CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Nota Reserves & Voorzieningen Gemeente Rhenen 2015

Raadsvergadering 16 december 2025, gemeente RhenenBij agendapunt: Financiële Verordening 20253.943 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

(28/08/2015) Nota Reserves & Voorzieningen Gemeente Rhenen 2015

INHOUD Hoo fdstuk 1 Algemeen ........................................................................................................................................... 4 1.1 Inleiding ........................................................................................................................................................ 4 1.2 Leeswijzer ..................................................................................................................................................... 4 Hoofdstuk 2 Wettelijk Kader ................................................................................................................................... 6 2.1 Algemeen ...................................................................................................................................................... 6 2.2 Reserves ........................................................................................................................................................ 6 2.2.1 Functies van reserves ............................................................................................................................ 7 2.3 Voorzieningen ...............................................................................................................................................

8 Hoofdstuk 3 Beleidsoverwegingen ....................................................................................................................... 10 3.1 Instellen en opheffen .................................................................................................................................. 10 3.1.1 Instellen en opheffen reserves ............................................................................................................ 10 3.1.2 Instellen en opheffen voorzieningen ................................................................................................... 10 3.1.3 Voorstel Instellen en opheffen voorzieningen ........................................................................................ 11 3.2 Gedragsregels en spelregels ....................................................................................................................... 12 3.2.1 Algemeen ............................................................................................................................................ 12 3.2.2 Reserves .............................................................................................................................................. 12 3.2.3 Voorzieningen .....................................................................................................................................

12 3.3 Mutaties op reserves en voorzieningen ..................................................................................................... 13 3.3.1 Resultaatbepaling en resultaatbestemming ....................................................................................... 13 3.3.2 Tussentijdse mutaties .......................................................................................................................... 13 Hoofdstuk 4. Bijlagen ............................................................................................................................................ 15 4.1 Reserves en voorzieningen (art. 27, 42 t/m 45), BBV ................................................................................. 15 4.2 Overzicht saldi reserves en voorzieningen ................................................................................................. 17 4.3 Specificatie reserves en voorzieningen....................................................................................................... 18

HOO FDSTUK 1 ALGEMEEN 1.1 INLEIDING Vanwege de kaderstellende en controlerende taak van de Gemeenteraad is het van belang dat er een goed zicht bestaat op de financiële positie van de gemeente. Reserves en voorzieningen nemen hier een centrale rol in. Één van de uitgangspunten van het financiële beleid van de gemeente is een transparante begroting en jaarrekening. Hiervoor is inzicht vereist in de functies van- en de verschillen tussen reserves en voorzieningen, de soorten reserves, de beleidsuitgangspunten, en de relatie met het weerstandvermogen. Deze onderwerpen komen in deze nota aan de orde en in aanvulling daarop is er een inventarisatie opgemaakt van de huidige reserves en voorzieningen. In deze nota wordt, binnen de kaders van het Besluit Begroting en Verantwoording Provincies en Gemeenten (verder te noemen het ‘BBV’), het beleid ten aanzien van reserves en voorzieningen aan de Raad voorgelegd. De kaders voor de reserves en voorzieningen dienen opgenomen te worden in de Financiële Verordening ex art. 212. De financiële verordening is recentelijk vernieuwd en fungeert als kapstok wat betekent dat de verordening voor specifiekere kaders en beleidslijnen verwijst naar de voor u liggende nota Reserves&Voorzieningen. Conform artikel 10 van de Financiële Verordening ex art. 212 wordt in de nota Reserves&Voorzieningen ten minste opgenomen:

Artikel 10. Reserves en Voorzieningen Uitvoering van beleid inzake reserves en voorzieningen vindt plaats conform de criteria en richtlijnen zoals opgenomen in de nota ‘Reserves&Voorzieningen’. De Raad stelt de nota vast en deze bevat ten minste: a. het wettelijk kader voor de vorming en besteding van reserves en voorzieningen; b. de beleidsoverwegingen; en c. gedragslijnen en spelregels. Dit artikel vormt samen met het BBV de basis van de nota waarin invulling is gegeven aan het beleid ten aanzien van reserves en voorzieningen van de gemeente Rhenen. Voor een totaaloverzicht van de, volgens het BBV van toepassing zijnde, regelgeving met betrekking tot reserves en voorzieningen wordt verwezen naar de Bijlage. De nota die voor u ligt vervangt, wanneer vastgesteld, de nota Reserves&Voorzieningen uit 2008.

1.2 LEESWIJZER Om deze reden komen in hoofdstuk 2 de kenmerken van en de verschillen tussen reserves en voorzieningen aan bod zoals in het BBV opgenomen. Hier zijn ook gelijk de wettelijke kaders meegenomen. In hoofdstuk 3 worden de onderwerpen belicht die raakvlakken hebben met reserves en voorzieningen, zoals rentetoerekening, gemeentelijk vermogen en weerstandsvermogen. Aan het

einde hiervan is het beleid dat de gemeente Rhenen wil voeren met betrekking tot reserves en voorzieningen vertaald in een set concrete gedragslijnen en spelregels. Daarna is een specificatie en een totaaloverzicht gegeven van de huidige stand van de reserves en voorzieningen in hoofdstuk 4.

HOOFDSTUK 2 WETTELIJK KADER 2.1 ALGEMEEN Volgens de BBV worden onder de vaste passiva worden het eigen vermogen, de voorzieningen, en de vaste schulden met een rentetypische looptijd van één jaar of langer afzonderlijk opgenomen (Art.41, BBV). Het belangrijkste verschil tussen reserves en voorzieningen is dat de Raad bij reserves de vrijheid heeft om de bestemming te wijzigen en deze bij voorzieningen vaststaat. De reserves behoren dan ook tot het eigen vermogen terwijl de voorzieningen tot het vreemd vermogen behoren (schulden en verplichtingen). In dit hoofdstuk wordt een wettelijk kader geschetst voor de reserves en voorzieningen. Ze zullen in afzonderlijke paragrafen worden behandeld vanwege de grote verschillen die hieronder schematisch zijn weergegeven. Reserve

Voorziening

Gevormd door bestemming van het resultaat

Verplicht gevormd door het nemen van een last

Vrij besteedbaar (geldt niet voor

Een verplichte bestedingsrichting

bestemmingsreserves, deze zijn door de raad geoormerkt) Behoort tot het eigen vermogen

Behoort tot het vreemd vermogen

Hieronder wordt eerst ingegaan op de reserves en vervolgens op de voorzieningen.

2.2 RESERVES Reserves zijn vermogensbestanddelen die als eigen vermogen zijn aan te merken. Het eigen vermogen bestaat uit de reserves en het gerealiseerd resultaat volgend uit de programmarekening (art.42 lid 1, BBV). Het is van belang om vast te stellen dat het rekeningsresultaat onderdeel uitmaakt van het eigen vermogen maar dat het als afzonderlijk op de balans wordt meegenomen (art.42 lid 2, BBV). Dit raakt het vraagstuk van resultaatbepaling en resultaatbestemming dat verder wordt besproken in paragraaf 3.3.1. Een reserve is een (nog) niet besteed deel van de gemeentelijke middelen. In artikel 43 lid 1 van het BBV is bepaald dat reserves worden onderscheiden naar: I.

De Algemene reserve; Een algemene reserve is een reserve zonder specifiek benoemd bestedingsdoel die is bedoeld als buffer om onverwachte tegenvallers en fluctuaties in de exploitatie op te kunnen vangen.

II.

Bestemmingsreserves. Een bestemmingsreserve is een reserve waaraan door de gemeenteraad een specifiek bestedingsdoel (bestemming) is gegeven.

Het onderscheid tussen de algemene reserve en de bestemmingsreserves is gebaseerd op politieke beslissingen, zodra de Raad aan een reserve een bepaalde bestemming heeft gegeven, is er sprake van een bestemmingsreserve. Reserves kunnen verschillende functies hebben die hieronder worden besproken.

2.2.1 FUNCTIES VAN RESERVES Reserves hebben de volgende functies: a) Financieringsfunctie: de reserves en voorzieningen kunnen worden gebruikt als intern financieringsmiddel. Bij gebruik van reserves (eigen vermogen) en voorzieningen (vreemd vermogen) behoeft dan geen beroep te worden gedaan op de geld- en kapitaalmarkt. b) Dekkingsfunctie: aan een reserve wordt geld onttrokken ter dekking van structurele dan wel incidentele uitgaven, zoals investeringslasten. Een dergelijke reserve kan niet worden benut zonder gevolgen voor dekking binnen de exploitatie te hebben. c) Bufferfunctie: bestemd voor het kunnen opvangen van onvoorziene tegenvallers of ter dekking van financiële risico’s, waar geen andere bestemmingsreserve of voorzieningen zijn gevormd. Dit wordt als weerstandsvermogen bij het risicomanagement betrokken. d) Inkomensfunctie: De gemeente betaalt geen rente of dividend over het eigen vermogen. We spreken van reserves met een inkomensfunctie wanneer de bespaarde rente hiervan structureel wordt gebruikt als dekkingsmiddel in de begroting. Aangezien binnen de gemeente Rhenen niet met bespaarde rente wordt gewerkt is er ook geen sprake van een inkomensfunctie. e) Egalisatiefunctie: Het uitgangspunt is de baten en lasten over een periode van meerdere jaren gelijkmatig te laten verlopen. Hiermee worden ongewenste schommelingen in de exploitatie voorkomen.

In de volgende paragrafen worden de algemene reserve en de bestemmingsreserves besproken.

2.2.1.1 ALGEMENE RESERVE De algemene reserve bestaat uit componenten waaraan de Raad geen bestemming heeft gegeven. De belangrijkste functie van de algemene reserve is het vormen van een buffer voor financiële tegenvallers. De algemene reserve vormt daarmee, naast de (onbeklemde) bestemmingsreserves, een belangrijk onderdeel van de totale weerstandscapaciteit van de gemeente en wordt meegenomen in de paragraaf ‘Weerstandsvermogen’. Het weerstandsvermogen geeft de relatie aan tussen de risico’s waar geen maatregelen voor zijn getroffen en de weerstandscapaciteit die een gemeente heeft om de niet begrote kosten op te vangen. Met weerstandscapaciteit worden de middelen en de mogelijkheden bedoeld waarover de gemeente beschikt om substantiële financiële tegenvallers op te vangen. Een begroting die precies sluit zonder dat weerstandscapaciteit beschikbaar is betekent dat iedere

financiële tegenvaller problemen oplevert; buffers zijn daarom noodzakelijk. Het beleid ten aanzien van het weerstandsvermogen is opgenomen in de nota Weerstandsvermogen&Risicobeheersing.

2.2.1.2 BESTEMMINGSRESERVES Naast de algemene reserve zijn er de bestemmingsreserves. Dit zijn reserves waaraan de Gemeenteraad een bepaalde bestemming heeft gegeven (art.43 lid 2, BBV). Uiteraard impliceert dit dat reserves moeten worden besteed conform dat doel. De totale omvang van de bestemmingsreserves bedraagt aan het begin van 2015: € 9,24 miljoen. Net als de algemene reserve hebben de (onbeklemde) bestemmingsreserves een belangrijke rol in de weerstandscapaciteit van de gemeente. Daarnaast dienen de bestemmingsreserves waarmee binnen de gemeente Rhenen wordt gewerkt andere functies: een egalisatiefunctie, een dekkingsfunctie en een financieringsfunctie. Daarnaast hanteren we voor reserves die verbonden zijn met investeringen met een economisch nut additionele regelgeving die hieronder wordt toegelicht. Bruto- methode: Voor investeringen met een economisch nut geldt dat deze volgens het BBV (art.59 lid 1, BBV) moeten worden geactiveerd voor het bedrag van de investering. Het is niet toegestaan reserves daar direct op in mindering te brengen. Het inzetten van reserves is voor investeringen met een economisch nut alleen mogelijk ter dekking van de investeringslasten. De kapitaallasten worden berekend van de bruto- investering en de reserve wordt gedurende de afschrijvingstermijn aangewend om de kapitaallasten (geheel dan wel gedeeltelijk) af te dekken.

Hieronder volgt een lijst van de reserves ter dekking van kapitaallasten waarvoor de bruto- methode geldt. 

R00013- Inrichting rampenstaf

R00020- Sportaccomodaties

R00029- Dekking kapitaallasten Remmerden

R00044- Lijsterberg

R00046- Nieuwbouw gemeentehuis

R00054- Het Bestegoed

Bij investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut is het echter wel mogelijk om een reserve direct in mindering te brengen op het geïnvesteerde bedrag (art.62 lid 3, BBV). Het is namelijk wenselijk dat dit soort investeringen tegen een zo laag mogelijke waarde op de balans worden verantwoord en in een zo kort mogelijke tijd worden afgeschreven (art.64 lid 4, BBV).

2.3 VOORZIENINGEN

Voorzieningen zijn afgezonderde vermogensbestanddelen (vreemd vermogen) die met een duidelijk doel zijn gereserveerd. Er is dan sprake van het kwantificeren van verplichtingen, verliezen of risico’s. Voorzieningen worden daarom ook niet tot het eigen vermogen gerekend, maar tot het vreemd vermogen. De regelgeving omtrent het vormen van voorzieningen is opgenomen in artikel 44 van het BBV: 1. Voorzieningen worden gevormd wegens: a. verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs te schatten (een voorbeeld is de voorziening gevormd ten behoeve van de omgevingsdienst regio utrecht waar door een reorganisatie kosten verwacht worden te verdelen over de aangesloten gemeenten. Het was mogelijk dit bedrag redelijk in te schatten); b. op de balansdatum bestaande risico’s ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten (een voorbeeld is een claim zijn doordat de gemeente grond vervuild heeft); c.

kosten die in een volgend begrotingsjaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt in het begrotingsjaar of in een voorafgaand begrotingsjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal begrotingsjaren een voorbeeld is een onderhoudsvoorziening zoals de gemeente heeft voor riolering en afval);

d. de bijdragen aan toekomstige vervangingsinvesteringen waarvoor een heffing wordt geheven. Het gaat daarbij om investeringen met een economisch nut waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven (dergelijke voorzieningen zijn er niet binnen de gemeente Rhenen). 2. Tot de voorzieningen worden ook van derden verkregen middelen gerekend die specifiek besteed moeten worden, met uitzondering van Europese of Nederlandse overheden ontvangen voorschotbedragen voor uitkeringen met een specifiek bestedingsdoel; 3. Voorzieningen worden niet gevormd voor jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume. Wanneer een geval zich voordoet zoals opgenomen in lid 1 van artikel 44 en de verplichting, het verlies of het risico kwantificeerbaar is, is de Raad verplicht om hiervoor een voorziening te vormen. Logisch gevolg hiervan is dat wanneer de verplichting, het verlies of het risico niet kwantificeerbaar is, hiervoor geen voorziening gevormd kan worden. Omdat de in te stellen voorziening precies even groot moet zijn als het risico moet hiervoor een beredeneerde berekening met argumenten aan de vorming van de voorziening ten grondslag liggen. Wanneer het verlies, de verplichting of het risico niet kwantificeerbaar is, moet deze worden opgenomen in de paragraaf weerstandsvermogen en expliciet worden vermeld.

Het is dus van belang om de omvang van de voorzieningen regelmatig te toetsen aan de omvang van de verplichtingen en risico’s. In Rhenen bestaat er op dit moment geen voorziening als gevolg van lid 2. Een vorming van een voorziening waar middelen verkregen van derden aan ten grondslag liggen komen zelden voor. Men kan hierbij denken aan een legaat of een schenking met een specifiek bestedingsdoel. Bij lid 3 wordt aangegeven dat voor terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van een

vergelijkbaar volume geen voorziening wordt opgenomen. Hier kan bijvoorbeeld worden gedacht aan vakantiegeld/-dagen, pensioentoezeggingen, afvloeiingsregelingen en uitkeringen bij ontslag.

HOOFDSTUK 3 BELEIDSOVERWEGINGEN De gemeente Rhenen dient op beheerste wijze om te gaan met het vormen, gebruiken, voeden en/of saneren van reserves en voorzieningen. In dit hoofdstuk is het beleid dat de gemeente Rhenen voert met betrekking tot reserves en voorzieningen vertaald in een set gedragslijnen en spelregels.

3.1 INSTELLEN EN OPHEFFEN 3.1.1 INSTELLEN EN OPHEFFEN RESERVES Alleen de Raad kan beslissen over het instellen- en opheffen van reserves en het storten in- en het onttrekken aan reserves. Dit kan gebeuren via de begroting dan wel via afzonderlijke Raadsvoorstellen. Toevoegingen aan reserves gebeuren ten laste van het programma, waarop de betreffende gelden zijn ontvangen dan wel waaruit de verplichting is voortgekomen. Zij maken daardoor deel uit van het rekeningsresultaat vóór bestemming (resultaatbepaling). Onttrekkingen aan de reserves komen niet meer in de exploitatie tot uiting, maar vinden rechtstreeks op de balans plaats. Indien de activiteit namelijk ook weer ten laste van de exploitatie zou lopen, zou het bedrag van de aanwending tweemaal als een last verantwoord worden. Vanwege de doelmatigheid verdient het de aanbeveling om het aantal reserves zo beperkt mogelijk te houden. In beginsel betekent dit dat er alleen een algemene reserve is en een beperkt aantal duidelijk geformuleerde bestemmingsreserves. Indien er te veel reserves ontstaan (en tot een te grote omvang) bestaat het gevaar dat er onnodig beslag wordt gelegd op gemeenschapsgelden. Bovendien kan hierdoor een goede integrale afweging van prioriteiten doorkruist worden.

Daarom is het van belang een goede onderbouwing onder de vorming van elke reserve te leggen waarin een aantal belangrijke aspecten worden opgenomen rondom de reserve. In paragraaf 3.1.3 komen de aspecten naar voren die verbonden zijn aan het instellen en opheffen van reserves.

3.1.2 INSTELLEN EN OPHEFFEN VOORZIENINGEN Bij het instellen van voorzieningen is er geen ruimte voor het maken van keuzes omdat voorzieningen voortvloeien uit bestaande voorwaardelijke verplichtingen en daarmee een verplichtend karakter hebben (art.44, BBV). Het instellen van voorzieningen, welk een rechtstreeks gevolg is vanuit de bedrijfsvoering en wettelijke regelingen, kan achteraf bij de vaststelling van de jaarrekening (toelichting op de balans) worden geformaliseerd. Toevoegingen aan voorzieningen gebeuren ten laste van het programma waarop de betreffende gelden zijn ontvangen dan wel waaruit de verplichting is voortgekomen. Zij maken daardoor deel uit van het rekeningsresultaat vóór bestemming (resultaatbepaling).

Onttrekkingen aan de voorzieningen komen niet meer in de exploitatie tot uiting, maar vinden rechtstreeks op de balans plaats. Indien de activiteit namelijk ook weer ten laste van de exploitatie zou lopen, zou het bedrag van de aanwending tweemaal als een last verantwoord worden. Elke voorziening moet de omvang hebben van de desbetreffende verplichting of het desbetreffende risico. Mutaties in voorzieningen wegens toevoegingen of door vrijval vloeien uitsluitend voort uit het aanpassen aan een nieuw noodzakelijk niveau. De overige mutaties bestaan alleen uit verminderingen wegens aanwending voor het doel waarvoor de voorziening is ingesteld. Belangrijk is dat, als de onderbouwing van een voorziening ontbreekt en het risico redelijkerwijs niet in te schatten is, er geen voorziening kan worden gevormd. In dat geval wordt het risico vermeldt in de paragraaf ‘Weerstandsvermogen’. Het is daarom van belang een goede onderbouwing onder de vorming van elke voorziening te leggen waarin een aantal belangrijke aspecten worden opgenomen rondom de voorziening. In paragraaf 3.1.3 zijn deze aspecten opgenomen die verbonden zijn aan het instellen en opheffen van voorzieningen.

3.1.3 VOORSTEL INSTELLEN EN OPHEFFEN VOORZIENINGEN Aan een reserve of voorziening ligt een voorstel ten grondslag, waarin een aantal belangrijke aspecten worden opgenomen rondom de voorgenomen reserve of investering. Hierbij valt te denken aan: a) Budgetverantwoordelijke: Er dient aangegeven te zijn wie verantwoordelijk is voor de reserve en/ of voorziening. In de meeste gevallen is dit de budgetverantwoordelijke van de betreffende afdeling. De afdeling financiën heeft ten aanzien van de reserves en voorzieningen een toetsende en coördinerende rol. Zowel de afdeling financiën als de budgetverantwoordelijke zijn actief betrokken in het traject tot aan besluitvorming aangaande een reserve of voorziening. b) Doel&Motief: Er moet een duidelijk omschreven doel waar de bestedingen voor bestemd zijn, worden aangegeven. Het argument moet aangegeven worden om een reserve in te stellen dan wel aan te houden. Doorgaans is de overweging om een reserve of voorziening in te stellen terug te voeren op het spaarelement en/of het egaliseren van fluctuaties in de exploitatielast. c) Voeding: Vermeld waarvan de voeding plaatsvindt. d) Minimale en maximale omvang: Om uitspraken te kunnen doen over de omvang van de reserve dient de minimaal en maximaal benodigde omvang te zijn onderbouwd en te worden vastgelegd. Een reserve die zich onder het minimum niveau bevindt dient aangevuld te worden.

Indien het maximumniveau wordt overschreden wordt het surplus toegevoegd aan de algemene reserve.

e) Looptijd of maximale duur: De periode dat een reserve in stand gehouden dient te worden moet worden aangegeven. Indien dat niet mogelijk is moet hiervan duidelijk de reden worden vermeld.

3.2 GEDRAGSREGELS EN SPELREGELS 3.2.1 ALGEMEEN a. Vorming van reserves en voorzieningen vindt plaats met expliciete toestemming van de Raad. Het onderscheid tussen resultaatbepaling en resultaatbestemming waarborgt dit principe. b. Bij voorstellen waar de aanwending van bestemmingsreserves en/of voorzieningen zijn betrokken dienen zowel de afdeling financiën, in haar toetsende en coördinerende rol, als de budgetbeheerder actief te worden betrokken.

3.2.2 RESERVES c.

Vorming van reserves vindt niet vanzelfsprekend plaats via onderuitputting op specifieke begrotingskosten- en opbrengsten.

d. Het vormen van een egalisatiereserve is alleen mogelijk als met tarieven wordt gewerkt die aan de kostprijs zijn gerelateerd. e. Bij het instellen van een reserve dient doel, budgetverantwoordelijke, looptijd, voeding, minimale en maximale omvang, en looptijd expliciet te worden vastgelegd (paragraaf 3.1.1). f.

Toevoegingen en onttrekkingen zijn expliciet onderwerp van bestuurlijke besluitvorming en dienen bij begroting of begrotingswijziging geaccordeerd te worden.

g. Toevoegingen en onttrekkingen zijn onderwerp van resultaatbestemming en vinden plaats na resultaatbepaling. h. Aan reserves wordt geen rente toegevoegd. Indien de reele waarde daalt, kan een toevoeging zoals in punt g worden overwogen. i.

Bestemmingsreserves worden jaarlijks, bij de jaarrekening, geëvalueerd. Dat betekent dat reserves met een specifiek doel of een concrete aflooptermijn voor heroverweging worden voorgelegd indien de geplande realisatie uitblijft.

j.

Indien zich drie jaren achtereen geen mutaties voordoen zal bij het opmaken van de jaarrekening worden toegelicht in hoeverre instandhouding van de reserve noodzakelijk wordt geacht. Wanneer de reserve niet meer noodzakelijk is, wordt een separaat voorstel gemaakt om het restant van de reserve toe te voegen aan de algemene reserve.

k.

Wanneer het doel van de reserve is vervallen kan de reserve vervallen en eventueel voor herbestemming worden voorgelegd aan de Raad.

3.2.3 VOORZIENINGEN l.

Zoals opgenomen in paragraaf 2.3 is de vorming van voorzieningen imperatief wanneer zich een situatie voordoet zoals beschreven in artikel 44, lid 1 van het BBV. Het onderscheid tussen

resultaatbepaling en resultaatbestemming zoals beschreven in paragraaf 3.3.1 waarborgt dit principe. m. Voor alle ingestelde onderhoudsvoorzieningen moeten beheersplannen aanwezig zijn. Deze beheersplannen moeten tijdig en frequent worden geëvalueerd en minimaal een doorkijk bieden voor de periode van de lopende programmabegroting. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij de budgethouder van het team waar de voorziening is ingesteld. n. Aan voorzieningen wordt geen bespaarde rente toegerekend. o. Voor de vorderingen wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een individuele beoordeling en/ of op ervaringscijfers van de openstaande vorderingen (art.11, verordening 212). p. Voorzieningen worden jaarlijks, bij de jaarrekening, geëvalueerd. Dat betekent dat voorzieningen voor heroverweging worden voorgelegd als de geplande realisatie uitblijft.

3.3 MUTATIES OP RESERVES EN VOORZIENINGEN In het BBV staan richtlijnen op welke wijze toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves en voorzieningen moeten plaatsvinden.

3.3.1 RESULTAATBEPALING EN RESULTAATBESTEMMING Voor een zuivere resultaatbepaling is het noodzakelijk dotaties en onttrekkingen ten gunste c.q. ten laste van (bestemmings-)reserves via resultaatbestemming te laten plaatsvinden. Dat wil zeggen dat, zowel bij de begroting als bij de jaarrekening, alle baten en lasten worden verantwoord zonder rekening te houden met toevoegingen en onttrekkingen aan reserves. Bij de bepaling van het saldo worden de mutaties in de reserves dus niet meegenomen (=resultaatbepaling). Na de resultaatbepaling zal de bestemming aangeven op welke wijze reserves worden ingezet (=resultaatbestemming).

3.3.2 TUSSENTIJDSE MUTATIES De verwerking van mutaties (toevoegingen en onttrekkingen) van een reserve wordt opgenomen in de begroting en vormt daarmee een onderwerp voor expliciete bestuurlijke besluitvorming. Voor tussentijdse mutaties die niet zijn opgenomen in de begroting wordt het volgende onderscheid aangehouden: a)

Een onttrekking aan een bestemmingsreserve die volledig in overeenstemming is met de doelbestemming en waarvan de bestuurlijke besluitvorming in feite al bij de instelling van de reserve heeft plaatsgevonden: Voor deze mutatie is een B&W voorstel en besluit voldoende. Dit besluit wordt ter kennisname voorgelegd aan de Raad. De uiteindelijke verantwoording vindt plaats bij de Jaarrekening.

b) Een onttrekking aan de algemene reserve of bestemmingsreserve die niet geheel binnen het bestuurlijk besluit inzake de doelbestemming past; Deze mutatie wordt altijd vooraf met een een begrotingswijziging en een bijbehorend Raadsvoorstel aan de raad voorgelegd.

HOOFDSTUK 4. BIJLAGEN 4.1 RESERVES EN VOORZIENINGEN (ART. 27, 42 T/M 45), BBV Artikel 27 1. De programmarekening bevat: a. de gerealiseerde baten en lasten per programma; b. het overzicht van de gerealiseerde algemene dekkingsmiddelen; c. het gerealiseerde resultaat voor bestemming, volgend uit de onderdelen a en b; d. de werkelijke toevoegingen en onttrekkingen aan reserves; e. het gerealiseerde resultaat na bestemming, volgend uit de onderdelen c en d. 2. De programmarekening bevat van de onderdelen genoemd in het eerste lid ook de ramingen uit de begroting voor en na wijziging. Artikel 42 1. Het eigen vermogen bestaat uit de reserves en het gerealiseerde resultaat volgend uit het overzicht van baten en lasten in de jaarrekening. 2. Het in het eerste lid bedoelde resultaat wordt afzonderlijk opgenomen als onderdeel van het eigen vermogen. Artikel 43 1. In de balans worden de reserves onderscheiden naar: a. de algemene reserve; b. de bestemmingsreserves. 2. Een bestemmingsreserve is een reserve waaraan provinciale staten respectievelijk de raad een bepaalde bestemming heeft gegeven. Artikel 44 1. Voorzieningen worden gevormd wegens: a. verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs te schatten; b.

op de balansdatum bestaande risico’s ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten; c. kosten die in een volgend begrotingsjaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt in het begrotingsjaar of in een voorafgaand begrotingsjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal begrotingsjaren. d. de bijdragen aan toekomstige vervangingsinvesteringen, waarvoor een heffing wordt geheven als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder b. 2.Tot de voorzieningen worden ook gerekend van derden verkregen middelen die specifiek besteed moeten worden, met uitzondering van de voorschotbedragen, bedoeld in artikel 49, onderdeel b.

3.Voorzieningen worden niet gevormd voor jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume. Artikel 45 Rentetoevoegingen aan voorzieningen zijn niet toegestaan.

4.2 OVERZICHT SALDI RESERVES EN VOORZIENINGEN zie hiervoor het meest recente P&C document.

4.3 SPECIFICATIE RESERVES EN VOORZIENINGEN

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16260640/1