Bijlage 2 Kadernota VRU 2026
Tekst van het document
Kadernota VRU 2026 Kaders begroting 2026 & geactualiseerde begroting 2025 Algemeen bestuur bestuur (versie (vastgesteld) Algemeen DB)
1
Inhoudsopgave 1 1.1 1.2
Inleiding Achtergrond Opbouw kadernota
3 3 3
2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6
Financieel kader Bijstelling ijkpuntscores gemeentefonds Loonontwikkeling Prijsontwikkeling FLO-overgangsrecht en tweede loopbaanbeleid Brede doeluitkering Rampenbestrijding Samenvatting mutaties GBTP financieel kader
4 4 5 6 8 10 11
3 3.1
Ontwikkelingen Toekomstscenario’s
12 12
4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
Risico’s Omgevingswet Vrijwilligheid brandweerpersoneel Overeenkomst van opdracht voor eigen personeel (OVO’s) Rijksbijdrage (BDuR) CAO Regeling voor vervroegd uittreden (RVU) Overige onvoorziene exploitatierisico’s
14 14 15 16 17 18 18
5
Gemeentelijke bijdrage GBTP 2025 & 2026
20
6
Gemeentelijke vergoeding IGPP 2025 & 2026
21
Bijlage 1 – Bestuurlijke opdrachten
22
2
1 Inleiding 1.1
Achtergrond
In de Kadernota 2026 schetsen we de financiële en beleidsmatige kaders voor het opstellen van de begroting 2026 en de actualisatie van de begroting 2025, zoals staat in artikel 4.3 van de gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Utrecht. Deze kaders maken deel uit van het proces van begroting en verantwoording (zie figuur 1). Figuur 1: proces begroting en verantwoording VRU
Kaders begroting
Begroting (ontwerp/def)
Actualisatie begroting
Jaarstukken/ jaarrekening
De gemeenten worden in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze over de algemene financiële en beleidsmatige kaders te geven. De zienswijzen betrekken we bij het opstellen van de ontwerpbegroting van 2026 en de geactualiseerde begroting 2025. Voordat het bestuur de begroting definitief vaststelt, wordt deze ook voor zienswijzen aan de gemeenten aangeboden. De gemeenten hebben op deze manier twee momenten om invloed uit te oefenen op de begroting van de VRU.
1.2
Opbouw kadernota
Bij het opstellen van de kadernota ligt de nadruk op de ontwikkelingen die effect hebben op de hoogte van de gemeentelijke bijdrage. We maken hierbij het volgende onderscheid: ▪ ▪ ▪
Technische toepassing van het financiële kader (hoofdstuk 2). Toekomstscenario’s (hoofdstuk 3). Risico’s (hoofdstuk 4).
In hoofdstuk 5 geven we de effecten uit hoofdstuk 2 op de gemeentelijke bijdrage voor het gezamenlijk basistakenpakket (GBTP) weer. In hoofdstuk 6 brengen we de vergoeding voor het individueel gemeentelijk pluspakket (IGPP) per gemeente in beeld.
3
2 Financieel kader 2.1
Bijstelling ijkpuntscores gemeentefonds
De ijkpuntscores van het Gemeentefonds voor het onderdeel ‘Crisisbeheersing en Brandweer’(1 ) vormen de basis voor de verdeling van de bijdrage per gemeente voor het gezamenlijk basistakenpakket (GBTP). Dit uitgangspunt is opgenomen in artikel 4.2 A van de Gemeenschappelijke Regeling. In het verdeelmodel voor de gemeentelijke bijdrage voor het GBTP hebben we de nieuwe ijkpuntscores uit de septembercirculaire 2024 toegepast. Verdelingsgrondslag gemeentelijke bijdrage voor het GBTP 2026 en 2025a In tabel 1 zijn de percentages voor de begroting 2026 en de geactualiseerde begroting 2025 opgenomen op basis van de septembercirculaire 2024. Tabel 1: verdelingsgrondslag (relatief aandeel ijkpuntscores) gemeentelijke bijdrage GBTP Verdelingsgrondslag bijdrage GBTP
Kaders
Gemeente
Begroting 2025
Mutatie (q) maatstaven
begroting 2025a en 2026
Amersfoort
11,41%
-0,002%
11,41%
Baarn
1,85%
-0,002%
1,85%
Bunnik
1,07%
-0,006%
1,07%
Bunschoten
1,29%
0,002%
1,30%
De Bilt
3,06%
-0,026%
3,04%
De Ronde Venen
3,01%
-0,002%
3,00%
Eemnes
0,64%
0,011%
0,65%
Houten
3,17%
-0,014%
3,15%
IJsselstein
2,17%
-0,024%
2,15%
Leusden
2,00%
-0,019%
1,98%
Lopik
0,86%
-0,008%
0,85%
Montfoort U
0,88%
-0,009%
0,87%
Nieuwegein
4,43%
0,002%
4,44%
Oudewater
0,66%
0,000%
0,66%
Renswoude
0,36%
-0,005%
0,36%
Rhenen
1,33%
-0,090%
1,24%
Soest
3,16%
-0,010%
3,15%
Stichtse Vecht
4,43%
-0,023%
4,40%
Utrecht
31,89%
0,127%
32,02%
Utrechtse Heuvelrug
3,49%
0,020%
3,51%
Veenendaal
4,56%
0,037%
4,60%
Vijfheerenlanden
3,67%
0,060%
3,73%
Wijk bij Duurstede
1,60%
-0,016%
1,59%
Woerden
3,51%
0,011%
3,52%
Woudenberg
0,83%
0,008%
0,83%
Zeist
4,67%
-0,024%
4,65%
TOTAAL
100,00%
0,000%
100,00%
1 Met de herijking van het gemeentefonds heeft dit subcluster een nieuwe naam gekregen (voorheen ‘Brandweer en Rampenbestrijding’). De
maatstaven in dit subcluster zijn: aantal bedrijfsvestigingen, aantal kernen met minstens 500 adressen, lokale centrumfunctie, omgevingsadressendichtheid en aantal woonruimten. De weging per maatstaf is vastgesteld in de Rijkscirculaire. De maatstaven en weging worden vertaald naar ijkpuntscores per gemeente.
4
De ijkpuntscores leiden niet tot een verandering van de totale gemeentelijke bijdrage voor het gezamenlijk basistakenpakket (GBTP). De ijkpuntscores worden alleen gebruikt om de verdeling tussen de gemeenten onderling te berekenen. Op totaalniveau zorgt de bijstelling van de ijkpuntscores niet voor een verhoging of verlaging van de kosten. Per gemeente kunnen wel verschuivingen in de hoogte van de bijdrage plaatsvinden, afhankelijk van de ontwikkeling van de ijkpuntscores. Dit houdt in dat afwijkingen ten opzichte van de gemiddelde ontwikkeling van alle VRU-gemeenten een effect hebben op de hoogte van de individuele bijdrage per gemeente. Deze ontwikkeling staat in gelijke verhouding met de algemene uitkering die de gemeente ontvangt uit het gemeentefonds. De ontwikkeling van de maatstaven(2) per gemeente is apart weergegeven in tabel 1. De percentages van de ijkpuntscores werken niet een-op-een door in de wijziging van het GBTP, omdat we ook gebruik maken van een compensatiemechanisme binnen de verdeelsystematiek. Dit is mede van invloed op de hoogte van de bijdrage. In bijlage 1 zijn de bedragen opgenomen die de gemeenten ontvangen uit de algemene uitkering uit het gemeentefonds voor het onderdeel Crisisbeheersing en Brandweer voor de jaren 2024 tot en met 2026, zoals berekend in de septembercirculaires van het gemeentefonds.
2.2
Loonontwikkeling
We indexeren de gemeentelijke bijdrage volgens artikel 4.3 van de Gemeenschappelijke Regeling. De loonbijstelling volgt de algemene loonontwikkeling(3). De ontwikkeling van dit indexcijfer en de relatie met de reeds vastgestelde begroting 2025 is weergeven in tabel 2. Tabel 2: Ontwikkeling CPB indexcijfer 'Prijs overheidsconsumptie, beloning werknemers' Loonbijstelling 2025 Loonontwikkeling 2026 Jaar
Begroting 2025
Kaders 2025a
Bijstelling 2025a
Begroting MJR 2025
Kaders 2026
Raming 2026
2025 structureel 2025 incidenteel
5,4%
4,8%
-0,6%
5,4%
4,8%
-0,6%
-
-2,8%
-2,8%
-
-
0,0%
Subtotaal 2025
5,4%
2,0%
-3,4%
5,4%
4,8%
-0,6%
2026 structureel
-
-
0,0%
-
3,4%
3,4%
Subtotaal 2026
-
-
0,0%
-
3,4%
3,4%
5,4%
2,0%
-3,4%
5,4%
8,2%
2,8%
Totaal
2 zoals opgenomen in de huidige septembercirculaire 2024 ten opzichte van de septembercirculaire 2023 (die is gebruikt voor het opstellen van
de reeds vastgestelde begroting VRU 2025). 3 Bijdrageverordening, artikel 1: de loonontwikkeling conform de Collectieve Arbeidsregeling (CAR) en mutaties in de premieplichtigen van de werkgever op basis van wet CAR en rechtspositieregeling.
5
Voor de jaren 2025 en 2026 is een stelpost voor loonontwikkeling opgenomen, omdat het huidige cao-akkoord tot 1 augustus 2025 loopt en we de precieze omvang voor de periode daarna nog niet weten. Voor de cao vanaf 1 augustus 2025 en premieontwikkelingen vanaf 1 januari 2025 is in de vastgestelde begroting 2025 al een stelpost van 5,4% opgenomen die is gebaseerd op de CPBraming uit de septembercirculaire 2023. Deze stelpost is op basis van de CPB-raming voor de loonontwikkeling die het Rijk heeft gepubliceerd in de septembercirculaire 2024(4) nu met 0,6% verlaagd naar 4,8%. Omdat de huidige cao een looptijd kent tot 1 augustus 2025, wordt een deel van de stelpost nu pro rato afgeraamd. Dit leidt tot een incidenteel voordeel in de begroting 2025 van 2,8%. Voor 2026 is de loonontwikkeling door het Centraal Planbureau (CPB) op basis van de septembercirculaire 2024 geraamd op 3,4%. De stelpost voor loonontwikkeling verwerken we na vaststelling van de cao en premiebijdragen in de begroting. Daarna verrekenen we deze met de gemeentelijke bijdrage, waarbij we een eventueel overschot teruggeven aan gemeenten. In tabel 3 is het financiële effect van de verwachte loonontwikkeling op de bijdrage voor het gezamenlijk basistakenpakket (GBTP) opgenomen. Tabel 3: Financieel effect loonontwikkeling op gemeentelijke bijdrage GBTP Bedragen x € 1.000 Loonbijstelling 2025 Loonontwikkeling 2026 Jaar
Begroting 2025
Kaders 2025a
2025 structureel 2025 incidenteel
4.078
3.625
Subtotaal 2025
4.078
2026 structureel Subtotaal 2026 Totaal
2.3
Bijstelling 2025a
Begroting MJR 2025
Kaders 2026
Raming 2026
-453
4.078
3.625
-453
-2.309
-
-
-
3.625
-2.762
4.078
3.625
-453
-
-
-
2.810
2.810
-
-
-
-
2.810
2.810
4.078
3.625
-2.762
4.078
6.435
2.357
-
Prijsontwikkeling
Voor de prijsbijstelling van de prijsgevoelige budgetten hanteert de VRU de procentuele mutatie van het indexcijfer ‘Prijs bruto binnenlands product’ (pbbp) zoals het CPB heeft berekend(5). Dit staat beschreven in artikel 1 sub j van de Bijdrageverordening VRU. In aansluiting op de gegeven indices die het Rijk heeft opgenomen in de septembercirculaire voor het gemeentefonds, hebben wij de indexatie van specifiek de investeringsbudgetten gebaseerd op het (lagere) CPB indexcijfer ‘prijs bruto overheidsinvesteringen’ (iboi)(6).
4 Gepubliceerd in tabel 4.2.2 van de septembercirculaire 2024 waarbij Indexen CPB MEV 2025 (m.b.t. 2025) en CEP 2024 (m.b.t. 2026). 5 Prijsindexen CPB MEV 2025 (m.b.t. 2025) en CEP 2024 (m.b.t. 2023,2024,2026). 6 Voor het eerst gepubliceerd in tabel 4.2.2 van de septembercirculaire 2023 en 2024.
6
Jaarlijks vindt een correctie plaats op basis van de geactualiseerde cijfers over de voorliggende twee jaren ten opzichte van de begroting. Zo indexeren we nooit te veel of te weinig. De ontwikkeling van de prijsindexcijfers (pbbp en iboi) en de relatie met de vastgestelde begroting 2025 is weergeven in respectievelijk tabel 4 en 5. Tabel 4: Ontwikkeling CPB indexcijfer 'Prijs bruto binnenlands product (pbbp)' Prijsbijstelling algemene prijsgevoelige budgetten Jaar
Begroting 2025
Kaders 2025a
Kaders 2026
Bijstelling
2023
6,2%
7,7%
7,7%
1,5%
2024 2025
3,3%
4,0%
4,0%
0,7%
2,8%
2,7%
2,7%
-0,1%
Subtotaal 2025
12,3%
14,4%
14,4%
2,1%
2026
-
-
2,6%
2,6%
Subtotaal 2026
-
-
2,6%
2,6%
12,3%
14,4%
17,0%
4,7%
Totaal
Voor 2025 bedraagt de prijsbijstelling voor de algemene prijsgevoelige budgetten 2,1% en voor 2026 is de prijsontwikkeling op 2,6% geraamd. De cumulatieve prijsbijstelling voor de algemene prijsgevoelige budgetten komt vanaf 2026 daarmee op 4,7%. Tabel 5: Ontwikkeling CPB indexcijfer 'Prijs bruto overheidsinvesteringen (iboi)' Prijsbijstelling investeringsbudgetten Jaar
Begroting 2025
Kaders 2025a
Kaders 2026
Bijstelling
2024 2025
3,0%
3,0%
3,0%
0,0%
1,9%
2,3%
2,3%
0,4%
Subtotaal 2025
4,9%
5,3%
5,3%
0,4%
2026
-
-
2,2%
2,2%
Subtotaal 2026
-
-
2,2%
2,2%
4,9%
5,3%
7,5%
2,6%
Totaal
Voor 2025 bedraagt de prijsbijstelling voor de investeringsbudgetten 0,4% en voor 2026 is de prijsontwikkeling op 2,2% geraamd. De cumulatieve prijsbijstelling voor de investeringsbudgetten komt vanaf 2026 daarmee op 2,6%.
7
De gewogen prijsbijstelling voor alle prijsgevoelige budgetten komt daarmee op € 1,6% voor 2025 en 2,5% voor 2026. In tabel 6 is het financiële effect van de prijsaanpassing voor de prijsgevoelige budgetten en opgenomen. Tabel 6: Financieel effect prijsontwikkeling op gemeentelijke bijdrage GBTP Bedragen x € 1.000 Prijsbijstelling algemeen Jaar
Bijstelling (gewogen)
Kaders 2025a
Kaders 2026
Bijstelling
2023
1,0%
408
408
408
2024 2025
0,5%
191
191
191
0,1%
-27
-27
-27
Subtotaal 2025
1,6%
572
572
572
2026
2,5%
1.496
1.496
Subtotaal 2026
2,5%
-
1.496
1.496
Totaal
4,0%
572
2.068
2.068
2.4
FLO-overgangsrecht en tweede loopbaanbeleid
Het financiële kader van de lasten FLO-overgangsrecht bestaat uit een structurele en een incidentele component. Schommelingen in de kostenprognose worden geëgaliseerd via de bestemmingsreserve ‘Lasten FLO-overgangsrecht’. De actualisatie van de kostenprognose in 2024 is verwerkt in de kaders voor de meerjarenraming van de begroting 2026 en de geactualiseerde begroting van 2025. Op basis van de huidige inzichten en cao-afspraken over het FLOovergangsrecht zien we geen aanleiding het huidig meerjarig financiële kader bij te stellen. Dit betekent dat we de budgetten voor het FLO-overgangsrecht bij het opstellen van de kaders voor de begroting 2026 en geactualiseerde begroting 2025 nu alleen verhogen met de reguliere loon- en prijsaanpassing. In tabel 7 is de geactualiseerde meerjarenraming voor het FLOovergangsrecht weergegeven. Tabel 8 geeft een actueel inzicht in het financiële effect op de gemeentelijke bijdrage voor het gezamenlijk basistakenpakket (GBTP) voor het jaar 2025 en 2026.
8
Tabel 7: meerjarenraming FLO-overgangsrecht en tweede loopbaan 2025-2029 Bedragen x € 1.000
Meerjarenraming FLO overgangsrecht en tweede loopbaan
2025
2026
2027
2028
2029
3.010
3.010
3.010
3.010
3.010
241
241
241
241
241
3.250
3.250
3.250
3.250
3.250
3.156
3.346
3.346
3.346
3.346
pm
pm
pm
pm
pm
Lasten FLO-overgangsrecht & 2e loopbaan begroting 2025a en 2026
3.156
3.346
3.346
3.346
3.346
Mutatie structurele lasten FLO-overgangsrecht en tweede loopbaan
-95
95
95
95
95
Begroting 2025 Lasten FLO-overgangsrecht en tweede loopbaan Storting/ onttrekking reserves FLO Lasten FLO-overgangsrecht & 2e loopbaan begroting 2025 Begroting 2025a en 2026 Lasten FLO-overgangsrecht en tweede loopbaan Storting/ onttrekking reserves FLO
De actualisatie van de meerjarenraming leidt niet tot een mutatie van de gemeentelijke bijdrage. Begin 2025 wordt de kostenprognose voor de FLO nog geactualiseerd en als incidentele mutatie budgetneutraal verwerkt in de geactualiseerde begroting 2025 en ontwerpbegroting 2026. Tabel 8: Financieel effect mutatie lasten FLO-overgangsrecht Bedragen x € 1.000
FLO-overgangsrecht en tweede loopbaan
Financieel effect 2025a en 2026 Begroting 2025
Kaders 2025a
Kaders 2026
3.250
3.250
3.250
-
3.156
3.346
Mutatie lasten FLO-overgangsrecht en tweede loopbaan
-
-95
95
Correctie loon- en prijsaanpassing *
-
95
-95
Totaal effect
-
-
-
FLO-overgangsrecht & 2e loopbaan begroting 2025 FLO-overgangsrecht & 2e loopbaan kaders 2025a en 2026
*De loon- en prijsaanpassing met betrekking tot de FLO-lasten is onderdeel van de totale loon- en prijsaanpassing (zie paragraaf 2.2 en 2.3). Om dubbeltelling te voorkomen is een correctie toegepast.
9
2.5
Brede doeluitkering Rampenbestrijding
De hoogte van de rijksbijdrage ‘Brede Doeluitkering Rampenbestrijding’ (BDuR) bedraagt voor 2025 € 402K meer dan opgenomen in de vastgestelde begroting 2025. Dit betreft met name de doorwerking van de indexering voor loon- en prijsontwikkelingen van de rijksbijdrage BDuR voor 2024 ten opzichte van de stelpost van € 225K die wij hiervoor in de begroting hadden opgenomen. Deze extra inkomst wordt in mindering gebracht op de bijdrage van de gemeenten voor het GBTP voor 2025. De indexering van de BDuR 2025 en 2026 is nog niet bekend en hebben we daarom via een stelpost ingeschat. De stelpost voor 2025 blijft gelijk ten opzichte van de vastgestelde begroting 2025 (225K). Voor 2026 is eveneens een stelpost opgenomen voor een bedrag van 225K. De stelposten worden verrekend met de toekenning van de loon- en prijsbijstelling BDuR 2025 en BDuR 2026 die we respectievelijk in juni 2025 en juni 2026 van het Rijk verwachten. In tabel 9 is de bijstelling van de BDuR voor 2025 en 2026 en het financiële effect op de gemeentelijke bijdrage voor het basistakenpakket weergegeven. Tabel 9: financieel effect mutatie BDuR Bedragen x € 1.000 Bijstelling BDuR 2025 Jaar
Bijstelling BDuR 2026
Begroting 2025
Kaders 2025a
Bijstelling 2025a
Begroting MJR 2025
Kaders 2026
Raming 2026
2025 structureel 2025 incidenteel
-225
-225
-
-225
-225
-
-
-402
-402
-
-
-
Subtotaal 2025
-225
-627
-402
-225
-225
-
2026 structureel
-
-
-
-225
-225
Subtotaal 2026
-
-
-
-
-225
-225
-225
-627
-402
-225
-450
-225
Totaal effect
De voordelige bijstelling voor 2025 (€ 0,4 miljoen) is incidenteel verwerkt, omdat door de uitwerking van het hoofdlijnenakkoord een nieuw risico is ontstaan dat mogelijk nadelige gevolgen heeft voor de omvang van de BDuR met ingang van 2026. Dit risico is beschreven in hoofdstuk 4 (§4.4).
10
2.6
Samenvatting mutaties GBTP financieel kader
Tabel 10: effect financieel kader op gemeentelijke bijdrage GBTP Bedragen x € 1.000
Mutaties financieel kader 2025a en 2026
Bijstelling ijkpuntscores gemeentefonds 2025a*
Structureel 2025a
Incidenteel 2025a
Totaal 2025a
Structureel 2026
Incidenteel 2026
Totaal 2026
-
-
-
-
-
-
Loonaanpassing 2025a
-453
-2.309
-2.762
-453
-
-453
Prijsaanpassing 2025a
572
-
572
572
-
572
Lasten FLO-overgangsrecht 2025a
-
-
-
-
-
-
Brede doeluitkering Rampenbestrijding 2025a
-
-402
-402
-
-
-
119
-2.711
-2.592
119
-
119
Bijstelling ijkpuntscores gemeentefonds 2026*
-
-
-
-
-
-
Loonaanpassing 2026
-
-
-
2.810
-
2.810
Prijsaanpassing 2026
-
-
-
1.496
-
1.496
Lasten FLO-overgangsrecht 2026
-
-
-
-
-
-
Brede doeluitkering Rampenbestrijding 2026
-
-
-
-225
-
-225
Subtotaal mutatie bijdrage GBTP 2026
-
-
-
4.081
-
4.081
119
-2.711
-2.592
4.200
-
4.200
Subtotaal mutatie bijdrage GBTP 2025a
Totaal mutatie bijdrage GBTP
*De bijstelling van de ijkpuntscores leidt alleen tot onderlinge verschuivingen tussen de bijdragen van gemeenten.
De gemeentelijke bijdrage voor het gezamenlijk basistakenpakket (GBTP) wordt op basis van bijstelling van het financieel kader voor het jaar 2025 verlaagd met 2,6 miljoen en voor 2026 structureel verhoogd met € 4,2 miljoen.
11
3 Ontwikkelingen 3.1
Toekomstscenario’s
Onze regio heeft de afgelopen jaren een aanzienlijke groei doorgemaakt en blijft zich verder ontwikkelen7. Tegelijkertijd worden de risico’s waarmee we te maken hebben steeds groter en complexer. Deze groei heeft tot op heden niet geleid tot een hogere bijdrage aan de veiligheidsregio; zijn we erin geslaagd om dankzij schaalvoordelen, voortdurende verbeteringen en slimme samenwerkingen steeds meer te doen met dezelfde of minder middelen. Onze organisatie wordt steeds vaker en langduriger ingezet, met name bij crises, terwijl wettelijke verplichtingen en veiligheidseisen toenemen. Daarnaast staan we voor grote uitdagingen door technologische en maatschappelijke veranderingen, krapte op de arbeidsmarkt, hoge inflatie, lange levertijden voor materieel en nieuwe risico’s zoals netcongestie, klimaatverandering, verduurzaming en geopolitieke spanningen. De centrale vraag is: hoe kan de veiligheidsregio in de toekomst meegroeien met de toenemende risico’s en veranderende behoeften van onze gemeenten, en tegelijkertijd rekening houden met de financiële draagkracht van de gemeenten? Om onze taken te blijven uitvoeren en te anticiperen op nieuwe uitdagingen, zijn investeringen noodzakelijk. Sommige risico’s vragen nu en in de toekomst om een intensievere of andere aanpak. Na jaren van bezuinigen zijn de mogelijkheden om dit binnen de huidige begroting te realiseren beperkt.
Veel ontwikkelingen zijn opgevangen binnen de begroting, zoals recent € 1 miljoen aan weggevallen opbrengsten uit het openbaar meldsysteem. Dit werd mogelijk door overhead te verlagen, onder andere door een kleinere topstructuur. Zo konden we bezuinigingen op primaire taken voorkomen. Wij zijn de veiligheidsregio met de meeste inwoners en vrijwilligers. Wij zijn trots op de sterke lokale betrokkenheid van al onze brandweervrijwilligers en koesteren het huidige stelsel van vrijwilligheid. We hechten grote waarde aan onze vrijwilligers, beroepskrachten en het fijnmazige netwerk van brandweerposten. Hiermee is de brandweerzorg niet alleen robuust, maar ook efficiënt georganiseerd. Uit een benchmark van Berenschot blijkt dat we ten aanzien van de repressieve brandweerzorg de op één na laagste personeelskosten per inwoner hebben. Bovendien kunnen brandweerposten in de toekomst functioneren als informatie- en ondersteuningspunten (resilience points) tijdens crises, waarmee ze bijdragen aan een weerbare samenleving. Financiële uitdaging van gemeenten De gemeenten staan financieel onder druk door een verwachte daling van de inkomsten uit het gemeentefonds ('ravijnjaar'). Dit dwingt veel gemeenten tot bezuinigingen. Verschillende gemeenten hebben dan ook in hun zienswijze op de begroting 2025 gevraagd om rekening te
7 10% groei in de afgelopen 10 jaar en de komende periode tot 2040 wordt opnieuw een minimale groei verwacht van 10%.
12
houden met de financiële situatie van de gemeenten door de stijging van de gemeentelijke bijdrage te beperken of om besparingsopties in kaart te brengen. Uitwerking toekomstscenario’s In de afgelopen periode zijn toekomstscenario’s ontwikkeld om de benodigde investeringen en besparingsopties in kaart te brengen. De toekomstscenario’s zijn ambtelijk opgesteld. In de uitwerking van de toekomstscenario’s zijn we transparant in wat er benodigd is en het laat de huidige kwetsbaarheden in onze organisatie zien. We willen in de toekomst financieel scherp aan de wind blijven zeilen, maar ook voorspelbaar zijn in wat we doen. Hierin maken we onderscheid tussen: • Scenario ‘op orde’: Investeringen om huidige taken te blijven uitvoeren. • Scenario ‘op koers’: Extra investeringen om de bestuursagenda 2024-2027 uit te voeren. Waar mogelijk zijn besparingsopties gekoppeld aan investeringen om de stijging van de gemeentelijke bijdrage zo veel mogelijk te beperken. Het algemeen bestuur heeft besloten meer tijd te nemen voor de bespreking en onderbouwing van de voorliggende scenario’s. Daarnaast heeft het bestuur opdracht gegeven een aanvullend scenario te ontwikkelen dat zich richt op een beperktere stijging van de gemeentelijke bijdrage, met als doel de nullijn de komende jaren zoveel mogelijk te handhaven.
Aangezien investeringen door externe factoren onvermijdelijk zijn, zal dit scenario ingrijpende voorstellen bevatten die impact hebben op de primaire taken van de VRU. In dit kader is het onvermijdelijk om ook het dekkingsplan voor de brandweerzorg te heroverwegen. Daarnaast worden in de komende periode de volgende onderzoeken uitgevoerd op verzoek van het algemeen bestuur: • Onderzoek naar de toekomstbestendigheid van de waterongevallenbestrijding. • Analyse naar de maatschappelijke en financiële kosten en baten van de AED-taak. • Verkenning doorbelasten dienstverlening ambulancezorg. • Verkenning doorbelasten dienstverlening liftopsluitingen. • Verkennen samenwerkingsmogelijkheden. Een uitgebreide omschrijving van de bestuurlijke opdrachten zijn opgenomen in de bijlage. Voor de bespreking van de bestuurlijk richtinggevende keuzes uit de toekomstscenario’s en de bestuurlijke opdrachten wordt een planning opgesteld voor 2025. De eerste bespreking in het algemeen bestuur zal plaatsvinden op 24 maart 2025, wanneer de ontwerpbegroting voor 2026 wordt behandeld. In afwachting van de verdere bespreking van de toekomstscenario’s is in de voorliggende kadernota 2026 geen verhoging van de gemeentelijke bijdrage opgenomen op basis van deze scenario’s.
13
4 Risico’s In de volgende tabel zijn de belangrijkste financiële risico’s weergegeven, voor zover bekend ten tijde van het opstellen van de kadernota VRU 2026. Daarbij is een analyse gemaakt van de omvang en de kans dat het risico zich voordoet. De risico’s worden vervolgens nader toegelicht. Bedragen x € 1.000
Nr. Benodigde weerstandscapaciteit
4.1 4.2
Omgevingswet Vrijwilligheid brandweerpersoneel
4.3
Overeenkomsten van opdracht voor eigen personeel (OVO's)
4.4
Rijksbijdrage (BDuR)
4.5 4.6
CAO Regeling voor vervroegd uittreden (RVU) Overige (onvoorziene) exploitatierisico's Totaal
Effect
Kans
Bedrag risico
200-500 3.084
50%
175
25%
771
560
50%
280
1.490
75%
718
100
50%
50 615 2.608
Onze benodigde weerstandscapaciteit wordt periodiek geëvalueerd en geactualiseerd aan de hand van de (financiële) risico’s waarmee de VRU wordt geconfronteerd. Uit de recente risicoinventarisatie blijkt dat de risico’s zijn toegenomen, wat resulteert in een grotere behoefte aan weerstandscapaciteit (€ 2,6 miljoen). Een belangrijke factor hierbij is het risico op een korting van 10% op de rijksbijdrage (BDuR) vanaf 2026. Daarnaast is het bestaande risico met betrekking tot de vrijwilligheid (verplichtend karakter) nader gekwantificeerd. Deze ontwikkelingen tonen aan dat het huidige weerstandsvermogen van € 1,4 miljoen ontoereikend is om de risico’s volledig af te dekken. Om het weerstandsvermogen op het gewenste niveau te brengen, is een storting van € 1,2 miljoen noodzakelijk. Begin 2025 wordt opnieuw een actualisatie uitgevoerd die vervolgens wordt verwerkt in de risicoparagraaf van de jaarstukken 2024 en ontwerpbegroting 2025a/2026. Bij de resultaatbestemming over 2024 zal worden bepaald welk bedrag in de algemene reserve moet worden gestort, in lijn met de voorschriften van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV).
4.1
Omgevingswet
De Omgevingswet is per 1 januari 2024 ingevoerd. Het Rijk en de bestuurlijke partners hebben afspraken gemaakt over het monitoren en evalueren van de financiële gevolgen van de stelselherziening Omgevingsrecht. De inzet is dat de wet budgetneutraal wordt ingevoerd, waarbij de minister heeft afgesproken op zoek te gaan naar oplossingen als uit de financiële evaluatie blijkt dat de invoeringskosten substantieel hoger zijn dan eerder voorzien. Om de financiële gevolgen na invoering van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging bouwen (Wkb) te kunnen volgen heeft onderzoeksbureau Cebeon een landelijk monitoringsmodel ontwikkeld. In
14
2020 heeft Cebeon in opdracht van het NIPV al onderzoek gedaan naar de verwachte structurele meerkosten voor veiligheidsregio’s als gevolg van de stelselherziening Omgevingsrecht. Deze stelselherziening omvat zowel de Omgevingswet als de Wkb. De veiligheidsregio’s hebben geen extra middelen gekregen vanuit de rijksoverheid voor de structurele gevolgen van de stelselherziening. Toelichting effect en kans De structurele kosten voor de VRU worden geschat op € 0,2 tot 0,5 miljoen. Deze kosten hebben met name betrekking op personeelskosten. Enerzijds door een nieuw type advies over de omgevingsvisie, -plannen en programma’s (kerninstrumenten). Anderzijds zullen de kosten per advies stijgen, door toename van de tijdsbesteding aan meer complexe aanvragen en processen en doordat het benodigde kennisniveau (en daarmee de inschaling) van de medewerkers omhoog moet om deze complexe aanvragen te behandelen. De kans dat dit risico zich voordoet in 2025 is ingeschat op gemiddeld (50%). Uitgangspunt blijft dat de (structurele) meerkosten worden vergoed door het Rijk. De dekking van de incidentele kosten als gevolg van de invoering van de omgevingswet wordt gezocht binnen de kaders van de begroting van de VRU met mogelijk de inzet van de ontwikkel- en egalisatiereserve. De incidentele kosten maken derhalve geen deel uit van de risicoparagraaf.
4.2
Vrijwilligheid brandweerpersoneel
Het huidige brandweerstelsel is gebaseerd op een combinatie van vrijwillige en beroepsbrandweer, waarbij alle brandweermensen dezelfde taak- en opleidingsvereisten hebben. Vooral de kazernering en consignatie van vrijwilligers blijken echter strijdig met de Europese wetgeving (deeltijdrichtlijn). Volgens juridische experts ontstaat er een 'verplichtend karakter' wanneer vrijwilligers tegen een vergoeding in een gepland rooster werken (kazernering) of beschikbaar zijn (consignatie), waardoor ze aanspraak kunnen maken op dezelfde rechten als werknemers in loondienst. Dit omvat onder meer dezelfde uurlonen, pensioenopbouw en vakantiedagen. Binnen onze regio wordt op een aantal plaatsen gewerkt met roosters, piketten en kazernering van vrijwilligers. In 2022 heeft een inventarisatie plaatsgevonden om de omvang voor de VRU in kaart te brengen. Dit leverde het volgende beeld op: • 141 gekazerneerde vrijwilligers. • 441 geconsigneerde vrijwilligers en 43 vrijwillige piketfunctionarissen. Er vindt op landelijk niveau overleg plaats over een implementatieplan en de voorwaarden voor invoering, inclusief mogelijke aanpassing van de arbeidstijdenwetgeving en aanvullende financiële middelen. Kazernering vrijwilligers Bij kazernering verblijven vrijwilligers tijdens een ingeroosterde dienst op een brandweerpost. Dit kunnen zij doen naast hun reguliere vrijwillige taken.
Voor deze gekazerneerde diensten ontvangen zij een vergoeding op basis van hun vrijwilligersaanstelling. In Zeist, bijvoorbeeld, worden vrijwilligers gekazerneerd in de avond en nacht. Als dit door Europese regelgeving zou
15
moeten worden omgezet naar een 24-uursdienst, bedragen de meerkosten naar verwachting € 3,1 miljoen per jaar. Naast de kazernering in Zeist kunnen vrijwilligers ook via een poolregeling 24-uursdiensten draaien op beroepsposten. Dit vult roostertekorten aan en voorkomt inhuur of het buiten dienst zetten van voertuigen op beroepsposten. Consignatie vrijwilligers Bij consignatie ontvangt een vrijwilliger een vergoeding om beschikbaar te zijn voor uitrukken, met een rooster dat opkomst garandeert. De huidige kosten voor deze beschikbaarheidsvergoedingen bedragen circa € 1,5 miljoen per jaar. Als dit in de vorm van een parttime aanstelling zou worden georganiseerd, zouden de kosten naar schatting vier keer hoger uitvallen, van € 1,5 naar € 6 miljoen. Met het wegvallen van de huidige vergoedingen (€ 1,5 miljoen) zouden de meerkosten circa € 4,5 miljoen per jaar bedragen. Dit bedrag is indicatief en afhankelijk van de precieze organisatievorm en de keuze om wel of niet te eisen dat de opkomst bij een vrijwilligerspost (op basis van vrije instroom) gegarandeerd is. Vergoeding eventuele meerkosten door het Rijk De VRU is van mening dat de huidige werkwijze moet worden voortgezet totdat er landelijk besluitvorming plaatsvindt over de bouwsteen ‘verplichtend karakter’ en de financiering hiervan door het Rijk.
Omdat het Rijk verantwoordelijk is voor het brandweer- en crisisbeheerstelsel, zouden wijzigingen hierin ook door het Rijk gefinancierd moeten worden. Toelichting kans en effect Ondertussen blijft het risico bestaan dat op grond van de Europese regelgeving aanspraak wordt gemaakt op de deeltijdrichtlijn. De omvang van het risico wordt ingeschat op € 3,1 miljoen per jaar (meerkosten omzetting naar 24-uursdienst).
4.3
Overeenkomst van opdracht voor eigen personeel (OVO’s)
Een deel van de instructiewerkzaamheden wordt op basis van een overeenkomst van opdracht (OvO) uitgevoerd. Ditzelfde geldt voor een beperkt aantal andere taken. De OvO’s worden meestal verstrekt aan VRU-medewerkers, die deze werkzaamheden vervullen naast hun reguliere werkzaamheden. Gelet op de aard en de omstandigheden van de werkzaamheden bestaat het risico dat er - ondanks de toepassing van de modelovereenkomst (inhuur) - feitelijke sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking. Dit kan arbeidsvoorwaardelijke en fiscale consequenties hebben(8). Uitgevoerde beoordelingen (beoordeling arbeidsrelatie externe inhuur) voor de instructiewerkzaamheden wijzen op een (fictieve) dienstbetrekking. Dit geldt in het bijzonder voor OvO’s die worden verstrekt aan eigen personeel. Mede om die reden is in 2021 en 2022 geprobeerd om de OvO’s voor eigen medewerkers af te bouwen. Er is onderzocht of er een wijze van verloning mogelijk is die past binnen de fiscale kaders, onze budgettaire ruimte en de arbeidsjuridische context. Helaas blijkt geen van de onderzochte mogelijkheden in de praktijk te matchen met het bijzondere karakter die onze vakbekwaamheid en daarmee uiteindelijk onze
8 in het geval van een dienstbetrekking moet de werkgever loonheffingen en premies inhouden en afdragen. Daarnaast moet de werkgever loon
doorbetalen bij ziekte en vakantie en zijn de arbeidsvoorwaarden van toepassing (zoals opbouw IKB en specifieke regels bij ontslag) en moet worden voldaan aan de arbeidstijdenwet.
16
repressieve paraatheid vraagt. De werkwijze met OvO’s wordt ook gehanteerd bij andere veiligheidsregio’s. In dit licht is besloten om te werken naar een landelijke oplossing die aansluit op de ophanden zijnde ontwikkelingen in het landelijke brandweeronderwijs en de uitkomsten van de onderzoeken rond de mogelijke impact van de zaken rond het verplichtend karakter (vrijwilligheid). In de tussentijd blijft het nodig om een deel van de werkzaamheden op basis van een OvO door eigen medewerkers te laten verrichten, waarmee de arbeidsvoorwaardelijke en fiscale risico’s blijven bestaan. Toelichting effect en kans Voor het berekenen van de extra werkgeverslasten zoals loonheffing en aanvullende werkgeverslasten is een opslagpercentage van ruim 50% toegepast op het budget dat nu nodig is voor de instructiewerkzaamheden die op basis van een overeenkomst van opdracht worden uitgevoerd. Tot op heden was het fiscale risico beperkt door het zogenaamde handhavingsmoratorium op de van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA). Het kabinet heeft echter op 6 september 2024 in een brief aan de Eerste - en Tweede Kamer aangekondigd dat het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025 wordt afgeschaft.
Dit betekent dat de Belastingdienst vanaf die datum zal gaan handhaven op schijnzelfstandigheid en weer met terugwerkende kracht correctieverplichtingen, naheffingsaanslagen en boetes kan opleggen. De kans dat dit risico zich voordoet in 2025 is nu ingeschat op 50%.
4.4
Rijksbijdrage (BDuR)
In het Hoofdlijnenakkoord van het nieuwe kabinet is afgesproken dat per 2026 een groot deel van de specifieke uitkeringen wordt overgeheveld naar het gemeentefonds, waarbij een korting van 10% wordt toegepast. De rijksbijdrage (Brede Doeluitkering Rampenbestrijding, BDuR) is daar – per abuis – ook onder geschaard. Hiermee zou een einde komen aan de hybride financiering van de veiligheidsregio’s (gemeenten en rijk). Het idee achter de korting is dat een besparing kan worden gerealiseerd op de verantwoordingslast. Bij de rijksbijdrage is dit nagenoeg niet aan de orde, omdat dit bedrag in één keer als ontvangst wordt verantwoord via de ‘Single information Single audit (SiSa)’-systematiek, waardoor de verantwoordingslasten minimaal zijn. De voorzitter van het Veiligheidsberaad heeft in juli jl. een brief over de BDuR-problematiek gestuurd naar de minister van Justitie en Veiligheid. In augustus heeft een gesprek plaatsgevonden tussen minister Van Weel, staatssecretaris Coenradie en vertegenwoordigers van het veiligheidsberaad. De minister heeft in dit gesprek bevestigd dat de afschaffing van de BDuR als specifieke regeling een onbedoeld effect is van het hoofdlijnenakkoord. De minister heeft toegezegd zich te zullen inzetten voor een oplossing. Door het Veiligheidsberaad is in oktober een brief gestuurd naar de Tweede kamer om aandacht te vragen voor dit onderwerp.
Inmiddels heeft het kabinet besloten dat de BDuR blijft bestaan als specifieke uitkering en daarmee niet wordt overgeheveld naar het gemeentefonds. De korting van 10% is nog niet van de baan. De inzet van het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) is om in de voorjaarsnota 2025 duidelijkheid te geven hoe dit zal gaan uitwerken. Voor nu staat de korting vanaf 2026 verwerkt in de JenVbegroting.
17
De BDuR voor de VRU in 2026 is begroot op € 14,9 miljoen. Dit is inclusief de verhoging van de rijksbijdrage voor de versterking van de crisisbeheersing. De omvang van het eventuele effect/risico voor de VRU is nu gebaseerd op de korting van 10% die het Rijk heeft ingeboekt per 2026. De voordelige bijstelling als gevolg van de loon- en prijsbijstelling van de BDuR voor 2025 (€ 0,4 miljoen) is incidenteel verwerkt. Dit betekent dat wij het structureel voordeel van de loonen prijsbijstelling met ingang van 2026 nog kunnen inzetten voor afdekking van het risico van de korting van 10% op de BDuR. Hiermee resteert een risico van € 0,7 miljoen. Toelichting effect en kans Vooralsnog wordt het mogelijke effect ingeschat op 10% (aangekondigde efficiencykorting) van de rijksbijdrage, waarbij sprake is van een hoog risico. Bij het opstellen van de ontwerpbegroting 2026 wordt dit risico opnieuw beoordeeld op basis van volgende berichtgeving en besluitvorming door het Rijk.
4.5
CAO Regeling voor vervroegd uittreden (RVU)
In de huidige CAO is een tijdelijke regeling voor vervroegd uittreden (RVU) opgenomen. Medewerkers die voor 1 januari 2029 de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, kunnen op basis van deze regeling eerder met pensioen te gaan. De VRU keert vervolgens een maandelijks bedrag uit totdat de medewerker de AOW-leeftijd heeft bereikt. Het financieel effect van de tijdelijke Regeling voor Vervroegd Uittreden (RVU) is persoonsgebonden en daarmee maatwerk. Dit betekent dat we hiervoor geen budget in de begroting 2025 hebben opgenomen. Bij de jaarafsluiting wordt bepaald welk bedrag in de RVU-voorziening moet zijn opgenomen om aan de betalingsverplichting te kunnen voldoen. De afspraak over deelname aan de RVU wordt, op basis van deze tijdelijke regeling, uiterlijk op 31 december 2025 vastgelegd. Toelichting effect en kans Voor 2025 is een inschatting gemaakt van het bedrag dat nodig is voor medewerkers die gebruik kunnen maken van deze regeling. De kans dat dit risico zich voordoet in 2025 is ingeschat op gemiddeld (50%). Bij het opstellen van de jaarrekening 2024 en geactualiseerde begroting 2025 wordt dit risico weer opnieuw beoordeeld en opgenomen in de risicoparagraaf.
4.6
Overige onvoorziene exploitatierisico’s
De veiligheidsregio kan worden geconfronteerd met onvoorziene kosten binnen het begrotingsjaar als gevolg van exogene ontwikkelingen (zoals premiestijgingen, claims, kostenfluctuaties die samenhangen met incidenten en crises). In de begroting van de VRU zijn geen posten voor onvoorziene uitgaven opgenomen.
18
Toelichting effect en kans Als dit risico zich voordoet, zal bijsturing plaatsvinden via de begroting. Het geraamde risico gaat ervan uit dat het maximaal een jaar duurt voordat de maatregelen zijn geëffectueerd. Het geraamde risico wordt ingeschat op 0,5% van de totale kosten (exclusief dotatie reserves).
19
5 Gemeentelijke bijdrage GBTP 2025 & 2026 In de onderstaande tabel is de ontwikkeling van de gemeentelijke bijdrage voor het gezamenlijk basistakenpakket (GBTP) in 2025 en 2026 per gemeente opgenomen op basis van de mutaties in het financiële kader (zie hoofdstuk 2). Tabel 3: Ontwikkeling gemeentelijke bijdrage GBTP 2025 → 2025a → 2026 Gemeente
Bijdrage GBTP begroting VRU 2025
Bijstelling ijkpuntscores gemeentefonds (§ 2.1)
Loonbijstelling 2025a (§ 2.2)
Incidentele loonbijstelling 2025a (§ 2.2)
Prijsbijstelling 2025a (§ 2.3)
Incidentele bijstelling BDuR (§ 2.5)
Bijdrage GBTP begroting VRU 2025a
Incidentele bijstelling 2025a (§ 2.2)
Stelpost loonontwikkeling 2026 (§ 2.2)
Prijsbijstelling 2026 (§ 2.3)
Stelpost loon-/ prijsbijstelling BDuR (§ 2.5)
Bijdrage GBTP begroting VRU 2026
Amersfoort
12.008
-2
-52
-263
65
-46
11.711
309
321
171
-26
12.486
Baarn
1.978
-3
-8
-43
11
-7
1.927
50
52
28
-4
2.053
Bunnik
1.164
-6
-5
-25
6
-4
1.130
29
30
16
-2
1.202
Bunschoten
1.384
1
-6
-30
7
-5
1.351
35
36
19
-3
1.439
De Bilt
3.350
-29
-14
-70
17
-12
3.242
82
85
45
-7
3.448
De Ronde Venen
3.278
-3
-14
-69
17
-12
3.196
81
84
45
-7
3.400
Eemnes
699
12
-3
-15
4
-3
694
18
18
10
-1
738
Houten
2.990
-15
-14
-73
18
-13
2.894
85
89
47
-7
3.108
IJsselstein
2.128
-7
-10
-50
12
-9
2.065
58
60
32
-5
2.211
Leusden
2.102
-20
-9
-46
11
-8
2.031
54
56
30
-4
2.165
Lopik
963
-9
-4
-20
5
-3
933
23
24
13
-2
991
Montfoort
971
-11
-4
-20
5
-3
938
23
24
13
-2
997
Nieuwegein
4.555
2
-20
-102
25
-18
4.442
120
125
66
-10
4.743
Oudewater
726
-0
-3
-15
4
-3
708
18
19
10
-1
753
Renswoude
406
-5
-2
-8
2
-1
392
10
10
5
-1
416
Rhenen
1.421
-95
-6
-29
7
-5
1.294
34
35
19
-3
1.378
Soest
3.370
-11
-14
-73
18
-13
3.278
85
88
47
-7
3.492
Stichtse Vecht
4.858
-26
-20
-102
25
-18
4.718
119
124
66
-10
5.017
Utrecht
33.553
133
-145
-739
183
-129
32.856
868
900
479
-72
35.031
Utrechtse Heuvelrug
3.877
19
-16
-81
20
-14
3.805
95
99
53
-8
4.044
Veenendaal
3.998
39
-21
-106
26
-18
3.917
125
129
69
-10
4.229
Vijfheerenlanden
4.074
60
-17
-86
21
-15
4.037
101
105
56
-8
4.291
Wijk bij Duurstede
1.773
-18
-7
-37
9
-6
1.713
43
45
24
-4
1.821
Woerden
3.732
11
-16
-81
20
-14
3.652
95
99
53
-8
3.891
902
8
-4
-19
5
-3
888
23
23
12
-2
945
Zeist
4.955
-25
-21
-107
27
-19
4.809
126
131
70
-10
5.125
Totaal
105.214
-
-453
-2.309
572
-402
102.622
2.711
2.810
1.496
-225
109.414
Woudenberg
20
6 Gemeentelijke vergoeding IGPP 2025 & 2026 Tabel 3: Ontwikkeling gemeentelijke vergoeding IGPP 2025 → 2025a → 2026(9) Bedragen x € 1.000
Gemeente
Vergoeding IGPP Mutatie TUO Vergoeding IGPP Mutatie TUO Vergoeding IGPP begroting VRU incl. loon- & prijskaders VRU incl. loon- & prijs- kadernota VRU 2025 aanpassing 2025 2025a aanpassing 2026 2026
Amersfoort
466
pm
466
13
479
Baarn
32
pm
32
1
33
Bunnik
-
pm
-
-
-
24
pm
24
1
25
De Bilt
-
pm
-
-
-
De Ronde Venen
-
pm
-
-
-
Eemnes
20
pm
20
1
21
Houten
57
pm
57
-5
52
IJsselstein
18
pm
18
0
18
Leusden
116
pm
116
3
119
Lopik
-
pm
-
-
-
Montfoort
-
pm
-
-
-
Nieuwegein
-
pm
-
-
-
Oudewater
23
pm
23
1
24
Renswoude
-
pm
-
-
-
Rhenen
-
pm
-
-
-
Soest
66
pm
66
2
68
Stichtse Vecht
195
pm
195
5
200
Utrecht
567
pm
567
16
583
Utrechtse Heuvelrug
98
pm
98
-5
93
Veenendaal
70
pm
70
2
73
Vijfheerenlanden
167
pm
167
-17
150
Wijk bij Duurstede
11
pm
11
0
12
Woerden
220
pm
220
6
226
Bunschoten
Woudenberg
-
pm
-
-
-
Zeist *
366
pm
366
10
376
Totaal
2.517
-
2.517
35
2.551
9 In 2025 is een pm post opgenomen, omdat we bij het opstellen van de geactualiseerde begroting 2025 opnieuw gaan beoordelen en
berekenen welk deel aan overhead mag worden toegerekend aan het maatwerk. Dit houdt verband met de notitie van de commissie BBV die van toepassing is vanaf de begroting 2025. Ook de actuele CAO en premies voor 2025 en de meest recente TUO-afspraken worden dan verwerkt. Dit betekent dat ook het structurele beeld iets kan wijzigen. De mutatie die in deze kadernota voor 2026 is opgenomen komt voort uit de loon- en prijsbijstelling 2026 (zie paragraaf 2.2 en 2.3). Voor de gemeente Houten en Utrechtse Heuvelrug is de afname in 2026 het gevolg van de afnemende rentecomponent voor kapitaallasten. Bij de gemeente Vijfheerenlanden is de afname het gevolg van een mutatie in de TUO.
21
Bijlage 1 – Bestuurlijke opdrachten Tijdens de bestuursconferentie zijn vijf onderwerpen benoemd om nader uit te werken als bestuurlijke opdracht. Dit betreft de volgende bestuurlijke opdrachten: a) Onderzoek naar de toekomstbestendigheid van de waterongevallenbestrijding Het algemeen bestuur vraagt om scenario's op te stellen voor de toekomst van de waterongevallenbestrijdingorganisatie. Hierbij worden de volgende uitgangspunten meegegeven: • de hulpverlener is uitgerust om veilig op te kunnen treden volgens geldende regels (arbeidsveiligheid, materieel, vakbekwaamheid, belastbaarheid van onze medewerkers/vrijwilligers en nieuwe technologische ontwikkelingen); • de wijze waarop de hulpverlening georganiseerd is, is gewogen op veiligheid, haalbaarheid, redelijkheid en betaalbaarheid (dit i.v.m. financiële situatie gemeenten). b) Analyse naar de maatschappelijke en financiële kosten en baten van de AED-taak Het algemeen bestuur vraagt om een beknopte analyse te verrichten naar de maatschappelijke en financiële kosten en baten van de AED-taak door de brandweer. Bij de uitwerking van deze bestuurlijke opdracht ligt de vraag voor wat het algemeen bestuur nodig heeft om de afweging over het continueren van de AED-taak te kunnen maken. Voorgesteld wordt om een beknopte analyse uit te voeren.
De beknopte analyse is gericht op het in beeld brengen van ontwikkelingen die niet eerder onderdeel zijn geweest bij de analyse AED-taak. In deze analyse staan de volgende onderdelen centraal: • Aanleiding en context. • Relatie AED-taak en voorkomendheid PTSS bij brandweermedewerkers. • Ontwikkeling burgerhulpverlening in de provincie Utrecht. • Scenario’s toekomstige uitvoering taak, inclusief best practices uit andere veiligheidsregio’s. Als het bestuur behoefte heeft aan een meer uitgebreide analyse, dan kunnen de volgende elementen worden toegevoegd: • Maatschappelijke kosten en baten. • Financiële kosten en baten. • Belevingsonderzoek brandweermedewerkers. De uitgebreide analyse komt overeen met de analyse die tussentijds reeds twee keer is verricht. Aangezien op deze onderdelen geen nieuwe uitkomsten worden verwacht, wordt voorgesteld de analyse van de AED-taak te beperken. c) Verkenning doorbelasten dienstverlening ambulancezorg
22
Het algemeen bestuur vraagt om de mogelijkheden te verkennen voor het doorbelasten van de kosten voor tilassistentie en af- en inhijsingen. Onderzocht wordt of en zo ja, op welke wijze de kosten in rekeningen kunnen worden gebracht bij de ambulancedienst/zorgverzekeraars. Bij de uitvoering van deze bestuurlijke opdracht worden de volgende onderdelen meegenomen: • Juridische context taak. • Financiële kosten- en batenanalyse. • Maatschappelijke kosten- en batenanalyse. • Scenario’s doorbelasten kosten aan zorgverzekeraars, inclusief best practices uit veiligheidsregio’s. • Voorstel voor een toekomstbestendige werkwijze voor het doorbelasten van kosten aan zorgverzekeraars. d) Verkenning doorbelasten dienstverlening liftopsluitingen Het algemeen bestuur vraagt te verkennen of en hoe de kosten voor het bevrijden van personen uit liften - in situaties waarbij er geen sprake is van een medisch urgentie situatie en daarmee geen wettelijke taak - kunnen worden verhaald op de verantwoordelijke partij. Bij deze verkenning dienen de volgende onderdelen te worden meegenomen: • Juridische context van de dienstverlenende taak. • Maatschappelijke kosten- en batenanalyse (inclusief beleving brandweerpersoneel en maatschappij op doorbelasten kosten). • Financiële kosten- en batenanalyse.
• Scenario's doorbelasting kosten voor deze taak, inclusief (best) practices uit andere veiligheidsregio's. • Organisatorische consequenties (o.a. facturatie- en incassoprocessen). 3e) Verkennen samenwerkingsmogelijkheden Het algemeen bestuur vraagt te verkennen welke samenwerkingen synergievoordelen en besparingsmogelijkheden zouden kunnen opleveren. Enerzijds gaat het om samenwerkingen met (ambtelijke) organisaties die op de schaal van de provincie Utrecht opereren. Anderzijds gaat het om samenwerking met de andere veiligheidsregio’s, bijvoorbeeld in Midden-Nederland. Nader onderzoek is nodig om te bepalen op welke terreinen intensivering van de samenwerking mogelijk is en wat daar kosten en opbrengsten van kunnen zijn. Op basis van dit voorstel zullen we het bestuur vragen om een aantal richtinggevende keuzes, om focus aan te brengen in de verkenning.
23
Colofon Dit is een uitgave van Veiligheidsregio Utrecht 2 december 2024
24