Bijlage 2 Rapport behorend bij Archeologische beleidskaart Rhenen
Tekst van het document
Auteur: M.J. van Putten J.M.J. Willems M.A. Tolboom D.E.P.C.M. Beckers
Versie: 1.1 1.0
Gemeente Rhenen Archeologische verwachtings- en beleidskaart, een actualisatie BAAC-rapport V-23.0041
juni 2024
2
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
n Colofon ISSN: Auteur(s):
Cartografie: Inhoudelijke controle: Redactie:
1873-9350 drs. M.J. van Putten drs. J.M.J. Willems drs. M.A. Tolboom ma. D.E.P.C.M. Beckers drs. M.J. van Putten ma. D.E.P.C.M. Beckers drs. K. Leijnse drs. K. Leijnse
© BAAC, ’s-Hertogenbosch (2024) BAAC aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
n BAAC – Archeologie en Bouwhistorie Graaf van Solmsweg 103 5222 BS ‘s-Hertogenbosch Tel.: (073) 61 36 219 E-mail: denbosch@baac.nl
Popovstraat 54 8013 RK Zwolle Tel.: (038) 30 36 650 E-mail : zwolle@baac.nl
beleidsactualisaties Rhenen
3
4
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
Inhoudsopgave n Administatieve gegevens
9
n 1
Inleiding
11
1.1
Aanleiding 1.1.1 Aanleiding tot het laten opstellen van de beleidskaart 1.1.2 Beleidskader 1.2 Wettelijk kader 1.2.1 Algemeen 1.2.2 Monumentenwet 1988 en Wamz 1.2.3 De Erfgoedwet 1.2.4 De Omgevingswet 1.2.5 Verantwoordelijkheden Rijk, Provincie en Gemeente 1.3 Archeologie en ruimtelijke ordening 1.4 Gemeentelijk archeologiebeleid 1.5 Gemeentelijk archeologische verwachtings- en beleidskaart 1.6 Ligging van het gebied 1.7 Leeswijzer 1.8 Dankwoord
11 11 11 12 12 12 13 14 14 15 16 16 17 18 18
Onderzoeksopzet
19
2.1 2.2 2.3 2.4
Inleiding Archeologische inventarisatie Landschappelijke en bodemkundige inventarisatie Inventarisatie conflictarcheologie 2.4.1 Verantwoording selectie van opgenomen structuren 2.5 Archeologische verwachtingskaarten 2.6 Verstoringen en gebieden met geringe informatie 2.7 De archeologische beleidskaart 2.8 Beperkingen van een verwachtingskaart
19 19 20 21 23 24 26 26 27
Landschappelijke ontwikkeling
29
3.1
29 29 30 34 40 40 40 42 43
n 2
n 3
Landschappelijke ontwikkeling 3.1.1 Inleiding 3.1.2 Pleistoceen 3.1.3 Holoceen 3.2 Bodems 3.2.1 Inleiding 3.2.2 Zandgronden 3.2.3 Veengronden 3.2.4 Kleigronden
n 4 Bewoningsgeschiedenis 4.1 Inleiding 4.2 Paleolithicum – mesolithicum (35.000 – 5.300 voor Chr.) 4.3 Neolithicum (5.300 – 2.000 voor Chr.) 4.4 Bronstijd (2.000 – 800 voor Chr.) 4.5 IJzertijd (800 – 12 voor Chr.) 4.6 Romeinse Tijd (12 voor Chr. – 450 na Chr.) 4.7 Vroege middeleeuwen (450 – 1050 na Chr.) 4.8 Late middeleeuwen en Nieuwe tijd (1050 – heden) 4.9 De historische bebouwing binnen de gemeente Rhenen 4.9.1 Rhenen
45 45 45 47 48 50 52 53 55 58 58 beleidsactualisaties Rhenen
5
n 5
4.9.2 Elst 4.9.3 Remmerden 4.9.4 Achterberg 4.9.5 Buitenplaatsen/kastelen 4.9.6 Bijzondere gebouwen 4.9.7 Steenfabrieken 4.10 Militaire geschiedenis van Rhenen 4.10.1 Vroege en late middeleeuwen 4.10.2 Achttiende en negentiende eeuw, Eerste Wereldoorlog en het Interbellum 4.10.3 De Tweede Wereldoorlog: algemeen 4.10.4 De Tweede Wereldoorlog: mobilisatie en meidagen 1940 4.10.5 De Tweede Wereldoorlog: bezetting 4.10.6 De Tweede Wereldoorlog: Frontperiode 4.10.7 De Tweede Wereldoorlog: na de bevrijding 4.10.8 De Koude Oorlog
64 64 65 65 70 71 73 73 75 77 77 82 88 94 95
Archeologische informatiekaart
99
5.1 5.2
99 99 99 101 102 102 102
Inleiding Inventarisatie van de bekende vindplaatsen 5.2.1 Waarnemingen in Archis 5.2.2 Archeologische monumentenkaart 5.3 Inventarisatie van overige bronnen 5.3.1 Archeologische onderzoeken 5.3.2 Historische bronnen
n 6
De verwachtingskaarten
103
6.1 6.2
103 103 103 104 104 104 104 104 105 105 106 109 109 110 110 112 112 113 116 118 120 123 126 127
Inleiding De Archeolandschappelijke eenhedenkaart 6.2.1 Bestaande landschappelijke eenhedenkaarten 6.2.2 Geomorfologische kaart 6.2.3 Geologische kaart 6.2.4 Zanddieptekaart 6.2.5 Bodemkaarten 6.2.6 Actueel Hoogtebestand Nederland 6.2.7 Landschappelijke gegevens uit archeologische rapporten 6.2.8 Bodemverstoringen 6.2.9 De Archeolandschappelijke eenheden 6.3 De Bodemkaart 6.3.1 Bodemkaarten 6.3.2 Historische kaarten 6.3.3 De bodemeenheden 6.4 De verwachtingsmodellen 6.4.1 Inleiding 6.4.2 Jagers en Verzamelaars; het locatiekeuze model 6.4.3 Jagers en Verzamelaars; de afstand tot water 6.4.4 De verwachtingskaart voor Jagers en Verzamelaars 6.4.5 De boeren- en Staatse samenleving; het locatiekeuze model 6.4.6 De verwachtingskaart voor de boeren- en Staatse samenleving 6.5 De gaafheid van vindplaatsen 6.6 Beperkingen n 7
6
Archeologie en beleid
129
7.1 7.2
129 129 129 130 131 131
Inleiding Archeologiebeleid in de gemeente Rhenen 7.2.1 Werkwijze tot op heden 7.2.2 Voormalig instrumentarium 7.2.3 Bevoegd gezag, nieuw instrumentarium 7.2.4 Verplichtingen en keuzemogelijkheden
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
7.3
Het archeologische traject 7.3.1 Algemeen 7.3.2 Bureauonderzoek (stap 1) 7.3.3 Inventariserend Veldonderzoek (stap 2) 7.3.4 Behoud (stap 3) 7.3.5 Behoud ex situ 7.3.6 Vrijgeven 7.4 De beleidskaart 7.4.1 Algemeen 7.4.2 Categorie 1 7.4.3 Categorie 2 7.4.4 Categorie 3 7.4.5 Categorie 4 7.4.6 Categorie 5 7.4.7 Categorie 6 7.4.8 Categorie 7 7.5 Toevalsvondsten 7.6 Vergunningen en vrijstellingen 7.7 Conclusie
134 134 135 135 136 137 138 138 138 139 139 140 140 140 141 141 141 142 142
n 8
Geraadpleegde bronnen
143
n 9
Bijlagen
149
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11
Bijlage 12
– overzicht van geologische en archeologische tijdvlakken – Archeologische Informatiekaart – Historische relictenkaart – Militaire relictenkaart – Archeolandschappelijke eenhedenkaart – Bodemkaart – Verstoringskaart – Archeologische verwachtingskaart; Jagers en verzamelaars – Archeologische verwachtingskaart; Boeren- en Staatse samenleving – Beleidskaart – catalogus A AMK-terreinen B vindplaatsen C historische punten D onderzoeken E militaire relicten F toelichting legenda eenheden militaire relictenkaart – stappenplan
beleidsactualisaties Rhenen
7
8
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
Administatieve gegevens Locatiegegevens provincie
Utrecht
gemeente
Rhenen
toponiem
beleidsactualisatie Rhenen
Projectgegevens projectnummer
V-23.0041
opdrachtgever
Gemeente Rhenen contactpersoon: R. van der Hoogt
Rol provincie Utrecht
Onderhavig product is mede tot stand gekomen door een financiële bijdrage van de provincie Utrecht
adviseur namens opdrachtgever
dhr. M. van de Glind (ODRU)
projectleider BAAC
drs. M.J. van Putten (m.vanputten@baac.nl)
datum opdracht
19-04-2023
versie nummer rapport
1.2 (24 juni 2024)
beheer en plaats documentatie
archief BAAC
beleidsactualisaties Rhenen
9
10
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
1 1.1
Inleiding
Aanleiding
1.1.1 Aanleiding tot het laten opstellen van de beleidskaart De Erfgoedwet is op 1 juli 2016 van kracht geworden. Deze wet bundelt de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het betreft daarbij zowel het roerend als onroerend erfgoed. Samen met de Omgevingswet, die per 1 januari 2024 van kracht is geworden, maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Met de Erfgoedwet en de Omgevingswet is archeologie een verplicht en geïntegreerd onderdeel van het ruimtelijke besluitvormingsproces geworden. Er is sprake van decentralisatie van taken en verantwoordelijkheden, waarbij de gemeente verantwoordelijk is voor het behoud van het archeologische erfgoed binnen de gemeentegrenzen. Archeologie moet worden meegewogen bij het opstellen van het gemeentelijk omgevingsplan. Om dit te kunnen bewerkstelligen dienen gemeenten een gemeentelijk archeologiebeleid te ontwikkelen. Hiervoor moeten de gemeenten het bekende en verwachte archeologisch bodemarchief onderbouwd in kaart brengen. Vervolgens dient dit archeologisch bodemarchief middels een dubbelbestemming ‘waarde archeologie’ te worden gekoppeld aan het aanleg-, sloop- en/of bouwvergunningstelsel. Dit aanleg-, sloop- en/of bouwvergunningstelsel dient vervolgens te worden opgenomen in de gemeentelijke omgevingsplannen.
Dit was bij de vorige wetgeving omtrent archeologie (de wet op de archeologische monumentenzorg (WAMz)) ook al zo. In dit kader is in 2010 door de Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie een archeologische inventarisatie uitgevoerd, waarna een archeologische verwachtings- en een archeologische beleidskaart voor het gehele grondgebied van de gemeente is opgesteld. Het doel van dat onderzoek was inzicht te krijgen in de aanwezige archeologische waarden én in de kans dat archeologische resten in de ondergrond aanwezig zijn binnen de gemeentegrenzen van Rhenen om zo te kunnen komen tot een goed onderbouwd gemeentelijk archeologiebeleid.1
1.1.2 Beleidskader Zoals hierboven uiteen is gezet, beschikt de gemeente Rhenen sinds 2010 over een eigen verwachtings- en beleidskaart. De betreffende kaarten zijn sindsdien echter nooit geactualiseerd. Om te voldoen aan de eisen die de Omgevingswet stelt, wil de gemeente Rhenen graag de beschikking hebben over een actuele, goed onderbouwde archeologische verwachtingskaart en de daaruit voortvloeiende geactualiseerde beleidskaart. In dat kader heeft de gemeente Rhenen aan BAAC (onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuurhistorie en Cultuurhistorie) opdracht verleend om een archeologische inventarisatie uit te voeren, waarna een geactualiseerde archeologische verwachtings- en beleidskaart voor het gehele grondgebied van de gemeente is opgesteld. 2 Hierbij is tevens gesteld dat nog eens kritisch naar de bestaande kaarten dient te worden gekeken en deze, waar nodig, te herzien. Met de bestaande kaarten worden o.a. de landschaps- en archeologische verwachtings- en beleidskaarten uit 2010 bedoeld. Bovendien zijn sinds de vervaardiging van de bestaande verwachtingskaarten (2010) verscheidene nieuwe archeologische onderzoeken uitgevoerd wat heeft geresulteerd in een groot aantal nieuwe waarnemingen. Bij de actualisatie zijn al deze punten meegenomen of meegewogen.
Om de geactualiseerde kaarten zo goed mogelijk te laten voldoen aan de eisen van de Erfgoedwet is ervoor gekozen om de nieuwe kaarten op een dusdanige manier te vervaardigen dat invulling kan worden gegeven aan het begrip ‘aantoonbare archeologische verwachtingen’. Dit begrip komt voort uit het in 2015 aangenomen amendement Ronnes dat plaats heeft gekregen in de Omgevingswet. Met ‘aantoonbaar’ wordt bedoeld dat de in het omgevingsplan opgenomen verwachting (trefkans) op het aantreffen van archeologische vondsten goed dient te zijn onderbouwd (aangetoond) met behulp van expliciete en locatie-specifieke archeologische en bodemkundige informatie. Tevens staat in de Nota van Toelichting Besluit Kwaliteit Leefomgeving het volgende te lezen: “… de gemeente wordt, kortom, geacht de verantwoordelijkheid te nemen voor goed onderbouwde archeologische verwachtingen in het omgevingsplan. Deze bieden meer zekerheid voor de initiatiefnemers (verstorende partijen). Volledige zekerheid is echter niet mogelijk. Dit ligt in de aard van de archeologie, die nu eenmaal niet zichtbaar in de bodem zit. Alleen alles opgraven zou volledige zekerheid geven, maar dat is in strijd met het beginsel van behoud in situ. Het blijven dus goed
1
Brugman et. al. 2011. De opdracht van de gemeente Rhenen voor de actualisatie van de archeologische beleidskaart is tot stand gekomen door medefinanciering van de provincie Utrecht.
2
beleidsactualisaties Rhenen
11
onderbouwde verwachtingen, waaraan een mate van onzekerheid nu eenmaal inherent is.” 3 Tot de eerste jurisprudentie over deze kwestie aanwezig is, zullen de gemeenten hierop moeten voorsorteren. Pas met de eerste (juridische) uitspraken is meer zekerheid over wat er met ‘aantoonbaar te verwachten’ wordt bedoeld. De gemeente Rhenen meent met voorliggend onderzoek een zo goed mogelijk product te hebben geleverd. Om tot een archeologische verwachting te komen, zijn de reeds bekende archeologische vindplaatsen en historische relicten binnen de gemeente Rhenen geïnventariseerd. Deze vindplaatsen zijn vervolgens vanuit landschappelijk, bodemkundig en geomorfologisch oogpunt geanalyseerd om te kunnen komen tot een archeologische verwachting voor de gehele gemeente. Vervolgens is aan de verschillende verwachtingszones beleid gekoppeld. Dit is op de beleidskaart weergegeven. Waar van toepassing is het onderzoek uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1.4 In hoofdstuk 2 wordt uitgebreid op de gebruikte onderzoeksopzet ingegaan uitgevoerd.
1.2
Wettelijk kader
1.2.1 Algemeen Het Europese verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (beter bekend als het Verdrag van Valletta of Malta, 1992) is in 1998 door de Tweede en Eerste Kamer goedgekeurd. De daaropvolgende implementatie van het verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving heeft in 2007 geleid tot de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) die per 1 september van dat jaar van kracht is geworden. Deze wet gaf aan welke wetten gewijzigd dienden te worden, met als belangrijkste wet de Monumentenwet 1988. De implementatie heeft daarnaast geleid tot aanpassing van enkele andere wetten op aanpalende werkvelden die voor de archeologie relevant zijn, zoals de Ontgrondingenwet, de Woningwet, de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepaling omgevingsrecht (Wabo). Deze wetgeving beoogde dat zo goed en zo vroeg mogelijk rekening wordt gehouden met de aanwezigheid óf mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem. De Wamz had twee belangrijke uitgangspunten: n
n
Het streven naar behoud van archeologische resten in hun originele context in de bodem (‘in situ’), of, als dit niet mogelijk is, door opgraving en documentatie (‘ex situ’). Degene die nieuwe ontwikkelingen met mogelijk bodemverstorende ingrepen tot stand brengt, is verantwoordelijk voor de inventarisatie en een verantwoord beheer van de bekende en te verwachten archeologische resten in de ondergrond (volgens het principe ‘de verstoorder betaalt’).
1.2.2 Monumentenwet 1988 en Wamz Voor het inwerking treden van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) was de bescherming van monumenten, waartoe ook archeologische monumenten behoren, en stads- en dorpsgezichten geregeld via de Monumentenwet 1988. Dat was ook na het inwerking treden van de Wamz nog het geval. Met het inwerking treden van de Wamz was echter ook sprake van de bescherming van te verwachten archeologische waarden. De uitgangspunten bij de (herziene) Monumentenwet 1988 (na inwerkingtreding Wamz) waren: n
Het aansluiten op de Wet ruimtelijke ordening door te stellen dat bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening gehouden dient te worden met archeologie. Hierbij wordt vanuit de wet 100 m 2 als vrijstellings/ondergrens ten aanzien van de onderzoeksverplichting voor ‘projecten' gehanteerd. In ditzelfde artikel staat echter vermeld dat de gemeenteraad een hiervan afwijkende beargumenteerde andere oppervlakte kan
n
vaststellen; Beleidsuitgangspunt dient behoud en bescherming van het archeologisch erfgoed in situ te zijn door het treffen van technische en/of planologische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden. Indien dit niet mogelijk is, dan dienen behoudenswaardige vindplaatsen te worden opgegraven; in uitzonderlijke gevallen kunnen in plaats van een opgraving de werkzaamheden archeologisch worden begeleid;
n
Provincies hebben de bevoegdheid om zogenoemde archeologische attentiegebieden aan te wijzen. Dit betreft gebieden binnen het grondgebied van de provincie die archeologisch waardevol zijn of naar verwachting archeologisch waardevol zijn en die binnen geldende bestemmingsplannen onvoldoende bescherming genieten. Voor die gebieden dient de desbetreffende gemeente binnen een nader vast te stellen
3
4
12
Nota van Toelichting Besluit Kwaliteit Leefomgeving, 8.1.7.5 Cultureel Erfgoed, onder: archeologische monumenten en huis-,tuin- en keukengevallen CCvD 2018.
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
termijn een nieuw bestemmingsplan op te stellen, waarbij rekening wordt gehouden met de aanwezige en/of verwachte archeologische waarden. n
Het verhalen van de kosten verbonden aan het veiligstellen van archeologische waarden op de initiatiefnemer van de geplande ruimtelijke ingreep. Met andere woorden, de verstoorder betaalt;
n
Introductie van marktwerking voor de uitvoering van archeologisch werk en controle van de kwaliteit hiervan middels de introductie van een kwaliteitssysteem;5
Het eerste uitgangspunt (aansluiting op de Wet ruimtelijke ordening/Wabo) had (en heeft nog steeds) de meeste gevolgen voor de gemeenten, aangezien hiervoor een gemeentelijke verwachtings- en beleidskaart noodzakelijk is. Ook voor de initiatiefnemer heeft dit punt gevolgen. De bescherming van aanwezige en/of verwachte archeologische waarden wordt namelijk geregeld door het opnemen van regels in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van omgevingsvergunningen. In dergelijke regels worden bepaalde voorwaarden gesteld aan het verlenen van vergunningen (bijvoorbeeld een onderzoeksplicht op het gebied van archeologie). De aanvrager van een vergunning zal aan de voorwaarden moeten voldoen voordat de vergunning wordt verleend. Het idee was om de uitvoering van de Wamz zoveel mogelijk te laten aansluiten bij de al bestaande regelgeving met betrekking tot de afgifte van de omgevingsvergunningen op het gebied van bijvoorbeeld milieu en flora en fauna. Op deze wijze diende voorkomen te worden dat de burger geconfronteerd werd met onnodige kosten en tijdverspilling. Zoals in paragraaf 1.2.4 uiteen is gezet, is men echter tot de conclusie gekomen dat de wet- en regelgeving te versnipperd is. Met de implementatie van een nieuwe wet, de Omgevingswet, wordt dit beter geregeld.
Een volgend uitgangspunt van de Wamz dat consequenties had (en nog steeds heeft) voor de initiatiefnemer is het uitgangspunt dat de verstoorder betaalt. Zoals hierboven uiteen is gezet, kan de gemeente de initiatiefnemer van bodemverstorende activiteiten middels een omgevingsvergunning, een afwijking op grond van de Wet ruimtelijke ordening of een besluit ter voorbereiding waarvan een milieueffectrapportage is uitgevoerd, verplichten tot archeologisch onderzoek. De kosten voor dit onderzoek komen voor rekening van de initiatiefnemer.
1.2.3 De Erfgoedwet De bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland is per 1 juli 2016 gebundeld in de Erfgoedwet. Daarnaast is een aantal nieuwe bepalingen aan de Erfgoedwet toegevoegd. Samen met de begin 2024 geïmplementeerde Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. De Monumentenwet (1988, geactualiseerd in 2007) komt hiermee te vervallen. Voor het onroerend cultureel erfgoed is de implementatie van de Erfgoedwet en de implementatie van de Omgevingswet van belang. Het deel van de Monumentenwet 1988 dat direct raakt aan de fysieke leefomgeving, is opgegaan in de Omgevingswet. De essentie van de Erfgoedwet is nog steeds dat waardevolle archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem behouden blijven. In een zo vroeg mogelijk stadium van de ruimtelijke planvorming dient daarom rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (of Malta) blijven ook in de Erfgoedwet de basis voor de omgang met de archeologische monumentenzorg. Er zijn echter wel enkele veranderingen dan wel aanvullingen doorgevoerd. De belangrijkste verandering ten opzichte van de Wamz betreft de vervanging van de opgravingsvergunning door een wettelijk geregelde certificering voor bedrijven die archeologisch onderzoek uitvoeren.
Het is sinds de invoering van de Erfgoedwet verboden om zonder certificaat opgravingen te verrichten.6 Met deze certificering moeten alle opgravende partijen zich aan dezelfde kwaliteitsnormen houden. Ook gemeenten die in eigen beheer archeologische opgravingen willen doen, hebben hiermee te maken. Bedrijven en organisaties die professioneel archeologische opgravingen uitvoeren, kunnen kiezen uit verschillende certificerende instellingen om een certificaat aan te vragen (paragraaf 5.1, art. 5.1 t/m 5.6 van de Erfgoedwet). Het verbod op het verrichten van een opgraving zonder certificaat zou echter een grote impact hebben op de activiteiten van hobby-archeologen. In de Erfgoedwet staan daarom voorwaarden vermeld waaronder het is toegestaan om op te graven zonder certificaat. Zo mogen verenigingen van amateur- archeologen en vrijwilligers zelfstandig opgraven op locaties waar de gemeente heeft vastgesteld dat de archeologie niet behoudenswaardig is. Verenigingen van hobby-archeologen en vrijwilligers moeten de start van een opgraving melden bij de RCE, de vondsten overdragen aan het archeologisch depot van de provincie of de betreffende gemeente en rapporteren over hun bevindingen aan de RCE. Ook voor metaaldetectie is een uitzondering in de Erfgoedwet opgenomen. Wanneer een detectoramateur een vondst uit de grond haalt, wordt dat namelijk beschouwd als een opgraving.
Hiervoor zou de detectoramateur dan een certificaat in bezit moeten hebben. Omdat de detectoramateurs een waardevolle bijdrage leveren aan de ontwikkeling 5 6
Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, meest actuele versie). Aangezien ook archeologisch booronderzoek onder opgraven wordt gerekend, valt booronderzoek ook onder de certificering.
beleidsactualisaties Rhenen
13
van archeologische kennis is echter besloten dat een dergelijke eis buitenproportioneel is. Bodemverstoring van de bovenste dertig centimeter van de bodem (bouwvoor) is derhalve toegestaan. Op deze regel geldt een aantal uitzonderingen, bijvoorbeeld dat metaaldetectie niet is toegestaan op een archeologisch gemeentelijk, provinciaal of rijksmonument. Deze uitzondering geldt overigens ook voor verenigingen van amateur- archeologen en vrijwilligers. Een tweede verandering ten opzichte van de Wamz is dat het maritieme archeologische erfgoed beter in de Erfgoedwet is ingekaderd. Zo is bijvoorbeeld metaaldetectie onder water, het zogenaamde magneetvissen, verboden in de Erfgoedwet. Een derde wijziging in de regelgeving ten opzichte van de Wamz is dat de excessieve kostenregeling is geschrapt. Ter compensatie hiervan ontvangen gemeenten bestuurslastenvergoeding en een structurele extra tegemoetkoming excessieve kosten in het Gemeentefonds. Daarnaast is er een nationaal fonds opgezet voor archeologische opgravingen van bijzondere (inter)nationale betekenis.7
1.2.4 De Omgevingswet Het omgevingsrecht bestond tot voor kort uit tientallen wetten en honderden regelingen voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Al deze wetten en regelingen hadden hun eigen uitgangspunten, procedures en eisen. De rijksoverheid is van mening dat de wetgeving daardoor te ingewikkeld geworden is. Dat kon gevolgen hebben, bijvoorbeeld dat het langer duurde dan nodig is om een project op te starten. De rijksoverheid heeft daarom besloten om het omgevingsrecht makkelijker te maken en samen te voegen in één wet, de Omgevingswet. De nieuwe Omgevingswet moet gaan zorgen voor een samenhangende aanpak van de leefomgeving, ruimte voor lokaal maatwerk en betere en snellere besluitvorming. Daarnaast zal participatie worden bevorderd. Bijvoorbeeld door burgers en ondernemers zo goed mogelijk te betrekken bij de ontwikkeling van de leefomgeving. 8 De implementatie van de Omgevingswet is per 1 januari 2024 ingegaan. Een aantal bestaande wetten zijn in hun geheel opgaan in de Omgevingswet. Dit betreft bijvoorbeeld de Wet Ruimtelijke Ordening. Van de (herziene) Monumentenwet 1988 zijn alle onderdelen over omgevingsrecht overgeheveld naar de Omgevingswet.
Dit betreft een belangrijk deel van de monumentenzorg, namelijk de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving.9 Zo zullen vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten onder de Omgevingswet komen te vallen. Maar ook verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie komen onder de nieuwe wet te vallen. Dat zelfde geldt voor de bescherming van stads- en dorpsgezichten. Eén van de uitgangspunten van de wet is dat decentrale overheden al hun regels over de leefomgeving bijeenbrengen in één gebiedsdekkende regeling. Gebiedsgericht beleid is dus het uitgangspunt voor de nieuwe Omgevingswet. Het omgevingsplan zal voor de gemeenten de gebiedsdekkende regeling moeten gaan vormen. Het omgevingsplan biedt daarmee één integrale, inhoudelijk op elkaar afgestemde set van regels die van toepassing zijn op een locatie. Ook de regelgeving die van toepassing is op archeologie hoort daar bij. In het geval van archeologie gaat het hierbij om een actuele beleidskaart met bijbehorende beleidsregels. De beleidskaart (aangevuld met de bestemmingsplanregels) kan bij het inwerking treden van de Omgevingswet worden opgenomen in het omgevingsplan. Hierbij is het wel van belang dat de beleidskaart goed is onderbouwd.
1.2.5 Verantwoordelijkheden Rijk, Provincie en Gemeente Verantwoordelijkheden Rijk Sinds de wetgeving uit 2007 is er een decentralisatie van taken van de landelijke en provinciale overheden naar de lokale overheden opgetreden. Daarmee is de rol van bevoegde overheid voor gemeenten versterkt, aangezien de gemeenten vanaf toen mede verantwoordelijk zijn voor de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden op hun grondgebied. De rijksoverheid heeft echter nog de nodigde verantwoordelijkheden, bijvoorbeeld wanneer monumentale, archeologische of cultuur landschappelijke waarden van nationaal of internationaal belang in het geding zijn. Ook wanneer het Rijk initiatiefnemer is bij projecten blijft zij verantwoordelijk voor het archeologische belang. In het geval van projecten waarvoor een milieu effect rapportage (m.e.r.) dient te worden opgesteld, heeft het Rijk een wettelijke adviesrol. Het Rijk kan gebieden aanwijzen tot beschermd (archeologisch) rijksmonument en kan vergunningen verlenen tot wijziging, afbraak of verwijdering van een dergelijk archeologisch rijksmonument. Het Rijk is tevens verantwoordelijk voor de instandhouding van een centraal archeologisch informatiesysteem (Archis). Tot slot kan het Rijk werk stilleggen. De
7 8 9
14
RCE 2016. www.rijksoverheid.nl 2023. www.rijksoverheid.nl 2023.
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en de Erfgoedinspectie zijn de instanties die (namens de minister van OCW) verantwoordelijk zijn voor bovenstaande taken. Verantwoordelijkheden Provincie Sinds de invoering van de Wamz heeft ook de provincie een aantal verantwoordelijkheden ten aanzien van het archeologische erfgoed toegekend gekregen. Zo is de provincie het bevoegd gezag in het geval van gebieden die onder de Ontgrondingenwet vallen, bij m.e.r. -procedures of in het geval van gebieden die een bovenlokaal karakter hebben (bijvoorbeeld de aanleg van provinciale wegen, landinrichtingsprojecten, waterberging, etc.). De provincie is volgens de wet ook eigenaar van alle vondsten en de opgravingsdocumentatie van archeologisch onderzoek. Derhalve is de provincie ook verantwoordelijk voor het beheer, instandhouding en ontsluiting van deze archeologische vondsten en opgravingsdocumentatie. De provincie Utrecht heeft al sinds 1977 een Provinciaal Depot voor Bodemvondsten (PDB). In dit archeologische depot voor bodemvondsten, dat is gevestigd aan de Vlampijpstraat 87a te Utrecht, wordt het archeologische erfgoed van de provincie beheerd. De provincie hecht eraan haar verantwoordelijkheid als depothouder op dusdanige wijze in te vullen dat de archeologiecollectie in het PDB ook voor toekomstige generaties een middel en bron van (wetenschappelijke) studie zal kunnen zijn.
De provincie is bevoegd om op verzoek van een gemeente een gemeentelijk depot aan te wijzen binnen de gemeentegrenzen. Daarbij zullen eisen worden gesteld aan bewaarcondities en beheer. Verantwoordelijkheden Gemeenten Gemeenten hebben onder de huidige wetgeving, en behouden ook na de implementatie van de Omgevingswet, een belangrijke rol bij het behoud en het beheer van het ondergrondse culturele erfgoed. Gemeenten zijn namelijk verplicht bij ruimtelijke initiatieven rekening te houden met zowel de bekende archeologische waarden als de te verwachten archeologische resten. In de praktijk zal dit meestal gebeuren bij de toetsing van vergunningsaanvragen in het kader van de Omgevingswet, nieuwe planologische ontwikkelingen en omgevingsplanprocedures. Het omgevingsplan moet voorzien zijn van een archeologische paragraaf, waaruit de archeologische waarde van het plangebied blijkt. Op de plankaart staat de archeologische verwachting op basis van de beleidskaart aangegeven evenals alle terreinen die als archeologisch monument of gebied van archeologische verwachtingswaarde zijn aangemerkt. In de omgevingsplanregels zijn archeologie-regels opgenomen waaraan voldaan moet worden.
De gemeente heeft een loketfunctie voor initiatiefnemers en dient aan te geven wanneer er een plicht tot archeologisch vooronderzoek bestaat of onder welke voorwaarden een omgevingsvergunning verleend kan worden. In de regels van het omgevingsplan dienen zaken als onderzoeksplicht en de voorwaarden waaraan voldaan moet worden voordat een vergunning wordt afgegeven te worden beschreven. Tot slot valt ook de inhoudelijke toetsing van de archeologische rapportages onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. Dit is via het omgevingsplan en het gemeentelijke archeologiebeleid geregeld. Een gedegen toetsing door de gemeente is van groot belang voor de kwaliteit van de archeologische onderzoeken, aangezien de gemeente binnen de driehoek van de AMZ (initiatiefnemer/ontwikkelaar – archeologisch bedrijf- bevoegd gezag) de onafhankelijke partij is.
1.3
Archeologie en ruimtelijke ordening
Een vroegtijdige inventarisatie van archeologische waarden is in het belang van zowel de initiatiefnemers van een project met bodemverstorende activiteiten als de planontwikkeling. Bij vroegtijdige opsporing kunnen de archeologische waarden immers nog ingepast worden, zodat de kosten voor bijvoorbeeld een opgraving (behoud ex situ) vermeden kunnen worden. Tevens kunnen archeologische waarden dan behouden blijven voor toekomstige generaties. Een tijdige opsporing voorkomt dat de daadwerkelijke ontwikkeling van te bebouwen of ontgraven gebieden vertraagd wordt. Het behoud van archeologische waarden brengt bewoners en gebruikers meer historisch besef over hun omgeving bij. Inpassing van bestaande archeologische waarden in een plan kan een gebied cultuurhistorische identiteit verlenen en daarmee kwaliteit toevoegen aan de openbare ruimte. Bij inpassing kan bijvoorbeeld gedacht worden aan bescherming en behoud van archeologische waarden op een vindplaats (behoud in situ) door er een plantsoen of speelweide overheen aan te leggen. Een eerder gepland gebouw op diezelfde locatie zou bijvoorbeeld in een ander deel van het plangebied gerealiseerd kunnen worden. Behoud kan ook worden gerealiseerd door technische maatregelen te nemen die bodemverstorende ingrepen voorkomen (bv. ophoging, funderen op staal).
Naast archeologische waarden moet hierbij ook worden gedacht aan bestaande cultuurhistorische waarden.
beleidsactualisaties Rhenen
15
De bodem wordt vaak verstoord in gebieden die planologisch (her)ontwikkeld gaan worden en/of die een nieuwe bestemming krijgen, bijvoorbeeld van natuurgebied of landbouwgrond naar woonwijk of bedrijventerrein. Dat betekent dat archeologische waarden een grote rol spelen in de procedures bij ruimtelijke ordening. Het betreft bijvoorbeeld vergunningaanvragen voor infrastructurele werken, ontgrondingen en allerhande klein- en grootschalige bouw- of natuurontwikkelingsprojecten die de bodem dieper dan de tot dan toe gebruikelijke verstoringsdiepte van de bovengrond zullen roeren. Ook grootschalige verlagingen van het grondwaterpeil kunnen mogelijk bedreigend zijn voor het archeologisch erfgoed, omdat door oxidatie van organisch materiaal in de bodem grondsporen kunnen vervagen en kwetsbare materialen als hout, textiel, botresten en leer sneller zullen vergaan. Daarmee verdwijnt informatie die van belang kan zijn voor de interpretatie en reconstructie van archeologische vindplaatsen bij latere opgravingen.
1.4 Gemeentelijk archeologiebeleid Binnen de AMZ-cyclus is het de taak van de gemeente om zorgvuldig met archeologische waarden om te gaan door bij ruimtelijke initiatieven rekening te houden met deze waarden. Volgens de Erfgoedwet is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij initiatieven groter dan 100 m2. Daarbij heeft de gemeente echter wel beleidsvrijheid gekregen. Door het opstellen van eigen beleid kan beargumenteerd afgeweken worden van de grens van 100 m2. Dat kan strenger zijn op plekken waar dat noodzakelijk is of soepeler waar dat mogelijk is. Bij het opstellen van de archeologische beleidskaart voor de gemeente Rhenen is het grondgebied van de gemeente beargumenteerd opgedeeld in verschillende categorieën met elk hun eigen beleid. In hoofdstuk 7 zal hier nader op worden ingegaan. Doormiddel van het opstellen van een eigen archeologische beleidskaart en deze te integreren in het omgevinsplan is de gemeente Rhenen in staat om het bodemarchief te beschermen. Het behoud in situ (ter plaatse) van archeologische waarden staat voorop. Als vernietiging van archeologische waarden niet voorkomen kan worden, dienen deze veiliggesteld te worden door middel van archeologisch veldonderzoek en uitwerking (behoud ex situ). Op deze wijze streeft de gemeente Rhenen naar kennisvergroting van het gemeentelijke bodemarchief en kunnen archeologische gegevens ontsloten worden.
Ondanks het vele onderzoek dat reeds is uitgevoerd, zijn er nog steeds kennislacunes. Doormiddel van het uitvoeren van synthetiserend onderzoek en het opstellen van een eigen onderzoeksagenda kan de gemeente de kennislacunes proberen op te vullen. Momenteel beschikt de gemeente Rhenen nog niet over een eigen onderzoeksagenda. Naast het beschermen van archeologie binnen de gemeentegrenzen, kan de gemeente de bekende archeologische en cultuurhistorische waarden ook gebruiken voor andere doeleinden. Zo kan het historisch besef van de inwoners van de gemeente bijvoorbeeld worden versterkt door basisscholen te stimuleren om excursies te organiseren langs de verscheidene zichtbare archeologische waarden binnen de gemeente. De gemeente hoeft zich bij dergelijke educatieve excursies niet te beperken tot de jeugd. Het kenbaar maken van de verhalen van het archeologische erfgoed kan op tal van manieren. Er kan gedacht worden aan het aanleggen van historische en archeologische fiets- of wandelroutes. Ook het plaatsen van educatieve informatieborden ter plaatse van historische en archeologische monumenten kunnen het verhaal van het archeologische erfgoed verspreiden. Er zijn binnen de gemeente Rhenen overigens al verscheidene partijen actief om het cultuurhistorische erfgoed voor een groter publiek te ontsluiten.
Zo worden regelmatig lezingen, excursies en exposities georganiseerd door de historische vereniging die binnen de gemeente actief is en het lokale museum.10 Een dergelijke aanpak is niet alleen bevorderlijk voor het historisch besef van de burger, het kan ook bijdragen aan een extra stimulans voor het toerisme in de gemeente).
1.5
Gemeentelijk archeologische verwachtings- en beleidskaart
Zoals reeds vermeld is het de taak van de gemeente om zorgvuldig met archeologische waarden om te gaan door bij ruimtelijke initiatieven rekening te houden met deze waarden. Iedere gemeente dient dus over voldoende kennis te beschikken aangaande de archeologie op haar eigen grondgebied, voordat bodemverstorende werkzaamheden al dan niet kunnen worden toegestaan. De Erfgoedwet, samen met de Omgevingswet, verplicht gemeenten niet alleen om de bekende archeologische waarden, maar ook de te verwachten archeologische waarden binnen hun gemeentelijke grenzen te inventariseren. Essentieel onderdeel hierin vormen de archeologische verwachting- en beleidskaarten. Deze kaarten vormen een cartografische onderbouwing van de (verwachte) voorraad archeologie binnen de gemeente en het archeologische beleid dat hierop is gebaseerd. De beleidskaart wordt in het omgevingsplan geïntegreerd. Beide kaarten dienen actueel gehouden te worden. Het rapport behorende bij de archeologische verwachting- en beleidskaart 10
16
Historische Vereniging Oudheidkamer Rhenen en omstreken (HVOR), Stadsmuseum Rhenen.
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
dient als inhoudelijke onderbouwing van het beleid en kan worden gebruikt bij het toetsen van PvE’s en onderzoeksrapporten. Aangezien in de wet is opgenomen dat informatie over het erfgoed toegankelijk dient te zijn, kan het rapport en de kaart bijvoorbeeld via het internet openbaar worden gemaakt. Geïnteresseerde burgers kunnen het op deze wijze gemakkelijk inzien. Hierbij kan worden besloten om bepaalde delen van het rapport, bijvoorbeeld de catalogus, niet vrij te geven. Dit om schatgraverij te voorkomen. Bij onderhavig onderzoek is getracht om met de beschikbare middelen en tijd een zo uitgebreid mogelijke inventarisatie van de bekende archeologische waarden, maar ook van de te verwachten archeologische waarden, uit te voeren om te komen tot een archeologische verwachting- en beleidskaart waarmee de gemeente kan voldoen aan de Erfgoed- en Omgevingswet. Het uitgangspunt hierbij is dat zodra bekend is wat er binnen de gemeentelijke grenzen aanwezig is en verwacht kan worden, het mogelijk wordt een voor burgers en private partijen transparant beleid te formuleren met betrekking tot de inventarisatie, de selectie van te behouden archeologische waarden, het behoud en het beheer van archeologische waarden. Dit beleid is het uitgangspunt bij het nemen van weloverwogen beslissingen bij de vergunningsprocedures.
De archeologische verwachting- en beleidskaart van de gemeente Rhenen is door BAAC vervaardigd, in overleg en samenwerking met de archeologen van de Omgevingsdienst Regio Utrecht (adviseur van de gemeente Rhenen op het gebied van archeologie).
1.6
Ligging van het gebied
Het onderzoeksgebied betreft het gehele grondgebied van de gemeente Rhenen en beslaat een oppervlak van circa 4.376 ha. Afbeelding 1.1 geeft het gemeentelijk grondgebied weer, inclusief de ligging van de verschillende kernen. De gemeente telt één grotere historische kern, te weten de naamgever van de gemeente, de stad Rhenen. Daarnaast is sprake van een aantal kleinere (historische) kernen, waaronder Elst, Achterberg, Remmerden en Heimerstein. In het westen grenst de gemeente aan de gemeente Utrechtse Heuvelrug. In het noorden vormt de gemeente Veenendaal de buurgemeente, terwijl dit in het noordoosten en het oosten respectievelijk de gemeenten Ede en
Afb. 1.1 Het grondgebied van de gemeente Rhenen.
beleidsactualisaties Rhenen
17
Wageningen betreffen. In het zuidoosten grenst de gemeente Rhenen aan de gemeente Neder-Betuwe, in het zuidwesten aan de gemeente Buren. Alle aangrenzende gemeenten maken gebruik van hun eigen archeologische beleidskaart.
1.7
Leeswijzer
In onderliggende rapportage staan de resultaten van het onderzoek, inclusief de actualisatie, beschreven. Dit rapport vormt derhalve de onderbouwing van de landschapsreconstructie en de archeologische verwachting zoals deze in de als bijlage toegevoegde kaarten is weergegeven. In hoofdstuk 2 wordt aangegeven welke bronnen zijn gebruikt bij het tot stand komen van de diverse kaarten. In hoofdstuk 3 wordt de ontwikkeling van het natuurlijke landschap geschetst, waarbij ook wordt aangegeven hoe het landschap er in de verschillende archeologische perioden uitzag en welke bodemkundige eenheden relevant waren voor de bewoningsgeschiedenis. In hoofdstuk 4 wordt globaal de bewoningsgeschiedenis van het gebied beschreven. Daarbij worden achtereenvolgens de verschillende relevante archeologische perioden behandeld. Bij middeleeuwen en nieuwe tijd is zoveel van het landschap en de bewoningsgeschiedenis bekend dat hier wat nader op kan worden ingegaan. In dit hoofdstuk is tevens een paragraaf gewijd aan het militaire erfgoed binnen de gemeente Rhenen, waarbij de nadruk op de Tweede Wereldoorlog ligt. Vervolgens komt de inventarisatie van de bestaande archeologische waarden binnen de gemeente aan bod (hoofdstuk 5), op basis waarvan de archeologische informatiekaart is gemaakt (bijlage 2).
In hoofdstuk 6 zal worden uitgelegd hoe de archeolandschappelijke eenhedenkaart (bijlage 5), de bodemkaart (bijlage 6) en de twee archeologische verwachtingskaarten (bijlagen 8 en 9) tot stand zijn gekomen. Vervolgens zal in hoofdstuk 7 worden ingegaan op het beleidskader dat is gekoppeld aan de beleidskaart (bijlage 10). Tenslotte is er een lijst met de geraadpleegde bronnen zoals literatuur, kaartmateriaal en websites. De vindplaatsen en objecten die in de tekst worden genoemd en op de verschillende kaarten staan afgebeeld zijn voorzien van een nummer. Dit nummer verwijst naar een lijst met objecten die als bijlagen zijn toegevoegd. Hierin worden alle vindplaatsen genoemd die reeds bekend zijn (bijlage 11B) of op basis van historische en cartografische bronnen vermoed worden (bijlagen 11C). Ook voor alle binnen de gemeente aanwezige AMK-terreinen is een catalogus opgesteld (bijlage 11A). Er is tevens een catalogus voor de militaire relicten binnen de gemeente (bijlage 11E) als ook voor de binnen de gemeente uitgevoerde archeologische onderzoeken (bijlage 11D). In bijlage 11F is een document toegevoegd met een toelichting op de legenda eenheden van de militaire relictenkaart.
1.8
Dankwoord
De volgende personen wordt dank gezegd bij de uitvoering van de opdracht: dhr. M. van de Glind (Omgevingsdienst Regio Utrecht); dhr. T. Maas (Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Rhenen); mevr. H. van den Ende (provincie Utrecht); dhr. B. Huiskes en de dames en heren van de Werkgroep Archeologie van de Historische Vereniging Oudheidkamer Rhenen en omstreken.
18
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
2 2.1
Onderzoeksopzet
Inleiding
Om tot een gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidskaart te komen is het onderzoek opgesplitst in een aantal fasen. In de eerste fase is een inventarisatie gemaakt van de binnen de gemeente bekende archeologische waarden. Dit heeft geresulteerd in een archeologische informatiekaart. Ook is in deze fase een historische relictenkaart gemaakt, waarbij historische elementen zijn ingetekend op basis van historisch kaartmateriaal. Ook is een aparte kaart gemaakt met betrekking tot militaire relicten, waaronder de relicten uit de Tweede Wereldoorlog. Vervolgens is een inventarisatie gemaakt van de landschappelijke en geomorfologische opbouw van het gebied, waarbij de onderverdeling van het landschap in verschillende archeolandschappelijke zones een belangrijke rol speelt (fase 2). Dit heeft geresulteerd in een archeolandschappelijke eenhedenkaart. Deze archeolandschappelijke eenhedenkaart is slechts ten dele gebaseerd op de reeds bestaande landschappelijke eenhedenkaart. 11 De nieuw gemaakte kaart is namelijk middels een uitgebreide AHN-studie verbeterd, voornamelijk aangaande de droge dalen, de stuifduinen, de gordeldekzandkoppen/ruggen en (voor zover mogelijk) het onder het veen begraven landschap.
Daarnaast is in fase 2 een vlakdekkende bodemkaart gemaakt voor de gemeente Rhenen, waarbij gebruik is gemaakt van zo gedetailleerd mogelijke bodemkaarten.12 De inventariserende fasen 1 en 2 vormen een hulpmiddel om te kunnen komen tot het opstellen van twee archeologische verwachtingskaarten (fase 3). Het betreft de verwachtingskaarten voor ‘Jagers en Verzamelaars’ en de verwachtingskaart voor ‘Boeren- en Staatse samenlevingen’. De kaart voor Jagers en Verzamelaars is opgesteld op basis van de relatie tussen landschappelijke ligging en de locatie van archeologische waarden uit de perioden paleolithicum en mesolithicum, gecombineerd met locatiekeuzefactoren en de afstand tot water. De kaart voor de boeren- en Staats samenlevingen is opgesteld op basis van de relatie tussen bodemkundige aspecten en de locatie van archeologische waarden (eveneens gecombineerd met locatiekeuzefactoren). Tot slot is aan de verschillende verwachtingseenheden een bepaald beleid gekoppeld, waarmee een archeologische beleidskaart is ontstaan (fase 4). In de navolgende paragrafen wordt per fase een uitgebreide beschrijving van de werkwijze weergegeven. Tijdens de actualisatie van het kaartmateriaal is een hernieuwde inventarisatie gemaakt van de binnen de gemeente bekende archeologische waarden.
Sinds de totstandkoming van de bestaande kaart zijn namelijk veel nieuwe onderzoeken met bijbehorende waarnemingen bekend. Echter, ook de op het kaartmateriaal uit 2010 weergegeven vindplaatsen zijn opnieuw geïnventariseerd, aangezien tijdens het maken van de kaarten in 2010 geen grondige analyse van de data heeft plaatsgevonden. Dit heeft geresulteerd in een geactualiseerde archeologische informatiekaart. De grootste aanpassing op deze kaart betreft naast de toevoeging van de sinds 2010 uitgevoerde onderzoeken en waarnemingen, de toevoeging van relicten en verwachtingen met betrekking tot conflictarcheologie.
2.2
Archeologische inventarisatie
Op basis van de bekende gegevens is een overzicht gemaakt van bekende archeologische waarnemingen en vondstmeldingen binnen de gemeente Rhenen. Hiervoor zijn diverse bronnen geraadpleegd, waaronder het ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en gegevens uit de literatuur. Tevens is contact opgenomen met lokale hobby-archeologen en de binnen de gemeente actieve historische verenigingen. Zo is door de gemeente Rhenen een bijeenkomst georganiseerd waarbij de leden van de historische vereniging zijn uitgenodigd.13 Hierbij zijn topografische kaarten verstrekt met daarop de bekende waarnemingen. Het verzoek was om deze data aan te vullen met nog niet in ARCHIS geregistreerde waarnemingen en om na te gaan of sommige bestaande waarnemingen mogelijk zijn verstoord bij werkzaamheden in het verleden. Er zijn vanuit de heemkundekring echter geen aanvullende gegevens aangeleverd. Vanuit de bij de bijeenkomst aanwezige hobbyarcheologen zijn enkele mogelijke aanvullende waarnemingen aangedragen waarvan er uiteindelijk één is overgebleven (zie ook paragraaf 5.2). Bij het Stadsmuseum Rhenen is een collectie archeologische vondsten bekend, waarvan een deel
11
Vestigia 2010. Stiboka 1950. 13 Bij de bijeenkomst op 12 oktober 2023 waren leden van de werkgroep archeologie van de Historische Verenging Oudheidkamer Rhenen en omstreken aanwezig, alsmede de heer Bert Huiskes en de heer Toine Maas. 12
beleidsactualisaties Rhenen
19
al is opgenomen in ARCHIS. Van een groot deel van deze waarnemingen is de exacte ligging echter niet bekend. 14 De heer Maas heeft in het kader van onderhavig onderzoek getracht om de locaties te achterhalen, maar dit bleek onbegonnen werk. In 2020 heeft het project ‘Erfgoed Gezocht’ plaatsgevonden. Dit betrof een project waarbij met behulp van vrijwilligers getracht is om met behulp van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) nog niet eerder in kaart gebrachte archeologische fenomenen als grafheuvels en Celtic fields te achterhalen. Dit heeft voor de gemeente Rhenen in totaal 42 nieuwe vindplaatsen opgeleverd. Alle bekende waarnemingen zijn geanalyseerd op betrouwbaarheid (mogelijk alleen administratief geplaatst, mogelijk inmiddels verstoord). De gegevens zijn verzameld in een nieuwe, geactualiseerde database en op de archeologische informatiekaart (bijlage 2) weergegeven. Tijdens de actualisatie zijn niet alleen de sinds 2010 in Archis toegevoegde waarnemingen toegevoegd. In overleg met de gemeente zijn alle waarnemingen, dus ook de waarnemingen uit de periode voor 2010, geanalyseerd. Dit omdat niet duidelijk was of dit in 2010 al was gedaan, aangezien de gemeente niet beschikte over deze gegevens. Ook de bekende archeologische waarden zijn op de archeologische informatiekaart weergegeven.
Het gaat hierbij om AMK-terreinen en archeologische rijksmonumenten.15 Daarnaast zijn de binnen de gemeente uitgevoerde archeologische onderzoeken op de archeologische informatiekaart geplot. Er is een aparte historische relictenkaart gemaakt waarop de historische elementen binnen de gemeente Rhenen zijn weergegeven (bijlage 3). Hierbij moet gedacht worden aan laat- en (post)middeleeuwse elementen als dorpskernen, waterstaatkundige werken, kerken, molens, etc. Ook de bebouwing buiten de historische kernen zoals deze aanwezig was op kaartmateriaal uit het begin van de 19de eeuw (eerste kadastrale kaarten) 16 is weergegeven. De grenzen van de historische kernen zijn gebaseerd op de eerste kadastrale kaarten. Nieuw in vergelijking met de bestaande kaarten is dat een aparte kaart vervaardigd is waarop de militaire relicten zijn weergegeven (bijlage 4). Het betreft voornamelijk relicten uit de Tweede Wereldoorlog, al zijn ook enkele relicten uit de middeleeuwen, de 18de eeuw, het Interbellum en de Koude oorlog opgenomen. Deze kaart is door een specialist conflictarcheologie opgesteld.17 Voor de inventarisatie van deze gegevens is gebruik gemaakt van een verscheidenheid aan bronnen. Alle bekende vindplaatsen en terreinen zijn geprojecteerd op de topografische ondergrond, waarbij elke archeologische vindplaats dan wel cultuurhistorische relict genummerd is.
Deze nummers verwijzen naar een database waarin de verschillende terreinen kort worden beschreven. Op deze wijze is gekomen tot een betrouwbaar overzicht van de tot nu toe bekende archeologische waarden en tal van historische elementen binnen de gemeente Rhenen.
2.3
Landschappelijke en bodemkundige inventarisatie
In fase 2 is de landschappelijke, geomorfologische en bodemkundige opbouw van het gebied geanalyseerd. De archeologische verwachting in een gebied kan namelijk worden opgesteld aan de hand van de landschappelijke kenmerken van een gebied. Immers, mensen hadden in het verleden een sterke voorkeur voor bepaalde delen in het landschap. Gedurende het paleolithicum en het mesolithicum, toen de mens als jagers en verzamelaars in kleine groepen rondtrok, vormden met name overgangsgebieden tussen hooggelegen, droge locaties en laaggelegen natte locaties ideale plekken voor bewoning. Hier had men op korte afstand beschikking over (drink)water en ook voedsel was hier volop aanwezig. Voor zowel de vroege als de late landbouwers was de (natuurlijke) bodemvruchtbaarheid van groot belang. Vanwege de sterke relatie tussen landschappelijke ligging en bodemtype wordt bij de vervaardiging van archeologische verwachtingskaarten over het algemeen gebruik gemaakt van (gedetailleerde) bodemkaarten en geomorfologische kaarten. In het verleden is gebleken dat bepaalde bodemtypen een goede indicatie zijn voor het voorspellen van de aanwezige (tot nu toe niet ontdekte) archeologische waarden. Een bepaald bodemtype kan dus in grote mate voorspellend zijn voor het al dan niet aanwezig zijn van archeologische waarden, zodat aan dat bodemtype een bepaalde archeologische verwachting kan worden toegekend.
Een probleem bij het vervaardigen van een archeolandschappelijke eenhedenkaart binnen de bebouwde kom (zoals ook in delen van de gemeente Rhenen) is dat op bodemkaarten en geomorfologische kaarten de bebouwde kom veelal niet is gekarteerd. Als gevolg hiervan is voor dergelijke gebieden geen informatie beschikbaar over de (oorspronkelijke) landschappelijke situatie. Soms komt het voor dat voor enkele delen van de bebouwde kom oudere bodemkaarten en 14
Deze vondsten zijn niet opgenomen in de database, aangezien alleen vondsten zijn opgenomen waarvan exact bekend is waar deze zijn aangetroffen. Dit betreft terreinen waarvan de archeologische waarde door de RCE is vastgesteld. 16 RCE 2023. 17 ma. D. Beckers, onder toezicht van drs. J. van Weerden (werkzaam bij BAAC).
15
20
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
geomorfologische kaarten bestaan van vóór de bebouwing. Dergelijke kaarten, veelal vervaardigd in het kader van grootschalige ruilverkavelingsprojecten, zijn dan ook zeer bruikbaar. Desalniettemin blijven ook op deze kaarten hiaten aanwezig, aangezien er niet binnen de bebouwde kom is gekarteerd. Om toch informatie te krijgen over de oorspronkelijke landschappelijke situatie ter plaatse van de bebouwde kom is ook gebruik gemaakt van historische kaarten, waaronder de kadastrale kaart uit 1832 en de topografische kaart uit circa 1850. Immers, op dergelijke kaarten was een groot deel van de huidige bebouwde kom nog niet bebouwd. Aan de hand van onder andere het grondgebruik (grasland in lage, natte terreinen en akkerland op hoger gelegen, droge terreinen) kan een globale reconstructie worden gemaakt van het landschap en ook het type bodem. Op deze wijze is het aandeel van niet gekarteerde gebieden zo klein mogelijk gehouden. Om te kunnen komen tot een zo gedetailleerd mogelijke archeolandschappelijke eenhedenkaart en bodemkaart voor de gemeente Rhenen is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: n n
Bodemkaart, schaal 1:50.000;18 Gedetailleerde bodemkaarten met schaal van 1:10.000. Het gaat hierbij om de Bodemkaart van de Omgeving van Wageningen (schaal 1:10.000);19
n
Bodemkundige en geologische data verkregen via het DINO-loket;
n
Landschappelijke gegevens afkomstig van het reeds bestaande kaartmateriaal van de gemeente Rhenen;20 Geomorfologische kaart, schaal 1:50.000;21
n
Actueel Hoogtebestand Nederland, versie 3:
n
n
Paleografische kaarten;22 Landschappelijke gegevens die vermeld staan in de diverse archeologische rapporten;
n
Literatuur over de ontwikkeling van het landschap.
n
2.4 Inventarisatie conflictarcheologie De afgelopen eeuwen heeft Europa te maken gehad met conflicten van allerlei omvang. Waarbij het in de middeleeuwen vaak nog ging om kleinschalige oorlogen tussen hertogdommen, kreeg ons land in de 20e eeuw te maken met drie grote conflicten (Eerste Wereldoorlog, Tweede Wereldoorlog en Koude Oorlog). Al die (voorbereidingen op) conflicten hebben in het landschap en de bodem een grote hoeveelheid en verscheidenheid aan sporen nagelaten. Vanwege de vaak specifieke aard en afwijkende wijze van onderzoek naar deze structuren is er voor de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Rhenen een aanvullende verwachting opgesteld voor dit oorlogserfgoed (de Militaire relictenkaart, bijlage 4). Op het grondgebied van de huidige gemeente Rhenen hebben zich tijdens de afgelopen eeuwen sterke militaire ontwikkelingen voorgedaan. Met name vanaf de 18e eeuw vormde de regio een sleutelpositie in de Grebbelinie, die bedoeld was ter bescherming van de steden in Holland. De Grebbeberg werd in en na de meidagen van 1940 bekend als het toneel van een van de zwaarste gevechten die tijdens de Duitse inval van Nederland hebben plaatsgevonden. Verder zijn bijvoorbeeld tijdens de bezetting verschillende percelen binnen de gemeente in gebruik geweest bij de Duitse Wehrmacht, hebben er vliegtuigcrashes plaatsgevonden en werd de regio in 1944 weer frontgebied.
Uiteindelijk werd Rhenen pas bevrijd na de capitulatieonderhandelingen in mei 1945. Tijdens de Koude Oorlog zijn er schuilgelegenheden ingericht en zijn er structuren voor de parate troepenmacht van het Nederlandse leger aangebracht. Op de Militaire relictenkaart zijn zeven hoofdperioden onderscheiden waarvan de periode WOII nog is onderverdeeld in specifieke tijdsvakken23. Deze tijdsvakken komen in het hoofdstuk ‘historische achtergrond’ eveneens aan bod: n Vroege middeleeuwen; n n n
Late middeleeuwen; 18e-19e eeuw; WOI;
18
Stiboka 1966. Stiboka 1950. 20 Vestigia 2010. 21 Stiboka 1986. 22 Vos & de Vries 2018. 23 Perioden waarvan geen indicaties bestaan voor de aanwezigheid van conflictgerelateerde structuren zijn buiten beschouwing gelaten. 19
beleidsactualisaties Rhenen
21
n n
n
Interbellum; Tweede Wereldoorlog (WOII) o
WOII; mobilisatie
o
WOII; meidagen 1940
o o
WOII; bezetting WOII; frontperiode
o
WOII; bevrijding
Koude Oorlog
Om een zo volledig mogelijk beeld van de ooit aanwezige militaire structuren te verkrijgen zijn, zo ver deze aanwezig zijn, primaire bronnen geraadpleegd. Ten behoeve van het karteren van defensieve structuren uit de periode vóór de mobilisatie van 1914-1918 zijn diverse secundaire bronnen geraadpleegd, evenals stukken en kaarten uit het Nationaal Archief en het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH). Voor de mobilisatieperiode van 1914-1918 en 19391940 zijn stukken geraadpleegd uit de archieven van het NIMH en Bureau Inlichtingen. Dit archief omvat ook stukken die betrekking hebben op de afwikkeling van de Genie na de Meidagen van 1940, inundaties in Nederland, topografische kaarten en Duitse dossiers, bevelen en voorschriften. Deze stukken geven inzicht in de inrichting van het militaire landschap tijdens de mobilisatie en de gevechten na de Duitse inval in 1940. Deze informatie is aangevuld met bronnen uit ooggetuigenverslagen, gevechtsverslagen, primair kaartmateriaal, luchtfoto’s, archeologische bureauonderzoeken, historisch onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten en secundaire literatuur. De basis voor het opstellen van de verwachting voor de bezettingsperiode bestaat met name uit primaire bronnen, die voornamelijk door de Duitse bezetter zijn opgesteld, secundaire literatuur en ooggetuigenverslagen.
Verzetsbronnen, zoals de verslagen van Groep Albrecht, vormen hierop een aanvulling en dienen ter verificatie. De frontperiode is uitvoerig gedocumenteerd in geallieerde en Duitse gevechtsverslagen, secundaire literatuur en primair militair kaartmateriaal (zoals Defense Overprints). Voorts is er rekening gehouden met locaties die in de populaire literatuur en de herdenkingscultuur een prominente plek innemen. Deze locaties kunnen dienen om bepaalde handelingen aan een locatie te koppelen. Aanvullend zijn er grote aantallen beschikbare luchtfoto’s geraadpleegd die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de geallieerde luchtstrijdkrachten gemaakt zijn. Daarnaast zijn er luchtfoto’s geraadpleegd die voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zijn gemaakt door Nederlandse diensten. Op basis van luchtfotoanalyse kan een nauwkeuriger beeld ontstaan van de oorlogshandelingen of van militaire of civiele structuren die op een bepaalde locatie aanwezig zijn geweest. Als deze sporen worden geïnterpreteerd kunnen bijvoorbeeld bepaalde handelingen ruimtelijk correct worden toegewezen of er kunnen structuren worden waargenomen die in overige beschikbare bronnen niet vermeld zijn. Voorts zijn er enkele vooronderzoeken OOO24 geraadpleegd, die in het verleden zijn opgesteld door diverse OOObedrijven en vrij raadpleegbaar zijn.
Een deel van deze onderzoeken is beschikbaar gesteld door de opdrachtgever. Alhoewel deze rapporten een andere onderzoeksopzet en -doel hebben, wordt in deze onderzoeken in detail gekeken naar oorlogshandelingen waarbij munitie in de bodem kan zijn achtergebleven. Zodoende kunnen deze onderzoeken een goede aanvulling vormen op reeds vastgestelde structuren en handelingen, maar kunnen deze geen opzichzelfstaande archeologische inventarisatie vormen. Daarnaast zijn rapportages van verschillende in het verleden uitgevoerde archeologische veld- en bureauonderzoeken geraadpleegd25, waaronder ook data van het in 2022 uitgevoerde onderzoeksproject Scars of War26 en de Cultuurhistorische Atlas van de Provincie Utrecht (CHAT)27. Uit de inventarisatie van zowel de archeologische als de OOO-onderzoeken blijkt dat de geïnventariseerde sporen uit (met name) de mobilisatieperiode en de meidagen van 1940 regelmatig afwijkingen vertonen met kaartmateriaal uit andere primaire- en secundaire bronnen, die op hun beurt ook weer van elkaar afwijken. Derhalve is de locatie van deze sporen en structuren vastgesteld op basis van een synthese tussen deze bronnen en, bijvoorbeeld, voor deze verwachtingskaart uitgevoerde AHN- en luchtfotoanalyse. Daardoor is een compleet en accuraat beeld ontstaan van de te verwachten sporen.
Op enkele locaties, waaronder enkele infanteriestellingen die behoorden tot de Grebbelinie, konden locatiegegevens uit de Groene Serie niet (goed) getoetst worden aan primaire bronnen zoals luchtfotomateriaal. Aangezien deze locaties niet genegeerd kunnen worden, is er besloten deze structuren zo strak afgekaderd mogelijk op de inventarisatiekaart op te nemen. Dit geldt ook voor (vermoede) Duitse verdedigingswerken, objecten en gebeurtenissen die door de geallieerden zijn ingetekend op de zogenoemde Defense Overprints. Dit zijn inventarisatiekaarten waarop tijdens de oorlog voor militaire operaties van belang zijnde structuren, objecten en bewegingen zijn ingetekend. Het gaat hier bijvoorbeeld om verdedigingswerken, onderkomens, troepenverplaatsingen en de aanwezigheid van mens en materieel. De informatie die op deze kaarten werd opgenomen was afkomstig van luchtfoto’s, veldverkenningen, ondervragingen van krijgsgevangenen en andere verkenningsmiddelen. Omdat het voor 24