Bijlage 3 Advies bezwarencommissie
Tekst van het document
Commissie bezwaarschriften gemeente Rhenen
Secretariaat: Gemeentehuis Rhenen Postbus 201 3910 AE Rhenen
Aan het college van B&W van de gemeente Rhenen
Samenstelling commissie: mr. . (voorzitter) mr. (lid) M. (lid) Nummer bezwaarschrift en namen bezwaarmakers: 1. 25/26: mw. namens dhr. 2. 25/27: dhr. en mw. (Herenstraat ); 3. 25/28: mw. mr. M namens dhr. (Herenstraat ); 4. 25/29: dhr. mr. D.A. Slotboom namens (Stationsweg ); 5. 25/30: mw. mr. namens dhr. ).
(Herenstraat en mw.
); -
ek en mw.
(Herenstraat
Datum: 9 september 2025 Onderwerp: Bezwaarschrift gericht tegen het besluit van het college van 11 juli 2024 tot verlenen van een omgevingsvergunning voor het verbouwen van een bedrijfspand tot 14 studio’s aan de Herenstraat 108 te Rhenen
Geacht college, Hierbij ontvangt u het advies over het bezwaarschriften van de heer , bijgestaan door mevrouw mr. (stichting Achmea Rechtsbijstand), de heer en mevrouw , de heer en mevrouw Van Vliegen, bijgestaan door mevrouw mr. (DAS Rechtsbijstand), de heer en mevrouw , bijgestaan door meneer mr. ( Juridisch Advies & Ruimtelijke Ontwikkeling) en de heer Jansen en mevrouw Meijer, eveneens bijgestaan door mevrouw mr. (hierna: respectievelijk bezwaarmaker 1 t/m 5). Het bezwaarschrift is gericht tegen de omgevingsvergunning van 11 juli 2024 voor het verbouwen van een bedrijfspand naar 14 studio's aan de Herenstraat 108 in Rhenen (hierna: het bestreden besluit). Daar waar de commissie naar uitspraken van de bestuursrechter verwijst, zijn deze onder het genoemde nummer te vinden op www.rechtspraak.nl. Inleiding Op 11 juli 2024 vroeg de heer namens Wagenvoort Vastgoed B.V. (hierna: vergunninghouder) een omgevingsvergunning aan voor het verbouwen van een bedrijfspand naar 14 studio's aan de Herenstraat 108 in Rhenen, met de functie tijdelijk wonen: de eerste drie jaar voor de huisvesting van statushouders en aansluitend voor een periode van zeven jaar voor woningzoekenden uit de gemeente Rhenen. Op 22 mei 2025 heeft het college de vergunning voor de activiteit bouwen en het bouwen van een bouwwerk verleend. Bezwaarmakers 1 t/m 5 hebben hiertegen bezwaren ingediend. De heer mr.
, advocaat bij Zypp Advocaten te Arnhem reageerde hierop als advocaat-gemachtigde namens het college met een verweerschrift met datum 2 september 2025.
1
Hoorzitting De commissie nodigde partijen uit voor een hoorzitting op 9 september 2025. Bezwaarmakers 1 t/m 5 waren allen aanwezig. Namens vergunninghouder waren aanwezig de heer , manager, en de heer . , eigenaar, bijgestaan door de heer mr. , advocaat bij BVD Advocaten. Het college werd vertegenwoordigd door de heer mr. , advocaat bij Zypp Advocaten te Arnhem, de heer , adviseur crisisbeheersing bij de gemeente en de heer , senior beleidsadviseur Mobiliteit. Van de hoorzitting is een audio-opname gemaakt ten behoeve van de uitwerking van het advies. De (aanvullende) standpunten van partijen zoals die tijdens de hoorzitting naar voren zijn gebracht en die van belang zijn om te komen tot een zorgvuldig advies van de commissie zijn verwerkt in dit advies. Indien bezwaarmaker, het bestuursorgaan, dan wel een gerechtelijke instantie in geval van een (hoger) beroepsprocedure daar om verzoekt, wordt de audio-opname alsnog schriftelijk uitgewerkt. Ontvankelijkheid De commissie concludeert hiermee dat aan alle formele eisen als bedoeld in artikel 6:6 en 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is voldaan. Dit betekent dat de commissie kan ingaan op de inhoud van het bezwaar.
Gronden van het bezwaar Het college heeft in zijn verweerschrift alle gronden van bezwaarmakers 1 t/m 5 samengevat, waarbij er onderscheid wordt gemaakt tussen de bezwaargronden van procedurele aard (I) en de gronden die zien op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (II). De commissie sluit zich voor de helderheid hierbij aan en neemt de bezwaargronden hierna integraal op: I.
Procedurele bezwaargronden a. b.
II.
Er is onvoldoende invulling gegeven aan de participatie-verplichting; De gemeenteraad behoorde het adviesrecht uit te oefenen bij het genomen besluit door het college; Bezwaargronden die zien op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties
c.
Ten onrechte is er geen gebruik gemaakt van de “laddertoets”, zoals vastgelegd in artikel 5.129g jo. artikel 8.0b Besluit kwaliteit leegomgeving; d. Er is onvoldoende rekening gehouden met de geluidsoverlast; e. Er is ten onrechte geen bodemonderzoek uitgevoerd; f. Er is onvoldoende aandacht besteed aan de verslechtering van de luchtkwaliteit; g. Er is onvoldoende rekening gehouden met de privacybelangen en sociale veiligheidsaspecten van de omwonenden (en bezwaarmakers); h. Het toenemen van verkeersbewegingen is onvoldoende onderzocht; i. Door het verlenen van de vergunning ontstaat er onvoldoende parkeergelegenheid; j. Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar de te beschermen soorten en gevolgen voor de nabijgelegen Nature 2000-gebied, Rijntakken, door de stiktoftoename als gevolg van het gebruik voor wonen van het pand; Overwegingen De vraag die voorligt, is of het college op goede gronden heeft besloten om de omgevingsvergunning te verlenen. De commissie beantwoordt deze vraag aan de hand van het juridische kader en de voornoemde ingediende bezwaargronden. De commissie concludeert samengevat dat het college de omgevingsvergunning kon verlenen, maar dit onvoldoende heeft gemotiveerd. Hierna legt de commissie dit uit, onderverdeeld in de gronden, opgenomen onder I. en II.
2
I.
Procedurele bezwaargronden
Ad a. Is er voldaan aan de “participatie-verplichting”? In de Omgevingswet (artikel 16.55, zevende lid, Ow) is bepaald dat de gemeenteraad gevallen kan aanwijzen waarin vóór het indienen van een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA), participatie met derden verplicht is. De raad heeft hierin voorzien door het vaststellen van het Besluit participatieplichtige activiteiten bij buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Daarnaast heeft de raad in 2023 de Nota participatie onder de Omgevingswet vastgesteld. Uit artikel 7.4 Omgevingsregeling volgt dat bij een algemeen aanvraagvereiste de aanvrager aangeeft of er is geparticipeerd, en zo ja, hoe en met welk resultaat. De commissie hecht er waarde aan vooraf stil te staan bij de participatieplicht en licht dat als volgt toe. Tijdens de hoorzitting gaven diverse bezwaarmakers namelijk aan dat zij een andere verwachting hebben bij ‘participeren’ dan zoals die is ingevuld. Bezwaarmaker 2 verwees op de zitting naar de definitie van ‘participatie’ in het Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse taal, waar meer de nadruk ligt op deelnemen en meedoen. De commissie overweegt dat de wetgever de participatieverplichting heeft bedoeld als volgt.
De participatieplicht houdt in dat er in een vroegtijdig stadium belanghebbenden worden betrokken om belangen, zorgen en ideeën op tafel te krijgen en dat deze aantoonbaar worden meegewogen. De commissie benadrukt dat het doel van participatie niet is gelegen in unanimiteit van besluitvorming. Ook is niet vereist dat de omwonenden instemmen met de plannen van vergunninghouder. De commissie ziet zich voor de vraag gesteld in hoeverre er is voldaan aan de participatieverplichting, zoals deze uit voorgaande regels voortvloeit. Uit jurisprudentie volgt dat bij verplichte participatie, zoals hier het geval is, de participatie wel enige betekenis moet hebben. Anders zou het verplicht stellen van participatie weinig zinvol zijn. Het hangt vervolgens af van de aard van het project en de impact op de omgeving wat er in redelijkheid aan participatie gedaan moet worden. Ter zitting heeft de commissie aan het college de vraag gesteld welke juridische kwalificatie er kan worden gehangen aan de zogenaamde ‘Wegwijzer participatie’, te vinden op de website van de gemeente, en of deze is toegepast. Het college antwoordde ter zitting desgevraagd dat dit een beleidskader is dat is meegenomen. De commissie merkt op dat volgens de informatie op de webpagina zelf, de wegwijzer een uitwerking van de ‘Nota participatie onder de Omgevingswet van de gemeente Rhenen’ is.
Daarmee is het een relevant beleidsdocument, dat moet worden meegewogen bij de vergunningverlening. De commissie wijst in deze context op de tabel op pagina 1 in de ‘Wegwijzer participatie’, specifiek situatie 3. Zo moet de aanvrager bij de aanvraag van de omgevingsvergunning een verantwoording meezenden. Deze verantwoording is tweeledig, namelijk een uitgebreid Participatieplan en een overzicht van wat de aanvrager heeft gedaan en wat de uitkomsten hiervan waren. De commissie overweegt dat het in eerste instantie aan het college is om te beoordelen of de initiatiefnemer in redelijkheid heeft kunnen volstaan met de verrichte participatie. De aanvrager moet bij het indienen van de aanvraag aangeven of en op welke wijze participatie heeft plaatsgevonden en wat de uitkomsten daarvan zijn. Indien deze informatie ontbreekt of onvoldoende is, kan het college besluiten de aanvraag op grond van artikel 4:5 Awb buiten behandeling te laten. In dit geval heeft het college ervoor gekozen de aanvraag inhoudelijk te behandelen. Kortgezegd stelt de commissie vast dat onduidelijk is of de verantwoording zoals bedoeld in de ‘Wegwijzer participatie’ aan het besluit ten grondslag ligt. Het overgelegde dossier biedt hier in elk geval geen duidelijkheid over. In zoverre is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.
De commissie stelt voorts vast dat de aanvrager tijdens de behandeling inzicht heeft gegeven in de verrichte participatie en de uitkomsten daarvan. Het college heeft meerdere bijeenkomsten ten aanzien van de aanvraag voor omwonenden georganiseerd, namelijk op 25 maart 2024 en vervolgens, nogmaals, op 16 mei 2024. Tijdens de zitting vertelde vergunninghouder dat hij ook bij een aantal mensen persoonlijk is langs geweest en naar aanleiding van de gesprekken ook extra groen heeft gerealiseerd op zijn eigen terrein. Dat, zoals bezwaarmakers stellen, er voornamelijk informatie is
3
gegeven en er niet of nauwelijks ruimte was voor het leveren van een inbreng, maakt niet dat er onvoldoende participatie heeft plaatsgevonden. De bezwaren op dit punt treffen geen doel. Ad b. Behoorde de gemeenteraad zijn adviesrecht uit te oefenen? Volgens bezwaarmakers behoorde de gemeenteraad het adviesrecht uit te oefenen bij het bestreden besluit. Blijkens de bepalingen uit de Omgevingswet en Omgevingsbesluit is het college doorgaans bevoegd gezag te beslissen op een aanvraag omgevingsvergunning, zoals een BOPA (artikel 5.8 Ow). Het uitgangspunt in de wet is dat de raad geen bindend advies geeft, tenzij zij bij besluit gevallen vaststellen waarvoor ze wel bindend advies willen geven (artikel 16.15 Ow jo. artikel 4.21 Ob). De regeling Bindend adviesrecht raad bij omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten, vastgesteld op 28 september 2021, is van toepassing op de aanvraag. Uit artikel 2, onder II van de regeling Bindend adviesrecht raad bij omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten, volgt dat bij een ontwikkeling tussen de 11-30 woningen adviesrecht verplicht is wanneer er geen door de raad vastgestelde stedenbouwkundige visie, stedenbouwkundige randvoorwaarden, of daarmee te vergelijken ruimtelijk kader aanwezig is. Het college betoogde in het verweerschrift en ter zitting dat er geen bindend advies zou zijn vereist.
Door de gemeenteraad van Rhenen was vastgelegd dat geen bindend advies behoeft te worden gegeven voor ‘ontwikkelingen’ van tussen de 11 en 30 woningen wanneer de ontwikkeling in overeenstemming is met een door de raad vastgestelde stedenbouwkundige visie, stedenbouwkundige randvoorwaarden, of daarmee te vergelijken ruimtelijk kader. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van bouwen maar van een functiewijziging en dus geen ontwikkeling, zoals bedoeld in voornoemde raadsregeling. De commissie volgt het college op dit punt niet. Er is sprake van (een gebruikswijziging voor) het realiseren van 14 studio’s. De commissie meent dat het realiseren van studio’s, ook al gaat dat niet gepaard met het fysiek oprichten van nieuwe bebouwing, onder het begrip ‘ontwikkelingen’ valt. Dat hieronder slechts bouwwerkzaamheden zouden vallen is niet aannemelijk gemaakt. Dat, zoals het college heeft betoogd, de raad met een brief is geïnformeerd over de voorgenomen plannen en daarop geen reactie is ontvangen en hieruit zou kunnen worden afgeleid dat de raad geen bezwaren heeft tegen de plannen, maakt dit niet anders.
Het niet ontvangen van een reactie op een raadsinformatiebrief maakt immers niet dat daarmee de conclusie gerechtvaardigd is dat de raad akkoord is met de plannen, noch dat er niet (langer) sprake zou zijn van een verplichting tot het afgeven van bindend advies door de raad. De commissie is op dit punt dan ook van mening dat de bezwaren ten aanzien van het adviesrecht doel treffen en dat het college de gemeenteraad alsnog om een bindend advies moet vragen. II.
Bezwaargronden die zien op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Ad c. Is ten onrechte niet voldaan aan de zogenaamde “laddertoets”? Meerdere bezwaarmakers hebben als grond aangevoerd dat het college ten onrechte geen gebruik zou hebben gemaakt van de “laddertoets”, zoals vastgelegd in artikel 5.129g jo. artikel 8.0b van het Besluit kwaliteit leefomgeving, nu sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De commissie is kortgezegd van mening dat een beoordeling conform de zogenoemde ladder voor duurzame verstedelijking verplicht is bij de onderhavige aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het gaat hier namelijk om een nieuwe stedelijke ontwikkeling, die voldoende substantieel is. De commissie licht dit hierna toe en wijst in dit kader op de uitspraak van de Afdeling1 waarin de hoofdprincipes rondom de ladder voor duurzame verstedelijking worden behandeld. De Afdeling overwoog dat het totaal van 11 woningen weliswaar in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling werd gezien, maar bij een substantiële functiewijziging (zelfs zonder toename van oppervlakte) dit wel onder de ladder kan vallen. 1
ECLI:NL:RVS:2017:1724. 4
De commissie is van oordeel dat de zogenaamde laddertoets uitdrukkelijk toepasselijk is op de voorgenomen ontwikkeling van 14 studio’s, gelet op de functiewijziging en het planologisch ruimtebeslag boven de jurisprudentiële drempel van 11 woningen. Volgens de hierboven aangehaalde overzichtsuitspraak, dient de toepasbaarheid van de ladder te worden beoordeeld in onderlinge samenhang van aard, omvang en functiewijziging. Daarom concludeert de commissie dat voldaan moet worden aan de (gewijzigde) ladder: de toelichting moet een duidelijke beschrijving van de behoefte bevatten en, indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied ligt, een motivering waarom die behoefte niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden opgevangen. Daaraan voldoet het bestreden besluit naar het oordeel van de commissie niet. De bezwaren slagen op dit punt dan ook. Ad d. Is voldoende rekening gehouden met eventueel geluidsoverlast? Of het college onvoldoende rekening heeft gehouden met eventueel geluidsoverlast, is summier tijdens de hoorzitting aan de orde gekomen. Het college overwoog in zijn verweerschrift dat, voor zover bezwaarmakers kritiek hebben op het oordeel over de geluidsbelasting, wordt opgemerkt dat deze opmerkingen niet kunnen zien op de geluidbelasting die zij vrezen als gevolg van het gebruik van het pand ten behoeve van wonen op hun eigen woningen.
Het college verwees daarbij naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West Brabant van 26 juli 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:5121. Het college overwoog voorts dat, voor zover bezwaarmakers van oordeel zijn dat in het pand aan de Herenstraat niet wordt voldaan aan de instructieregels zoals deze zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt opgemerkt dat – zoals uit de ETFAL blijkt – onderzoek is verricht. Artikel 5.55, lid 2, onder c Besluit kwaliteit leefomgeving regelt dat de instructieregel, zoals opgenomen in hoofdstuk 5, (voor een belangrijk deel) niet van toepassing is op een BOPA waarbij een activiteit wordt toegelaten voor maximaal 10 jaar. Het voorgaande neemt niet weg dat onderzoek is gedaan of voldaan wordt aan een “goed woon- en leefklimaat”. De verblijfswaarden voldoen binnen aan een waarde van 33 dB. Daarmee is een goed woon- en leefklimaat aanwezig. Er zijn daarenboven aanvullende maatregelen getroffen waarmee de geluidsisolatie van het pand is verbeterd. De commissie kan het college in zijn overwegingen volgen en ziet geen grond te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit op dit punt. Ad e. Had er een bodemonderzoek moeten plaatsvinden? Alleen door bezwaarmaker 2 is deze bezwaargrond aangevoerd.
Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat er een bodemonderzoek had moeten plaatsvinden door het college. Het college stelt zich in zijn verweerschrift op het standpunt, dat paragraaf 5.1.4.5.1 Besluit kwaliteit leefomgeving spreekt van “het toelaten van een bouwactiviteit”. Onder een bouwactiviteit wordt verstaan het bouwen van een bouwwerk. Er is sprake van een functiewijziging, niet van een bouwactiviteit. Slechts het gebruik van het pand wijzigt van kantoor naar wonen. Daarbij is voorts geen enkele aanwijzing dat ter plaatse sprake zou zijn van een bodemkwaliteit die in de weg zou staan aan deze functiewijziging. Desgevraagd vulde het college ter zitting aan dat er geen grondroerende werkzaamheden zullen plaatsvinden en dat een bodemonderzoek niet aan de orde is. De commissie deelt de mening van bezwaarmaker 2 niet. De bodemkwaliteit staat niet aan de verlening van de BOPA in de weg. Ad f. Behoorde het college meer aandacht te besteden aan de verslechtering van de luchtkwaliteit? Meerdere bezwaarmakers menen dat het college in het bestreden besluit meer gewicht had moeten toekennen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
De kern die uit artikel 5.50 Besluit kwaliteit leefomgeving volgt, is dat een activiteit niet mag leiden tot een overschrijding van de geldende grenswaarden voor luchtkwaliteit en het college bij de besluitvorming moet nagaan of de ontwikkeling binnen deze normen blijft en dit toereikend moet motiveren.
5
Uit het bestreden besluit en de onderliggende stukken blijkt volgens de commissie genoegzaam dat wordt voldaan aan de grenswaarden van de hiervoor aangehaalde bepaling. De commissie ziet geen verdere aanknopingspunten om het verweer van het college op dit punt voor onjuist te houden en sluit zich daarbij aan. De commissie stelt vast dat het college voldoende aandacht heeft besteed aan de toetsing aan de luchtkwaliteitseisen. Ad g. Zijn de aspecten als privacy en sociale veiligheid voldoende meegewogen in de besluitvorming? Zoals uit de bezwaarschriften volgt, zijn er diverse bezwaarmakers die vrezen voor mogelijke overlast dan wel sociale onveiligheid en verlies aan privacy. De commissie begrijpt de zorg van bezwaarmakers. Ook het college heeft zowel in zijn verweer als ook ter zitting benadrukt dat hier aandacht voor is. Zo worden er aanspreekpunten voor klachten ingericht en duidelijke huisregels opgesteld, aldus het college. De commissie vindt de borging in de vergunning ten aanzien van het sociale veiligheidsaspect echter onvoldoende. Zo overweegt zij dat het aspect 'sociale veiligheid' ook dient afgewogen te worden aan het kader van de ETFAL.
Ondanks het feit dat er geen reden bestond voor het college om op dit punt de vergunning te weigeren, merkt de commissie op dat het vaststaande jurisprudentie is dat het verbinden van een veiligheidsprotocol dan wel huisregels aan de vergunning als maatwerkvoorschrift, niet ongebruikelijk is. De commissie adviseert het college dan ook om dit expliciet in de vergunning vast te leggen, zodat voor alle betrokkenen duidelijk is op welke wijze sociale veiligheid is gewaarborgd. Voor het maken van een zogenaamde ‘knip’ in de vergunning tussen de 3- en 7-jaar termijn en de verschillende gebruikersdoelgroepen ziet de commissie geen grond. Voor wat betreft het gestelde door bezwaarmakers inzake de aantasting van hun privacy, merkt de commissie het volgende op. In elke stedelijke omgeving is enige vorm van inkijk en beperking van privacy onvermijdelijk. Alleen indien sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat kan het reden zijn een vergunning te weigeren. De commissie ziet in de voorliggende situatie geen aanknopingspunten om tot dit oordeel te komen. Ad h. Zijn de zorgen van een aantal bezwaarmakers ten aanzien van de ontsluiting en verkeersbewegingen terecht? Bezwaarmakers vrezen voor een toename van de verkeersbewegingen en een verslechtering van de verkeersveiligheid.
Zo wordt ter zitting benadrukt dat er volgens bezwaarmakers veel meer verkeersbewegingen vallen te verwachten. Particulieren hebben een ander patroon qua verkeersbewegingen, er komt visite, er komen bezorgers en koeriersdiensten. En ook zou de verkeersveiligheid met de bestaande ontsluitingsweg afnemen. Het college merkte ter zitting op dat de CROW-publicaties landelijke reken- en kencijfers geven voor het aantal verkeersbewegingen dat gemiddeld hoort bij een bepaalde functie, zoals wonen, kantoren of detailhandel. Deze normen worden standaard gebruikt bij vergunningaanvragen en zijn ook hier getoetst. Zo blijkt uit de normering dat het aantal verkeersbewegingen voor een kantoorfunctie relatief hoog ligt vanwege het aantal werknemers, bezoekers en leveranciers. Vergunninghouder beaamde dit ook tijdens de hoorzitting. Voor een woonfunctie ligt dat doorgaans lager. De commissie overweegt dat het hanteren van CROW-normen een objectieve, algemeen aanvaardbare methodiek is om verkeersbewegingen in te schatten. De commissie merkt in deze context op dat bezwaarmakers voornamelijk de huidige situatie in praktijk met de toekomstige situatie vergelijken, oftewel vanuit de leegstandssituatie. Juridisch gezien moet het college echter de planologische mogelijkheden vanuit de toegestane activiteit versus de nieuwe activiteit beoordelen.
Terecht heeft vergunninghouder ter zitting opgemerkt dat er van bezwaarmakers geen tegenrapportage of ander deskundig tegenbewijs is overgelegd. Het college heeft zich volgens de commissie terecht op het standpunt gesteld dat voor de toekomstige woonfunctie een lagere verkeersbeweging valt te verwachten. De commissie ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de berekening. Ten aanzien van de ontsluiting merkt de commissie op dat deze niet wijzigt ten opzichte van de bestaande situatie. De verkeersafwikkeling zal gebruik blijven maken van dezelfde toegangsweg. Nu de ontsluiting planologisch en feitelijk ongewijzigd blijft, treffen de bezwaren naar het oordeel van de commissie geen doel. Overigens heeft de gemachtigde van het college wel toegezegd bereid te zijn met bezwaarmaker naar de huidige verkeerssituatie te kijken en te beoordelen of daar aanpassingen nodig zijn. Dit valt evenwel buiten het bestek van de verleende omgevingsvergunning.
6
Ad i. Ontstaat er inderdaad onvoldoende parkeergelegenheid door het verlenen van het bestreden besluit? Door het college is aangegeven dat er in de onderbouwing ETFAL is verwezen naar onjuiste parkeernormen. Er is ten onrechte uitgegaan van een parkeernorm van 0,2-0,6 per woning, te weten 3-9 parkeerplaatsen. De norm is 1 parkeerplaats per studio en 1,4 parkeerplaats voor studio’s meer dan 50m2. In casu houdt dit afgerond 15 parkeerplaatsen in. Volgens het gemeentelijk beleid voor parkeernormen en het parkeerfonds van de gemeente Rhenen wordt bij een functiewijziging gekeken naar het verschil tussen de oude en de nieuwe parkeereis. Voor het pand gold eerder een kantoorfunctie met baliebestemming (commerciële dienstverlening). Hiervoor moest worden gerekend met 3 parkeerplaatsen per 100 m². Omdat het pand een oppervlakte heeft van 500 m², kwam dit neer op 15 parkeerplaatsen. Voor de nieuwe woonfunctie geldt eveneens een behoefte van 15 parkeerplaatsen. Omdat het aantal parkeerplaatsen gelijk blijft, hoeven er geen extra parkeerplaatsen te worden aangelegd. De bestaande parkeerplaatsen zijn daarmee voldoende. De commissie vindt dat het college hiermee voldoende heeft gemotiveerd dat het initiatief voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Ad j.
In hoeverre zijn de ecologische aandachtspunten onvoldoende meegewogen? Een aantal bezwaarmakers stelt dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar de te beschermen soorten en de gevolgen voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied, Rijntakken. Het college heeft zich bij zijn verweer op het standpunt gesteld dat er geen enkele aanleiding te veronderstellen is dat verbodsbepalingen zullen worden overtreden in verband met de aanwezigheid van te beschermen soorten. Evenmin is te verwachten dat er sprake zal zijn van vergunningplichtige stikstofdeposities. Het betreft slechts een beperkte inpandige verbouwing, gelet op de ligging zal het eventuele bouwverkeer snel onderdeel zijn van het heersend verkeersbeeld. De studiowoningen worden anders dan gesteld, gasvrij uitgevoerd. De commissie overweegt dat een AERIUS-berekening formeel geen indieningsvereiste is bij de aanvraag. Een AERIUS-berekening is niet zonder meer noodzakelijk om de uitvoerbaarheid van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit in relatie tot stikstof te beoordelen. Gezien de relatief korte afstand tot het Natura 2000-gebied (iets meer dan 200 meter) en de zeer summiere toelichting van de (bouw)werkzaamheden en effecten in de gebruiksfase, vindt de commissie evenwel dat het college op dit punt onvoldoende heeft gemotiveerd dat de omgevingsvergunning uitvoerbaar is.
Ten aanzien van beschermde soorten merkt de commissie op dat in ieder geval de algemene zorgplicht van toepassing is. Dit betekent dat bij de uitvoering van het project steeds zorgvuldig moet worden gehandeld om schade aan beschermde soorten te voorkomen. De commissie merkt op dat, naast de specifieke voorschriften, ook de algemene zorgplicht ten aanzien van flora en fauna in acht genomen moet worden bij de uitvoering van de werkzaamheden. Het college dient er op toe te zien dat hiermee zorgvuldig wordt omgegaan. Zo kunnen werkzaamheden bij het aantreffen van (sporen van) beschermde soorten gestaakt worden of kunnen voorzieningen getroffen worden om nadelige effecten te voorkomen. De commissie vindt voldoende gemotiveerd dat het overtreden van de algemene zorgplicht voor flora en fauna, de uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning niet in de weg staat. Voorschriften De commissie meent dat er op diverse punten extra voorschriften hadden moeten worden opgenomen aan de vergunning. Daarom adviseert de commissie het college te overwegen om onderstaande voorschriften te verbinden aan de vergunning.
7
Maximum aantal bewoners Door meerdere bezwaarmakers is ter zitting naar voren gebracht dat er een maximum aantal bewoners aan de vergunning moet worden gesteld, om te voorkomen dat er gezinnen worden gehuisvest. Vergunninghouder stemde daarmee in, mits dit aantal minimaal 14 bewoners is. Hij merkte daarenboven op dat het maximum aantal in de praktijk ongeveer 18-20 bewoners zal zijn. De commissie adviseert het college dit voorschrift op te nemen, waarmee het woon- en leefklimaat van de buurt wordt gewaarborgd, dat ziet op de ETFAL-beoordeling in het algemeen. Tijdelijkheid vergunning Voorts is de commissie van mening dat de tijdelijkheid van de vergunning explicieter moet worden opgenomen in het besluit. Borging aantal parkeerplaatsen De commissie adviseert dat het aanwezig zijn en in stand laten van 15 parkeerplaatsen in het kader van ETFAL in de vergunning expliciet geborgd dient te worden. De commissie meent ten slotte dat het volgende niet aan de vergunning hoeft te worden toegevoegd. Bezwaarmaker 2 voerde ter zitting aan dat in de vergunning een voorwaarde over gemeentegroen opgenomen had moeten worden. De commissie heeft tijdens de zitting al benadrukt dat het niet mogelijk is een dergelijk voorschrift aan de vergunninghouder op te leggen, gelet op het feit dat het gemeentegroen is en vergunninghouder daar niet over gaat. Hij is immers geen eigenaar, dat is de gemeente.
Voor het onderhoud en eventueel bijplanten van groen moeten bezwaarmakers zich dan ook rechtstreeks tot de gemeente wenden. Conclusie De commissie concludeert dat het college de omgevingsvergunning kon verlenen, maar dit onvoldoende heeft gemotiveerd.
8
Advies De commissie adviseert u: 1. 2. 3.
Alle 5 bezwaarschriften ontvankelijk te verklaren; Het bestreden besluit in stand te laten onder aanvulling van de motivering met inachtneming van dit advies; Proceskostenvergoeding toe te kennen, de bezwaren van bezwaarmakers 3 en 5 als samenhangend aan te merken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, en de proceskosten daarom vast te stellen op: Bezwaarmaker 1 : € 1.248,Bezwaarmaker 3 en 5 : € 1.872,Bezwaarmaker 4 : € 1.248,-
Hoogachtend, De commissie bezwaarschriften, De secretaris,
de voorzitter,
mr. K.T.J. Hendriks-Horstman
mr. A.H.C. Bandel-Weerkamp
9