Bijlage 3 Ruimtelijke onderbouwing MFG Rhenen
Tekst van het document
39
MFG Rhenen
4.10 Milieueffectrapportage Toetsingskader Op 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd door het 'Besluit reparatie en modernisering milieueffectrapportage' en is bepaald dat de grenswaarden voor een m.e.r.-beoordelingsplicht indicatief zijn. Het bevoegd gezag moet bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (85/337/EEG). In het kader hiervan is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden ligt, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten.
In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig, in het andere geval moet een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.) is gewijzigd. De wijziging is het gevolg van de implementatie van Richtlijn 2014/52/EU die ziet op het wijzigen van Richtlijn 2011/92/EU. Dit is de richtlijn die ziet op projecten (vierde kolom). De wijzigingsrichtlijn is voor het overgrote deel geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Het gewijzigde Besluit m.e.r. is in werking getreden op 7 juli 2017. Eén van de belangrijkste gevolgen van de wijziging van het Besluit m.e.r. is dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden aangevraagd door middel van een aanmeldnotitie. Dit is geregeld in artikel 2, vijfde lid, van het Besluit m.e.r. De aanmeldnotitie beschrijft de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor het milieu en geeft een conclusie omtrent de noodzaak tot een m.e.r.-procedure. Aan de hand van deze informatie kan het bevoegd gezag een beslissing nemen of voor de voorgenomen activiteit een MER dient te worden opgesteld.
Onderzoek Onderzocht is of het plan het ruimtelijk kader biedt voor activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel C of D van het Besluit MER. Daarbij is alleen naar de ontwikkeling van dit plan gekeken. In bijlage 9 is de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Conclusie Het planvoornemen biedt geen ruimtelijk kader voor activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Milieugevolgen ten gevolgen van deze activiteit kunnen derhalve worden uitgesloten. Voor de voorgenomen ontwikkeling rust geen plicht tot het uitvoeren van een MER. De beoogde ontwikkelingen veroorzaken geen nadelige gevolgen voor het milieu.
4.11 Duurzaamheid De bouwregelgeving kent een aparte eis en bepalingsmethode voor de energieprestatie van gebouwen (EPG/BENG). Vanaf 1 januari 2021 moeten de vergunningaanvragen voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Naast de EPG/BENG bepalingsmethode kent de bouwregelgeving eisen en bepalingen voor de milieuprestatie van gebouwen (MPG). De circulariteitsprestaties van een gebouw kunnen in deze MPG een
40
MFG Rhenen
plaats vinden. De MPG norm is echter niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Volgens de berekening is de energieprestatie van het gebouw uitstekend. Het voldoet aan de wettelijke eisen ten aanzien van: 1. 2. 3. 4.
BENG-1: de totale energiebehoefte van het gebouw; BENG-2: de benodigde primaire energie; BENG-3: Het aandeel hernieuwbare energie; De kans op temperatuuroverschrijdingen in de maand juli.
Voor het multifunctioneel gebouw wordt een BENG registratie doorlopen door de initiatiefnemer. Met de ontwikkeling van het multifunctioneel gebouw en omliggend terrein wordt gestreefd naar een duurzame inrichting. De initiatiefnemer houdt zich aan het Bouwbesluit, maar heeft een hoge duurzaamheidsambitie. Hieronder worden verschillende duurzaamheidsmaatregelen genoemd welke worden genomen in, op of rondom het multifunctioneel gebouw. Materiaalgebruik In het ontwerp worden duurzame materialen integraal opgenomen, zoals houten wandafwerking, recyclebare vloer- en wandtegels, (aftimmer)hout uit duurzaam geproduceerde naaldbossen en beton met een toeslag van geryclede grondstoffen. Installatietechnisch Naast moderne onderhoudsarme technieken en een zandfilter met 25 jaar garantie kenmerkt de waterzuiveringsinstallatie zich door de toepassing van frequentie geregelde pompen. Deze pompen hebben een lager energieverbruik en een langere levensduur waardoor de onderhoudskosten worden verlaagd. Het klimaatgedeelte van het installatietechnisch ontwerp is gebaseerd op het gebruik van lucht/ water-warmtepompen. Er is een bewuste keuze gemaakt voor het gebruik van meerdere warmtepompen met een lager vermogen (in plaats van één of meerdere warmtepompen met een groot vermogen).
Deze “kleinere” warmtepompen draaien namelijk met een hoger rendement en verbruiken als gevolg daarvan minder energie om hetzelfde resultaat te behalen. Het huidige ontwerp houdt rekening met 350 zonnepanelen, positie oost-west. Het aantal is gebaseerd op de BENG berekening. Hergebruik De ambitie is dat in de realisatie van het gebouw en de buitenruimte een zo hoog mogelijk percentage van de toegepaste materialen vervaardigd is uit gerecycled en/of hergebruikt materiaal. De ladder van Lansink is daarbij uitgangspunt, waarbij de treden D, E en F zoveel mogelijk worden voorkomen. Het toepassen van duurzame materialen met hernieuwbare eigenschappen (biobased) of met de mogelijkheid tot het recyclen is geen opgave maar een uitgangspunt. De materialen die in het nieuwe MFG worden toegepast moeten eveneens voldoen aan de hoge kwaliteitseisen en geschikt zijn voor het type accommodatie, namelijk een sportcentrum met droge en natte sport. Buitenterrein Het terrein is klimaatadaptief en daarmee bestand tegen klimaatveranderingen zoals: hevige regenval, hitte, langdurige droogte, harde wind. Op het terrein wordt een wadi gerealiseerd. In de wadi wordt het water van het omliggende terrein, de rijweg en de overstort van het dak (na de toiletvoorziening) opgevangen. Het terrein bevat zoveel mogelijk groen om hemelwater op te kunnen nemen.
Verharding passen we alleen toe op plekken waar dit noodzakelijk is. De parkeervakken zijn bedekt met grastegels en vergroten de natuurlijke aanblik. Dankzij de grastegels infiltreert het regenwater hier in de bodem. Dit geldt ook voor de wandelpaden omdat deze bestraat zijn met gebonden halfverharding. Bij stortbuien stroomt het
41
MFG Rhenen
regenwater van de paden naar het omliggend groen. Om hittestress tegen te gaan worden tien bestaande bomen behouden en 10 extra bomen met een stamomtrek van 20-25 cm toegevoegd om meer schaduw te creëren. Naast het behoud van bestaande bomen en de aanplant van nieuwe bomen, worden ook veel kruiden, planten en struiken aangeplant.
42
MFG Rhenen
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
Een wettelijk onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing is om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van het project. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.
5.1
Economische uitvoerbaarheid
Bij het opstellen van een bouwplan dient de financiële haalbaarheid van het plan aangetoond te worden. Dit om te voorkomen dat recht gaat gelden dat niet realistisch blijkt te zijn. Op grond van artikel 6.12, lid 1 Wro moet een exploitatieplan worden vastgesteld indien er sprake is van een 'bouwplan'. Artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) beschrijft wat een 'bouwplan' is. Geen exploitatieplan is nodig, wanneer: het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is (art. 6.12 Wro); er geen kosten te verhalen zijn (art 6.2.1a Bro). De 'Grex-wet' is erop gericht dat de overheid kosten kan verhalen die gemaakt worden naar aanleiding van een bouwplan. Indien er geen kosten gemaakt worden, hoeven deze ook niet verhaald te worden. De gemeente is eigenaar van alle gronden. Alle kosten komen voor rekening van de gemeente. Er is derhalve geen sprake van verhaalbare kosten. Hierdoor is het niet noodzakelijk een exploitatieplan op te stellen.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De ontwerpomgevingsvergunning met ruimtelijke onderbouwing zal voor een ieder ter inzage worden gelegd. Gedurende zes weken wordt een ieder in de gelegenheid wordt gesteld een zienswijze kenbaar te maken. Op basis van de reacties naar aanleiding van de terinzagelegging zal deze paragraaf worden aangevuld en zal de ruimtelijke onderbouwing zo nodig worden aangepast.
43
MFG Rhenen
44