Bijlage 2a ¿ Bestemmingsplan Franseweg Sportweg te Elst.pdf
Tekst van het document
Gemeentelijke archeologische beleidskaart, gemeente Utrechtse Heuvelrug, plangebied wit omkaderd
Onderhavig initiatief omvat bouwactiviteiten groter dan 100 m² en graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm waardoor archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Derhalve is door Transect een Archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (29 november 2019, Transect, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7). Uit dit onderzoek zijn de volgende conclusies en resultaten naar voren gekomen. Op basis van het vooronderzoek is vastgesteld dat het plangebied een hoge verwachting heeft op de aanwezigheid van archeologische resten. Dit is gebaseerd op de hoge mate van intactheid van de bodemopbouw, het aantreffen van een oude akkerlaag en de aanwezigheid van archeologische indicatoren in alle boringen. De aangetroffen indicatoren bestaan uit fragmenten handgevormd aardewerk (uit de periode Neolithicum – IJzertijd), houtskool en aardewerk uit de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd. Op basis van de aangetroffen indicatoren is de kans aanwezig dat eventuele resten in het plangebied aanwezig zijn die samenhangen met een voormalige nederzetting of landgebruik uit het Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen. Binnen 150-200 m ten zuidoosten van het plangebied zijn in het verleden ook eerder waarnemingen uit de periode IJzertijd – Middeleeuwen gedaan. Andere complextypen, en resten uit andere perioden zijn echter op voorhand verder niet uit te sluiten.
De hoge verwachting leidt ertoe dat in het plangebied vanaf een diepte van 30 cm -Mv met de aanwezigheid van archeologische resten rekening gehouden moet worden. Een vervolgonderzoek in de vorm van een karterend veldonderzoek wordt geadviseerd.
25
Het vervolgonderzoek is in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven is door Transect uitgevoerd (10 maart 2020, Transect, zie bijlagen bij toelichting bijlage 8). Dit onderzoek heeft de volgende resultaten en conclusies opgeleverd. Op basis van het proefsleuvenonderzoek is geconcludeerd dat in het onderzoeksgebied sprake is van behoudenswaardige archeologische restanten c.q. een behoudenswaardige vindplaats uit de Bronstijd/IJzertijd. Het betreffen enkele mogelijke crematiekuilen met in ieder geval in één kuil delen van een urn en crematieresten. Nader onderzoek dient de exacte aard en ouderdom van de kuilen uit te wijzen: ze zijn voor toekomstig onderzoek met plastic bedekt en herbegraven. De crematiekuilen zijn niet gecoupeerd. De aangetroffen resten uit de Nieuwe tijd zijn niet als behoudenswaardig aangemerkt. Met het proefsleuvenonderzoek is de archeologische verwachting bevestigd. De aangetroffen archeologische resten zijn op de criteria fysieke kwaliteit en inhoudelijke kwaliteit beoordeeld. Op basis van de onderstaande tabel is op het niveau voor de Bronstijd/IJzertijd sprake is van een archeologisch behoudenswaardig niveau.
Waardestelling (bron: Transect)
In de omgeving van het plangebied zijn nog geen prehistorische crematiekuilen bekend. Wel is op circa 50 m ten zuiden een vondstlaag met sporen uit de IJzertijd bekend. Hier kwamen ook resten uit het Neolithicum en de Romeinse tijd voor. Volgens Spanjaard (2015) zou sprake zijn van een nederzetting uit de IJzertijd net ten zuiden of in het plangebied. In het plangebied zijn echter geen resten van een nederzetting, maar wel een aantal mogelijke crematiekuilen aangetroffen. De crematiekuilen zouden kunnen behoren bij een grafveld uit de IJzertijd, die aan de rand lag van een nederzetting. Nader onderzoek dient echter de precieze aard en ouderdom van de sporen uit te wijzen. Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek en de waardering is sprake van een behoudenswaardig archeologisch niveau binnen het onderzochte bodemtraject. Aan de hand van dit onderzoek wordt geadviseerd om een aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren indien ontgravingen plaatsvinden die dieper 20-35 cm-Mv. Een dergelijk onderzoek zal in de vorm van een veiligstellende opgraving voorafgaand aan de bouw plaatsvinden. Cultuurhistorie In het plangebied bevinden zich geen rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten. De locatie betreft een perceel agrarische grond waar geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn. Er zijn tevens geen waardevolle bomen in het plangebied aanwezig.
4.10 Waterhuishouding Op grond van artikel 3.1.6 uit het Besluit ruimtelijke ordening dient in bestemmingsplannen een waterparagraaf te worden opgenomen. In de paragraaf wordt aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: 'het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de
26
waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in de ruimtelijke plannen en besluiten'. Ten aanzien van de waterhuishouding is het geldende beleid van de verschillende overheden leidend. Het Waterschap Vallei en Veluwe heeft het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 vastgesteld en heeft in samenwerking met haar waterpartners het Waterhuishoudingsplan opgesteld. Beleidskader Het streven naar een veilig, gezond en duurzaam waterbeheer staat landelijk in de belangstelling. Het landelijk waterbeleid is beschreven in het Nationaal Waterplan, de Startovereenkomst 'Waterbeleid 21e eeuw' (WB21) en het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Op regionaal niveau is het waterbeleid beschreven in het Waterbeheersplan (Waterschap Vallei en Veluwe). De Kaderrichtlijn Water (KRW) is het Europees waterbeleid. De KRW streeft naar duurzame en robuuste watersystemen. Basisprincipes van het nationaal (WB21) en Europees (KRW) beleid zijn:
• • •
meer ruimte voor water; voorkomen van afwenteling van de waterproblematiek in ruimte of tijd; standstill situatie: géén verdere achteruitgang in de huidige (2000) chemische en ecologische waterkwaliteit.
Dit heeft geresulteerd in de twee drietrapsstrategieën voor:
• •
Waterkwantiteit: vasthouden, bergen, afvoeren; Waterkwaliteit: schoonhouden, scheiden, zuiveren.
Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 Het algemeen bestuur van waterschap Vallei en Veluwe heeft op 30 september 2015 het waterbeheerprogramma vastgesteld. In het waterbeheerprogramma beschrijft het waterschap haar ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, het zorgen voor voldoende én schoon oppervlaktewater, het zuiveren van afvalwater en het verder ontwikkelen van de vele samenwerkings- en innovatiemogelijkheden. De waterbeheerder heeft het bovenregionale oppervlaktewaterbeleid vertaald naar regionale richtlijnen, normen en vergunningsvoorschriften. Toename van verhard oppervlak dient gecompenseerd te worden door het realiseren van voldoende extra waterberging. Ten aanzien van het afkoppelen van verhardoppervlak van het riool heeft het waterschap een afkoppelbeslisboom opgesteld. Indien het regenwater van de daken naar het oppervlaktewater wordt afgevoerd, of in de bodem geïnfiltreerd wordt mag er geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen, zoals koper, lood en zink, voor dak- gevelbekleding en goten. Waterbeleid gemeente Rhenen De gemeente Rhenen heeft haar waterbeleid vastgesteld in een verbreed gemeentelijk rioleringsplan plus (2015-2019). In het vGRP+ is ook het waterplan “een berg mooi water” van de gemeente Rhenen geëvalueerd en opgenomen. In het vGRP+ streeft de gemeente naar:
• • •
bescherming van de volksgezondheid; een goede leef- en werkomgeving; bescherming van het milieu.
Dit doet de gemeente door te voldoen aan haar wettelijke zorgplichten:
• •
het afvalwater op te vangen en te vervoeren; het afvloeiend hemelwater op te vangen en te bergen;
27
•
het nemen van maatregelen als er sprake is van structurele grondwateroverlast.
Concreet betekent dit dat er gewerkt wordt aan een duurzaam rioolstelsel waarbij het afkoppelen van hemelwater en infiltratie in de bodem centraal staat. Daarnaast hanteert de gemeente Rhenen haar gidsprincipes die in het waterplan zijn uitgewerkt. Een deel van deze gidsprincipes hebben een directe relatie met de ruimtelijke ordening en worden hieronder weergegeven:
• •
water is mede bepalend voor de ruimtelijke ordening; het waterkwantiteitsbeheer is gericht op water vasthouden, zonodig bergen en pas in laatste instantie;
• • • • •
afvoeren; zelfregulerende robuuste watersystemen; optimale functieverweving van oppervlaktewateren (zoals recreatief medegebruik); altijd goed en veilig drinkwater; efficiënt en effectief (her)gebruik van water.
Geactualiseerde leidraad afkoppelen Utrechtse Heuvelrug (provincie Utrecht) De provincie Utrecht heeft in 2015 de 'Geactualiseerde leidraad afkoppelen Utrechtse Heuvelrug' vastgesteld. De actualisatie is een achtergronddocument behorende bij het convenant 'Leidraad afkoppelen Utrechtse Heuvelrug' die in 2009 ondertekend is. Om tot overeenstemming over het afkoppelen van schoon water van de riolering op de Utrechtse Heuvelrug te komen, is destijds een werkgroep opgericht met vertegenwoordigers van de provincie, Vitens, de waterschappen en een aantal gemeenten. Het planvormingsproces met deze partijen heeft geleid tot een afgestemd afkoppelbeleid. Planspecifiek In de huidige situatie is het plangebied waar de woningen worden ontwikkeld 4.575 m² groot en is er 115 m² aan verharding aanwezig. Na het ontwikkelen van de in totaal 5 woningen, de wegen en parkeerplaatsen bedraagt het verhard oppervlak 2.395 m² wat betekent dat de toename van het verhard oppervlak 2.180 m² bedraagt. Op basis van de eisen van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden dient hiervoor circa 327 m² wateroppervlak gerealiseerd te worden ter compensatie. Op basis van de eisen vanuit de gemeente Rhenen dient 60 mm water vastgehouden te worden. Doordat het realiseren van openwater niet mogelijk is wordt op alternatieve wijze waterberging gerealiseerd.
Hierbij wordt uitgegaan van de bergingseisen van de gemeente wat resulteert in een bergingsbehoefte van 131 m³. In de huidige situatie wordt hemelwater oppervlakkig geborgen in de noordwest hoek van het plangebied. Dit afstromende hemelwater is deels afkomstig vanaf de Sportweg en voor een groot deel afkomstig van de Franseweg/Verbindingsweg. Het water vanaf de Franseweg/Verbindingsweg stroomt van zuid naar noord door het plangebied. Het hemelwater stroomt oppervlakkig over maaiveld door de overbelasting van het bestaande stelsel en het bestaande stelsel benedenstrooms. Het plangebied wordt verhoogt en om te voorkomen dat bij de ontwikkeling van de woningen binnen het plangebied het hemelwater op een andere locatie tot overlast gaat leiden, wordt aan de oostzijde van het plangebied een IT-streng aangelegd. Aan de noordzijde van het plangebied wordt een wadi gerealiseerd met een berging van circa 400 m³. Daarnaast wordt onder de rijbaan centraal door het plangebied een IT-buis aangelegd die zorgt voor berging en afvoer richting de IT-streng aan de oostzijde. Langs de Franseweg wordt een molgoot met kolken gerealiseerd. Deze kolken worden aangesloten op het toekomstig hemelwaterriool in de Franseweg. Daarnaast wordt aan de oostzijde van het plan, langs de Franseweg, een instroomput aangebracht die afvoert richting de wadi aan de noordwestzijde.
28
Door het verhogen van de zuidzijde van het plangebied ten behoeve van de realisatie van de woningen neemt de bergingscapaciteit van deze oppervlakkige waterberging af. Echter wordt door het verlagen van de groenzone ten behoeve van de wadi weer extra waterberging gerealiseerd. De extra beschikbare waterberging voor afstromend water vanaf de Franseweg/Verbindingsweg bedraagt 26 m³, exclusief de benodigde waterberging voor de toename van verharding. Met de realisatie wordt aangesloten op de voorkeursvolgorde voor infiltratie volgens de 'Geactualiseerde leidraad afkoppelen Utrechtse Heuvelrug'. Oppervlakkige infiltratie is goed te onderhouden. Daarnaast het hemelwater langzaam geïnfiltreerd in de bodem. Het vuilwater wordt gescheiden van het hemelwater ingezameld en afgevoerd op het vuilwaterstelsel in de Franseweg en de Sportweg. Hierbij worden geen uitloogbare materialen gebruikt. De aanlegpeilen van de woningen en de openbare verharding binnen het plangebied worden afgestemd op de bestaande woningen, straatpeilen en maaiveldhoogten. Hierdoor wijzigt de huidige oppervlakkige waterafvoer, maar hiervoor worden aanvullende maatregelen getroffen zodat dit niet leidt tot wateroverlast. Het grondwater zit voldoende diep, circa 10,0 m-mv, waardoor hiermee geen rekening gehouden hoeft te worden met de aanlegpeilen. Het plan is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied.
In en om het plangebied is geen grondwateroverlast bekend. Ingrepen voorkomend uit dit plan zullen geen bodemlagen aantasten als gevolg waarvan het grondwatersysteem verandert. Het plan ligt niet binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering. Het is daarom niet te verwachten dat de ontwikkelingen van het plan van invloed zullen zijn op de veiligheid van een waterkering. In de directe omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Het plan veroorzaakt geen nadelige gevolgen voor of door het oppervlaktewatersysteem in de omgeving.
4.11 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Voor de parkeernormering en verkeersgeneratie wordt door de gemeente Rhenen in de 'Beleidsnota parkeernormen en parkeerfonds' (d.d. 14 april 2011), aansluiting gezocht bij de CROW-publicatie 381. Deze publicatie is recentelijk herzien. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' de recente kencijfers voor de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Verkeer Voor de verkeersgeneratie is uitgegaan van het gebiedstype 'rest bebouwde kom' en de stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk'. In onderstaande tabel is te zien dat de totale verkeersgeneratie voor onderhavig plan 41,4 voertuigen per etmaal bedraagt. Type woning
Twee-onder-éénkapwoning Vrijstaande woning Totaal
Aansluiting CROW-publicatie 381 Koop, huis, tweeonder-één-kap Koop, huis, vrijstaand
Aantal woningen
Verkeersgeneratie (CROW)
Totale verkeersgeneratie
4
8,2
32,8
1
8,6
8,6
5
41,4
29
Uitgaand van een spitsaandeel van 12% zal de theoretische toename 6 ritten in het spitsuur. Dit is het totaal van autoritten van en naar de woningen in het spitsuur. De bestaande infrastructuur beschikt over voldoende capaciteit om deze toename te kunnen verwerken. Tussen de twee-onder-een-kap woningen en de vrijstaande woning komt een pad om de achterzijde van de woningen te ontsluiten. Het pad tussen de woningen wordt ingericht als gezamenlijk erf van de bewoners. De breedte van dit pad is vastgesteld op 6,0 m zodat de parkeerplaatsen op eigen terrein goed bereikbaar zijn voor de bewoners. Het pad sluit aan op de Sportweg. Deze aansluiting wordt vormgegeven als een inritconstructie waarbij alleen aan de zijde van de Sportweg inritblokken worden toegepast. Met deze inrichting wordt de voorrangssituatie voor gebruikers van de Sportweg en het pad duidelijk gemaakt. Parkeren Voor het bepalen van de parkeervraag zijn de normen uit het parkeerbeleidsplan d.d. 21 november 2008 van de gemeente Rhenen geraadpleegd. De woningen bevinden zich buiten het centrumgebied. De vrijstaande woning valt onder de categorie 'woning duur' en de twee-onder-één-kap woningen vallen onder de categorie 'woning midden'. Functie
Categorie
Aantal woningen
Parkeernorm
Twee-onder-éénkapwoning Vrijstaande woning Totaal
Woning midden
4
1,8 - 1,9
Woning duur
1
2,0 - 2,2
Totaal aantal parkeerplaatsen 7,2 - 7,6 2,0 - 2,2 9,2 - 9,8
Het totaal te realiseren parkeerplaatsen ligt tussen de 9,2 en 9,8. Op iedere kavel worden 2 parkeerplaatsen voor de bewoners gerealiseerd. Deze vakken tellen, conform CROW-norm, voor 0,8 plaats mee in de balans. Van de parkeervraag van 10 vakken worden op deze wijze theoretisch al 8 stuks op eigen terrein gerealiseerd. De overige vakken worden in openbaar gebied gerealiseerd. Dit gebeurt voor de woningen in de vorm van langsparkeren ter plaatse van de Franseweg. Daarnaast wordt een parkeerstrook aangelegd langs de wadi in de vorm van grastegels. Deze parkeerstrook met 3 parkeerplaatsen dient tijdelijk als incidentele parkeerplaats voor bezoekers van woningen. Bij de herinrichting van de Sportweg kan deze situatie vervolgens definitief gemaakt worden.
30
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 3 de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
• • • • • • •
bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
31
5.4 Artikelsgewijze toelichting Navolgend worden per artikel kort de belangrijkste aspecten weergegeven. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Artikel 2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hiervoor is aangesloten bij de SVBP 2012. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Artikel 3 Groen De bestemming 'Groen' is opgenomen voor onder andere plantsoenen, gazons, beplantingen, voetpaden en parkeervoorzieningen. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - wadi' is een wadi toegestaan. Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waardoor deze wadi gerealiseerd moet worden. Artikel 4 Verkeer - Verblijfsgebied De gronden met de bestemming 'Verkeer - Verblijfsverkeer' zijn bestemd voor wegen met een functie voor de ontsluiting van de aangelegen gronden.
Daarnaast zijn binnen deze bestemming onder andere parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan. Artikel 5 Wonen De bestemming wonen betreft alle woonbebouwing. Binnen de bestemming vallen zelfstandige woningen, die specifiek zijn aangeduid als vrijstaand, half-vrijstaand, aaneengebouwd of gestapeld. Artikel 6 Waarde - Archeologie 3 Voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden in de bodem is, gelijk aan het geldende bestemmingsplan, de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen. Hoofdstuk 3: Algemene regels Artikel 7 Antidubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 8 Algemene bouwregels In dit artikel zijn algemene bepalingen over bouwen opgenomen. Deze bepalingen hebben betrekking op afwijkende maatvoeringen en onderkeldering. Artikel 9 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van strijdig gebruik.
Artikel 10 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen om – onder voorwaarden – af te wijken van hetgeen is bepaald in het bestemmingsplan.
32
Artikel 11 algemene wijzigingsregels In dit artikel is een bepaling opgenomen die verplicht dat in voldoende parkeergelegenheid voorzien moet worden. Hierin wordt verwezen naar de Beleidsnota parkeernormen en parkeerfonds van 14 april 2011 of de gewijzigde versie daarvan. Artikel 12 Parkeren In dit artikel is een bepaling opgenomen die verplicht dat in voldoende parkeergelegenheid voorzien moet worden. Hierin wordt verwezen naar de Beleidsnota parkeernormen en parkeerfonds van 14 april 2011 of de gewijzigde versie daarvan. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 13 Overgangsrecht In deze regels wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik. Artikel 14 Slotregel Als laatste wordt de slotregeling opgenomen. Deze regeling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsregeling.
33
6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente heeft ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten, waarin ook een regeling over eventuele planschade is opgenomen.
34
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie De directe omwonenden zijn geïnformeerd over de beoogde plannen. Op enkele opmerkingen wat betreft privacy, de huidige tekeningen en de verkaveling na zijn er geen bezwaren voor het initiatief. Met de omwonenden zijn afspraken gemaakt om in een vervolgoverleg meer uitgebreide tekeningen te tonen. Tevens is een afspraak gemaakt om een erfreconstructie op te zetten.
7.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg In het kader van het vooroverleg, zoals bedoeld in artikel 3.1.1 lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerpbestemmingsplan verstuurd naar vooroverlegpartners. Reacties zijn ontvangen van Provincie Utrecht, Veiligheidsregio Utrecht en Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden. De opmerkingen zien hieronder samengevat en van een gemeentelijke reactie (in cursief) voorzien. 1. Provincie Utrecht (mail d.d. 29 juni 2021) Provincie Utrecht heeft enkele opmerkingen achtergelaten:
• • • •
Het nieuwe provinciale beleid dient in het bestemmingsplan verwerkt te worden. Op het gebied van landschappelijke inpassing en verstedelijking is het plan aanvaardbaar. De conclusie van het archeologische proefsleuvenonderzoek dient onderbouwd te worden. In de waterparagraaf dient een verwijzing naar de 'Leidraad afkoppelen Utrechtse Heuvelrug 2015' opgenomen te worden.
De opmerkingen van de provincie Utrecht geven aanleiding tot aanpassingen in de paragrafen 3.2 'Provinciaal beleid', 4.9 'Archeologie en cultuurhistorie' en 4.10 'Waterhuishouding'. In deze paragrafen zijn de bovenstaande opmerkingen verwerkt. 2. Veiligheidsregio Utrecht (brief d.d. 17 mei 2021) Veiligheidsregio Utrecht stelt dat er in de directe nabijheid van de planlocatie geen risicobronnen aanwezig zijn. Het plan geeft geen aanleiding tot het adviseren van nadere maatregelen. Wel is er geadviseerd over de
35
bereikbaarheid en bluswatervoorziening. Dit advies is echter van belang voor de verdere uitwerking en detaillering van het plan. Deze opmerking geeft geen aanleiding tot aanpassingen. 3. Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (mail d.d. 1 juni 2021) Het hoogheemraadschap De Stichtse Rijlanden geeft aan dat er voldoende rekening wordt gehouden met de waterhuishoudkundige belangen en stemt in met het voorontwerpbestemmingsplan. Deze opmerking geeft geen aanleiding tot aanpassingen.
7.3 Verslag zienswijzen In de periode van 15 juli 2021 tot en met woensdag 25 augustus 2021 heeft het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegen. Een ieder had tijdens deze periode de gelegenheid een zienswijze bij de gemeenteraad kenbaar te maken. Er zijn 9 zienswijzen ingediend, waarvan 8 identiek. Alle zienswijzen zijn in de zienswijzennota verwerkt en voorzien van een reactie (zie bijlagen bij toelichting, bijlage 9). De zienswijzen geven geen aanleiding om wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan aan te brengen.
36
bestemmingsplan
Franseweg/Sportweg te Elst Gemeente Rhenen
Planstatus:
vastgesteld
Plan identificatie:
NL.IMRO.0340.BPFransewegElst-VA01
Datum:
14 december 2021
Contactpersoon Buro SRO:
Dhr. J. van de Zand
Kenmerk Buro SRO:
SR190133
Opdrachtgever:
Marel Projecten B.V.
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleidende regels ..................................................................................................................................... 4 Artikel 1 Begrippen ................................................................................................................................................... 4 Artikel 2 Wijze van meten ......................................................................................................................................... 9
2 Bestemmingsregels ............................................................................................................................... 10 Artikel 3 Groen ........................................................................................................................................................ 10 Artikel 4 Verkeer - Verblijfsgebied .......................................................................................................................... 11 Artikel 5 Wonen ...................................................................................................................................................... 12 Artikel 6 Waarde - Archeologie 3 ............................................................................................................................ 16
3 Algemene regels .................................................................................................................................... 18 Artikel 7 Anti-dubbeltelregel ................................................................................................................................... 18 Artikel 8 Algemene bouwregels .............................................................................................................................. 18 Artikel 9 Algemene gebruiksregels .......................................................................................................................... 18 Artikel 10 Algemene afwijkingsregels ..................................................................................................................... 19 Artikel 11 Algemene wijzigingsregels ...................................................................................................................... 20 Artikel 12 Parkeren ................................................................................................................................................. 20
4 Overgangs- en slotregels ....................................................................................................................... 21 Artikel 13 Overgangsrecht....................................................................................................................................... 21 Artikel 14 Slotregel .................................................................................................................................................. 21
3
1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 plan: het bestemmingsplan Franseweg/Sportweg te Elst NL.IMRO.0340.BPFransewegElst-VA01 van de gemeente Rhenen;
met
identificatienummer
1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en bijlagen;
1.3 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
1.4 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
1.5 achtererfgebied: erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 meter van de voorkant, van het hoofdgebouw;
1.6 achtergevel: gevel aan de achterkant van een gebouw;
1.7 agrarisch bedrijf: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van agrarische producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren;
1.8 ambachtelijke bedrijvigheid: een bedrijf omvattende de vervaardiging en/of bewerking van goederen, uitgezonderd massaproductie, dan wel de verrichting van aanleg- en/of onderhoudswerkzaamheden met de daarbij behorende, dienstbare en ondergeschikte verkoopruimten, zoals bijvoorbeeld het schoenherstellersbedrijf en de kleermakerij, dan wel bijvoorbeeld het glazenwassersbedrijf;
1.9 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
4
1.10 bebouwingspercentage: een op de verbeelding of in de regels aangegeven percentage, dat de oppervlakte van het deel van een bestemmings- of bouwvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd met gebouwen en bijbehorende bouwwerken;
1.11 bed and breakfast: een kleinschalige overnachtingsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt, waarbij de bed and breakfast ondergeschikt is aan de hoofdfunctie;
1.12 bedrijf: het bedrijfsmatig vervaardigen, repareren of opslaan van goederen, dan wel het verrichten van diensten;
1.13 bedrijf aan huis het verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke - geheel of overwegend door middel van handwerk uit te oefenen - bedrijvigheid, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende bedrijfsactiviteiten een ruimtelijke uitstraling hebben die in overeenstemming is met de woonfunctie;
1.14 beroep aan huis de uitoefening van een beroep aan huis op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen terrein, alsmede een beroep op het terrein van persoonlijke verzorging, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt;
1.15 bestaand: 1.
2.
ten aanzien van bebouwing: bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning; ten aanzien van gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan;
1.16 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak;
1.17 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
1.18 bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde bouwperceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;
5
1.19 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;
1.20 bouwgrens: de grens van een bouwvlak;
1.21 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
1.22 bouwperceelgrens: de grens van een bouwperceel;
1.23 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
1.24 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
1.25 bouwwerk, geen gebouw zijnde: bouwwerk, geen gebouw en overkapping zijnde;
1.26 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit en aan de verkoop verbonden reparatie;
1.27 dienstverlenend bedrijf: een bedrijf waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, waaronder zijn begrepen kunstgalerieën en expositieruimten, de beoefening van scheppende kunst en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven, met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting;
1.28 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
6
1.29 hoofdgebouw: een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een bouwperceel en, indien meer gebouwen op het bouwperceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;
1.30 huishouden: de leefvorm of samenlevingsvorm van een alleenstaande of een gezin, waaronder mede wordt begrepen: 1. 2.
een woongroep van mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking; de gezamenlijke huisvesting van een groep van maximaal vier personen die gebruik maken van de gemeenschappelijke voorzieningen in de woning;
1.31 inwoning: twee of meer huishoudens die één woning bewonen met gemeenschappelijk gebruik van één of meer voorzieningen of (verblijfs)ruimten van die woning en waarbij de woning één hoofdtoegang behoudt en de voorzieningen c.q. (verblijfs)ruimten onderling vrij toegankelijk zijn;
1.32 mantelzorg: langdurende zorg die wordt geboden aan een hulpbehoevende, door personen uit diens sociale omgeving, waarbij de zorgverlening de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt, op vrijwillige, niet afdwingbare basis;
1.33 nutsvoorziening: een voorziening ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen en zendmasten;
1.34 opslag: het opslaan of opgeslagen hebben van goederen en materialen, niet zijnde puin, afvalstoffen en aan hun gebruik onttrokken, gerede dan wel onklare machines, vaar-, vlieg-, en voertuigen, dan wel onderdelen daarvan;
1.35 overkapping: een bijbehorend bouwwerk van één bouwlaag dat dient ter overdekking en met maximaal één wand is omgeven;
1.36 peil: 1. 2.
voor een bouwwerk op een bouwperceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; voor een bouwwerk op een bouwperceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het aansluitende, afgewerkte maaiveld ter hoogte van het hoofdgebouw en waar geen sprake is van een hoofdgebouw de gemiddelde hoogte van het aansluitende, afgewerkte maaiveld ter hoogte van het bouwwerk;
7
1.37 tijdelijke woonunit: een mantelzorgwoning in de vorm van een tijdelijk op een perceel aanwezige unit die hetzij geheel hetzij in delen over de weg verplaatsbaar is;
1.38 staat van bedrijfsactiviteiten: de staat van bedrijfsactiviteiten die als bijlage bij deze regels behorende onderdeel uitmakende lijst van bedrijven en instellingen;
1.39 verbeelding: de digitale of analoge tekening van het bestemmingsplan;
1.40 voorgevel: de naar de weg gekeerde gevel(s) van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt;
1.41 voorste bouwgrens: de aan een weg of openbaar gebied gelegen bouwgrens, met dien verstande dat indien een bouwvlak gericht is op meerdere wegen of is gericht op meerdere openbare ruimtes, de bouwgrens die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt;
1.42 waarden: de aan een bouwwerk, gebied of specifiek element in een gebied toegekende kenmerkende waarde op het gebied van cultuurhistorie, archeologie, geografie, aardkunde, natuur en/of ecologie;
1.43 wadi: een bufferings- en infiltratievoorziening voor afvoer en opvang van hemelwater, waarbij plaatselijk en meestal tijdelijk gebruik wordt gemaakt van de opslagcapaciteit van de bodem;
1.44 woning: een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden.
8
Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
2.2 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
2.3 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
2.4 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
2.5 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
2.6 ondergeschikte bouwdelen Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons, overstekende daken en reclameuitingen aan de gevel buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1 m.
9
2 Bestemmingsregels Artikel 3 Groen 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j.
plantsoenen; gazons; beplantingen; voetpaden; in- en uitritten; speelplaatsjes; parkeervoorzieningen; nutsvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - wadi' uitsluitend een wadi.
met de daarbij behorende: j.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
3.2 Bouwregels a. b.
Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1. de bouwhoogte van terreinafscheidingen mag niet meer dan 1,5 m bedragen; 2. de bouwhoogte van lichtmasten en vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 8 m; 3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen.
10
Artikel 4 Verkeer - Verblijfsgebied 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.
wegen met een functie voor de ontsluiting van aanliggende gronden, met daarbij inbegrepen, voet- en fietspaden, bermen, en dergelijke; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen; speelvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen,
met de daarbij behorende: f. g.
nutsvoorzieningen; bouwwerken.
4.2 Bouwregels a. b.
c.
Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan. Voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de functies 'wegen' en 'parkeervoorzieningen' gelden de volgende regels: 1. de bebouwing is beperkt tot bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 2. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 7,5 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van masten en verwijsborden niet meer mag bedragen dan 12 m. Voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de overige functies gelden de volgende regels: 1. de bebouwing is beperkt tot bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 2. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m, met dien verstande, dat de bouwhoogte van vlaggen- en lichtmasten niet meer mag bedragen dan 8 m en dat de bouwhoogte van publicatieborden ten dienste van overheids- en niet commerciële mededelingen niet meer mag bedragen dan 4 m.
4.3 Afwijken van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.2 sub a voor het bouwen van gebouwen met een oppervlakte en een bouwhoogte van niet meer dan respectievelijk 30 m² en 5 m.
11
Artikel 5 Wonen 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.
wonen; beroep- en bedrijf aan huis; bed and breakfast; water en waterhuishoudkundige voorzieningen
met de daarbij behorende: e. f. g.
tuinen en erven; wegen en paden; bouwwerken.
5.2 Bouwregels 5.2.1 Woningen Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels: a. b. c.
d.
e. f. g. h.
woningen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; het aantal woningen bedraagt niet meer dan het aangegeven aantal ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’. tussen twee niet aaneengebouwde woningen mag de afstand van elk van de woningen, uitgezonderd aan-en uitbouwen en bijgebouwen, tot de onderlinge zijdelingse perceelsgrens niet minder dan 2,50 m bedragen, dan wel de bestaande afstand indien deze minder bedraagt; ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' mogen twee-aaneen gebouwde woningen worden gebouwd, met dien verstande dat: 1. woningen worden afgedekt met een kap waarvan de dakhelling niet minder dan 20 graden mag bedragen; 2. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)'. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd, met dien verstande dat: woningen worden afgedekt met een kap waarvan de dakhelling niet minder dan 20 graden mag bedragen; de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)'. Voor het bouwen van dakkapellen op woningen gelden de volgende regels: 1. Voor het bouwen van dakkapellen aan de achterzijde of zijgevel, niet grenzend aan openbaar gebied gelden de volgende regels: i.
de onderzijde van de dakkapel ligt meer dan 0,50 m en niet meer dan 1 m boven de dakvoet; ii. de bovenzijde van de dakkapel ligt meer dan 0,50 m onder de daknok; iii. de zijkanten van de dakkapel liggen meer dan 0,50 m van de zijkant van het dakvlak. Bij hoekkepers aan de bovenkant van de dakkapel gemeten; iv. bij meer dan één dakkapel moet er een regelmatige rangschikking op een horizontale rij zijn met een minimale tussenruimte van 0,50 m; v. de breedte van de dakkapel mag niet meer bedragen dan 2/3 van de breedte van het dakvlak; vi. de gezamenlijke oppervlakte voor dakkapellen, dakramen, zonnepanelen en andere dakdoorbrekingen mag niet meer bedragen dan 2/3 van het dakvlak; de hoogte van de dakkapel mag niet meer bedragen 1,50 meter;
12
2.
voor het bouwen van een dakkapel aan de voorzijde of zijgevel, grenzend aan openbaar gebied, gelden de volgende regels: i. bij een dwarskap moet de afstand van de dakkapel tot de voorgevel minimaal 3 m bedragen; ii. de onderzijde van de dakkapel ligt meer dan 0,50 m en niet meer dan 1 m boven de dakvoet; iii. de bovenzijde van de dakkapel ligt meer dan 0,50 m onder de daknok; iv. de zijkanten van de dakkapel liggen meer dan 0,90 m van de zijkant van het dakvlak. Bij hoekkepers aan de bovenkant van de dakkapel gemeten; v. bij meer dan één dakkapel moet er regelmatige rangschikking op een horizontale rij zijn met een minimale tussenruimte van 0,50 m; vi. de breedte van de dakkapel mag niet breder zijn dan 1/2 van de breedte van het dakvlak met een maximum van 3,00 m; vii. de hoogte van de dakkapel mag niet meer bedragen dan 1,50 m; viii. de gezamenlijke oppervlakte voor dakkapellen, dakramen, zonnepanelen en andere dakdoorbrekingen mag niet meer bedragen dan 1/2 van het dakvlak.
5.2.2 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij woningen gelden de volgende regels: a. b. c. d.
bijbehorende bouwwerken mogen worden gebouwd binnen het bouwvlak en het achtererfgebied; de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,30 m, tenzij ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' een andere goothoogte is aangegeven; de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 4,50 m, tenzij ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' een andere bouwhoogte is aangegeven; het bebouwingspercentage van het achtererfgebied mag maximaal 25% van de bij de woning behorende kadastrale percelen bedragen, met dien verstande dat het maximale oppervlak aan bijbehorende bouwwerken niet meer dan 125 m² mag bedragen;
5.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. b. c.
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m voor (het verlengde van) de voorgevel en 2 m daarachter; de bouwhoogte van lichtmasten en vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 8 m; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
5.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van het voorkomen van een onevenredige aantasting van:
• • •
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; het bebouwingsbeeld; de verkeersveiligheid,
nadere eisen stellen aan: a. b.
de plaats van gebouwen in die zin dat bijbehorende bouwwerken 3 m achter de voorgevel van de woning moeten worden gebouwd; de plaats van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een grotere oppervlakte dan 6 m² en/of een grotere bouwhoogte dan 1,5 m.
13
5.4 Afwijken van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid lid 5.2 sub lid 5.2.2 sub c voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk met een hogere bouwhoogte tot maximaal 4,5 m onder de voorwaarde dat het bouwwerk wordt gebouwd met een kap. 5.5 Specifieke gebruiksregels 5.5.1 Beroep- en bedrijf aan huis Voor de uitoefening van het beroep- en bedrijf aan huis zijn de volgende regels van toepassing: a. b.
de omvang van de uitoefening van het beroep- en bedrijf aan huis mag niet meer bedragen dan 25 m2; in afwijking van het bepaalde in sub a mag de omvang van de uitoefening van het beroep- en bedrijf aan huis niet meer bedragen dan 50% van het grondoppervlak van de woning en de bijbehorende bouwwerken, mits op eigen terrein in extra parkeerplaatsen wordt voorzien zoals is weergegeven in de navolgende tabel:
Omvang van de uitoefening van het beroep- en bedrijf aan huis 26 – 50 m² 51 – 100 m² 101 – 150 m² 151 – 200 m² 201 m² – of meer c. d. e.
Aantal extra parkeerplaatsen 1 2 3 4 5
te
realiseren
bedrijfsactiviteiten uit categorie 1 van 'bijlagen bij de regels bijlage 1' zijn ook toegestaan; detailhandel en buitenopslag zijn niet toegestaan; het beroep- en bedrijf aan huis wordt in ieder geval uitgeoefend door de bewoner.
5.5.2 Bed and breakfast Voor het uitoefenen van een bed and breakfast mogen maximaal vijf kamers per bouwperceel worden gebruikt met een maximum van tien slaapplaatsen, met dien verstande dat: a. b. c. d. e.
het gebruik niet leidt tot belemmeringen voor de omliggende functies; de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt; het gebruik geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer en in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein wordt voorzien; de bedrijfsvoering van de bed and breakfast uitsluitend door de bewoner(s) wordt uitgeoefend; aanverwante voorzieningen zoals een speeltuin -met uitzondering van kleinschalige speelvoorzieningen-, stallingsruimte en detailhandel bij de bed & breakfast zijn niet toegestaan.
5.5.3 Zwembaden Bij de woningen zijn zwembaden toegestaan, met dien verstande, dat: a. b. c. d. e.
per woning maximaal één zwembad is toegestaan; een zwembad uitsluitend achter (het verlengde van) de achtergevel van de woning is toegestaan; de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens ten minste 3 m bedraagt; de oppervlakte van een zwembad ten hoogste 50 m² bedraagt; een zwembad niet meer dan 0,2 m boven het maaiveld mag uitsteken.
14
5.5.4 Voorwaardelijke verplichting geluidluwe gevel Het gebruik van de woning, ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand', als woning is uitsluitend toegestaan indien de gevel ter plaatse, dan wel aan de zijde, van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding geluidluwe gevel' gerealiseerd is als dove gevel en in stand gehouden wordt als dove gevel; 5.5.5 Voorwaardelijke verplichting tot sloop Het gebruiken van de bebouwing ten behoeve van 'Wonen' is slechts toegestaan als de bestaande bebouwing binnen het plangebied, zoals opgenomen in de bijlagen bij de regels bijlage 2, gesloopt dan wel verwijderd zijn. 5.5.6 Voorwaardelijke verplichting waterberging het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in artikel 5 'Wonen' opgenomen bestemmingsomschrijving is niet toegestaan zonder de aanleg en instandhouding van een infiltratievoorziening conform het in bijlagen bij de regels bijlage 3 opgenomen waterhuishoudkundige plan. 5.6 Afwijken van de gebruiksregels 5.6.1 Inwoning Bij een omgevingsvergunning kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, worden afgeweken van het bepaalde in lid 5.1 ten behoeve van inwoning.
5.6.2 Bedrijfsactiviteiten categorie 2 bij beroep- en bedrijf aan huis Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 5.5.1 sub c ten behoeve van het vestigen van bedrijfsactiviteiten die zijn genoemd in categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten van bijlage 1 die naar de aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met de bedrijfsactiviteiten die zijn genoemd in categorie 1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten genoemd in bijlage 1.
15
Artikel 6 Waarde - Archeologie 3 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn naast voor de overige aangewezen bestemmingen mede bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de in de grond aanwezige of verwachte archeologische waarden. 6.2 Bouwregels a. b.
Op de in lid 6.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Bouwwerken ten behoeve van de andere, voor deze gronden aangewezen bestemmingen zijn op de in lid 6.1 bedoelde gronden slechts toelaatbaar, indien het betreft: 1. of vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; 2. of een bouwwerk met een oppervlakte tot ten hoogste 100 m²; 3. of het bouwwerk zonder graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst; 4. of een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning of een vergunning met dezelfde strekking is verleend zoals bedoeld in artikel lid 6.3 of waarbij onomstotelijk door foto's of anderzins wordt aangetoond dat er sprake is van geroerde grond, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid en geen diepere graafwerkzaamheden plaatsvinden.
6.3 Afwijken van de bouwregels a. b.
c.
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 6.2 sub a met in acht neming van de voor deze gronden geldende overige bouwregels. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.2 sub a wordt verleend indien bij de aanvraag omgevingsvergunning een archeologisch rapport wordt overlegd waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders blijkt dat: 1. de archeologische waarde van het terrein in voldoende mate is vastgesteld; 2. archeologische waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden; 3. er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.2 sub a kunnen burgemeester en wethouders in ieder geval de volgende regels verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het laten doen van opgravingen door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties; 3.
de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden die leiden tot bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
16
6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a.
b.
c.
Het is verboden op of in de gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. het ophogen en ontgraven (onder andere door saneren) van de bodem; 2. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; 3. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; 4. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap; 5. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies; 6. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bosgrond kunnen worden aangemerkt; 7. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd; 8. het aanleggen van bos of boomgaard; 9. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen; 10. het scheuren van grasland; 11. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe gerekend worden woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen. 12. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem. 13.
het verwijderen van ondergrondse fundamenten en het verwijderen of uittrekken van heipalen. De werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, waarvoor het verbod onder a. geldt, zijn slechts toelaatbaar, indien op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een, door het bevoegde gezag aan te wijzen, archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad of mogelijk schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden gericht op: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het doen van opgravingen; 3. begeleiding van de werkzaamheden door een daartoe bevoegde instantie. Het verbod, als bedoeld onder a, is niet van toepassing indien: 1. de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden worden uitgevoerd op gronden waarbij de bodem tot maximaal 30 cm onder maaiveld wordt geroerd; 2. de werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden een oppervlakte hebben tot ten hoogste 100 m²; 3. de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning; 4. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan; 5. behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; 6.
ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
6.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming wijzigen door de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 3' geheel of gedeeltelijk te laten vervallen, indien op basis van nader archeologisch onderzoek en/of archeologische begeleiding is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is.