwijkende geurnormen en afstandseisen moeten worden vastgelegd in een gemeentelijke verordening (op grond van artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij). Bij het opstellen van een verordening dienen in ieder geval de volgende aspecten te worden betrokken (artikel 8, lid 1 Wgv): a. de huidige en de te verwachten geursituatie vanwege de veehouderijen in het gebied; b. het belang van een geïntegreerde aanpak van de verontreiniging, en c. de noodzaak van een even hoog niveau van de bescherming van het milieu. Daarnaast moet ook rekening worden gehouden met één van de volgende twee criteria (artikel 8, lid 2 Wgv): d. de gewenste ruimtelijke inrichting van het gebied, of e. de afwijkende relatie tussen geurbelasting en geurhinder. Voor het grondgebied van de gemeente Rhenen is het niet te verwachten dat sprake is van een andere relatie tussen geurbelasting en geurhinder als in andere delen van Nederland, die zijn gelegen buiten een mestoverschotgebied. Het vaststellen van een dergelijke afwijkende relatie is overigens praktisch onuitvoerbaar voor een individuele gemeente. Voor een eventuele geurverordening van de gemeente Rhenen vormt de gewenste ruimtelijke 2

AbRS 24 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY1045, r.o. 2.4.9 en AbRS 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3014

Geurgebiedsvisie Achterberg West fase 2 Datum: 1 november 2024 ; Referentie: 20230839.v03

7

inrichting in relatie met de ligging en mogelijkheden van een veehouderij reden voor nader onderzoek. Omdat de grondslag van een verordening kan worden gevonden in één van de twee genoemde redenen (d of e), hoeft niet te worden toegekomen aan het onderzoeken van een eventuele afwijkende relatie tussen geurbelasting en geurhinder. Een gebiedsvisie vormt de onderbouwing van een geurverordening. In de geurverordening worden de uiteindelijke keuzes voor aangepaste geurnormen of afstanden voor aan te wijzen gebieden vastgelegd. Voor het opstellen van een gebiedsvisie en geurverordening geldt geen vaste (wettelijke) procedure. Gemeenten kunnen ervoor kiezen om het opstellen van een gebiedsvisie en het vaststellen van een verordening als zelfstandige procedure te doorlopen. Verder kunnen gemeenten kiezen voor een procedure waarbij derden en belanghebbenden worden gehoord. Belanghebbenden zijn de ondernemers van de veehouderijen, belangenorganisaties, (toekomstige) bewoners en ondernemers binnen de nieuwbouwplannen en de ontwikkelende partijen van deze nieuwbouwplannen.

Geurgebiedsvisie Achterberg West fase 2 Datum: 1 november 2024 ; Referentie: 20230839.v03

8

3.

UITGANGSPUNTEN EN ACHTERGRONDEN

3.1.

Uitgangspunten veehouderijen

Het onderzoek naar de geursituatie gaat uit van de aanwezige veehouderijen en de bestaande en te realiseren geurgevoelige objecten. In het onderzoek wordt zowel de vergunde geursituatie als de worst-case geursituatie beschouwd. De geurbelasting wordt bepaald op grond van geurberekeningen voor de voor- en achtergrondbelasting. Aan de hand hiervan kan ook het woon- en leefklimaat bepaald worden. Voor de huidige situatie worden de vergunde of gemelde bedrijfssituaties gehanteerd. In de worst-case situatie wordt aangehouden dat alle bestaande bebouwing wordt afgebroken en zodanig wordt teruggebouwd dat de geur- en afstandscontouren zo veel mogelijk richting het te bestemmen geurgevoelige object komen te liggen.

3.2.

Geuremissie en geurimmisie

De geuremissies worden uitgedrukt in Europese odour units (Europese geureenheden) per tijdseenheid: ouE/s. Deze geuremissies zijn bepaald op basis van metingen aan de geurconcentraties uit stallen. De emissiefactoren per dier staan weergegeven in bijlage 1 van de Rgv. De geurbelastingen (geurimissies) worden uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht: ouE/m3. Hiermee wordt het 98-percentiel van de geurconcentratie bedoeld. Dat is de geurconcentratie, berekend met een verspreidingsmodel, welke gedurende 2 procent van een jaar wordt overschreden.

3.3.

Verschillende beoordelingen

3.3.1.

Voorgrondbelasting

Met behulp van verspreidingsmodellen kan de geurbelasting vanuit dierenverblijven op geurgevoelige objecten worden berekend. De geurbelasting van een individuele veehouderij wordt ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De geurbelasting is afkomstig van dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een omrekeningsfactor is vastgesteld, zoals varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten. De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of geen concentratiegebied en binnen of buiten de bebouwde kom). De standaardnormen uit de Wgv zijn in tabel 1 opgenomen. Tabel 1. Geurnormen volgens de Wet geurhinder en veehouderij Ligging geurgevoelig object3*

Binnen bebouwde kom

Buiten bebouwde kom

3 ouE/m3 2 ouE/m3

14 ouE/m3 8 ouE/m3

Concentratiegebied Geen concentratiegebied * de gemeente Rhenen ligt in een concentratiegebied.

3

gebied als aangegeven in bijlage I bij de Meststoffenwet

Geurgebiedsvisie Achterberg West fase 2 Datum: 1 november 2024 ; Referentie: 20230839.v03

9

De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid de standaardnormen aan te passen middels een gemeentelijke verordening. De gemeente Rhenen heeft geen bestaande geurverordening. Daarom gelden bovenstaande wettelijke geurnormen. Bij het beoordelen van vergunningaanvragen is voor het bepalen van de geurbelasting het gebruik van het verspreidingsmodel V-Stacks Vergunning voorgeschreven. Hiermee kan op vooraf ingegeven locaties de geurbelasting worden berekend. Om een goed beeld van de geurbelasting te verkrijgen is het wenselijk om geurcontouren te kunnen berekenen en tekenen. Dit is mogelijk met het verspreidingsmodel V-Stacks Gebied.

3.3.2.

Afstanden

Naast geurnormen stelt de Wgv ook eisen aan de (vaste) afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. De afstanden gelden voor dieren waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt en worden gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van een stal waarin de betreffende dieren worden gehouden. De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid de standaard aan te houden afstanden aan te passen middels een gemeentelijke verordening. De gemeente Rhenen heeft geen bestaande geurverordening. Daarom gelden bovenstaande wettelijke afstandseisen. Daarnaast moet afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom (gevel-gevel afstand). De bedrijfswoning die tot dezelfde veehouderij behoort wordt overigens niet aangemerkt als geurgevoelig object.

3.3.3.

Achtergrondbelasting

De normen op grond van de Wgv gelden voor de geurbelasting van een individuele veehouderij. De (hoogste) geurbelasting van een individuele veehouderij op een geurgevoelig object wordt ook wel ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd. Dit is vergelijkbaar met het begrip cumulatieve stankhinder uit de ‘stankrichtlijnen’. Het verschil tussen voorgrondbelasting en achtergrondbelasting wordt toegelicht in de op afbeelding 2.

Geurgebiedsvisie Achterberg West fase 2 Datum: 1 november 2024 ; Referentie: 20230839.v03

10

Voorgrondbelasting Achtergrondbelasting 3 ouE/m3 11 ouE/m3

4 ouE/m3 6 ouE/m

3

Afbeelding 2. Voorgrondbelasting versus achtergrondbelasting

De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is dan ook een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting. De gemeenteraad beoordeelt of de milieukwaliteit (de mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied.

3.4.

Af te wegen normstellingen

Gemeenten kunnen besluiten de geurnormen en/of afstanden voor bepaalde gebieden door middel van een gemeentelijke verordening aan te passen. De bandbreedten die de Wgv hiertoe biedt zijn weergegeven in tabel 2. Tabel 2. Bandbreedte geurnormen en afstanden Norm Minimaal Wettelijk Maximaal Geurnorm binnen bebouwde kom * 0,1 ouE/m3 3,0 ouE/m3 14,0 ouE/m3 Geurnorm buiten bebouwde kom * 3,0 ouE/m3 14,0 ouE/m3 35,0 ouE/m3 Afstand binnen bebouwde kom 50 meter 100 meter 100 meter Afstand buiten bebouwde kom 25 meter 50 meter 50 meter * deze waarden gelden alleen voor concentratiegebieden, voor niet-concentratiegebieden bestaan andere waarden. De gemeente Rhenen ligt in een concentratiegebied. Criterium

In dit rapport wordt beschreven of het noodzakelijk of wenselijk is dat de gemeente Rhenen de geurnormen of afstanden die gelden op grond van de Wet geurhinder en veehouderij voor bepaalde gebieden aanpast.

3.5.

Geurbelasting versus geurhinder

In de Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij is beschreven hoe kan worden bepaald hoeveel geurhinder kan worden verwacht in een gebied, gelet op de geurbelasting die daar is berekend. Op grond van de berekende geurbelastingen wordt met behulp van de tabellen A (achtergrondbelasting) en B (voorgrondbelasting) uit bijlage 6 van de Handreiking de te verwachten geurhinderpercentages bepaald.

Geurgebiedsvisie Achterberg West fase 2 Datum: 1 november 2024 ; Referentie: 20230839.v03

11

Het hoogste geurhinderpercentage (voorgrondbelasting of achtergrondbelasting) is maatgevend voor de geursituatie. Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en de milieukwaliteit. De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet, 2001). De geursituatie wordt beschreven in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’. Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’. Dit is beschreven in bijlage 7 van de Handreiking. Een overzicht van de geurbelasting in relatie tot de geurhinderpercentages en de milieukwaliteit is te zien in tabel 3. Tabel 3. Woon- en leefklimaat versus geurgehinderden versus geurbelasting Milieukwaliteit Geurgehinderden Voorgrondbelasting* Achtergrondbelasting* Zeer goed 0–5% 0 – 1,5 ouE/m3 0 - 3 ouE/m3 3 Goed 5 – 10 % 1,5 – 3,7 ouE/m 3 - 8 ouE/m3 3 Redelijk goed 10 – 15 % 3,7 - 6,5 ouE/m 8 – 13 ouE/m3 3 Matig 15 – 20 % 6,5 – 10 ouE/m 13 – 20 ouE/m3 Tamelijk slecht 20 – 25 % 10 – 14 ouE/m3 20 – 28 ouE/m3 Slecht 25 – 30 % 14 – 19 ouE/m3 28 – 38 ouE/m3 Zeer slecht 30 – 35 % 19 – 25 ouE/m3 38 – 50 ouE/m3 Extreem slecht 35 – 40 % 25 – 32 ouE/m3 50 – 65 ouE/m3 * deze waarden gelden alleen voor concentratiegebieden, voor niet-concentratiegebieden bestaan andere waarden.

De gemeente Rhenen ligt in een concentratiegebied.

De omschrijving van de milieukwaliteit kan niet op zichzelf worden gezien. De beleving van deze aanduidingen sluit het beste aan bij woongebieden. Ook dan is er in de beleving van geur een hele stap tussen de twee opeenvolgende categorieën, zoals ‘redelijk goed’ en ‘matig’. Het verschil in geur tussen twee klassen kan nabij de grens daartussen (op korte afstand) niet worden waargenomen. Het ‘gat’ bestaat alleen tekstueel, omdat de geurbelastingen en hinderpercentages op elkaar aansluiten.

3.6.

Geurgevoelig object

Een geurgevoelig object is in de Wgv gedefinieerd als: 'gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt'. Alleen een gebouw kan een geurgevoelig object zijn. Duidelijk is dat een woning een geurgevoelig object is, mits deze een positieve planologische bestemming heeft en feitelijk geschikt is en gebruikt wordt om in te wonen. Of een ander gebouw (niet zijnde een woning), bijvoorbeeld een bedrijfsgebouw een geurgevoelig object is moet worden beoordeeld aan de hand van de criteria die in de definitie verder zijn opgenomen. Het gebouw is bestemd voor menselijk verblijf. Gezien de toelichting op de Wgv betekent dit dat de locatie volgens een geschikte planologische bestemming een functie moet hebben voor menselijk verblijf. In een kantoorgebouw, werkruimte of expeditieruimte kunnen zich mensen ophouden.

Geurgebiedsvisie Achterberg West fase 2 Datum: 1 november 2024 ; Referentie: 20230839.v03

12

Het gebouw is blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk verblijf. Het gebouw moet zodanig zijn (aard, indeling en inrichting) dat het feitelijk gezien ook mogelijk is om in het gebouw te verblijven. Als aan het voorgaande wordt voldaan zal dit in de praktijk normaliter ook het geval zijn. Het gebouw wordt daarvoor (menselijk verblijf) permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, gebruikt. Onduidelijk is wat onder permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik wordt verstaan. Waar de grens ligt in de mate van gebruik zal uit de jurisprudentie moeten blijken. Gelet op de definitie wordt er van uitgegaan dat gebouwen, waarin zich gedurende langere tijd, vrijwel dagelijks (meerdere) mensen verblijven (ook werken) aangemerkt worden als geurgevoelig object. Dit wordt bevestigd in jurisprudentie (onder andere ABRvS 200709155/1 van 24 december 2008, ABRvS 200801961/1 van 11 maart 2009, ABRvS 200902795/5/R3 van 14 oktober 2009 en ABRvS 201202274/1/A1 van 10 oktober 2012). Het plan voorziet in de realisatie van geurgevoelige objecten.

3.7.

Bebouwde kom

Het begrip bebouwde kom is in de Wgv niet gedefinieerd, evenmin als in de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Wro). In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel van de Wgv is aangegeven dat de grens van de bebouwde kom ‘niet wordt bepaald door de Wegenverkeerswetgeving, maar evenals in de ruimtelijke ordening door de aard van de omgeving’. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur. Als bebouwde kom wordt beschouwd: ‘het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft’ en waarin (dus) veel mensen per oppervlakte-eenheid daadwerkelijk wonen of verblijven. InfoMil concludeert in haar handleiding behorend bij de Wgv dat het voor de hand ligt om voor de grenzen van de bebouwde kom aan te sluiten bij wat in de ruimtelijke ordening (het plaatselijke bestemmingsplan) daaronder wordt verstaan. Of een bepaalde omgeving een bebouwde kom is zal per geval moeten worden bepaald. Zoals gezegd is dit niet eenduidig gedefinieerd. De volgende zaken spelen in deze afweging en rol: - dichtheid bebouwing; - aard en structuur van de omgeving en bebouwing; - planologische karakter. Mogelijk dat ook de historische situatie een rol speelt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14810367/1