Bijlage 3 Bijlagen behorende bij de regels bestemmingsplan `Rhenen Cuneraweg 266
Tekst van het document
Bijlage 3: Staat van bedrijfsactiviteiten
-
T.B.V. DE LANDBOUW
014
016
0
Dienstverlening t.b.v. de landbouw:
014
016
1
- algemeen (o.a. loonbedrijven): b.o. > 500 m²
016
014
016
10
50
10
50
D
CATEGORIE
AFSTAND
01
014
30
DIENSTVERLENING
01
-
GROOTSTE
EN
GEVAAR
LANDBOUW
GELUID
-
AFSTANDEN IN METERS
STOF
-
OMSCHRIJVING
GEUR
SBI-2008 nummer
SBI-1993
plantsoenendiensten
3.1
en
3
hoveniersbedrijven: b.o. > 500 m²
30
10
50
10
50
3.1
4
plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven: b.o. <= 500 m²
30
10
30
10
30
2
10
10
50
0
50
3.1
50
0
50
10
50
3.1
50
0
50
10
50
3.1
50
10
30
10
50
3.1
10
30
2
BOSBOUW EN DIENSTVERLENING T.B.V. 02
02
020
021, 022, 024
-
BOSBOUW
15
10, 11
-
151
101, 102
0
vleesverwerking:
151
101, 102
7
- loonslachterijen
Bosbouwbedrijven VERVAARDIGING VAN VOEDINGSMIDDELEN EN DRANKEN Slachterijen
en
overige
- vervaardiging van snacks en vervaardiging van kant-en-klaar151
108
152
102
8
maaltijden met p.o. < 2.000 m²
6
- verwerken anderszins: p.o. <= 300 m² Broodfabrieken,
brood-
en
1581
1071
0
banketbakkerijen:
1581
1071
1
gebruik van charge-ovens
30
10
30
6
- suikerwerkfabrieken zonder suiker branden: p.o. <= 200 m²
30
10
30
10
30
2
Deegwarenfabrieken
50
30
10
10
50
3.1
Vervaardiging van wijn, cider e.d.
10
0
30
0
30
2
- v.c. < 7500 kg meel/week, bij
1584
10821
1585
1073
1593
t/m 1102 t/m
1595
1104
17
13
-
C
C
VERVAARDIGING VAN TEXTIEL
173
133
Textielveredelingsbedrijven
50
0
50
10
50
3.1
174, 175
139
Vervaardiging van textielwaren
10
0
50
10
50
3.1
139, 143
Vervaardiging van gebreide gehaakte stoffen en artikelen
0
10
50
10
50
3.1
30
0
50
0
50
3.1
10
10
30
10
30
2
50
10
10
10
50
3.1
176, 177
VERVAARDIGING -
VAN
en
KLEDING;
18
14
181
141
Vervaardiging kleding van leer
BEREIDEN EN VERVEN VAN BONT en
182
141
Vervaardiging van kleding toebehoren (excl. van leer) Bereiden
bont;
183
142, 151
en
verven
van
-
vervaardiging van artikelen van bont VERVAARDIGING -
VAN
LEER
EN
19
15
LEDERWAREN (EXCL. KLEDING)
192
151
Lederwarenfabrieken (excl. kleding en schoeisel)
50
10
30
10
50
193
152
Schoenenfabrieken
50
10
50
10
50
D
3.1 3.1
20
16
-
2010.2
16102
0
Houtconserveringsbedrijven:
2010.2
16102
2
- met zoutoplossingen Kurkwaren-, rietvlechtwerkfabrieken
162902
CATEGORIE
30
50
10
50
3.1
10
10
30
0
30
2
50
30
50
30 R
50
3.1
0
0
10
0
10
1
10
0
30
0
30
2
0
0
10
0
10
1 2
AFSTAND
10
VERVAARDIGING
ARTIKELEN VAN HOUT, RIET, KURK E.D.
205
GROOTSTE
EN
GEVAAR
HOUTINDUSTRIE
GELUID
-
AFSTANDEN IN METERS
STOF
-
OMSCHRIJVING
GEUR
SBI-2008 nummer
SBI-1993
en
VERVAARDIGING VAN PAPIER, KARTON 21
17
-
EN PAPIER- EN KARTONWAREN
2112
1712
0
Papier- en kartonfabrieken:
2112
1712
1
- p.c. < 3 t/u UITGEVERIJEN,
-
DRUKKERIJEN
C
EN
22
58
221
581
Uitgeverijen (kantoren)
REPRODUKTIE VAN OPGENOMEN MEDIA
2222.6
18129
Kleine drukkerijen kopieerinrichtingen
2223
1814
A
2223
1814
B
Binderijen
30
0
30
0
30
2224
1813
Grafische reproduktie en zetten
30
0
10
10
30
2225
1814
Overige grafische aktiviteiten
30
0
30
10
30
182
Reproduktiebedrijven media
opgenomen
223
0
0
10
0
10
1
CHEMISCHE
24
20
-
VERVAARDIGING PRODUKTEN
2442
2120
0
Farmaceutische produktenfabrieken:
2442
2120
1
formulering geneesmiddelen
2442
2120
2
- verbandmiddelenfabrieken
2462
2052
0
Lijm- en plakmiddelenfabrieken:
2466
205903
A
Chemische kantoorbenodigdhedenfabrieken
en
Grafische afwerking
VAN
en
2 D
2
afvullen 50
10
50
50 R
50
3.1
10
10
30
10
30
2
50
10
50
50 R
50
3.1
50
10
30
30
50
3.1
10
30
50
10
50
3.1
10
10
30
10
30
2
10
30
50
10
50
30
10
30
10
30
VERVAARDIGING VAN PRODUKTEN VAN 25
22
-
RUBBER EN KUNSTSTOF
2512
221102
0
Loopvlakvernieuwingsbedrijven:
2512
221102
1
- vloeropp. < 100 m2 VERVAARDIGING
26
VAN
AARDEWERK, CEMENT-, GIPSPRODUKTEN
GLAS, KALK-
23
-
261
231
0
2615
231
262, 263
232, 234
0
262, 263
232, 234
1
40 kW
267
237
0
Natuursteenbewerkingsbedrijven:
2681
2391
EN
Glasfabrieken: Glasbewerkingsbedrijven Aardewerkfabrieken: - vermogen elektrische ovens totaal <
Slijp- en polijstmiddelen fabrieken VERVAARDIGING
30
26, 28, 33
-
30
26, 28, 33
A
D
3.1
VAN
KANTOORMACHINES EN COMPUTERS Kantoormachinescomputerfabrieken incl. reparatie
en 2
GROOTSTE
10
30
10
30
CATEGORIE
GEVAAR
30
AFSTAND
GELUID
-
AFSTANDEN IN METERS
STOF
-
OMSCHRIJVING
GEUR
SBI-2008 nummer
SBI-1993
VERVAARDIGING VAN OVER. ELEKTR. 31
26, 27, 33
316
293
-
MACHINES, BENODIGDH.
APPARATEN
EN
Elektrotechnische industrie n.e.g.
2
VERVAARDIGING VAN AUDIO-, VIDEO-, 32 321 323
26, 33
-
TELECOM-APPARATEN EN -BENODIGDH.
Vervaardiging van audio-, video- en e.d. incl. t/m 261, 263, 264, telecom-apparatuur 331 reparatie
3210
33
2612
26, 32, 33
Fabrieken voor gedrukte bedrading
-
VERVAARDIGING VAN MEDISCHE
EN
OPTISCHE APPARATEN INSTRUMENTEN
EN
30
0
50
30
50
50
10
50
30
50
D
3.1 3.1
30
0
30
0
30
2
30
30
50
10
50
3.1
Fabrieken voor medische en optische 33
26, 32, 33
A
apparaten en instrumenten e.d. incl. reparatie VERVAARDIGING
VAN
35
30
-
TRANSPORTMIDDELEN (EXCL. AUTO'S, AANHANGWAGENS)
351
301, 3315
0
Scheepsbouw- en reparatiebedrijven:
351
301, 3315
1
- houten schepen
36
31
-
VERVAARDIGING VAN MEUBELS OVERIGE GOEDEREN N.E.G.
EN
361
9524
2
Meubelstoffeerderijen b.o. < 200 m2
0
10
10
0
10
1
362
321
Fabricage van munten, sieraden e.d.
30
10
10
10
30
2
363
322
Muziekinstrumentenfabrieken
30
10
30
10
30
2
364
323
Sportartikelenfabrieken
30
10
50
30
50
3.1
365
324
Speelgoedartikelenfabrieken
30
10
50
30
50
3.1
3663.1
32991
Sociale werkvoorziening
0
30
30
0
30
2
30
10
50
30
50
10
30
50
10
50
3.1
10
30
50
10
50
3.1
0
10
30
10
30
2
0
0
10
0
10
1 3.1
Vervaardiging van overige goederen 3663.2
32999
45
41, 42, 43
-
BOUWNIJVERHEID
n.e.g.
45
41, 42, 43
1
- bouwbedrijven algemeen: b.o. <= 2.000 m²
D
3.1
Aannemersbedrijven met werkplaats: 45
41, 42, 43
2
b.o. > 1000 m² - aannemersbedrijven met werkplaats:
45
41, 42, 43
51
46
511
461
3
b.o.< 1000 m²
-
GROOTHANDEL HANDELSBEMIDDELING
EN
Handelsbemiddeling (kantoren) Grth 0
in
akkerbouwprodukten
en
5121
4621
veevoeders
30
30
50
30 R
50
5122
4622
Grth in bloemen en planten
10
10
30
0
30
2
5124
4624
Grth in huiden, vellen en leder
50
0
30
0
50
3.1
5125, 5131
46217, 4631
consumptie-aardappelen
30
10
30
50 R
50
3.1
5132, 5133
4632, 4633
Grth in vlees, vleeswaren, zuivelprodukten, eieren, spijsoliën
10
0
30
50 R
50
3.1
5134
4634
Grth in dranken
0
0
30
0
30
2
5135
4635
Grth in tabaksprodukten
10
0
30
0
30
2
Grth in ruwe tabak, groenten, fruit en
suiker,
chocolade
suikerwerk
4637
Grth in koffie, specerijen
5138, 5139
4638, 4639
Grth in overige genotmiddelen
514
464, 46733
Grth in overige consumentenartikelen
5153
4673
0
Grth in hout en bouwmaterialen:
5153.4
46735
6
- algemeen: b.o. <= 200 m²
5137
CATEGORIE
10
30
0
30
2
30
10
30
0
30
2
AFSTAND
10
en
4636
thee,
GROOTSTE
in
GEVAAR
Grth 5136
GELUID
-
AFSTANDEN IN METERS
STOF
-
OMSCHRIJVING
GEUR
SBI-2008 nummer
SBI-1993
cacao
en
voedings-
en 10
10
30
10
30
2
10
10
30
10
30
2
0
10
30
0
30
2
0
0
30
0
30
2
10
10
30
10
30
2
0
10
50
0
50
3.1
0
0
30
0
30
2
0
0
30
C
0
30
2
0
0
50
C
30
50
3.1
Grth in ijzer- en metaalwaren en 5154
4674
0
verwarmingsapparatuur:
5154
4674
2
- algemeen: b.o. < = 2.000 m² Grth
in
overige
intermediaire
5156
4676
518
466
0
Grth in machines en apparaten:
goederen
518
466
2
- overige Overige
519
466, 469
60
49
6022
493
494
-
VERVOER OVER LAND Taxibedrijven
1
Goederenwegvervoerbedrijven
(zonder schoonmaken tanks) b.o. <= 1000 m² DIENSTVERLENING
63
52
(bedrijfsmeubels,
emballage, vakbenodigdheden e.d.
6024
grth
T.B.V.
HET
-
VERVOER
A
Distributiecentra, pak- en koelhuizen
30
10
50
C
50 R
50
52109
B
Opslaggebouwen opslagruimte)
0
0
30
C
10
30
2
64
53
-
641
531, 532
Post- en koeriersdiensten
0
0
30
C
0
30
2
642
61
Telecommunicatiebedrijven
0
0
10
C
0
10
1
10
0
30
10
30
2
10
0
50
10
50
D
3.1
10
0
50
10
50
D
3.1
10
10
30
10
30
D
2
0
0
10
0
10
1
30
10
30
30 R
30
2
52102, 6312 6312
52109
A
D
3.1
(verhuur
POST EN TELECOMMUNICATIE
VERHUUR VAN TRANSPORTMIDDELEN, 71
77
711
7711
-
ANDERE
ROERENDE
Personenautoverhuurbedrijven
7712, 712
MACHINES, GOEDEREN
7739
Verhuurbedrijven
voor
transportmiddelen personenauto's)
(excl.
Verhuurbedrijven voor machines en 713 714
773
werktuigen
772
Verhuurbedrijven goederen n.e.g.
voor
roerende
COMPUTERSERVICE-
EN
72
62
-
INFORMATIETECHNOLOGIE
72
62
A
informatietechnologie-bureau's e.d.
73
72
-
SPEUR- EN ONTWIKKELINGSWERK
731
721
Computerservice-
Natuurwetenschappelijk ontwikkelingswerk
en
speur-
en
10
0
10
CATEGORIE
0
AFSTAND
0
GROOTSTE
722
GEVAAR
Maatschappij732
GELUID
-
AFSTANDEN IN METERS
STOF
-
OMSCHRIJVING
GEUR
SBI-2008 nummer
SBI-1993
en
geesteswetenschappelijk onderzoek
1
63, 69tm71, 73, 77, 74
74, 78,
80tm82
-
OVERIGE ZAKELIJKE DIENSTVERLENING
A
Overige zakelijke kantoren
63, 69tm71, 73,
74,
74
77, 78, 80tm82
dienstverlening: 0
0
10
0
10
D
1
747
812
Reinigingsbedrijven voor gebouwen
50
10
30
30
50
D
3.1
7481.3
74203
Foto- en filmontwikkelcentrales
10
0
30
10
30
2
7484.4
82992
Veilingen voor huisraad, kunst e.d.
0
0
10
0
10
1
50
30
50
10
50
3.1
30
30
50
30 R
50
3.1
OPENBAAR 75
84
-
OVERHEIDSDIENSTEN, VERZEKERINGEN
80
85
-
ONDERWIJS
90
37, 38, 39
-
MILIEUDIENSTVERLENING
9001
3700
A0
9002.1
381
A
e.d.
C
BESTUUR, SOCIALE
RWZI's en gierverwerkingsinricht., met afdekking voorbezinktanks: Vuilophaal-, straatreinigingsbedrijven
9002.1
381
B
Gemeentewerven inzameldepots)
(afval-
9002.2
382
A0
Afvalverwerkingsbedrijven:
9002.2
382
A4
ziekenhuizen)
50
10
30
10
50
3.1
10
10
30
30 R
30
2
- pathogeen afvalverbranding (voor
9002.2
382
A7
- verwerking fotochemisch en galvanoafval
93
96
-
OVERIGE DIENSTVERLENING
9301.1
96011
A
Wasserijen en strijkinrichtingen
30
0
50
30
50
3.1
9301.1
96011
B
Tapijtreinigingsbedrijven
30
0
50
30
50
3.1
9301.2
96012
Chemische wasserijen en ververijen
30
0
30
30 R
30
2
9301.3
96013
Wasverzendinrichtingen
0
0
30
0
30
2
A
Lijst van afkortingen <
niet van toepassing of niet relevant kleiner dan
> =
groter dan gelijk aan
cat.
categorie
e.d. kl.
en dergelijke klasse
n.e.g.
niet elders genoemd
o.c. p.c.
opslagcapaciteit productiecapaciteit
p.o.
productieoppervlak
b.o.
bedrijfsoppervlak
C
v.c.
verwerkingscapaciteit
u
uur
d w
dag week
j
jaar
B C
bodemverontreiniging, de activiteit geeft een verhoogde kans op bodemverontreiniging continu, bij de betreffende milieubelastende activiteiten zijn de voor geluid bepalende activiteiten meestal continu
D
(dag en nacht) in bedrijf divers, de activiteit kan een grote variatie in milieubelasting vertonen, dit dient per geval nader te worden bezien
L
luchtverontreiniging
Z R
zonering op basis Wet geluidhinder risico (Besluit externe veiligheid inrichtingen mogelijk van toepassing)
V
vuurwerkbesluit van toepassing
G P
goederenvervoer personenvervoer
20,9 m2 112,8 m2 Te slopen bebouwing (aangegeven met rode omlijning)
299,3 m2
Landschappelijk inpassingsplan Cuneraweg 266 te Rhenen Datum: 3 augustus 2021 Auteur: E.T. (Ester) Haalboom, Van Westreenen BV
1 Aanleiding Initiatiefnemer is eigenaar van het perceel aan de Cuneraweg 266 te Rhenen en wenst op deze locatie functieverandering toe te passen van een agrarisch bedrijf naar een niet-agrarisch bedrijf. Ter compensatie dient initiatiefnemer extra ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit op zijn perceel te realiseren en derhalve een landschappelijk inpassingsplan te worden aangeleverd. Deze landschappelijke inpassing wordt in voorliggend document nader uitgewerkt. 2
Beleidsanalyse en landschappelijke context
2.1 Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie en -verordening Utrecht In de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie en -verordening van de provincie Utrecht zijn een aantal ontwikkelingsdoelen en bepalingen met betrekking tot het aspect landschap opgenomen. Met het opstellen van het landschappelijk inpassingsplan dienen deze in acht te worden genomen. In artikel 1.7 van de Provinciale ruimtelijke verordening zijn bepalingen opgenomen ter behoud en versterking van de samenhangende cultuurhistorisch waardevolle structuren en elementen van bovenlokaal belang. Een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘Historische buitenplaatszones’, ‘Militair erfgoed’, ‘Agrarisch cultuurlandschap’ en ‘Archeologie’ mogen geen nieuwe bestemmingen en regels mogelijk maken die leiden tot een onevenredige aantasting van deze waarden. In artikel 1.8 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening zijn bepalingen opgenomen ter bescherming van voorkomende landschappelijke kernkwaliteiten. Een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘Eemland’, ‘Gelderse Vallei’, ‘Groene Hart’, ‘Rivierenland’ en ‘Utrechtse Heuvelrug’ mag geen nieuwe bestemmingen en regels mogelijk maken die leiden tot een onevenredige aantasting van deze waarden.
In artikel 2.4 van dezelfde verordening zijn bepalingen opgenomen ter bescherming en instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuur Netwerk Nederland. Een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘Natuur Netwerk Nederland, mag geen nieuwe bestemmingen en regels mogelijk maken die leiden tot een onevenredige aantasting van deze kenmerken en waarden. Artikel 3.9 bevat de voorwaarden voor functiewijziging naar een stedelijke functie anders dan wonen. Lid b van dit artikel stelt het volgende: door sloop wordt de oppervlakte van de fysiek aanwezige bebouwing met 50% gereduceerd, waarbij te behouden historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing niet in de berekening wordt betrokken, tenzij: (..) vi.
de ruimtelijke kwaliteit wordt op een andere wijze verhoogd dan alleen door sloop van bebouwing, in een mate die een lager slooppercentage dan 50% rechtvaardigt.
Tevens is in het kader van cultuurhistorie, landschap en natuur de volgende voorwaarde opgenomen: d.
de bestaande cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden worden behouden.
2
Planspecifiek Artikel 1.7 Het plangebied valt binnen de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) en is aangewezen voor ‘Archeologie’. Ten behoeve van het plan worden geen gronden afgegraven. Het plan leidt derhalve niet tot een onevenredige aantasting van de in het plangebied voorkomende waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur. Artikel 1.8 & Artikel 2.4 Het plangebied is tevens gelegen binnen het landschap ‘Gelderse Vallei’, op de grens met het landschap ‘Utrechtse Heuvelrug’ en is derhalve gesitueerd binnen de contouren van de voor ‘Landschap’ aangewezen gronden. Het plangebied valt buiten het Natuur Netwerk Nederland.
Figuur 1: Ligging plangebied in Gelderse Vallei, op de grens met de Utrechtse Heuvelrug
Figuur 2: Ligging plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland
3
De Gelderse Vallei is onderverdeeld in drie deelgebieden met elk een eigen identiteit. Het plangebied is gesitueerd in het deelgebied ‘stroken op de flank’, een halfopen landschap van langgerekte ruimten, omzoomd door beplante wegen en kavelgrenzen. Een mix van lanen, rijen knotbomen, houtsingels, bospercelen, grasland en maisakkers zorgen voor een gevarieerd landschapsbeeld. Erven met oude en nieuwe gebouwen liggen door elkaar in open linten, verscholen tussen het groen. In de Stroken heerst ordening vanwege de eenduidigheid in richting van de kavels, hoewel er nog steeds sprake is van variatie. De kernkwaliteiten binnen de Gelderse Vallei zijn: 1. Rijk gevarieerde kleinschaligheid 2. Stelsel van beken, griften en kanalen 3. Grebbelinie 4. Overgang van Vallei naar stuwwal De ambities voor de Gelderse Vallei zijn als volgt: 1. Het versterken van de gebiedsidentiteiten in de drie deelgebieden; 2. Het behouden van de verborgen structuren; 3. Bijzondere aandacht voor de drie gebieden. Het landschap van het deelgebied Stroken in de Gelderse Vallei vraagt om verdichting van het landschappelijk raamwerk door: -
-
-
het intensiever accentueren van agrarische perceelsgrenzen met landschapselementen, zoals houtsingels (vnl. els) of knotwilgen; oude wegen te voorzien van bomen; het behouden of versterken van meer afwisseling tussen weilanden (vnl. grondgebonden landbouw), akkers en bospercelen in het landgebruik; het stimuleren van de ontwikkeling van nieuwe landgoederen, bestaande uit een hoofdgebouw en bijgebouwen; uitzondering hierop vormen de inundatievelden langs het valleikanaal, waar het raamwerk grootschaliger is. dankzij de open ruimten ten opzichte van het omliggende landschap komt de Grebbelinie hier goed tot zijn recht. het in standhouden van langgerekte percelen; compacte dorpen of open linten langs wegen; afstemming van bedrijfsvergroting op maat en schaal van het landschap; versterken van grotere, langgerekte ruimten in het landbouwontwikkelingsgebied. het raamwerk is grootschalig en wordt bepaald door wegbeplanting, erfbeplantingen en kavelgrensbeplantingen. bedrijven voegen zich in de schaal van het gebied; een onbeplante snelweg A12 en spoorlijn; beide zijn te gast in het landschap. de grote langgerekte ruimten met kavelgrensbeplantingen loodrecht op de snelweg moeten bepalend zijn voor het landschappelijk beeld. (Bron: Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen - Gelderse Vallei, 2011)
Op het perceel wordt geen bebouwing toegevoegd of landschapselementen verwijderd. Bestaande waarden worden derhalve niet geschaad. Wel dient het project landschappelijk goed te worden ingepast.
4
Bovenstaande doelen zijn daarom als uitgangspunt genomen bij het uitwerken van het landschappelijk inpassingsplan. Op de volgende pagina zijn een aantal visualisaties van deze doelen weergegeven.
5
Artikel 3.9 Het plan voorziet in functiewijziging waarbij een lager slooppercentage dan 50% wordt toegepast. Derhalve dient de ruimtelijke kwaliteit op een andere wijze te worden verhoogd dan alleen door sloop van bebouwing, in een mate die een lager slooppercentage rechtvaardigt. Dit dient in het landschappelijk inpassingsplan te worden verwerkt. Tevens dienen de bestaande cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden te worden behouden. Hier wordt in de gewenste situatie aan voldaan door te toetsen aan de artikelen 1.7, 1.8 en 2.4 van de verordening. 2.2 Handreiking ‘nieuwe functies op vrijkomende agrarische bouwpercelen’ In de PRV wordt een veelheid aan verschillende situaties en mogelijkheden voor toepassing van functiewijziging beschreven. Dit biedt ruimte aan flexibiliteit, maar zorgt er ook voor dat de regels niet altijd eenvoudig toe te passen zijn. Derhalve is door de provincie de handreiking ‘nieuwe functies op vrijkomende agrarische bouwpercelen’ opgesteld. Hoofdstuk 4 van de handreiking gaat over de gevallen waarbij van de standaardmaatvoering afgeweken kan worden (minder slopen of juist meer bouwen) door extra ruimtelijke kwaliteit in een gebied toe te voegen. In de handreiking is ingegaan op een aantal concrete vormen van ruimtelijke kwaliteit, waaronder: -
Het herstel van landschapselementen Ontwikkelen van natuur in de groene contour Het herstel van de cultuurhistorische hoofdstructuur Oplossingen voor de wateropgave rondom de locatie Realisering van wandel- en recreatiemogelijkheden Verbetering van het woonmilieu in de aangrenzende kern Sanering van niet-grondgebonden veehouderij uit de nabijheid van (beoogde) natuurgebieden
2.3 Landschapsontwikkelingsplan en Beeldkwaliteitsplan Binnenveld De landschappelijke kwaliteiten van het plangebied staan ook beschreven in het landschapsontwikkelingsplan Binnenveld van de WERV-gemeenten. Deze gemeenten willen het Binnenveld behouden als aantrekkelijk gemeenschappelijk uitloopgebied. Daarbij wordt het volgende nagestreefd. 1. Het landschap van het Binnenveld blijft behouden en de landschappelijke differentiatie wordt versterkt. Initiatieven voor functieverandering, vernieuwing en landgoedvorming worden begeleid; dit gebeurt met het oog op nieuwe ruimtelijke kwaliteit. 2. De randen van de kernen worden in het landschap ingepast en tussen de verschillende kernen blijven groene wiggen behouden. De toegankelijkheid van het landschap voor recreatief medegebruik door de bewoners van de omliggende kernen wordt verbeterd. 3. In de lage kern van het gebied worden de natuurwaarden versterkt. Voor zover mogelijk wordt natuurontwikkeling en agrarisch grondgebruik gecombineerd met waterberging. Tevens worden de ecologische relaties met de rest van de Gelderse Vallei en met de grote natuurgebieden Veluwe, Utrechtse Heuvelrug en Nederrijn behouden en versterkt.
6
Naast een landschapsontwikkelingsplan hebben de gemeenten tevens een beeldkwaliteitsplan voor het Binnenveld opgesteld, bedoeld als begeleiding van bouwaanvragen op de erven in het Binnenveld. Daarmee kan met name gedacht worden aan functieverandering van vrijkomende voormalig agrarische gebouwen. Richtlijnen voor beeldkwaliteit op erfniveau Bij voorkeur worden bestaande gebouwen hergebruikt voor een nieuwe functie, waardoor het oorspronkelijke karakter van de bebouwing behouden blijft. In de oorspronkelijke agrarische erven zijn karakteristieke en waardevolle boerderijen te herkennen als hoofdgebouw. Indien op zo’n erf sprake is van functieverandering, dan is in beginsel het uitgangspunt dat alle nieuwe bebouwing, wat betreft goothoogte en positie op het erf onderschikt is aan de oude boerderij. Dit betreft in ieder geval de bijgebouwen en eventuele bedrijfsgebouwen. Verder zijn er de volgende uitgangspunten: 1. Compact erf Een compacte erfindeling met één erftoegangsweg is het uitgangspunt. Clustering van bebouwing rond een gemeenschappelijk erf. Parkeerfaciliteiten worden op één plek op het erf aangelegd. Het nieuwe erf is aanzienlijk minder groot dan het oorspronkelijke agrarische erf. Het totale oppervlakte aan verharding mag niet toenemen. Beperkt gebruik van verharding. 2. Kavelvorm Kavelvorm relateren aan de landschappelijke gebiedskarakteristiek (grillig/rationeel).
3. Bouwrichting Variërend. De bebouwing dient onderling een eenheid te vormen (door een bindend element). De bouwrichting oriënteren aan de landschappelijke gebiedskarakteristiek of het bestaande woongebouw. 4. Erfafscheidingen Opvallende terreinafscheidingen, zoals hekwerken en muren, moeten worden voorkomen. Bij voorkeur wordt hierbij gebruik gemaakt van beplanting. 5. Verhogingen en vergravingen Gelet op de karakteristieken van de deelgebieden van het Binnenveld zijn opgehoogde erven of terpen niet toegestaan. Vergravingen voor een van buiten bereikbare garage of kelder zijn niet wenselijk en mogen in ieder geval niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg. Planspecifiek Het plangebied is gesitueerd binnen het veenontginningenlandschap. Dit open landschap wordt gekenmerkt door opstrekkende kavels met kavelsloten als begrenzing. De veenontginningen ten zuiden van Veenendaal hebben een kleinschaliger karakter door enkele bomenrijen die de smalle percelen begrenzen. De mogelijkheden om hier vanaf de doorgaande weg het achterliggende landschap te zien zijn schaars. De aanwezige waardevolle zichtlijnen dienen dan ook beschermd te worden. Om te voorkomen dat de erven aan elkaar vast gaan groeien (en daarmee de zichtlijnen verdwijnen), dienen de erven zich in de diepte te ontwikkelen.
Bij een diepteontwikkeling van het erf, is het belangrijk om meer beplantingen op de erfscheidingen te realiseren. Hierdoor vermindert de betekenis van de bebouwing in het landschap, worden de erven visueel van elkaar gescheiden en wordt de dieptewerking van de strokenverkaveling versterkt.
7
De onbebouwde percelen tussen de erven zijn zeer waardevol door het zicht op het achterliggende landschap. Het is belangrijk dat deze percelen onbebouwd blijven. Aandacht dient uit te gaan naar meer beplantingen op de erfscheidingen. Bij functieverandering dient een gedeelte van het voormalig agrarisch erf / bouwperceel ingeplant te worden met opgaand groen voor de interactie van het erf met het halfopen landschap. Samengevat zijn de ontwerprichtlijnen voor het gebied ten zuiden van Veenendaal als volgt: 1. Kleinschaligheid: Behoud en versterking van de kleinschaligheid van het landschap door aanplant van lineaire beplantingen op erfscheidingen. Benadrukt niet alleen de diepte van de percelen, maar versterkt tevens waardevolle zichtlijnen. 2. Erfbeplanting: Rond het bouwblok aangeplant met gebiedseigen beplanting. De beplanting dient te bestaan uit aaneengesloten dichte - of transparante randbeplanting (bijv. een houtsingel, bomenrij of struweelrand). Beplantingssoorten die veel binnen het landschap voorkomen zijn: eik, ruwe berk, meidoorn, zwarte els, en boswilg. Op het voorerf wordt veelal gebruik gemaakt van kastanje (monumentale boom), eik (eikengaard) en fruitbomen. 3 Locatiespecifieke karakteristieken Het plangebied is gesitueerd langs de Cuneraweg. Ten zuidwesten van het perceel is een bosrijk natuurgebied aanwezig, o.a. aangeduid als Prattenburg.
In de huidige situatie zijn op het voorerf een aantal solitaire bomen en hagen aanwezig. Ten noordwesten van een bestaand bedrijfsgebouw is ook een haag aangeplant. Op de achterste grens van het bouwvlak is een struweel aanwezig.
Figuur 3: Luchtfoto directe omgeving plangebied. Bron: streetsmart.globespotter.cyclomedia.nl
8
4 Inrichtingsplan Het nieuwe bedrijfserf wordt landschappelijk ingepast op basis van de landschappelijke kernkwaliteiten ter plaatse, het landschapsontwikkelingsplan en het beeldkwaliteitsplan. De volgende aspecten zijn als uitgangspunt genomen: 1. bestaande gebouwen worden hergebruikt voor een nieuwe functie, waardoor het oorspronkelijke karakter van de bebouwing behouden blijft; 2. het intensiever accentueren van agrarische perceelsgrenzen met landschapselementen, zoals houtsingels (vnl. els) of knotwilgen; 3. het in standhouden van langgerekte percelen; 4. Het versterken van de dieptewerking van de strokenverkaveling; 5. Het toevoegen van landschapselementen; 6. Het toevoegen van streekeigen beplantingssoorten; 7. Het toevoegen van een klein veldje fruitbomen voor de woning; 8. Extra ruimtelijke kwaliteit door realisering van wandel- en recreatiemogelijkheden. De afgelopen decennia is het erf vergroot, waardoor het erf breder is geworden dan de oorspronkelijke verkavelingsstructuur. Door de gebouwen buiten de oorspronkelijke kavelgrens te slopen wordt het erf verkleind, zonder dat het ensemble de samenhang in bebouwing verliest. De bebouwing vormt in de gewenste situatie een compacter geheel en het bouwvlak wordt kleiner. Tegelijkertijd wordt hierdoor de oorspronkelijke verkavelingsstructuur en daarmee een stukje cultuurhistorie hersteld.
Door de bebouwing juist aan de oostzijde te slopen wordt namelijk, zoals door MooiSticht juist geconstateerd, een historische verkavelingslijn op het perceel teruggebracht. Deze lijn wordt in de gewenste situatie gevormd door de zijlijn van de oostelijke inrit welke visueel doorgetrokken kan worden richting achteren. Deze zijlijn vormt straks de nieuwe grens tussen het bedrijfserf en het agrarisch land. Langs deze herstelde oorspronkelijke verkavelingslijn wordt een greppel aangelegd, begeleid door een aantal bomen, bestaande uit knotwilg en zwarte els (nr. 1 op tekening). Deze greppels zijn kenmerkend voor het veenontginningenlandschap en benadrukken de (oorspronkelijke) verkavelingsstructuur. De greppels zijn hiermee van cultuurhistorische waarde. Ook de knotwilg en zwarte els zijn kenmerkend voor het landschapstype. Deze accentueren in de gewenste situatie de dieptewerking van het veenontginningenlandschap. Langs de bebouwing worden de bomen wat dichter op elkaar aangeplant om het zicht op deze gebouwen op een natuurlijke wijze te onttrekken. Verder worden langs de perceelsgrens enkele knotbomen (els) aangeplant (nr. 2 op tekening) om de perceelsgrens te accentueren en de dieptewerking van de strokenverkaveling te versterken. Voor de woning wordt een fruitboomgaard aangeplant (nr. 3 op tekening), zoals deze veelal te vinden zijn binnen het landschapstype.
Middels deze aanplant wordt het voorerf geaccentueerd en ontstaat er meer contrast tussen de bedrijfslocatie en de naastgelegen open strokenverkaveling. Op dit voorerf wordt reeds gewerkt met hagen.
9
In onderstaand figuur is een overzicht van de bebouwing in de gewenste situatie en de bijbehorende landschappelijke inpassing weergegeven.
Figuur 4: Landschappelijk inpassingsplan
5 Beplantingsplan De zojuist beschreven landschappelijke inpassing bevat de volgende beplanting: Aanduiding
Lat. Naam
Alnus glutinosa Alnus glutinosa 2. Bomenrij Alnus glutinosa Malus ‘Red Sentinel’ 3. Boomgaard Pyrus calleryana ‘Chanticleer’ Prunus serrulata Figuur 6: Beplantingsplan 1. Bomenrij
Ned. Naam Zwarte els (knotvorm) Zwarte els Zwarte els (knotvorm) Sierappel Sierpeer Japanse sierkers
Hoeveelheid 8 3 8 3 2 3
Plantmaat
10-12 10-12 10-12
Plantverband Onregelmatig Onregelmatig Onregelmatig 7 mtr. h.o.h. 7 mtr. h.o.h. 7 mtr. h.o.h.
10
6 Afsluiting Samengevat wordt middels deze landschappelijke inpassing de karakteristieke structuur van beslotenheid en openheid versterkt en ook de diversiteit in beplantingselementen en (streekeigen) beplantingssoorten vergroot. Dit laatste heeft een positief effect op de aanwezigheid van diersoorten ter plaatse. Houtwallen en singels bieden een goede schuilgelegenheid en voedselvoorziening voor o.a. vogels, insecten en kleine zoogdieren. Middels deze landschappelijke inpassing worden tevens de kernkwaliteiten ter plaatse (langgerekte strokenverkaveling met landschapselementen op perceelsgrenzen en de dieptewerking hiervan) behouden en versterkt. Er wordt derhalve voorzien in een goede landschappelijke inpassing van het perceel. In de bijlage is een complete visualisatie van de landschappelijke inpassing opgenomen in welke de geplande uitbreiding en beplanting is weergegeven.
11